Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5184

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-01-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
405119 EJ VERZ 10-5049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst (7:685 BW)

Ontbinding afgewezen

verweerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar voor drugsdelicten

Ondanks veroordeling geen ontbinding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2011/68
JIN 2011/212
AR-Updates.nl 2011-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

zaaknr: 405119 EJ VERZ 10-5049

beschikking van 28 januari 2011

in de zaak

STICHTING ATRIUM MEDISCH CENTRUM PARKSTAD,

gevestigd en kantoorhoudend te [plaats],

verzoekster,

verder te noemen: Atrium,

gemachtigde: mr. J.A.M.G. Vogels, advocaat te Maastricht

tegen

[verweerder],

wonend te [adres],

verweerder,

verder te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. drs. A.L. van den Bergh, advocaat te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kantonrechter heeft kennis genomen van het op 3 december 2010 ingekomen verzoekschrift alsmede van het op 29 december 2010 ingekomen verweerschrift met bijlagen.

Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 4 januari 2011. Verzoekster is aldaar verschenen vertegenwoordigd door [manager facilitaire zaken] (Manager Facilitaire Zaken), Mw. [naam] en [HRM manager] (HRM Manager), alsmede bij haar gemachtigde mr. J. Vogels. Verweerder is verschenen in persoon bijgestaan door zijn raadsman mr. A. van den Bergh.

Op 6 januari 2011 zijn door Mr. A. van den Bergh – zulks op verzoek van de kantonrechter gedaan bij de behandeling van de onderhavige zaak op 4 januari 2011 – nog een aantal stukken in het geding gebracht waarop mr. J. Vogels bij brief van 7 januari 2011 – ingekomen ter griffie op 10 januari 2011 – heeft gereageerd.

Door de griffier is van de behandeling schriftelijk aantekening gehouden.

Vervolgens is de beslissing bepaald op heden.

MOTIVERING

Het verzoek en het verweer

[verweerder] is sedert [datum sub 1] bij Atrium in dienst laatstelijk in de functie van medewerker [functie].

Atrium verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewijzigde omstandigheden.

Daaraan legt zij ten grondslag dat [verweerder] – zakelijk weergegeven – op 12 maart 2009 is gearresteerd op verdenking van harddrugsgerelateerde strafbare feiten, waarna hij bij onherroepelijk vonnis d.d. 23 juni 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren onder aftrek van voorarrest.

Kort samengevat werd hij veroordeeld wegens het in bezit hebben van amfetamine, cocaïne en XTC-poeder, tevens het samen met anderen verrichten van voorbereidende handelingen voor de productie van amfetamine alsook de productie van amfetamine. Hij deed een en ander in het verband van een criminele organisatie.

Atrium is van mening dat zij, gezien deze veroordeling [verweerder] niet kan handhaven in zijn functie van medewerker [functie], uit hoofde van welke functie hij toegang heeft tot alle ruimtes die zich in het ziekenhuis van Atrium bevinden. Met name is daarbij van belang dat hij toegang heeft tot de apotheek en het laboratorium van Atrium, waarin naast opiaten ook diverse stoffen aanwezig zijn, die gebruikt zouden kunnen worden voor de vervaardiging van drugs.

Atrium is van oordeel dat zij uit hoofde van haar verantwoordelijkheid voor een gezondheidsorganisatie het zich niet kan permitteren een medewerker bij haar in dienst te houden, die zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die regelrecht indruisen tegen de volksgezondheid.

Voorts is Atrium van oordeel dat de veroordeling van [verweerder] voor het deelnemen aan een criminele organisatie voor veel onrust onder het overige personeel heeft gezorgd, omdat zij bang zijn voor inmenging op de werkvloer van deze criminele organisatie.

Het verweer van [verweerder] strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek en subsidiair tot toekenning aan hem van een vergoeding, waarbij hij er nog nadrukkelijk op wijst dat dit louter subsidiair is, hij wil zijn werk behouden. Hij betwist het door Atrium gestelde verband tussen de feiten waarvoor hij is veroordeeld en zijn werkzaamheden. Hij betwist ook dat zijn eventuele terugkeer veel onrust onder het overige personeel van zijn afdeling zou veroorzaken; hij heeft erop gewezen dat al zijn collega's zich bij een verklaring op [datum sub 2] hebben uitgesproken voor een spoedige terugkeer van [verweerder], die zij als een zeer prettige collega hebben ervaren binnen het team [team].

Op het overige verweer van [verweerder] zal hierna bij de beoordeling van het geschil – voor zover nodig en relevant – nader worden ingegaan.

De beoordeling

Allereerst heeft de kantonrechter zich ervan vergewist dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

Niet ter discussie staat dat de feiten waarvoor [verweerder] is veroordeeld, ernstig van aard zijn. De kantonrechter is – in dat opzicht met Atrium van oordeel – dat van een medewerker in een gezondheidsorganisatie verwacht had mogen worden dat hij meer verantwoordelijkheid zou hebben opgebracht en zich had moeten onthouden van daden die een gevaar opleveren voor de gezondheid van anderen. Daarin is ook enig verband gelegen met de werksituatie. Navolgend zal op dit verband nader worden ingegaan.

Atrium heeft, gezien de ernst en de aard van de feiten, dan ook het vertrouwen in [verweerder] verloren en vindt dat hij niet langer in haar organisatie thuishoort.

Wat de aard en de ernst van de feiten betreft heeft de rechtbank in haar vonnis van de Meervoudige Kamer van 23 juni 2010 aan duidelijkheid weinig te wensen overgelaten. [verweerder] heeft ter zake aangevoerd dat hij slechts een "bescheiden" aandeel in de gewraakte feiten heeft gehad.

De kantonrechter zal in het navolgende geen nader onderzoek instellen naar de rol of het aandeel dat [verweerder] daadwerkelijk bij het begaan van de strafbare feiten heeft gespeeld casu quo heeft gehad. De kantonrechter heeft ter zake kennis genomen van het oordeel van de rechtbank, die de handelwijze van [verweerder] verwerpelijk vindt en dan ook een forse straf oplegt, maar anderzijds ook meeweegt dat [verweerder] geen documentatie heeft, behoudens een andersoortig feit dat dateert van bijna 20 jaar geleden, hij daarnaast spijt heeft betuigd en aangenomen mag worden dat hij nu zijn verantwoordelijkheid lijkt te hebben genomen. Tevens werd er rekening mee gehouden dat de rol van [verweerder], hoewel niet gering, toch slechts een uitvoerende was, zo begrijpt de kantonrechter de overwegingen van de rechtbank.

De kantonrechter zal de feiten beoordelen aan de hand van het actuele juridisch kader inzake het einde van een arbeidsovereenkomst wegens detentie.

Al geruime tijd stelt de rechtspraak zich op het standpunt dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van het enkele feit dat de werknemer gedetineerd is, niet wordt gehonoreerd. Er is een lijn te zien in de rechtspraak, waaruit blijkt dat het einde van de arbeidsovereenkomst (slechts) mogelijk is indien er naast de afwezigheid wegens detentie, voldoende grond gelegen is in het feit waarvoor de werknemer is gedetineerd; dan is van belang de vraag of dat feit (voldoende) samenhang vertoont met de door de werknemer verrichte werkzaamheden.

Deze lijn is door de Hoge Raad recent nader uitgewerkt in zijn uitspraak van 17 december 2010 (JAR 2011, 19).

De Hoge Raad overweegt, voor zover voor het onderhavige geval van belang:

"Er bestaat geen grond voor een algemene "subregel" dat werkverzuim als gevolg van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, een dringende reden vormt die ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dat geldt evenzeer indien het werkverzuim het gevolg is van een veroordeling wegens een ernstig delict, waardoor de werknemer nog geruime tijd gedetineerd blijft".

en

"Het Hof heeft terecht gewicht toegekend aan de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer, het feit dat het strafbare feit in geen verband stond met zijn werkzaamheden, zich in de privésfeer heeft voltrokken en op zijn functioneren geen negatieve invloed heeft gehad, alsmede aan het feit dat de werknemer voortreffelijk functioneerde en dat de werkgeefster geen directe schade heeft geleden door de detentie".

Weliswaar heeft de hier bedoelde uitspraak van de Hoge Raad betrekking op een werknemer die op staande voet werd ontslagen, maar het lijkt duidelijk dat deze overwegingen ook dienen te gelden in het onderhavige geval, waarin Atrium weliswaar de ontbinding uitsluitend verzoekt op grond van gewijzigde omstandigheden en niet op grond van een dringende reden, maar dit acht de kantonrechter niet van doorslaggevend belang. In zijn materiële gevolgen is een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op korte termijn door middel van een procedure tot ontbinding op grond van gewijzigde omstandigheden – waarbij de werkgever met nadruk stelt dat aan de werknemer geen vergoeding behoort te worden toegekend – nagenoeg gelijk te stellen aan een ontslag op staande voet.

Enig verband tussen de gepleegde feiten en de werkzaamheden is weliswaar – zoals hiervoor al overwogen – aanwezig in die zin dat een medewerker in de gezondheidszorg zich extra rekenschap dient te geven van de risico's van drugsgebruik dat hij door strafbare feiten heeft bevorderd, maar de vraag is of hier van een voldoende – rechtens relevant – verband kan worden gesproken. De betekenis van dit vereiste is immers gelegen in een daadwerkelijk verband tussen de werkzaamheden en het strafbare feit. In casu is gesteld noch gebleken dat [verweerder] op enigerlei wijze gebruik heeft gemaakt van zijn functie en de mogelijkheden die deze hem zou bieden, bij het plegen van de strafbare feiten. Het door Atrium gestelde verband is van algemene aard en te ver verwijderd van de feitelijke handelingen van [verweerder],die zich immers geheel in zijn privésfeer hebben voltrokken. Aldus begrepen zou dit vereiste verband tussen het delict en de werkzaamheden te zeer worden opgerekt. Dan zou bijvoorbeeld kunnen gelden dat iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal bij een derde, als werknemer bij een winkelbedrijf zonder meer zou kunnen worden ontslagen, omdat hij er nu eenmaal blijk van heeft gegeven geen onderscheid te kunnen maken tussen mijn en dijn, ook al zou die winkeldiefstal niets met zijn eigen werkgever te maken hebben.

Daarbij is ook van belang dat [verweerder] zich gedurende zijn langdurige dienstverband bij Atrium heeft gedragen als een betrouwbaar medewerker. Zijn toenmalige manager, [manager], die werd geraadpleegd in het kader van de rapportage van de Mondriaanstichting aan de Officier van Justitie (productie 3 bij verweer) noemt hem een zeer goede kracht die zeer goed functioneerde op de afdeling. Ook het contact met zijn collega's is zeer goed te noemen.

Zij geeft aan dat zij hem graag terugziet op de afdeling. Deze verklaring heeft zij verstrekt ná de arrestatie van [verweerder], maar vóór zijn veroordeling. Dit oordeel is niettemin van belang in verband met de zorg die Atrium met name bij pleidooi heeft uitgesproken vanuit haar verantwoordelijkheid voor een gezondheidsorganisatie aan wier zorg patiënten zijn toevertrouwd.

In dit verband wijst Atrium erop dat [verweerder] als medewerker [team] zich vrij kan bewegen in een omgeving waarin gewerkt wordt met stoffen die gebruikt kunnen worden voor de vervaardiging van drugs.

Ter zake overweegt de kantonrechter allereerst dat aangenomen mag worden dat [verweerder] zich als medewerker [team] in een ziekenhuis niet vrijelijk toegang kan verschaffen tot een laboratorium of apotheek en zich aldaar de vereiste stoffen voor vervaardiging van drugs zonder enige belemmering zou kunnen toe-eigenen. Het is evident dat bij het beheer en het beschikbaar stellen van dergelijke stoffen nauwkeurige protocollen en voorschriften gelden, waarvan aangenomen moet worden dat die in een ziekenhuis als Atrium ook nauwlettend in acht worden genomen. [verweerder] heeft ter zake onbetwist gesteld dat hij in zijn functie geen vrije toegang heeft tot het laboratorium en/of apotheek.

Deze zorg zou Atrium ook tot aanvaardbare proporties kunnen terugbrengen door de toegang van [verweerder] tot bepaalde afdelingen met gebruikmaking van zijn pas, onmogelijk te maken, dan wel door hem een andere passende functie aan te bieden, waarbij zijn werkterrein binnen het ziekenhuis beperkt is en hij in andere afdelingen niets te zoeken heeft. [verweerder] heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat hij daaraan volledige medewerking zou willen verlenen.

Dat de collega’s bang zijn voor een terugkeer op de werkvloer van [verweerder] kan niet zonder meer als een vaststaand gegeven worden aangenomen. Ter zitting is deze stelling allereerst door [verweerder] met klem weersproken. Daarnaast mag aangenomen worden dat zijn directe collega’s, toen zij begin [datum sub 3] hun steun betuigden en zijn terugkeer bepleitten,toch wel in grote lijnen wisten waarvoor [verweerder] was gearresteerd. Hij zat toen immers al 4 maanden in voorarrest,zodat zij ook beseft zullen hebben dat het niet om een bagatelzaak ging.

Nu, zoals vooroverwogen, vastgesteld moet worden dat er geen sprake is van een voldoende direct verband tussen de strafbare feiten en de werkzaamheden, dient ook gewicht toegekend te worden aan de overige relevante omstandigheden, zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd van [verweerder], het feit dat het strafbare feit zich in de privésfeer heeft voltrokken en op zijn functioneren geen negatieve invloed heeft gehad, alsmede aan het feit dat hij goed heeft gefunctioneerd en dat Atrium geen directe schade heeft geleden door de detentie. Op basis van het resultaat van de weging van deze omstandigheden acht de kantonrechter het gerechtvaardigd dat [verweerder] een tweede kans krijgt.

Hiervoor is al vastgesteld dat hij goed heeft gefunctioneerd en dit arbeidsverleden in samenhang met de lange duur daarvan, maken aannemelijk dat een herstel van de vertrouwensrelatie mogelijk kan worden geacht.

Daarbij is tevens van belang dat op basis van het reclasseringsrapport kan worden vastgesteld dat het recidive-risico wordt ingeschat als laag en dat de overige objectieve omstandigheden, zoals huisvesting en wonen, relatie met partner en overige in het rapport genoemde omstandigheden, gunstig genoemd kunnen worden en mogen doen verwachten dat [verweerder] tot inzicht is gekomen zoals ook door de Rechtbank in andere bewoordingen werd vastgesteld.

Anderzijds geldt dat bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst de prognose negatief is. Het hebben en behouden van een baan is veelal de beste manier om iemand op het rechte pad te houden (of weer te krijgen).

Al het voor overwogene lijdt ertoe dat het verzoek zal worden afgewezen.

De kantonrechter acht voorts termen aanwezig, mede gelet op de aard van de onderhavige zaak, de kosten van deze procedure geheel te compenseren in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Beschikt

De kantonrechter:

wijst het verzoek af.

Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. J.M.A.F. Coenegracht, kantonrechter, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.