Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP3115

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 294
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geslachtsnaamwijziging. Uitzondering op verplicht afwijzen verzoek.

Verzoek om wijziging geslachtsnaam. Het verzoek voldoet aan de in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3º, van het Besluit geslachtsnaamwijziging genoemde uitzondering op de regel dat het verzoek verplicht afgewezen dient te worden, nu niet voldaan is aan het een vierde criterium. Verweerder heeft in redelijkheid het familie- en gezinsleven van de moeder en dochter laten prevaleren boven de bezwaren die de vader tegen de naamswijziging heeft. Geen schending artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 294

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser]

eiser,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 21 januari 2010

Kenmerk: NM 092/1410

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 20 januari 2011 plaatsgehad. Ter zitting is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde P.M.J. Graus, advocaat te Heerlen en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door L.C. van der Linden en S.L. de Koning, beiden werkzaam bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Tevens was als derde belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht aanwezig [belanghebbende] bijgestaan door haar gemachtigde J.H.J. Beckers, wonend te Munstergeleen.

2. Overwegingen

Uit het huwelijk van eiser en [belanghebbende] (moeder) is op 28 november 2002 [naam] ( dochter) geboren. Eiser en de moeder zijn gehuwd geweest vanaf 25 maart 2000. Bij beschikking van 26 mei 2004 van de rechtbank Maastricht is tussen eiser en [belanghebbende] echtscheiding uitgesproken. Op 11 juni 2004 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand van de gemeente Valkenburg aan de Geul. Na de echtscheiding is de moeder met het ouderlijk gezag belast.

Bij brief van 11 juni 2009 heeft de moeder verzocht om wijziging van de geslachtsnaam van de dochter in [naam belanghebbende]. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de gemeente Heerlen een rapport uitgebracht waaruit blijkt dat eiser bedenkingen heeft tegen de verzochte naamswijziging.

Bij besluit van 14 september 2009 heeft verweerder het verzoek tot naamswijziging afgewezen.

Naar aanleiding van het tegen dit besluit door de moeder gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 september 2009 herroepen en onder toepassing van artikel 3, vierde lid, sub d, onder 3º van het Besluit geslachtsnaamwijziging besloten alsnog voornemens te zijn het verzoek om geslachtsnaamwijziging ter inwilliging voor te dragen aan H.M. de Koningin.

Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge artikel 1:7, vijfde lid, van het BW worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaam kan worden verleend, de wijze van indiening en de behandeling van dergelijke verzoeken en betreffende het voor de wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht. Dit is gebeurd bij Besluit van 6 oktober 1997, houdende regels voor geslachtsnaamswijziging (Besluit geslachtsnaams¬wijziging).

Op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (Besluit) wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.

In artikel 3, tweede lid, van het Besluit is bepaald dat ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, het eerste lid van overeenkomstige toepassing is met dien verstande dat de termijn van verzorging en opvoeding dan ten minste vijf jaren bedraagt.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, onder d, van het Besluit wordt het verzoek afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamwijziging van de minderjarige jonger dan twaalf jaren tenzij:

1º. de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, waarbij onder misdrijf wordt begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf;

2º. de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, van het gezag over het kind is ontzet; of

3º. verzoekers aantonen dat de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, en het kind niet meer dan gedurende een vierde deel van de periode voorafgaande aan de termijn van verzorging en opvoeding, bedoeld in het tweede lid, in gezinsverband hebben samengeleefd.

Niet in geding is en de rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht en dat de moeder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de dochter heeft verzorgd en opgevoed.

De aanvraag dateert van 11 juni 2009. Dit betekent dat het verzoek op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 3º, van het Besluit niet wordt afgewezen indien eiser niet meer dan gedurende een vierde deel van de aan 11 juni 2004 voorafgaande periode met zijn dochter in gezinsverband heeft samengeleefd. Nu de dochter geboren is op 28 november 2002, bedraagt deze periode 565 dagen. Een vierde deel hiervan is 141,25 dagen.

Ter zitting heeft eiser aangegeven zich te conformeren aan de datum 1 april 2003, als zijnde de datum dat de moeder met haar dochter op een ander adres zijn gaan wonen. Tevens is uit de gemeentelijke basisadministratie gebleken dat de moeder en dochter met ingang van 1 april 2003 zijn ingeschreven op een ander adres dan dat van eiser. Gelet hierop betreft de periode dat eiser en de dochter niet met elkaar in gezinsverband hebben samengeleefd 124 dagen, te weten van 28 november 2002 tot en met 1 april 2003. Derhalve voldoet het verzoek van de moeder aan de uitzonderingsgrond met betrekking tot het een vierde criterium.

Gelet hierop was verweerder bevoegd het verzoek om naamswijziging in te willigen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 augustus 2006, LJN AY5895, overweegt de rechtbank voorts dat de uitzonderingen in het vierde lid, aanhef en onder d, van artikel 3 van het Besluit zijn geformuleerd als uitzonderingen op de in artikel 3, vierde lid, van het Besluit als regel vooropgestelde verplichting het verzoek af te wijzen en dat, wanneer een van die uitzonderingen zich voordoet, verweerder op grond van artikel 1:7, eerste lid, van het BW bevoegd en niet op grond van artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het Besluit gehouden is het verzoek om geslachtsnaamwijzing in te willigen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld het verantwoord te achten om het familie- en gezinsleven van de moeder en dochter te laten prevaleren boven de bezwaren die eiser tegen de naamswijziging heeft. De moeder en dochter vormen reeds vanaf het eerste levensjaar van de dochter een gezin, waarbij eiser de dochter sinds 2004 niet meer heeft gezien. Tevens gebruikt de dochter de achternaam van haar moeder reeds in het dagelijks leven.

Ten aanzien van eisers stelling dat de toewijzing van het verzoek in strijd is met artikel 10 van de Grondwet juncto artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2004, LJN AT9700, dat de geslachtsnaam tussen eiser en zijn dochter een betrekking inhoudt, die naar haar aard tot het privé-leven en het familie- en gezinsleven van eiser in de zin van artikel 8 van het EVRM is te rekenen. Indien evenwel de bescherming van de rechten en vrijheden van derden in het geding is, kan een inmenging gerechtvaardigd zijn. Ten opzichte van eiser is de moeder als een zodanige derde aan te merken. Bij een afweging van het belang van de moeder bij het voeren van de door haar gewenste geslachtsnaam tegen de belangen van eiser bij het behoud door zijn dochter van zijn geslachtsnaam [naam eiser], is naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit aan de belangen van de moeder terecht de doorslag gegeven. De in geding zijnde naamswijziging houdt derhalve jegens eiser geen schending van artikel 8 van het EVRM in. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek strijdig is met artikel 10 van de Grondwet, nu de ondervonden beperking bij en krachtens de wet is gesteld.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.F. Sleddens, rechter, in tegenwoordigheid van P.M. van den Brekel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2011.

w.g. P. van den Brekel w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:4 februari 2011

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.