Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5002

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
17-02-2011
Zaaknummer
03-702714-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Aan verdachte werd -kort gezegd- ten laste gelegd het aanwerven en/of medenemen van twee vrouwen vanuit het buitenland met het oogmerk hen tot prostitutie te brengen (artikel 273f lid 1 aanhef en onder 3 Sr).

De verdediging pleitte ervoor verdachte van beide feiten vrij te spreken, nu voor het op ongeoorloofde wijze profijt trekken uit de werkzaamheden van beide vrouwen noch voor het door hen niet volledig vrij kunnen beslissen tot het bedrijven van prostitutie, bewijs aanwezig zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu de delictsomschrijving niet eist niet dat er voor een bewezenverklaring of voor strafbaarheid sprake van moet zijn dat op ongeoorloofde wijze profijt wordt getrokken uit de werkzaamheden van degenen die zijn aangeworven of medegenomen of dat diegenen niet volledig vrij tot het bedrijven van prostitutie hebben kunnen beslissen.

Dat die eisen niet worden gesteld, is ook logisch, nu het feit reeds voltooid is door het enkele met genoemd oogmerk aanwerven of medenemen van een persoon, zonder dat dat oogmerk hoeft te zijn voltooid. Met andere woorden, de betrokken persoon hoeft niet daadwerkelijk in de prostitutie werkzaam te zijn geweest.

Daarnaast blijkt uit het gegeven dat het voordeeltrekken uit (verschillende vormen van) mensenhandel afzonderlijk strafbaar is gesteld in artikel 273f lid 1 aanhef en onder 6, 7, 8 en 9 van het Wetboek van Strafrecht, dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dit bestanddeel niet relevant te achten voor de delictsomschrijving van artikel 273f lid 1 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/702714-08

Datum uitspraak: 16 februari 2011

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2011 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 9 juni 2008 in de

gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, in ieder geval in

Nederland en/of te Hechtel-Eksel en/of te Houthalen-Helchteren, in ieder

geval in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans

alleen, een ander, te weten [slachtoffer 1] heeft aangeworven (vanuit Kirgizië,

althans vanuit een ander land dan Nederland en/of België) en/of heeft

medegenomen (vanuit Kirgizië, althans vanuit een ander land dan Nederland

en/of België) met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten in

Nederland en/of in België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot

het verrichten van (een) seksuele handeling(en) met en/of voor een derde tegen

betaling, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 9 juni 2008 in de

gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, in ieder geval in

Nederland en/of te Hechtel-Eksel en/of te Houthalen-Helchteren, in ieder geval

in België, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

een ander, te weten [slachtoffer 2] heeft aangeworven (vanuit Kirigizië)

en/of medegenomen (vanuit Kirgizië) met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een

ander land, te weten in Nederland en/of in België, ertoe te brengen zich

beschikbaar te stellen tot het verrichten van (een) seksuele handeling(en) met

en/of voor een derde tegen betaling, terwijl het feit werd gepleegd door twee

of meer verenigde personen.

Verbeterde lezing van de tenlastelegging:

In feit 1 regel 4 en in feit 2 regel 4 van de dagvaarding staat de zinsnede ‘tezamen en in vereniging met anderen of een ander’, terwijl in feit 1 regel 11 en in feit 2 regels 9 en 10 de zinsnede ‘terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen’ is opgenomen. Beide zinsneden zien op (een variant van) het zogenoemde medeplegen. Nu dit medeplegen kennelijk abusievelijk tweemaal in beide feiten is opgenomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd door de woorden ‘tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,’ in de regels 4 en 5 van feit 1 en in regel 4 van feit 2 te schrappen.

De verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

zij in de periode van 1 juli 2007 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Heerlen en elders in Nederland een ander, te weten [slachtoffer 1] heeft aangeworven (vanuit Kirgizië) met het oogmerk die [slachtoffer 1] in een ander land, te weten in Nederland en/of in België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2

zij in de periode van 1 juli 2007 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Heerlen en elders in Nederland een ander, te weten [slachtoffer 2] heeft aangeworven (vanuit Kirgizië) met het oogmerk die [slachtoffer 2] in een ander land, te weten in Nederland en/of in België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met

en/of voor een derde tegen betaling, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

P.M.

Bijzondere overweging ten aanzien van het bewijs

De verdediging heeft onder verwijzing naar een vonnis van deze rechtbank d.d. 6 februari 2008 met vindplaats LJN BC4379 aangevoerd, dat slechts tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan worden gekomen wanneer bewijsbaar is dat verdachte op ongeoorloofde wijze economisch profijt heeft getrokken uit de werkzaamheden van [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2) dan wel dat beide vrouwen niet volledig vrij tot het bedrijven van prostitutie hebben kunnen beslissen.

De verdediging pleit er voor verdachte van beide feiten vrij te spreken, nu voor het op ongeoorloofde wijze profijt trekken uit de werkzaamheden van beide vrouwen noch voor het door hen niet volledig vrij kunnen beslissen tot het bedrijven van prostitutie, bewijs aanwezig is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

In artikel 273f lid 1 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht is onder meer strafbaar gesteld het aanwerven of medenemen van een ander met het oogmerk die ander in een ander land -kort gezegd- tot prostitutie te brengen. Deze delictsomschrijving eist niet dat er voor een bewezenverklaring of voor strafbaarheid sprake van moet zijn dat op ongeoorloofde wijze profijt wordt getrokken uit de werkzaamheden van degenen die zijn aangeworven of medegenomen of dat diegenen niet volledig vrij tot het bedrijven van prostitutie hebben kunnen beslissen.

Dat die eisen niet worden gesteld, is ook logisch, nu het feit reeds voltooid is door het enkele met genoemd oogmerk aanwerven of medenemen van een persoon, zonder dat dat oogmerk hoeft te zijn voltooid. Met andere woorden, de betrokken persoon hoeft niet daadwerkelijk in de prostitutie werkzaam te zijn geweest.

Daarnaast blijkt uit het gegeven dat het voordeeltrekken uit (verschillende vormen van) mensenhandel afzonderlijk strafbaar is gesteld in artikel 273f lid 1 aanhef en onder 6, 7, 8 en 9 van het Wetboek van Strafrecht, dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen dit bestanddeel niet relevant te achten voor de delictsomschrijving van artikel 273f lid 1 aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Kortom, de wetgever heeft het ‘simpelweg’ aanwerven of medenemen van een persoon met het oogmerk om die in een ander land tot prostitutie te brengen strafbaar gesteld. Daarmee werd voldaan aan de verplichting, voortvloeiend uit het Internationaal Verdrag van Genève van 11 oktober 1933 (Stb. 1935, 598).

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de strafbare feiten die als volgt moeten worden gekwalificeerd:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Hiertoe heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat mededader [naam medeverdachte] tot eenzelfde straf is veroordeeld terzake van dezelfde feiten. Deze straf acht hij passend, nu van uitbuiting of dwang geen sprake is geweest.

De officier van justitie kan zich niet vinden in het advies van de reclassering om aan verdachte een werkstraf op te leggen, nu hij het opleggen van een werkstraf niet gepast vindt bij een delict als mensenhandel.

De verdediging heeft aangevoerd dat in geval van strafoplegging rekening dient te worden gehouden met het volgende:

- er is sprake van het minst strafwaardige misdrijf uit artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, waarbij van uitbuiting, dwang, misleiding en dergelijke geen sprake is geweest;

- het gaat om een beperkte periode waarin de vrouwen feitelijk als prostituee werkzaam zijn geweest.

Nu verdachte geen gebruik heeft gemaakt van dwangmiddelen, geen oogmerk heeft gehad tot uitbuiting en geen voordeel heeft getrokken uit de werkzaamheden van de vrouwen, acht de verdediging een straf, gelijk aan het voorarrest, op zijn plaats.

Voorts verzoekt de verdediging strafvermindering toe te passen ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn, nu na de inverzekeringstelling van verdachte op 10 juni 2008 meer dan twee jaren zullen zijn verstreken, alvorens vonnis wordt gewezen.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met een ander of anderen twee vrouwen vanuit Kirgizië aangeworven om hen in Nederland en/of België tot prostitutie te brengen. Een van deze vrouwen, te weten [slachtoffer 1], was op dat moment 23 jaar oud en dus nog relatief jong.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde tot een van de lichtere mensenhandeldelicten uit artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht behoort, in die zin dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat op de slachtoffers op enigerlei wijze dwang wordt uitgeoefend. Niettemin heeft de wetgever ervoor gekozen om op deze vorm van mensenhandel, in vereniging gepleegd, een maximale gevangenisstraf van twaalf jaren te stellen. Dit betekent dat het (samen met een ander) aanwerven of medenemen van een persoon om die in een ander land tot prostitutie te brengen, ook zonder dat deze persoon wordt gedwongen, een ernstig strafbaar feit is.

Gelet hierop en op de relatief jonge leeftijd van [slachtoffer 1], acht de rechtbank in beginsel de gevorderde gevangenisstraf van zes maanden op zijn plaats.

Bij het bepalen van de strafmaat en -modaliteit houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte werd op 10 juni 2008 in deze zaak in verzekering gesteld. Vanaf dat moment kon zij verwachten dat zij voor deze zaak zou worden vervolgd en is dus de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen. Nu ongeveer 32 maanden na die datum vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn van twee jaar met acht maanden overschreden. Gelet hierop en op de ouderdom van de bewezenverklaarde feiten, zal de rechtbank aan de verdachte, naast een gevangenisstraf van 44 dagen -zijnde de tijd die ze in voorarrest heeft doorgebracht-, de maximale werkstraf voor de duur van 240 uren opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee de termijnoverschrijding genoegzaam gecompenseerd.

De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 28.040,- terzake van feit 1.

Deze schade zou bestaan uit: inkomstenderving, vanwege het afnemen van haar inkomsten, kosten voor psychotherapie en immateriële schade vanwege toegebracht letsel, een voortdurende dreigende situatie en seksuele uitbuiting.

Voor de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering is op grond van artikel 361 lid 2 aanhef en onder b van het Wetboek van Strafvordering noodzakelijk dat aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Bewezenverklaard is onder feit 1 -kort gezegd- het aanwerven van de benadeelde partij vanuit Kirgizië met het oogmerk haar in Nederland en/of België tot de prostitutie te brengen. De benadeelde partij heeft niet aangevoerd dat dit aanwerven haar rechtstreeks schade heeft toegebracht. De schade die zij vordert is hooguit indirecte schade door het bewezenverklaarde feit.

Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 44 dagen;

- beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde voorts tot een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], [adresgegevens] (België), in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. A.J. Hazen en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 16 februari 2011.