Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3129

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
03-700251-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5038, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Zus vangt kogel op als ze tussen haar ruziënde broers inspringt en komt daardoor te overlijden. Geen aanmerkelijke kans dat de zus door een kogel getroffen zou worden. Geen voorwaardelijk opzet ten aanzien van de dood van de zus, maar wel voorwaardelijk opzet ten aanzien van de poging doodslag op de broer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700251-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Gedetineerd in de P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Raadsman is mr. F.A. Dronkers, advocaat te Roermond.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 16 augustus 2010, 12 oktober 2010, 22 december 2010 en 21 januari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: [slachtoffer 1] met voorbedachten rade heeft gedood;

Feit 1 subsidiair: [slachtoffer 1] heeft gedood;

Feit 2 primair: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] met voorbedachten rade te doden;

Feit 2 subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat zowel het onder 1 subsidiair als het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van de primair ten laste gelegde varianten heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, nu hiervoor geen bewijs in het dossier aanwezig is.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten tot vrijspraak geconcludeerd. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat er gerede twijfel bestaat over de betrokkenheid van verdachte bij de aan hem verweten feiten.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat in deze zaak op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden, welke hebben plaatsgevonden op 9 mei 2010.

Op zondag 9 mei 2010 wordt om 13:59 uur bij alarmcentrale 112 melding gemaakt van een schietpartij op de [D.hof] te Sittard. [slachtoffer 1], een bewoonster van het pand, is daarbij getroffen door een kogel. De meldster is [naam moeder slachtoffer 1 en 2], ook een bewoonster van het pand. Na onderzoek ter plaatse blijkt dat ten tijde van het schietincident de volgende personen in de woning aanwezig waren: [slachtoffer 1], [naam moeder slachtoffer 1 en 2](de moeder van het slachtoffer), [verdachte] en [slachtoffer 2] (de broers van het slachtoffer), [naam dochter slachtoffer 1] (de dochter van het slachtoffer) en [naam vriendin verdachte] (de vriendin van verdachte).

De dood van het slachtoffer wordt op 9 mei 2010 te 15.09 uur vastgesteld in het Orbis Medisch Centrum te Sittard-Geleen. Op 11 mei 2010 wordt door de patholoog dr. A. Maes, verbonden aan het NFI te Den Haag, sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1]. De patholoog constateert dat er op 101 centimeter van de voetzolen en in het midden van de onderbuik een ronde huidperforatie met donkere verkleuring van de wondrand van circa 1 centimeter in doorsnede te zien is. Er is een schotkanaal te herleiden door de buik en borst van onder naar boven en van het midden en voor naar linksboven en linksachter. Er is sprake van een perforatie van de buikwand, het vetschort, de maag, een grote slagader achter de maag, het middenrif, de linkerlongonderkwab en een fracturering van de 7de rib linksachter. De linkerlong is geheel samengevallen en niet meer luchthoudend. De patholoog concludeert dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een schotverwonding.

Op 8 oktober 2010 is door neuroradioloog P.A.M. Hofman en radio diagnostisch technicus I.I.H. Hofman-Haest een rapport “Vervolg onderzoek forensische radiologie” opgemaakt. Daarin wordt beschreven dat zich ongeveer 6 centimeter onder de navel de inschot opening van het projectiel bevindt. Het projectiel volgt vervolgens een traject door het lichaam tot costa (rib) 8 dorsaal (aan de rugzijde). Deze rib is lokaal verbrijzeld. Bij de bepaling van de kogelbaan wordt ervan uit gegaan dat het slachtoffer rechtop heeft gestaan. Wanneer vervolgens een lijn wordt getrokken van inschot opening tot het afbuigen van het projectiel op costa 8, kan worden bepaald wat de inschot hoek is geweest. De inschot hoek bedraagt circa 23 graden vanuit caudaal (vanaf de voeten) ten opzichte van de lange as van het lichaam.

Op 14 december 2010 heeft B. Jacobs, als forensisch vuurwapen- en munitiedeskundige verbonden aan het NFI te Den Haag, gerapporteerd naar aanleiding van een munitieonderzoek. Om de schootsbaan in het lichaam te bepalen heeft hij overleg gehad met de patholoog. Uit dat overleg komt naar voren dat het slachtoffer onder in de buik is getroffen, waarna de kogel zich in een vrij rechte en steile lijn naar de achterzijde, hoger in de rug heeft verplaatst. Hij concludeert dat nagenoeg is uit te sluiten dat de kogel is gericocheerd voordat deze het lichaam van het slachtoffer is binnengedrongen. Ter terechtzitting is B. Jacobs als deskundige gehoord. Hij heeft verklaard dat de baan van de kogel, uitgaande van een rechtop staand persoon, vrij steil is. Ook heeft hij verklaard dat deze baan alleen veroorzaakt kan worden als het vuurwapen dicht bij de grond is geweest op het moment van het schot. Verder heeft hij verklaard dat een rechtop staand lichaam altijd beweegt. Deze beweging, hoe klein ook, kan de schootbaan beïnvloeden.

In het rapport d.d. 3 augustus 2010 van dr. A. Brouwer-Stamouli naar aanleiding van een schotrestenonderzoek wordt geconcludeerd dat er geen sporen zijn aangetroffen die wijzen op een schootafstand kleiner dan 25 centimeter van het lichaam van het slachtoffer.

[naam moeder slachtoffer 1 en 2]en [slachtoffer 2] wijzen in hun verklaringen verdachte aan als de schutter. [naam dochter slachtoffer 1] heeft geen relevante verklaring afgelegd. [naam vriendin verdachte] en verdachte wijzen [slachtoffer 2] aan als degene die het pistool hanteerde. Gelet op de ontkenning van verdachte dat hij de schutter was, zal de rechtbank hieronder ingaan op de vraag of verdachte degene is geweest die het fatale schot heeft gelost. Indien deze vraag bevestigend beantwoord wordt, zal de rechtbank daarna ingaan op de vraag of verdachte opzet had – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van enerzijds zijn zus en anderzijds zijn broer.

Heeft verdachte het vuurwapen gehanteerd?

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 9 mei 2010 in de woning van zijn moeder was en ruzie kreeg met zijn broer [slachtoffer 2]. Zij hebben met elkaar gevochten en er is een worsteling ontstaan in de woonkamer bij de schuifpui. Tijdens de worsteling hoorde verdachte een knal en zag vervolgens zijn zusje op de grond liggen. Nadat werd geschreeuwd dat verdachte op moest rotten, heeft hij samen met zijn vriendin de woning verlaten. Verdachte heeft verklaard geen wapen in zijn bezit te hebben.

Tijdens de reconstructie heeft verdachte verklaard dat zijn broer [slachtoffer 2] hem bij de eettafel aan zijn schouder vastpakte. Verdachte draaide zich toen om en sloeg zijn broer in het gezicht. [slachtoffer 2] pakte hem hierop in zijn nek en duwde hem half omlaag. Zij stonden toen bij de schuifpui. Verdachte heeft verder verklaard dat hij voorover gebukt stond, met zijn gezicht ter hoogte van het middel van zijn broer, toen hij de knal hoorde. Hij voelde dat er bij het middel van zijn broer iets hards uitstak. Toen verdachte opkeek, zag hij zijn zusje die voorafgaand aan de ruzie in de tuin had gezeten, op het terras liggen. Even later verliet verdachte samen met zijn vriendin de woning.

Getuige [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij op de betreffende dag in de woning was. Toen zijn broer binnenkwam ontstond er al gauw ruzie. Verdachte is hem in de woning aangevlogen waarop hij verdachte heeft vastgepakt en tegen de grond heeft gewerkt. Toen verdachte van de grond omhoog kwam, had verdachte een pistool in zijn hand en daarmee heeft hij geschoten. Zijn zusje kwam juist op dat moment van het terras naar binnengelopen door de schuifpui. Zij bevond zich tussen hem en verdachte in.

Getuige [slachtoffer 2] heeft tijdens de reconstructie verklaard dat hij zijn broer [verdachte] had aangesproken en dat deze hem daarop van achteren aanvloog. [verdachte] wilde hem in het gezicht slaan, maar raakte hem niet. [slachtoffer 2] wilde [verdachte] van zich afduwen, maar omdat [verdachte] hem in zijn nek vast hield, gingen ze beiden naar de grond. [slachtoffer 2] landde op een knie en [verdachte] belandde op beide knieën en ellebogen tussen de eetkamerstoelen. Bij het overeind krabbelen trok [verdachte] zijn trui omhoog en kwam er een pistool tevoorschijn. [slachtoffer 2] deed een stap achteruit en hoorde twee knallen. [slachtoffer 1] kwam op dat moment door de schuifpui naar binnen gestapt en stond schuin voor [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] riep “au”, greep naar haar buik en viel achterover naar buiten.

Getuige [moeder slachtoffer 1 en 2] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 2] en [verdachte] ruzie hadden, bij de schuifpui stonden en elkaar vast hadden. [verdachte] viel en kwam tussen de stoelen bij de eetkamertafel terecht. Zij zag dat [verdachte] op een gegeven moment van de grond omhoog kwam. Zij zag zijn hoofd boven de tafel uitkomen. Toen hoorde zij een knal en zag [slachtoffer 1] in elkaar zakken.

Getuige [moeder slachtoffer 1 en 2] heeft tijdens de reconstructie verklaard dat [verdachte] [slachtoffer 2] vastpakte en dat [slachtoffer 2] [verdachte] naar de grond drukte, waardoor [verdachte] tussen de eetkamerstoelen op zijn knieën terecht kwam, met zijn bovenlichaam op de grond. [slachtoffer 2] viel half met hem mee. Daarna deed [slachtoffer 2] een stap achteruit en pakte getuige [moeder slachtoffer 1 en 2] hem bij zijn trui vast. Op dat moment kwam [slachtoffer 1] naar binnen gestapt en was er een knal. [verdachte] was op dat moment omhoog aan het komen van de grond. [slachtoffer 1] stond met haar gezicht richting [verdachte] en [slachtoffer 2] stond achter haar. [slachtoffer 1] greep naar haar buik en viel achterover.

Gelet op de hierboven aangehaalde verslagen en verklaringen van de deskundigen met betrekking tot de baan van de kogel, de minimale afstand tussen de loop van het wapen en het slachtoffer, het feit dat de kogel niet is gericocheerd en de verklaringen van getuigen [slachtoffer 2] en [moeder slachtoffer 1 en 2] met betrekking tot de positie van het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat het vuurwapen op het moment van het schot dicht bij de grond moet zijn geweest. Zou het wapen zich op een andere plek hebben bevonden, dan is de kogelbaan in het lichaam van het slachtoffer niet verklaarbaar.

Uit de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 2] en [moeder slachtoffer 1 en 2] blijkt verder dat verdachte de enige was die zich op het moment van het schot dicht bij de grond bevond. [slachtoffer 2] heeft bovendien verklaard dat verdachte een pistool in zijn hand hield.

De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij voorovergebogen tegen zijn broer aanstond en iets hards voelde ter hoogte van het middel van zijn broer en een knal hoorde en voelde overtuigt daarentegen niet. Het is de rechtbank in de eerste plaats niet duidelijk hoe het pistool in die situatie heeft kunnen afgaan. Het wapen bevond zich volgens de lezing van verdachte kennelijk onder de kleding en vermoedelijk in of nabij de broeksband van [slachtoffer 2].

In de tweede plaats overweegt de rechtbank dat als het wapen al in deze situatie is afgegaan, of zich zelfs in de handen van [slachtoffer 2] bevond, dat niet strookt met de baan die de kogel heeft afgelegd. De kogel zou dan immers dwars door het middel van het slachtoffer moeten zijn gegaan en in ieder geval niet in de aangetoonde scherpe hoek zijn ingetreden. De rechtbank kan zich, gelet op het bovenstaande, bij deze verklaring van verdachte geen voorstelling maken.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] inconsistenties bevatten en dat hij eveneens zogenoemde schiethanden had. Ook heeft hij opgemerkt dat de verklaringen van getuige [moeder slachtoffer 1 en 2] in de loop der tijd belastender worden voor verdachte. Daarbij heeft de raadsman naar voren gebracht dat de afstanden van het wapen tot het slachtoffer, zoals door [slachtoffer 2] tijdens de reconstructie aangegeven, niet overeenkomen met de baan die de kogel volgens de deskundigen heeft afgelegd.

Uiteraard heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of de getuigenverklaringen van [naam moeder slachtoffer 1 en 2]en [slachtoffer 2] als betrouwbaar kunnen worden beschouwd. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen door deze getuigen is verklaard. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verklaringen van beiden in grote lijnen overeenkomen en dat beiden al kort na het schietincident - namelijk ongeveer één uur later - voor de eerste keer zijn gehoord. Zij hebben, gelet op de hectische situatie ter plaatse - het slachtoffer vocht voor haar leven, de ambulance arriveerde waarna men begon met hulpverlening en de politie verscheen in de woning - naar het oordeel van de rechtbank geen tijd en gelegenheid gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. De verklaringen van [slachtoffer 2] bevatten inderdaad een aantal inconsistenties, maar niet op wezenlijke punten. Alle elementen die hij tijdens zijn eerste verhoor bij de politie heeft genoemd, komen terug in zijn latere verklaringen. Bovendien passen die verklaringen bij de kogelbaan in het lichaam van het slachtoffer, die voor beide getuigen op het moment dat zij voor het eerst verklaarden nog niet kenbaar was.

De rechtbank overweegt verder dat het hebben van zogenoemde schiethanden niets zegt over wie het pistool vast had. Het kruit verspreidt zich immers als een soort stofwolk, waardoor de kruitdeeltjes op verschillende plekken terecht kunnen komen.

Ten aanzien van de hoek en afstand tussen het wapen en het slachtoffer merkt de rechtbank op dat de waarneming van een getuige vaak niet geheel overeenkomt met de werkelijkheid, zeker niet als het aankomt op exacte afstanden. Daarbij komt dat het lichaam van het slachtoffer in beweging was, waardoor de hoek en afstand niet exact te bepalen zijn. De rechtbank overweegt dat het wapen wellicht lager bij de grond is geweest en het slachtoffer wellicht dichterbij heeft gestaan dan tijdens de reconstructie door [slachtoffer 2] is verklaard. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 2] en [moeder slachtoffer 1 en 2] daardoor onbetrouwbaar zijn. De verklaringen van beide getuigen komen, zoals gezegd, op essentiële punten overeen met elkaar en met de bevindingen van de deskundigen.

Gelet op het bovenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat het wapen zich in handen van verdachte bevond.

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood?

Ambtshalve heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of er bij verdachte ook sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]. Zonder opzet bij verdachte kan zij immers niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte de zuivere wil had om zijn zus [slachtoffer 1] of zijn broer [slachtoffer 2] dood te schieten. Naar het oordeel van de rechtbank is er aldus geen sprake van “zuiver” opzet op hun dood.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verdachte opzet had in voorwaardelijke zin. Volgens vaste jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op de dood aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip aanmerkelijke kans afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verder is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, in dit geval dus de dood.

Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan echter niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden kan wel worden gezegd dat hij met grove onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003 552).

Met behulp van deze criteria moet de rechtbank kijken naar de verschillende situaties. Daarbij komt zij tot de volgende bevindingen.

Ten aanzien van [slachtoffer 1]

Heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zijn zus dood zou schieten en heeft hij die kans aanvaard? De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte is de woning binnengegaan met een doorgeladen pistool bij zich. Dat het wapen was doorgeladen, baseert de rechtbank op het feit dat een kogel alleen in de loop van het pistool kan komen door het door te laden. Niet blijkt dat verdachte het pistool ter plekke heeft doorgeladen. Bovendien had hij daar - gelet op de hectische situatie - naar het oordeel van de rechtbank ook geen tijd voor. Dat moet hij dus al eerder gedaan hebben. Daarbij komt dat klaarblijkelijk de veiligheidspal niet op veilig stond of dat verdachte bij het trekken van het wapen die pal heeft omgezet. Anders had het wapen niet kunnen afgaan.

Verdachte heeft het wapen uit zijn kleren tevoorschijn gehaald waarbij hij de loop kennelijk in de richting van zijn broer heeft gehouden. Verdachte was net door zijn broer tegen de grond gewerkt en trachtte weer overeind te komen. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het lichaam, en dus ook de handen, dan minder stabiel zijn. Daarbij komt dat verdachte vanwege medische redenen ook nog eens slecht ter been was.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat bij het trekken van een klaarblijkelijk doorgeladen wapen onder de hiervoor beschreven omstandigheden de aanmerkelijke kans dat dat wapen afgaat en dat iemand die zich in het verlengde van de loop bevindt dodelijk wordt getroffen.

Het pistool is afgegaan op het moment dat zijn zus via de schuifpui de woning binnenstapte. Zij werd dodelijk door een kogel getroffen. Zoals blijkt uit de verklaringen van zowel verdachte, als de getuigen [moeder slachtoffer 1 en 2] en [slachtoffer 2] heeft [slachtoffer 1] vanaf het moment dat verdachte arriveerde in de tuin zitten schilderen en is zij pas naar binnen gekomen, toen de worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 2] is ontstaan.

Het slachtoffer bevond zich dus in de aanloop naar het feit niet in de ruimte waar het schot gevallen is. Zowel verdachte, zijn broer als zijn moeder hebben verklaard dat de ruzie, de worsteling en de knal in zeer korte tijd op elkaar zijn gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er onder deze omstandigheden geen aanmerkelijke kans dat het slachtoffer net op het verkeerde moment naar binnen zou komen en voor haar broer zou gaan staan, in de baan van het schot. Zonder deze aanmerkelijke kans komt de rechtbank aan het beantwoorden van de overige vragen die een rol spelen bij de vraag of van voorwaardelijk opzet sprake is al niet meer toe.

De rechtbank merkt daarbij nog wel op dat, zou men aannemen dat er wel sprake is van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer getroffen kan worden bij het trekken van het pistool, nergens uit blijkt dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Het slachtoffer betreft immers zijn zus met wie hij, als enige van de familie, een zeer goede band had. Ze waren, zoals een getuige zegt, “twee handen op een buik”. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ligt het dan niet voor de hand dat verdachte indien hij zich bewust zou zijn geweest van de aanmerkelijke kans, toch het pistool zou hebben getrokken, met andere woorden die aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard.

De conclusie is dat bij de verdachte ook de voorwaardelijke opzet met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde ontbreekt. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrij spreken.

Ten aanzien van [slachtoffer 2]

Heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zijn broer dood zou schieten en heeft hij deze kans aanvaard? De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank levert het trekken van een pistool onder de hiervoor beschreven omstandigheden de aanmerkelijke kans op dat dat wapen afgaat en dat iemand in het verlengde van de loop dodelijk wordt getroffen. Die wetenschap kan bij verdachte worden verondersteld.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard (op de koop toe genomen) ten aanzien van zijn broer. Verdachte heeft ontkend dat hij een vuurwapen in handen heeft gehad en geeft daarmee geen inzicht omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in hem is omgegaan. De rechtbank zal dus moeten afgaan op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte.

Zoals al gezegd heeft verdachte, op het moment dat hij in een worsteling met zijn broer door zijn broer tegen de grond was gewerkt en zich in de verliezende positie bevond, een doorgeladen wapen tevoorschijn gehaald. Dat stond niet op “veilig” of verdachte heeft tijdens het trekken de veiligheidspal omgezet. De loop werd daarbij in de richting van zijn broer gehouden.

Deze gedragingen kunnen zo zeer worden aangemerkt als gericht op de dood van zijn broer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] (in voorwaardelijke zin) zal zij volledigheidshalve nog stil staan bij de vraag of ook sprake is geweest van kalm en rustig beraad.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Er zijn geen aanwijzingen waaruit blijkt dat verdachte van te voren het plan heeft opgevat om zijn broer te doden. Het bezit van het geladen wapen laat zich verklaren uit een conflict dat verdachte blijkbaar heeft met enkele criminele personen die ernstig geweld niet schuwen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrij spreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.

Wel wettig en overtuigend bewezen acht de rechtbank de subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 2 subsidiair:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van tien jaar, met aftrek van het voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft tot vrijspraak geconcludeerd en geen strafmaatverweer gevoerd.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in overweging.

Op Moederdag 2010 is verdachte naar de woning van zijn moeder en zijn zus gegaan om die dag te vieren. Wat een fijne dag had moeten zijn, werd een verschrikkelijke dag.

Verdachte had tijdens dit bezoek een doorgeladen pistool bij zich in de woning. Behalve hij zelf waren er zijn moeder, zijn zus, zijn broer, zijn nichtje en zijn vriendin. Hij en zijn broer kregen ruzie waarbij het voor zijn zus fatale schot viel. Met de wetenschap dat hij zijn zus heeft doodgeschoten zal hij zijn hele verdere bestaan moeten voortleven. Hij zal zich dit verwijten en zijn familie zal het hem verwijten – misschien is dat laatste wel de zwaarste straf die hij vanaf nu heeft. Zoals hiervoor uiteengezet is, is de rechtbank van oordeel dat hem dit in strafrechtelijke zin niet valt te verwijten. Er is geen sprake van een misdaad maar van een betreurenswaardig ongeval. Dit gegeven heeft uiteraard substantiële invloed op de straf zoals die door de officier van justitie is gevorderd.

Verdachte heeft een schot gelost in de richting van zijn broer. [slachtoffer 2] is echter niet door de kogel geraakt. Bewezen is daarom een poging [slachtoffer 2] te doden. Het slachtoffer zelf heeft aan het voorval geen letsel overgehouden.

De rechtbank heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Op grond daarvan dient in beginsel in geval van doodslag als uitgangspunt te worden genomen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Nu sprake is van poging tot doodslag dient dit uitgangspunt met een derde deel te worden verminderd, te weten tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Dit soort misdrijven brengen in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Ook de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van dit soort misdrijven nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, weegt de rechtbank mee bij de bepaling van de strafmaat.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van het verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 december 2010, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van geweldmisdrijven is veroordeeld.

[slachtoffer 2] heeft als gevolg van het geloste schot geen rechtstreeks letsel opgelopen. Dat aspect speelt een rol in de afweging omtrent de omvang van de op te leggen straf, net zoals het gegeven dat [slachtoffer 2] natuurlijk wel indirect zwaar is getroffen door het verlies van zijn zus; een onfortuinlijk lot dat ook verdachte treft. In de weging telt ook het feit dat verdachte geen contact meer heeft met zijn familie en hem dat zwaar valt, getuige zijn verklaring daarover ter zitting.

Al deze elementen afwegende ziet de rechtbank aanleiding de als uitgangspunt genomen gevangenisstraf te verminderen en een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van het voorarrest, op te leggen.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair en 2 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter,

mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 09 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een kogel afgevuurd in het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een kogel afgevuurd in het lichaam van die [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 09 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 mei 2010 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.