Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3519

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
03-703190-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:2630, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:2631, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte ter zake van het medeplegen van een gewoonte maken van heling van (onderdelen van) motoren. Verdachte vormde een wezenlijke schakel in het op een professionele en georganiseerde manier te koop aanbieden van motoren aan kopers, die dachten een legale motor te kopen. Mede door het handelen van verdachte is het vertrouwen in de motorbranche ernstig geschaad. Heling is een ernstig misdrijf, omdat het de dieven aan het stelen houdt. Volgt, mede gelet op enerzijds het strafblad van verdachte en anderzijds op de overschrijding van de redelijke termijn (art. 6 EVRM), veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen motorblok waarop een vals motornummer is aangetroffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703190-06

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Raadsman is mr. K.D. Regter, advocaat te Heerlen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 5 en 6 oktober 2010 en van 5 en 6 januari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun respectieve standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een gewoonte maakte van het helen van motoren en motoronderdelen, of in elk geval dat verdachte samen met anderen meermalen motoren en motoronderdelen heeft geheeld.

3 De voorvragen

De raadsman heeft naar voren gebracht dat er sprake is van vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld en die zo ernstig zijn dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Verzuim I

De officier van justitie heeft medewerking verleend aan een onderzoek door het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum). In de publicatie van dit onderzoek is volgens de raadsman de onderhavige strafzaak duidelijk herkenbaar. Bovendien wordt er in de publicatie gebruik gemaakt van de woorden “dader” en “heler”, wat in strijd is met de onschuldpresumptie. Nu de officier van justitie persoonlijk in het kader van het WODC-onderzoek is geïnterviewd, is dit principe door hem geschonden.

Verzuim II

Daarnaast heeft de raadsman bij herhaling verzocht om toevoeging aan het dossier van stukken die afkomstig zijn uit eerdere politieonderzoeken en betrekking hebben op de start van het onderzoek in de onderhavige strafzaak. De raadsman is van mening dat de officier van justitie vervolgens bewust niet alle stukken heeft aangeleverd die beschikbaar zijn.

Verzuim III

Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat de politie bij het verhoor misleidende informatie aan verdachte heeft voorgehouden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het eerste verweer van de raadsman. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Voor de rechtbank brengt het enkele feit dat de officier van justitie staat vermeld in het overzicht van personen die zijn geïnterviewd in het kader van het WODC-onderzoek, niet mee dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor de in die publicatie gebezigde terminologie. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim dat zo ernstig is dat het recht van verdachte op een onafhankelijke en eerlijke behandeling van zijn zaak is geschonden, met als gevolg dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is.

Evenmin is gebleken dat de officier van justitie bewust stukken buiten het onderhavige dossier heeft gehouden. De officier van justitie heeft op last van de rechtbank stukken aangeleverd, die verband hielden met andere onderzoeken door de politie en heeft hierover verantwoording afgelegd. Op grond hiervan heeft de rechtbank geen concrete informatie dat er stukken aan de verdediging en de rechtbank zijn onthouden, die van invloed kunnen zijn op enige door de rechtbank op de voet van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing.

Tot slot verbindt de rechtbank geen gevolgen aan het voorhouden van onjuiste informatie tijdens een van de verhoren van verdachte. De rechtbank constateert met de raadsman dat aan verdachte, die verhoord is over meerdere specifieke motoren, is voorgehouden dat een bepaald voertuigidentificatienummer (VIN) op een motor van het merk Kawasaki was vervalst (p. 454 van het dossier). Uit het technisch rapport blijkt echter dat niet het VIN van deze motor vervalst was, maar het identificatienummer van het motorblok. Dat is onjuiste informatie, maar dat betekent niet dat geconcludeerd moet worden dat deze onjuiste informatie een geheel andere strekking had dan de werkelijke onderzoeksgegevens, noch dat deze foutieve informatie aan verdachte werd voorgehouden om hem te misleiden. Bovendien blijkt niet uit het verhoor dat verdachte op basis van deze foutieve informatie enige voor hem nadelige verklaring heeft afgelegd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoonteheling. Volgens de officier van justitie heeft verdachte veelvuldig gestolen motoren geleverd aan [medeverdachte 1] (hierna te noemen [MEDEVERDACHTE 1]). De gestolen motoren werden vervolgens omgekat en als legale motoren verkocht aan de klanten van [MEDEVERDACHTE 1].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd niet gebruikt mogen worden voor het bewijs. De politie heeft verdachte er immers niet op gewezen dat hij het recht heeft voorafgaand aan zijn verhoor een advocaat te raadplegen. Overeenkomstig de Salduz-jurisprudentie moet bewijsuitsluiting het gevolg zijn van dit verzuim.

De raadsman heeft verder geconcludeerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een bewezenverklaring en dat verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Inleiding

Op 8 augustus 2006 vindt er een doorzoeking plaats bij [MEDEVERDACHTE 1], gelegen in Eindhoven, omdat het openbaar ministerie het bedrijf ervan verdenkt dat het gestolen motoren heelt. Ook worden in Luyksgestel een loods en de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] doorzocht.

[MEDEVERDACHTE 1] handelt in motoren en wordt bestuurd door [medeverdachte 3] [medeverdachte 3] op haar beurt wordt bestuurd door [medeverdachte 2] en zijn echtgenote. [medeverdachte 2] heeft de dagelijkse en zakelijke leiding over [MEDEVERDACHTE 1]. Verdachte is werknemer van [MEDEVERDACHTE 1].

Kort voorafgaand aan en tijdens de doorzoeking op 8 augustus 2006 krijgt de politie aanwijzingen dat er bij [MEDEVERDACHTE 1] met identificatienummers van motoren is geknoeid. Bij de doorzoeking wordt een groot aantal motoren in beslag genomen, alsmede diverse losse onderdelen van motoren, waaronder motorframes en motorblokken. Verder neemt de politie goederen in beslag in de vermoedelijke omkatplaats van het bedrijf. Er worden motorblokken aangetroffen, waarvan de politie bij de doorzoeking de identificatienummers noteert. Als de politie later terugkomt om ook deze motorblokken in beslag te nemen, zijn deze niet meer bij het bedrijf aanwezig.

Naar aanleiding van de resultaten van de doorzoeking heeft de politie klanten van [MEDEVERDACHTE 1] benaderd, omdat het vermoeden bestond dat zij mogelijk (delen van) een van diefstal afkomstige motor hadden gekocht. Door 19 klanten is vervolgens aangifte gedaan van oplichting.

Deskundigen van het Permanent Autoteam (PAT) van de politie hebben forensisch-technisch onderzoek verricht aan de in beslag genomen motoren en motoronderdelen. In dat kader is gebruik gemaakt van opgevraagde facturen van een Duitse firma in tweedehands motoren en tweedehands motoronderdelen, [getuige 4] te Fuldatal in Duitsland.

In relatie tot de aangetroffen motoren bevat het dossier een groot aantal facturen afkomstig van genoemde firma. Blijkens deze facturen heeft een persoon, genaamd [W.], van [getuige 4] vele motorframes met bijbehorende papieren gekocht, alsmede diverse onderdelen voor motoren. Uit telefoongesprekken tussen verdachte en [getuige 4], waarin verdachte de naam [W.] gebruikt, leidt de rechtbank af dat [W.] en [verdachte], verdachte, een en dezelfde persoon zijn.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte betrokken is geweest bij strafbare activiteiten van [MEDEVERDACHTE 1] en medeverdachte [medeverdachte 2], meer in het bijzonder bij heling van gestolen motoren en motoronderdelen.

Daarbij zal de rechtbank geen acht slaan op de verklaringen van verdachte zelf, nu de rechtbank het standpunt van de raadsman, dat de politie verdachte op zijn consultatierecht had moeten wijzen, onderschrijft. In dat verband doet het niet ter zake dat ten tijde van de verhoren van verdachte in 2006 het Europese Hof voor de Rechten van de Mens nog geen uitspraak had gedaan in de Salduz-zaak, zoals de officier van justitie heeft aangevoerd. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim, dat zo ernstig is dat dit tot bewijsuitsluiting moet leiden. De rechtbank zal daarom de verklaringen van verdachte die hij bij de politie heeft afgelegd niet gebruiken voor het bewijs.

4.3.2. Bespreking van het bewijs

De werkplaats

In een van de twee werkplaatsen van [MEDEVERDACHTE 1] zijn onder andere de volgende goederen aangetroffen:

- een motor van het merk BMW, type K1200RS;

- een frame van een motor van het merk Suzuki, type Hayabusa;

- een frame van een motor van het merk Yamaha;

- twee frames van het merk Honda;

- een kunststof bak met daarin een verzameling slagletters en -cijfers in diverse maten, afmetingen en lettersoorten;

- in deze kunststofbak een briefje met daarop een nummer;

- een zak straalgrit;

- spuitbussen in de framekleuren zwart, grijs;

- een straalapparaat;

- een lintschuurmachine/powervijl.

Onderzoek aan de goederen uit de werkplaats

Een aantal in beslag genomen goederen uit de werkplaats is onderzocht door forensisch-technisch deskundigen van het PAT. Uit deze onderzoeken is het volgende gebleken.

De BMW K1200RS

Van deze motor was het voertuigidentificatienummer (VIN) verwijderd. De deskundige [B.] trof op het frame sporen aan van parelstralen. De identiteit van het frame kon niet worden vastgesteld. De motor en de versnellingsbak van de aangetroffen BMW waren oorspronkelijk gemonteerd op een andere BMW-motor, voorzien van een Duits kenteken. Deze laatste motor stond als ontvreemd gesignaleerd en was, volgens aangever [aangever 1], in Maastricht gestolen op 23 juli 2009.

Over het parelstralen en de in de werkplaats aangetroffen goederen, waaronder de slagletters, heeft de deskundige [B.] een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Ter terechtzitting heeft hij een toelichting gegeven aan de hand van een presentatie van foto’s van de werkplaats. Kort samengevat is volgens de deskundige [B.] het materiaal dat is aangetroffen in de werkplaats bruikbaar voor zowel het verwijderen van chassisnummers door parelstralen als het aanbrengen van chassisnummers.

Het frame van een Suzuki Hayabusa

Op dit frame werd een VIN aangetroffen, dat door de fabrikant was aangebracht, evenwel met uitzondering van de laatste 5 cijfers, die waren overgeslagen. Na een etsbehandeling werd een ander VIN zichtbaar, behorende bij een motor die als ontvreemd stond gesignaleerd. Deze laatste motor was, volgens aangever [aangever 2], in Den Haag gestolen in de nacht van 24 op 25 september 2003. Ter zitting heeft de deskundige [B.] zijn rapport over dit frame aan de hand van foto’s toegelicht, en met name hoe een van de cijfers -kort samengevat- vervalst is.

Het frame van een Yamaha

Op het frame van een Yamaha werd geen VIN aangetroffen, maar op de plaats waar het VIN zich zou moeten bevinden, werden slechts slijpsporen aangetroffen. Na etsbehandeling werd het VIN zichtbaar, dat door de fabrikant was aangebracht. Dit VIN behoorde bij een motor die als ontvreemd stond gesignaleerd en die, volgens aangever [aangever 3], in Monschau, Duitsland, was gestolen op 3 juli 2005.

Het frame van een Honda

Een van de twee in beslag genomen Honda-frames is onderzocht. Ter zitting heeft de deskundige [B.] foto’s van dit frame getoond en toegelicht. Ook op dit frame waren sporen van parelstralen zichtbaar. Na een etsbehandeling werd geen VIN zichtbaar, maar slechts een verkleuring die volgens de deskundige [B.] typerend is voor het verwijderen van een nummer.

De kunststof bak met slagletters en- cijfers

In de werkplaats werd vlakbij de BMW onder een doek een kunststofbak aangetroffen. In deze bak bleken vele doosjes te zitten met zeer veel slagletters en -cijfers.

Volgens de deskundige [B.] waren de aangetroffen slagletters geschikt om daarmee identificatienummers van motoren te vervalsen. Volgens de deskundige [B.] heeft een motorhandelaar geen slagletters of –cijfers nodig; in de motorbranche bestaat er geen toepassing voor. Hooguit kan men een doosje slagletters hebben om onderdelen te merken. Zelf heeft de deskundige [B.], zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, gezien dat er slagletters bij waren, specifiek voor de merken Honda en Suzuki.

Ook werd in de kunststofbak een briefje aangetroffen. Dit handgeschreven briefje vermeldde een motorbloknummer en de volgende tekst: “framenummer is zie kenteken”. Na onderzoek bleek dat dit motorbloknummer behoorde bij een motor van het merk Yamaha met een Belgisch kenteken. Het kentekenbewijs werd in de kluis van [MEDEVERDACHTE 1] aangetroffen. Bij navraag bleek dat het bij dit kenteken behorende voertuig schade had opgelopen en dat het bijbehorende VIN niet bekend was in de registers in Nederland, Duitsland en Luxemburg.

Overwegingen en conclusies

Uit het voorgaande blijkt dat [MEDEVERDACHTE 1] beschikte over een werkplaats, waar gereedschap aanwezig was dat geschikt was om identificatienummers van motoren te verwijderen en/of (opnieuw) aan te brengen. Bovendien werd er een motor van het merk BMW aangetroffen waarvan het VIN was verwijderd. Daarnaast stonden er motorframes waarvan het VIN was verwijderd, waaronder een Yamaha frame. Op één frame was het VIN overgeslagen. Voorts werd er een handgeschreven briefje aangetroffen met daarop een motorbloknummer en de vermelding: “framenummer is zie kenteken”. Alles wijst erop dat het de bedoeling was om op de Yamaha een ander VIN dan het oorspronkelijke aan te brengen, namelijk het VIN vermeld op het in de kluis aangetroffen kentekenbewijs. Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat de werkplaats niet alleen uitgerust was voor het verwijderen en aanbrengen van identificatienummers, maar ook dat de aangetroffen goederen (frames en een complete motor) daadwerkelijk in deze werkplaats werden bewerkt, dat wil zeggen: ontdaan en/of voorzien van identificatienummers. Daarbij is verder gebleken dat de versnellingsbak en de motor op de BMW afkomstig waren van een in Maastricht gestolen motor. Ook de frames van de Suzuki Hayabusa en Yamaha bleken van diefstal afkomstig.

Dat er met de slagletters en -cijfers daadwerkelijk vervalsingen zijn aangebracht in de werkplaats van [MEDEVERDACHTE 1] blijkt in samenhang bezien met het voorgaande ook nog uit het volgende. In de showroom van het bedrijf is een motor van het merk Honda aangetroffen. Uit het technisch onderzoek bleek dat het VIN valselijk was ingeslagen. Het door de fabrikant ingeslagen nummer kon niet worden vastgesteld. Uit de aangetroffen slagletters en -cijfers heeft de politie sluittekens geselecteerd en deze microscopisch vergeleken met de sluittekens, aangebracht op de Honda. De conclusie van de onderzoeker luidt dat de sluittekens op de Honda waarschijnlijk zijn aangebracht met behulp van de in beslag genomen sluittekens.

Het aanbrengen, dan wel veranderen van identificatienummers door particulieren c.q. bedrijven is wettelijk niet toegestaan. De RDW is de enige instantie die het VIN in een voertuig mag slaan. Wanneer een nieuw VIN wordt ingeslagen, wordt het eerder aangebrachte VIN leesbaar doorgehaald. Op zichzelf is het toegestaan een motor op te bouwen met onderdelen van verschillende motoren, maar daarbij moet de herkomst van de onderdelen traceerbaar blijven en mogen er geen veranderingen in de identificatienummers worden aangebracht.

Nu er derhalve geen legale reden kan zijn geweest voor [MEDEVERDACHTE 1] om identificatienummers te verwijderen en/of aan te brengen, is de conclusie gerechtvaardigd dat [MEDEVERDACHTE 1] zich bezig heeft gehouden met het omkatten van motoren, dat wil zeggen het dusdanig bewerken van motoren en/of motoronderdelen, dat de werkelijke identiteit niet of nauwelijks meer was te achterhalen, waardoor verhuld werd dat de motoren, of onderdelen ervan, van diefstal afkomstig waren.

De vraag is vervolgens wie zich binnen het bedrijf met deze praktijk heeft/hebben bezig gehouden en/of ervan heeft/hebben geweten, en op welke schaal, en welke conclusies hieruit kunnen worden getrokken.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter zitting gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Bij de politie heeft verdachte evenmin een inhoudelijke verklaring af willen leggen en heeft hij ontkend iets te maken te hebben met (het omkatten van) gestolen motoren.

Verklaring [medeverdachte 2]

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft het volgende verklaard.

[medeverdachte 2] heeft ontkend dat [MEDEVERDACHTE 1] frame- en/of motornummers heeft verwijderd, dan wel ingeslagen. Ook verklaarde [medeverdachte 2] bij de politie dat hij niets te maken heeft gehad met het omkatten van motoren. [medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat hij motoren had ingekocht van verdachte die daarnaast monteur was bij [MEDEVERDACHTE 1]. Met betrekking tot deze motoren had [medeverdachte 2] de conclusie getrokken dat zij van diefstal afkomstig waren. Bedoelde motoren werden vervolgens bij [MEDEVERDACHTE 1] gesloopt en gestript, aldus [medeverdachte 2]. De onderdelen werden volgens [medeverdachte 2] verkocht of gebruikt bij de opbouw van schademotoren.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie uiteengezet dat de motoren die verdachte leverde geen schade hadden en niet voorzien waren van een kentekenbewijs. De motoren waren meestal een paar jaar oud, maar soms ook redelijk nieuw. Bij sommige motoren lag het contactslot eruit. Daarbij vertegenwoordigden de motoren die [medeverdachte 2] van verdachte kocht, een verkoopwaarde van ettelijke duizenden euro’s. Desalniettemin werden de motoren gesloopt. Verdachte zou daarbij hebben verteld dat [medeverdachte 2] de motoren niet kon verkopen, omdat er geen papieren bij zaten. Volgens [medeverdachte 2] kon het niet anders dan dat deze motoren gestolen waren. [medeverdachte 2] betaalde verdachte tussen de 2000 à 3000 euro per motor, terwijl de verkoopprijs van deze motoren ergens tussen de 6000 à 7000 euro per motor lag. [medeverdachte 2] betaalde verdachte zwart. Voor [medeverdachte 2] was het zakelijk gezien een interessante deal.

Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 2] en op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de werkplaats en de slagletters en –cijfers, staat voor de rechtbank vast dat [MEDEVERDACHTE 1] onder leiding van [medeverdachte 2] meermalen motoren heeft omgekat, onder gebruikmaking van gestolen motoren, geleverd door verdachte. De ontkenning van [medeverdachte 2], dat dit omkatten niet plaatsvond in zijn bedrijf, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Deze omkatpraktijk brengt met zich mee dat er sprake is van het voorhanden hebben/verwerven van uit misdrijf afkomstige goederen en mogelijk van heling.

Voor opzetheling is vereist dat bewezen wordt dat degene die de gestolen goederen voorhanden had op het moment van verkrijgen wist dat deze van misdrijf - in casu diefstal - afkomstig waren. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 2] - en met hem het bedrijf [MEDEVERDACHTE 1] - op het moment van verkrijgen van de motoren van verdachte wist dat het om gestolen motoren ging. De rechtbank leidt deze wetenschap van [medeverdachte 2] omtrent de herkomst van de goederen af uit zijn hiervoor weergegeven verklaring bij de politie. Op grond van deze verklaring van [medeverdachte 2] is de rechtbank van oordeel dat [MEDEVERDACHTE 1] zich onder leiding van [medeverdachte 2] heeft schuldig gemaakt aan heling.

Rol verdachte

De vervolgvraag is of ook verdachte geweten heeft dat de motoren die hij aan [medeverdachte 2] leverde, van diefstal afkomstig waren. In ieder geval kan worden vastgesteld dat verdachte motoren afleverde bij [MEDEVERDACHTE 1]. Niet alleen [medeverdachte 2] heeft dit verklaard, maar ook [getuige 1], een andere werknemer van [MEDEVERDACHTE 1].

Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte onder de naam [W.] motoren en motoronderdelen in Duitsland bij [getuige 4] kocht ten behoeve van [MEDEVERDACHTE 1]. Dit blijkt niet alleen uit de facturen van [getuige 4], maar ook uit telefoongesprekken die door verdachte met [getuige 4] werden gevoerd. Verder is er een telefoongesprek dat erop wijst dat verdachte met [medeverdachte 2] telefonisch overlegde over aankopen bij [getuige 4].

Volgens de getuige [getuige 2], medewerker van [getuige 4], werden de goederen telefonisch besteld door [W.], maar door chauffeurs van [W.] opgehaald. [getuige 2] kan zich niet herinneren [W.] ooit te hebben gezien.

Twee getuigen hebben verklaard dat zij voor verdachte motoren en motoronderdelen in Duitsland hebben opgehaald. Een van hen, de getuige [getuige 3], heeft verklaard dat hij voor [medeverdachte 2] en voor verdachte in Fuldatal frames of motoren ophaalde en afleverde bij [MEDEVERDACHTE 1].

Verdachte heeft geen verklaring willen geven voor het gebruik van een alias bij [getuige 4], terwijl hij daar veel kocht, met name frames van motoren met bijbehorend kentekenbewijs. Evenmin heeft hij uitleg gegeven waarom hij niet zelf de goederen bij [getuige 4] afhaalde. Een aantal van de bij [getuige 4] gekochte goederen is echter in verband te brengen met bij [MEDEVERDACHTE 1] in beslag genomen, omgekatte motoren, die volgens [medeverdachte 2] gestolen waren en door verdachte zijn geleverd. Ervan uitgaande dat verdachte de persoon is geweest die zonder zichzelf bekend te maken frames in Duitsland bestelde, met behulp waarvan die gestolen motoren of onderdelen daarvan legaal moesten lijken, kan het voor de rechtbank niet anders dan dat verdachte zo nauw en bewust met [medeverdachte 2] samenwerkte dat geconcludeerd mag worden dat ook hij wist dat de motoren die hij aan [medeverdachte 2] verkocht, gestolen waren en dat die vervolgens in de werkplaats werden omgekat. Zulks geldt te meer, nu verdachte een in verhouding tot de werkelijke marktwaarde lage prijs (zwart betaald) kreeg voor de motoren die hij leverde. Van dat prijsverschil moet verdachte, als monteur en koper van motoren en onderdelen, op de hoogte zijn geweest.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Om welke goederen gaat het?

Bij [MEDEVERDACHTE 1] zijn vele motoren in beslag genomen en vervolgens onderzocht door forensisch-technische deskundigen. Daarbij is aan het licht gekomen dat het om gestolen motoren, dan wel gestolen motoronderdelen ging. De rechtbank zal hierna bespreken welke van deze goederen verdachte samen met [MEDEVERDACHTE 1] en [medeverdachte 2] heeft geheeld.

Naar het oordeel van de rechtbank strekt de heling zich wat verdachte betreft uit over de motoren en motorblokken die verdachte aan [medeverdachte 2] heeft geleverd en waarvan is komen vast te staan dat zij van diefstal afkomstig zijn. Uitzondering hierop vormen de goederen van de in het dossier aangeduide zaken 3 en 24. De heling betreft derhalve de in het dossier aangeduide zaken 5, 6, 9, 10, 11, 16 en 31.

Het betreft:

- zaak 5: een motorblok, merk Kawasaki. Het motorbloknummer dat na etsbehandeling zichtbaar was geworden, behoorde bij een motor van het merk Kawasaki die, volgens aangever [aangever 4], in Eschweiler, Duitsland, was gestolen op 3 of 4 maart 2006. Een frame met hetzelfde VIN dat op deze Kawasaki werd aangetroffen, is bij [getuige 4] gekocht door [W.].

- zaak 6: een motorblok, merk BMW. Het motorbloknummer behoorde niet bij het VIN dat op de motor was aangebracht, maar bij een VIN, behorend bij een motor die, volgens aangever [aangever 5], in Erfstadt, Duitsland, was gestolen op 3 februari 2006.

- zaak 9: een motorblok, merk Suzuki, type Bandit 1200S. Het motorbloknummer was gedeeltelijk verwijderd. Het motorbloknummer dat na etsbehandeling zichtbaar was geworden, behoorde bij een motor van het merk Suzuki die, volgens aangever [aangever 6], in Aken, Duitsland, was gestolen op 23 april 2006. Een frame met hetzelfde VIN dat op deze Suzuki werd aangetroffen, is bij [getuige 4] gekocht door [W.].

- zaak 10: een motorblok en een versnellingsbak, merk BMW. Het motorbloknummer was niet fabrieksmatig aangebracht. Het motorbloknummer dat na etsbehandeling zichtbaar was geworden en het versnellingsbaknummer behoorden bij een motor die, volgens aangever [aangever 7], in Monschau, Duitsland, was gestolen op 17 juni 2006. Een frame met hetzelfde VIN dat op deze BMW werd aangetroffen, is bij [getuige 4] gekocht door [W.].

- zaak 11: een motorblok, merk Kawasaki. Van het motorbloknummer waren twee cijfers vervalst. Het van fabriekswege ingeslagen motorbloknummer behoorde bij een motor die, volgens aangever [aangever 8], in Herzogenrath, Duitsland, was gestolen op 29 juli 2006. Een frame met hetzelfde VIN dat op deze Kawasaki werd aangetroffen, is bij [getuige 4] gekocht door [W.].

- zaak 16: een motorblok en een versnellingsbak, merk BMW, type 1100 S. Het VIN was niet door de fabrikant aangebracht. Het motorblok- en het versnellingsbak- nummer behoorden bij een motor die, volgens aangever [aangever 9], in Düsseldorf, Duitsland, was gestolen op 7 oktober 2005.

- zaak 31: een motorblok, merk Yamaha. Het motorbloknummer was niet van fabriekswege ingeslagen. Na een etsbehandeling werd een gedeelte van het fabrieksmatig ingeslagen nummer zichtbaar. Van de tien mogelijke combinaties van het motornummer bleek dat er een behoorde bij een motor die, volgens aangever Ingo, in Roermond was gestolen op 3 juni 2006. Een frame met hetzelfde VIN dat op deze Yamaha werd aangetroffen, is bij [getuige 4] gekocht door [W.].

Partiële vrijspraak

[medeverdachte 2] heeft verklaard naast de hiervoor genoemde motoren nog een tweetal motoren van verdachte te hebben betrokken. De rechtbank heeft ten aanzien van deze motoren (in het dossier aangeduid als zaken 3 en 24) het volgende opgemerkt aan de hand van de facturen die bij de firma [getuige 4] te Fuldatal zijn opgevraagd in het onderzoek.

Volgens het rapport van de deskundige is het VIN dat op een in beslag genomen Suzuki GSXR 600 (zaak 3) is aangebracht, vervalst. De laatste zes posities van het VIN waren overgeslagen. Dit vervalste VIN wordt echter ook vermeld op de factuur van [getuige 4]. Dit wijst erop dat het desbetreffende bij [getuige 4] gekochte frame reeds vervalst was, toen verdachte respectievelijk [medeverdachte 2] het in handen kreeg. Daarom kan niet gezegd worden dat verdachte of [medeverdachte 2] wist dat het een gestolen goed betrof. Derhalve zal verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de Suzuki Hayabusa (zaak 24) overweegt de rechtbank dat het vervalste motorbloknummer behoorde bij een motor die in 2003 in de Verenigde Staten is ontvreemd.

Dit maakt het in beginsel niet zonder meer waarschijnlijk dat verdachte en [medeverdachte 2] wisten dat dit motorblok van diefstal afkomstig was. Aanknopingspunten dat dit anders was, heeft de rechtbank niet kunnen vinden. Ook de bevindingen ten aanzien van het desbetreffende frame bieden geen aanleiding voor een andere conclusie, omdat het VIN dat hierop was ingeslagen anders dan door de fabrikant, reeds wordt vermeld op de factuur van [getuige 4].

Wat de rechtbank betreft strekt de heling door [MEDEVERDACHTE 1] zich evenmin uit tot de motoren/onderdelen, waarover [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij mogelijk ook van verdachte zijn betrokken. Nu de verklaring van [medeverdachte 2] de mogelijkheid open laat dat hij de desbetreffende motoren/onderdelen van een ander dan verdachte heeft betrokken en een rekening van [getuige 4] ontbreekt, is er onvoldoende bewijs, dat verdachte deze goederen heeft geheeld. Het gaat dan om de in het dossier aangeduide zaken met de nummers 1, 7, 8 en 17.

Ten aanzien van de Harley Davidson van zaak 29, welke motor niet in relatie met [MEDEVERDACHTE 1] blijkt te kunnen worden gebracht, overweegt de rechtbank dat niet bewezen kan worden dat verdachte deze motor op enige manier voorhanden heeft gehad of verworven, dan wel overgedragen. Het dossier bevat slechts één bewijsmiddel in de vorm van een verklaring van een getuige, die slechts van horen zeggen heeft dat verdachte de gestolen motor van de dief had gekocht.

Ten aanzien van de overige motoren en motoronderdelen die bij [MEDEVERDACHTE 1] in beslag genomen zijn en volgens de tenlastelegging ook door verdachte zijn geheeld, zal de rechtbank verdachte wederom vrijspreken. De rechtbank heeft namelijk geen hard bewijs kunnen ontlenen aan het dossier dat deze goederen specifiek van verdachte afkomstig zijn. De bewijsmiddelen in het dossier, die alleen in algemene zin vermelden dat verdachte gestolen motoren zou helen, kunnen hieraan, naar het oordeel van de rechtbank, niet ten grondslag worden gelegd.

Tot slot oordeelt de rechtbank dat er ten aanzien van alle genoemde motoren/onderdelen, waarvan verdachte, gelet op het voorgaande, zal worden vrijgesproken, ook geen bewijs aanwezig is om hem voor het subsidiair tenlastegelegde te veroordelen.

Gewoonteheling

Verdachte heeft in de periode van oktober 2005 tot augustus 2006 meerdere motoren die gestolen waren, voorhanden gehad en vervolgens verkocht aan [medeverdachte 2]. Dit levert voor de rechtbank op dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [MEDEVERDACHTE 1] een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 7 oktober 2005 tot 8 augustus 2006 in de gemeente Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers hebben verdachte en zijn mededaders na te melden goederen verworven en voorhanden gehad, terwijl verdachte en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:

- een motorblok van een motorfiets, merk Kawasaki (zaak 5)

- een brandstofmotor van een motorfiets, merk BMW, type 1100RT (zaak 6)

- een motorblok van een motorfiets, merk Suzuki, type Bandit 1200S (zaak 9)

- een motorblok en/of versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type R1100S

(zaak 10)

- een brandstofmotor van een motorfiets, merk Kawasaki, type ZX-6R (zaak 11)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type

1100 S (zaak 16)

- (onderdelen van) een motorfiets, merk Yamaha (zaak 31).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert het strafbare feit op:

medeplegen van een gewoonte maken van opzetheling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht ter zitting mondeling gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Daarbij heeft de officier rekening gehouden met de overschrijding van de termijn waarbinnen een strafzaak redelijkerwijs moet zijn afgedaan.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een eventueel op te leggen straf te matigen. Rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak dient te worden afgedaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Verdachte heeft zich tezamen met het bedrijf [MEDEVERDACHTE 1] en [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan heling van motoren en motoronderdelen. Verdachte vormde daarmee een schakel in het op professionele en georganiseerde manier te koop aanbieden van motoren aan kopers, die dachten een legale motor te kopen. Mede door zijn handelen is het vertrouwen in de motorbranche dan ook ernstig geschaad.

Heling is voor de rechtbank een ernstig misdrijf, omdat het -kort gezegd- de dieven aan het stelen houdt. Verdachte heeft zich gedurende een geruime tijd hiermee bezig gehouden voor eigen gewin. Het is ook niet voor het eerst dat verdachte met justitie in aanraking is gekomen vanwege vermogensdelicten, zo blijkt uit zijn strafblad. Dit alles brengt met zich mee dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gepast acht.

Daarbij acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden een passend uitgangspunt.

De rechtbank zal een korting op de straf toepassen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, nu verdachte in augustus 2006 in verzekering is gesteld, terwijl het vonnis in zijn zaak van heden dateert. Gelet daarop acht de rechtbank een korting van 2 maanden geïndiceerd.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Op grond daarvan acht de rechtbank oplegging van een forse voorwaardelijke straf geboden, opdat verdachte ervan weerhouden wordt opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend zal de rechtbank, met inachtneming van de omstandigheid dat zij tot bewezenverklaring van een geringer aantal zaken is gekomen dan waarvan de officier van justitie bij zijn eis is uitgegaan, aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 10 maanden, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk.

7 Het beslag

Het in beslag genomen motorblok waarop een vals motornummer is aangetroffen, zal aan het verkeer worden onttrokken, omdat dit aan verdachte toebehoort en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De overige hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zullen aan verdachte worden teruggegeven, dan wel worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 20300127863/006 25B 1.00 STK Motorblok Kl:zwart

KTM vals motornummer;

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggeven voorwerpen: EOT 06-02 27 1.00 STK Motorfiets

KAWASAKI quad Kl:groen

20300127863/004

20300127863/005 28 1.00 STK Motoronderdeel

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

20300147512 29 1.00 STK Papier

BEDRIJFSADMINIS

bedrijfsadministratie uit auto 49-BF-KD

20300147512 30 1.00 STK Textiel DOEK

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. A.W. Oosterman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 januari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2003 tot en met 20 september 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Bergeyk en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers hebben/heeft verdachte, en/of zijn mededader(s), na te melden goederen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl verdachte, en/of zijn mededader(s), ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van die goederen wist(en) dat het door misdrijf verkregen goederen betrof:

- een motorblok van een motorfiets, merk Honda VTR (zaak 1)

- een motorblok van een motorfiets, merk Kawasaki, type ZX9R (zaak 2)

- een motorfiets merk Suzuki, type GSXR600 (zaak 3)

- een frame van een motorfiets, merk Yamaha (zaak 4)

- een motorblok van een motorfiets, merk Kawasaki (zaak 5)

- een brandstofmotor van een motorfiets, merk BMW, type 1100RT (zaak 6)

- een motorblok van een motorfiets, merk Ducati, type Multistrada 1000 S

(zaak 7)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type

R 1150R (zaak 8)

- een motorblok van een motorfiets, merk Suzuki, type Bandit 1200S (zaak 9)

- een motorblok en/of versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type R1100S

(zaak 10)

- een brandstofmotor van een motorfiets, merk Kawasaki, type ZX-6R (zaak 11)

- een motorblok van een motorfiets, merk Honda type PC 35 E (zaak 12)

- een motorblok van een motorfiets, merk BMW, type 1150 (zaak 13)

- een motorblok van een motorfiets, merk BMW,type 1100 GS (zaak 14)

- een motorblok van een motorfiets, merk KTM (zaak 15)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type

1100 S (zaak 16)

- een motorblok van een motorfiets, merk Yamaha, type FJR 1300 (zaak 17)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW type K

1200 RS (motorbloknummer [x] en versnellingsbaknummer

[x]/aangifte blz. 1514) (zaak 18)

- een frame van een motorfiets, merk Suzuki, type Hayabusa (zaak 19)

- een motorblok van een motorfiets, merk Yamaha, type R1 (zaak 20)

- een motorblok van een motorfiets, merk BMW, type R 1150 RT (zaak 21)

- een motorblok van een motorfiets, merk Yamaha, type YZF-R6 (zaak 22)

- een motorblok van een motorfiets, merk Suzuki, type GSX 1300 (zaak 24)

- een motorfiets, merk Harley Davidson, kenteken MG-ND-87 (zaak 29)

- (onderdelen van) een motorfiets, merk Yamaha (zaak 31)

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2003 t/m 20 september 2006 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Bergeyk en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) na te melden goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl verdachte, en/of zijn mededader(s), ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof:

- een motorblok van een motorfiets, merk Honda VTR (zaak 1)

- een motorblok van een motorfiets, merk Kawasaki, type ZX9R (zaak 2)

- een motorfiets merk Suzuki, type GSXR600 (zaak 3)

- een frame van een motorfiets, merk Yamaha (zaak 4)

- een motorblok van een motorfiets, merk Kawasaki (zaak 5)

- een brandstofmotor van een motorfiets, merk BMW, type 1100RT (zaak 6)

- een motorblok van een motorfiets, merk Ducati, type Multistrada 1000 S

(zaak 7)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type

R 1150R (zaak 8)

- een motorblok van een motorfiets, merk Suzuki, type Bandit 1200S (zaak 9)

- een motorblok en/of versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type R100S

(zaak 10)

- een brandstofmotor van een motorfiets, merk Kawasaki, type ZX-6R (zaak 11)

- een motorblok van een motorfiets, merk Honda type PC 35 E (zaak 12)

- een motorblok van een motorfiets, merk BMW, type 1150 (zaak 13)

- een motorblok van een motorfiets, merk BMW,type 1100 GS (zaak 14)

- een motorblok van een motorfiets, merk KTM (zaak 15)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW, type

1100 S (zaak 16)

- een motorblok van een motorfiets, merk Yamaha, type FJR 1300 (zaak 17)

- een motorblok en/of een versnellingsbak van een motorfiets, merk BMW type K

1200 RS (zaak 18)

- een frame van een motorfiets, merk Suzuki, type Hayabusa (zaak 19)

- een motorblok van een motorfiets, merk Yamaha, type R1 (zaak 20)

- een motorblok van een motorfiets, merk BMW, type R 1150 RT (zaak 21)

- een motorblok van een motorfiets, merk Yamaha, type YZF-R6 (zaak 22)

- een motorblok van een motorfiets, merk Suzuki, type GSX 1300R (zaak 24)

- een motorfiets, merk Harley Davidson, kenteken [x](zaak 29)

- (onderdelen van) een motorfiets, merk Yamaha (zaak 31);

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/703190-06

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 20 januari 2011 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. K.D. Regter, advocaat te Heerlen.