Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3467

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
03/700496-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is primair tenlastegelegd poging tot moord, subsidiair poging tot doodslag en meer subsidiair poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. Verdachte is na de confrontatie met X. gaan zitten op het terras van Bakkerij Bart en is vervolgens naar de vestiging van Blokker gerend en heeft daar een mes weggenomen. Verdachte is met dit mes op X. afgelopen en heeft het mes met een onderhandse beweging in de onderrug van X. gestoken. Het mes is kennelijk afgeketst op harde delen van het bewegingsapparaat, waardoor er geen vitale delen zijn geraakt. Had verdachte wel vitale delen geraakt, zoals zenuwbanen of nieren, dan zou dit tot zwaar lichamelijk letsel hebben kunnen leiden bij X. Door X. op deze wijze met een mes in de onderrug te steken heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans voor lief genomen dat X. zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. De rechtbank spreekt verdachte vrij van moord subsidiair doodslag, omdat bewijs voor opzet tot doden, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. Volgt veroordeling ter zake van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700496-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 februari 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost - HvB Ter Peel te Evertsoord.

Raadsvrouw is mr. S.M. Kurvers, advocate te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 januari 2011, waarbij de officier van justitie, de raadsvrouw en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachten rade – om [naam slachtoffer] te doden door [naam slachtoffer] met een mes in de rug te steken, dan wel heeft geprobeerd – al dan niet met voorbedachten rade – [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte heeft [naam slachtoffer] met een onderhandse beweging met een mes in zijn onderrug gestoken. De officier van justitie heeft dit scenario voorgelegd aan de GGD Zuid Limburg en de uitkomst hiervan was dat er in het onderhavige geval geen reële kans bestond dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. De officier van justitie vordert om die reden dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht wel bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft geprobeerd om aan [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft direct na haar aanhouding verklaard dat het haar zwart voor de ogen werd toen ze de man zag die haar vader had mishandeld. Verdachte is toen naar de nabij gelegen vestiging van Blokker gerend, heeft daar een mes gepakt en is de winkel uitgerend. Vervolgens heeft zij [naam slachtoffer] met het mes in de onderrug gestoken. Uit de medische informatie blijkt dat er weliswaar geen vitale delen in het lichaam van [naam slachtoffer] zijn geraakt en dat het mes kennelijk is afgeketst op harde delen van het bewegingsapparaat, maar voor hetzelfde geld waren bijvoorbeeld zenuwbanen of de nieren geraakt en dat zou zondermeer tot zwaar lichamelijk letsel hebben kunnen leiden.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is het eens met de officier van justitie dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte heeft niet het opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, om [naam slachtoffer] te doden. De intentie van verdachte was het toebrengen van letsel aan [naam slachtoffer]. Ook was er geen sprake van voorbedachten rade. Verdachte kwam geheel onverwachts oog in oog te staan met de man die kort daarvoor haar vader ernstig had mishandeld. Toen [naam slachtoffer] vervolgens een aantal provocerende opmerkingen maakte, werd dat verdachte teveel. Uit niets blijkt echter dat verdachte daadwerkelijk op enig moment de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden. Verdachte heeft in een hevige gemoedsbeweging een aantal handelingen verricht zonder zich te realiseren wat ze precies deed. Er was geen sprake van een moment van kalm overleg of van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. De raadsvrouw concludeert dan ook tot vrijspraak van het bestanddeel voorbedachten rade in alle varianten van de tenlastelegging.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 10 september 2010 liep het latere slachtoffer [naam slachtoffer] over de [K-straat] te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen. Hij kwam verdachte tegen en kreeg ruzie over iets wat een tijd geleden was voorgevallen. [naam slachtoffer] liep op een gegeven moment door en toen hij ter hoogte van de Rabobank liep, hoorde hij achter zich snelle voetstappen en voelde hij iets in zijn rug. Toen hij zich omdraaide zag [naam slachtoffer] dat verdachte wegrende en zag hij dat verdachte een groot mes op de grond liet vallen. Hij raapte het mes op en liep ermee naar het politiebureau te Heerlen. Onderweg naar het politiebureau merkte [naam slachtoffer] pas dat hij aan het bloeden was en dat hij pijn aan zijn rug had. Op het politiebureau zag [naam slachtoffer] dat hij een wond aan zijn rug had.

Verbalisant [L.K.]bevond zich op 10 september 2010 in het bureau van Politie Heerlen Noord en zij hoorde dat [naam slachtoffer] tegen haar zei dat hij zojuist in zijn rug was gestoken. [L.K.] zag dat [naam slachtoffer] een zogenaamd slagersmes in zijn handen hield en dat [naam slachtoffer] een steekwond aan de onderzijde van zijn rug had, ongeveer 2 centimeter boven het midden van zijn broeksband. Zij zag dat er bloed uit de wond kwam.

De kleding van [naam slachtoffer] is onderzocht en in de kunstlederen jas bleek een beschadiging te zitten die kan passen bij het steken met een mes. Op nagenoeg dezelfde hoogte en plaats werd in het T-shirt van [naam slachtoffer] een soortgelijke beschadiging aangetroffen.

Uit medische informatie van de GGD Zuid Limburg bleek dat [naam slachtoffer] circa 19 centimeter boven het begin van de bilnaad een schuin verlopend litteken had, verlopend over het midden van de rug en gedeeltelijk rechts ervan. Het litteken was 4 centimeter lang en was voorzien van 4 hechtingen. Bij onderzoek in het ziekenhuis bleek later dat er kennelijk geen vitale delen zijn geraakt, zoals het hart of de longen, en dat het mes kennelijk was afgeketst op harde delen van het bewegingsapparaat (wervels c.q. ribben). Uit een verslag van het Atrium Medisch Centrum te Heerlen bleek dat het mes ongeveer 5 tot 7 centimeter het lichaam van [naam slachtoffer] is ingegaan.

Verdachte heeft tijdens het transport naar het politiebureau verklaard dat het haar zwart voor de ogen werd toen ze de man zag die haar vader mishandeld had. Verdachte is toen naar de vestiging van Blokker gerend en heeft daar een mes gepakt. Vervolgens is zij de winkel uitgerend en heeft [naam slachtoffer] neergestoken.

Na onderzoek in de vestiging van Blokker aan de [K-straat] te Hoensbroek bleek dat de medewerkers niet hadden gemerkt dat er op 10 september 2010 een mes was gestolen. Wel verklaarde één van de medewerkers dat uit een messenblok een mes vermist werd. De verbalisant zag dat er in het messenblok onverpakte messen staken en dat dit soortgelijke messen waren als het mes waarmee het slachtoffer gestoken was.

Tijdens het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat het klopt dat zij [naam slachtoffer] met een mes heeft gestoken, maar dat zij dat niet met opzet heeft gedaan. Nadat [naam slachtoffer] haar had uitgedaagd, is zij eerst weggelopen en vervolgens is zij in een waas achter hem aangelopen en heeft zij hem met een mes in de jas geprikt. Verdachte wilde [naam slachtoffer] laten voelen dat zij niet bang voor hem was.

Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat zij op 10 september 2010 ter hoogte van de Rabobank een man zag lopen en dat ze plotseling een vrouw zag die gehaast in de richting van de man liep. Zij zag dat de vrouw de man van achteren naderde en met een onderhandse beweging in de rug duwde. Op dat moment viel er iets vlak achter die man op de grond en [naam getuige 1] zag dat dit een groot slagersmes was, het grootste mes van het messenblok.

Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij op 10 september 2010 samen met verdachte en familieleden over de [K-straat] te Hoensbroek liep en dat zij toen [naam slachtoffer] voorbij zag lopen. Zij hoorde dat verdachte door [naam slachtoffer] werd uitgedaagd en dat verdachte hier kalm op reageerde. Een tante van [naam getuige 2] stelde voor om bij Bakkerij Bart een kop koffie te gaan drinken. Toen zij allen bij de bakkerij op het terras zaten, sprong verdachte plotseling op en rende van het terras af in de richting van de Rabobank. [naam getuige 2] is op een gegeven moment met versnelde pas achter verdachte aangelopen en zij zag dat verdachte ter hoogte van de Rabobank stond waar ook [naam slachtoffer] liep. Even later zag zij dat verdachte weer in haar richting kwam gerend en dat zij helemaal “van de wap af” was. Verdachte riep dat ze [naam slachtoffer] één keer had gestoken. [naam getuige 2] weet niet hoe verdachte aan het mes kwam.

De rechtbank stelt op basis van de aangifte, de verklaring van de verdachte afgelegd tijdens het transport naar het politiebureau en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] vast dat verdachte met een groot mes op [naam slachtoffer] is afgelopen en hem met dat mes in de onderrug heeft gestoken.

De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is welk strafbaar feit verdachte heeft gepleegd.

De rechtbank is het eens met de officier van justitie en de raadsvrouw dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte het opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, om [naam slachtoffer] van het leven te beroven, zodat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft [naam slachtoffer] met een groot mes in de onderrug gestoken waarbij het mes kennelijk is afgeketst op harde delen van het bewegingsapparaat. Hierdoor zijn er geen vitale delen geraakt. Had verdachte wel vitale delen geraakt, zoals zenuwbanen of nieren, dan zou dit naar het oordeel van de rechtbank tot zwaar lichamelijk letsel hebben kunnen leiden bij [naam slachtoffer]. Door [naam slachtoffer] op deze wijze met een mes in de onderrug te steken heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewust de aanmerkelijke kans voor lief genomen dat [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

De rechtbank overweegt dat voorbedachten rade wijst op een moment van kalm overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering; het is het tegenovergestelde van de ogenblikkelijke gemoedsbeweging.

De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op de verklaring van de verdachte afgelegd vlak na het steekincident. Tijdens het transport naar het politiebureau verklaarde verdachte spontaan dat het haar zwart voor de ogen werd toen ze de man zag die haar vader had mishandeld en dat ze toen naar de vestiging van Blokker is gerend en daar een mes heeft weggenomen. Vervolgens is zij de winkel uitgerend en heeft ze [naam slachtoffer] ter hoogte van de Rabobank neergestoken.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van de getuige [naam getuige 2]. [naam getuige 2] heeft verklaard dat verdachte na de confrontatie met [naam slachtoffer] samen met familieleden koffie is gaan drinken op het terras van de nabijgelegen Bakkerij Bart. Plotseling sprong verdachte op en rende vanaf het terras in de richting van [naam slachtoffer], die ter hoogte van de Rabobank liep.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat sprake is geweest van een moment van kalm overleg en bedaard nadenken. Verdachte is na de confrontatie met [naam slachtoffer] gaan zitten op het terras van Bakkerij Bart en is vervolgens naar de vestiging van Blokker gerend en heeft daar een mes weggenomen. Kort daarna volgt het steekincident. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus heeft gehandeld met voorbedachten rade.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

meer subsidiair.

op 10 september 2010 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon te weten [naam slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, na kalm beraad en rustig overleg, met een mes die [naam slachtoffer] in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

meer subsidiair:

poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Over verdachte is gerapporteerd door [K.S.], psychiater. Deze heeft geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Er was namelijk sprake van een verstoorde rouwreactie en een depressieve stoornis met een cluster C persoonlijkheids-stoornis. Daarnaast was sprake van cannabismisbruik, in remissie, onder toezicht staand. Op grond van het voorgaande kan het feit haar in verminderde mate worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de richtlijnen en aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan een nader door Mondriaan te bepalen behandeling. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uur.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gedurende de aan het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf te verbinden proeftijd dient verdachte zich te houden aan de richtlijnen en aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan een behandeltraject bij de Mondriaan Geestelijke Gezondheidszorg.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte voelde zich uitgedaagd door [naam slachtoffer] toen ze hem onverwachts tegen het lijf liep. Verdachte was boos over het feit dat [naam slachtoffer] haar vader eerder ernstig had mishandeld. Het werd verdachte zwart voor de ogen en dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat verdachte [naam slachtoffer] met een groot mes in de onderrug heeft gestoken. Het slachtoffer en verdachte mogen van geluk spreken dat de verwondingen zijn meegevallen.

Volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) wordt bij het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. De rechtbank zal er in de onderhavige strafzaak enerzijds rekening mee houden dat hier sprake is van voorbedachten rade, maar anderzijds dat het bij een poging is gebleven.

Bij de straftoemeting zal de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee houden dat verdachte nog niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en met de omstandigheid dat [naam slachtoffer] zich uitdagend en provocerend naar verdachte toe heeft gedragen. Ook zal de rechtbank rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Zowel uit de rapportage van de psycholoog als uit het voorlichtingsrapport van de reclassering blijkt de noodzaak van een intensieve behandeling en van grote motivatie van verdachte om een behandeling te ondergaan, zodat verdachte weer grip op haar leven krijgt.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van het voorarrest een straf die recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet houden aan de aanwijzingen en richtlijnen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan een behandeling conform de uitkomsten van het onderzoek van de Mondriaan Geestelijke Gezondheidszorg.

De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte spoedig met de behandeling kan starten. Daarmee is bij de duur van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf rekening gehouden. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank tevens oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren aangewezen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 300,-- ter zake van immateriële schade en een schadevergoeding van € 1.000,-- ter zake van immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

[naam slachtoffer] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht ter zake van de schadepost “kleding”.

Deze schade wordt door de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid geschat op een bedrag van € 50,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [naam slachtoffer] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank zal bij het toekennen van de hoogte van dit bedrag rekening houden met de uitdagende en provocerende rol van [naam slachtoffer], en zal om die reden, gelet op de eigen schuld van [naam slachtoffer] aan het gebeurde, het gevorderde bedrag matigen tot een bedrag van € 250,00.

Het, met inachtneming van het vorenoverwogene, nog resterende deel van de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de in de beslissing nader te noemen rechthebbenden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 303 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit of omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan een behandeling conform de uitkomsten van het onderzoek van Mondriaan Geestelijke Gezondheidszorg;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

- veroordeelt verdachte tevens tot een werkstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan de vestiging van Blokker, gelegen aan de [K-straat] te Hoensbroek, van het inbeslaggenomene, te weten een mes (volgnummer 1 op de beslaglijst);

- gelast de teruggave aan [naam slachtoffer], [adres slachtoffer], van het inbeslaggenomene, te weten een jas (volgnummer 2 op de beslaglijst) en kleding (volgnummer 3 op de beslaglijst);

- gelast de teruggave aan de vestiging van supermarkt Albert Heijn, gelegen aan de [K-straat] te Hoensbroek, van het inbeslaggenomene, te weten een cd-rom (volgnummer 10 op de beslaglijst).

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer], [adres slachtoffer], te betalen een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro);

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 10 september 2010 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, in elk geval in het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 10 september 2010 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, die [naam slachtoffer] in de rug, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 10 september 2010 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [naam slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, die [naam slachtoffer] in de rug, in elk geval in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700496-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 8 februari 2011 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost - HvB Ter Peel te

Evertsoord.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 25 januari 2011 heeft zij afstand gedaan van haar recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. S.M. Kurvers, advocate te Maastricht.