Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5133

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
03-703910-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaak. Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen. Hoewel het justitieel onderzoek niet volgens de regels der kunst is geschied, is dit niet opzettelijk gebeurd om verdachte in zijn belangen te schaden.

Bewijsminimum en overtuiging in zedenzaken. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703910-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 februari 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsvrouwe is mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 februari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zijn vingers in de vagina van zijn stiefdochter heeft gebracht, terwijl zij nog geen

twaalf jaar oud was;

Feit 2: zijn vingers in de vagina van zijn stiefdochter heeft gebracht, terwijl zij ouder dan

twaalf, maar jonger dan zestien jaar was;

Feit 3: ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter danwel buiten echt ontucht

heeft gepleegd met iemand beneden de zestien jaar;

Feit 4: zijn vingers in de vagina van zijn andere stiefdochter heeft gebracht, terwijl zij nog

geen twaalf jaar oud was.

3 De voorvragen

Het beroep op de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouwe heeft primair bepleit het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren. Er zijn dermate grote schendingen van een behoorlijke procesorde geweest dat er sprake is van een vormverzuim. Haar voorgangster, mr. H., had al gewezen op grote discrepanties tussen de geluidsbanden en de uitgewerkte verhoren van de beide aangeefsters en de sturende rol die de verhorende verbalisanten bij de verhorende rol hebben gehad. Dat was de reden voor haar om te verzoeken tot een deskundigenonderzoek van de betrouwbaarheid van verklaringen van de aangeefsters. Uit het rapport van de deskundige [H.] blijkt dat de verbalisanten onzorgvuldig en onprofessioneel hebben gehandeld. Zo zijn er discrepanties tussen de geluidsbanden van de verhoren en de uitgewerkte verhoren, hebben verbalisanten suggestieve en sturende vragen gesteld en waren de verbalisanten vooringenomen. Reeds hierom dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast is de verdediging ondanks uitdrukkelijke verzoeken daartoe niet toegelaten tot de nadere verhoren van getuigen en aangeefsters bij de politie, tot welke verhoren de rechtbank opdracht had gegeven. Er zijn toen geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat het belang van de potentiële slachtoffers zwaarder diende te wegen dan het verdedigingsbelang. Het verdedigingsbelang is hierdoor dermate geschonden dat is voldaan aan het Zwolsman-criterium en het openbaar ministerie ook daarom niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat, hoewel er sprake is van ondermaatse en/of onzorgvuldige verhoren, het openbaar ministerie toch ontvankelijk in de vervolging is, nu er geen sprake is van bewuste misleiding door verbalisanten.

De rechtbank komt tot navolgende bevindingen. Door de deskundige [H.] is een rapport opgesteld met betrekking tot, kort weergegeven, de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters. Uit dit rapport blijkt dat er vele manco’s zitten aan deze verhoren. Het gaat dan om de fouten zoals de verdediging bij pleidooi heeft genoemd. De rechtbank schaart zich achter deze bevindingen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het onderzoek niet volgens de regels der kunst is geschied. Nergens heeft de rechtbank echter enige aanwijzing kunnen vinden dat een en ander opzettelijk is gedaan met het oogmerk om verdachte in zijn belangen te schaden. Aan het zogenaamde Zwolsman-criterium is dan ook niet voldaan.

Het feit dat de raadsvrouwe van verdachte niet is toegelaten tot de nadere verhoren van getuigen en aangeefsters bij de politie is nog geen grond om enkel daarom het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren.

De conclusie is dan ook dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd. Het rapport van de deskundige [H.] geeft aan dat verbalisanten de aangeefsters ondermaats verhoord hebben en dat er verschillen zitten tussen hetgeen op de bandopname is te beluisteren en is uitgewerkt op papier. Verder is er in het dossier geen steunbewijs te vinden voor de verklaringen van aangeefsters, terwijl verdachte consequent ontkent. Aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor al hetgeen ten laste is gelegd, dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft subsidiair vrijspraak bepleit. Uit het rapport van de deskundige [H.] blijkt dat aangeefsters op ondeskundige wijze zijn gehoord en de aangiftes vaag en niet consistent zijn en ook inhoudelijk niet kloppen. Tevens is er geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefsters. Hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd kan daardoor niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte dient dus te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In zaken van seksueel misbruik ziet de rechtbank zich vaak geplaatst voor bewijsproblemen. Dat komt omdat bij dergelijke delicten doorgaans alleen het slachtoffer en de dader aanwezig zijn. Indien de verdachte dan ontkent ontstaat er een situatie van één tegen één. Ook in deze zaak is dat aan de orde. De rechtspraak kan in dergelijke zaken toch tot een veroordeling komen door de regels van het bewijsminimum zo uit te leggen dat met slechts een zeer beperkte vorm van steunbewijs kan worden volstaan. Omdat de rechter echter ook de overtuiging moet hebben dat het feit is gepleegd, zal dat alleen kunnen als de verklaring van de aangever boven iedere twijfel is verheven.

In dit geval moet de rechtbank vaststellen dat door de manier waarop de aangeefsters zijn verhoord dat niet meer het geval is Er wordt in de aangiftes weinig in detail gesproken, de vragen zijn vaak leidend van aard en de verbalisanten blijken vanaf het begin overtuigd te zijn van de schuld van de verdachte, wat de vraag oproept of wel voldoende kritisch is gerechercheerd.

Daarnaast bevat het dossier geen steunbewijs om de vraagtekens die de aangiftes onbeantwoord laten in te vullen.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er zo veel ruimte voor twijfel blijft dat zij niet in staat is om met de in rechte vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat verdachte de hem verweten feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] vorderen een voorschot op hun schadevergoeding ter grootte van € 5.000,- terzake van de feiten 1 tot en met 3 respectievelijk terzake van feit 4.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, kunnen de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] niet in hun vorderingen worden ontvangen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1[p/a adres benadeelde partij 1] respectievelijk [naam benadeelde partij 2], [p/a adres benadeelde partij 2]niet ontvankelijk in hun vorderingen;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Koonen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 juni 2003 tot en met 21 juni 2004 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, met [naam benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [naam benadeelde partij 1], hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 1] geduwd/gebracht;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 juni 2004 tot en met 31 augustus 2007 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) met [naam benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum benadeelde partij 1], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [naam benadeelde partij 1], hebbende hij, verdachte, (telkens) opzettelijk zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 1] geduwd/gebracht;

3.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 juni 1999 tot en met 31 augustus 2007 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn, verdachtes, minderjarig stiefkind, te weten met [naam benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum benadeelde partij 1], immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk de/een borst(en) en/of de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 1] betast en/of vastgepakt en/of daarover gewreven en/of (telkens) met zijn, verdachtes, penis over/langs een/de be(e)n(en) en/of een/de heup(en) van voornoemde [naam benadeelde partij 1] gewreven en/of gelikt aan de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 1] en/of (telkens) zijn, verdachtes, penis doen betasten en/of doen vastpakken en/of zich doen aftrekken door voornoemde [naam benadeelde partij 1];

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 juni 1999 tot en met 31 augustus 2007 in de gemeente Brunssum, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [naam benadeelde partij 1], geboren op [geboortedatum benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk de/een borst(en) en/of de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 1] betast en/of vastgepakt en/of daarover gewreven en/of (telkens) met zijn, verdachtes, penis over/langs een/de be(e)n(en) en/of een/de heup(en) van voornoemde [naam benadeelde partij 1] gewreven en/of gelikt aan de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 1] en/of (telkens) zijn, verdachtes, penis doen betasten en/of doen vastpakken en/of zich doen aftrekken door voornoemde [naam benadeelde partij 1];

4.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997, in elk geval in het jaar 1997 in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, met [naam benadeelde partij 2], geboren op 9 juli 1989, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen, althans eenmaal (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [naam benadeelde partij 2], hebbende hij, verdachte, (telkens) opzettelijk een of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van voornoemde [naam benadeelde partij 2] geduwd/gebracht;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/703910-07

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 22 februari 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen

14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar.