Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2011:BP2657

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
03/994119-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:4855, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis- inhoudsindicatie: Verdachte wordt vrijgesproken van het beschadigen, vernielen, uithalen en/of wegnemen van een dassen- en/of konijnenburcht, aangezien geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is van schade aan de burcht.

Verdachte wordt ook vrijgesproken van het verstoren van een dassen- en/of konijnenburcht. In de wet en de Memorie van Toelichting wordt niet aangegeven wanneer precies sprake is van “verstoren” in de zin van artikel 11 van de FFW. Artikel 11 van de FFW is gebaseerd op artikel 12(1)d van de Habitatrichtlijn. In het “Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC (February 2007)” wordt wel iets gezegd over dit artikel. In het “Guidance document” is aangegeven dat nesten/rustplaatsen van beschermende diersoorten strikte bescherming behoeven, aangezien zij cruciaal zijn voor het leven van de betreffende dieren en daardoor voor het voortbestaan van de betreffende soort. Het beschermingsregime heeft tot doel de ecologische functie van de nesten/verblijfplaatsen veilig te stellen, om er zo voor te zorgen dat de betreffende diersoort(en) zich met succes kunnen voortplanten. Gelet op deze uitleg kan er naar het oordeel van de economische politierechter slechts sprake zijn van “verstoren” in de zin van artikel 11 van de FFW, indien er daadwerkelijk gevolgen voor het betreffende nest/hol zijn geweest, in die zin dat de ecologische functie is verstoord. In het onderhavige dossier is daarvoor geen bewijs voorhanden. Verdachte zal daarom ook van het resterende onderdeel van feit 1 primair worden vrijgesproken.

Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde verontrusting van een das. Nu niet is komen vast te staan dat er daadwerkelijk dassen in de burcht woonden, kan niet worden bewezen dat er inderdaad een verontrusting van een das heeft plaatsgevonden. Verdachte zal derhalve ook van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/994119-09

vonnis van de economische politierechter d.d. 1 februari 2011

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 4 november 2010 en 18 januari 2011, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er (na wijziging van de tenlastelegging) kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met een ander een dassen- of konijnenburcht heeft beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord;

Feit 1 subsidiair: samen met een ander dassen heeft verontrust;

Feit 2: samen met een ander zonder vergunning twee wilde kersenbomen en een es dan wel esdoorn heeft geveld of doen vellen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte samen met een ander bepaalde werkzaamheden heeft uitgevoerd, waardoor hij een dassen- en/of konijnenburcht heeft beschadigd en/of verstoord. Uit het verhandelde ter terechtzitting is volgens de officier komen vast te staan dat er daadwerkelijk een burcht was. Ook is vast komen te staan dat er op/in de nabijheid van deze burcht met een zware machine werkzaamheden zijn uitgevoerd. Gelet op de aard en de plaats van de werkzaamheden kan het niet anders dan dat de burcht hierdoor is beschadigd en/of verstoord. De vraag of de burcht wel of niet bewoond was is hierbij volgens de officier van justitie niet relevant, omdat uit de Memorie van Toelichting op de Flora- en faunawet (FFW) volgt dat de tenlastegelegde artikelen ook zien op niet bewoonde burchten.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het illegaal kappen van de twee (wilde) kersenbomen, aangezien hiervoor blijkens de APV van Eijsden geen kapvergunning is vereist. Hij acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met de APV zonder vergunning een es (of esdoorn) heeft gekapt.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair aangevoerd dat het niet verdachte is geweest die de in de tenlastelegging genoemde werkzaamheden heeft verricht, maar een door verdachte ingeschakelde loonwerker. Deze loonwerker valt juridisch geen enkel verwijt te maken. Daarom is hier geen sprake van medeplegen. Nu verdachte zelf geen van de verweten handelingen heeft verricht, kan er hooguit sprake zijn van “doen plegen”. Dit is echter niet tenlastegelegd. Om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat niet zeker is of het hier wel daadwerkelijk om een dassenburcht gaat. Misschien is de burcht wel gemaakt door een vos. Daarnaast is wel van belang of het om een al dan niet bewoonde burcht gaat. De wet spreekt immers van vaste rust- of verblijfplaatsen. Alleen bij vaste rust- of verblijfplaatsen kan sprake zijn van beschadiging of verstoring in de zin van de FFW.

Voorts heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van de rechtbank Zutphen (LJN: BO4074). Hierin heeft de economische politierechter geoordeeld dat alleen sprake kan zijn van “verstoring” van een hol/nest/verblijfplaats van een dier, indien de ecologische functie hiervan is aangetast, in die zin dat die functie niet meer (of minder goed) kan worden vervuld. Een zeer tijdelijke verstoring die uiteindelijk geen gevolgen heeft is geen beschadiging of verstoring in de zin van de FFW. De verdediging heeft erop gewezen dat de getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij op 3 april 2009 sporen heeft gezien, die erop duidden dat er een das in en uit de burcht was gelopen. Niet duidelijk is of het hier ging om een “bewoner” die van binnen naar buiten ging - en weer terug, dan wel om een “bezoeker”, die van buiten naar binnen ging - en weer terug. Indien het om een bewoner ging, blijkt hieruit weliswaar dat de burcht bewoond was, maar dat er in ieder geval geen sprake was van een blijvende beschadiging/verstoring, aldus de raadsman. Indien het om een bezoeker ging onderschrijft dit de visie van de verdediging dat het niet om een vaste rust- of verblijfplaats ging. Tenslotte heeft de raadsman nog opgemerkt dat in het dossier geen bewijs is dat de burcht daadwerkelijk is beschadigd/vernield. Ten aanzien van het (middels een wijziging tenlastelegging) gemaakte verwijt dat het (ook) om een konijnenburcht ging, heeft de raadsman nog aangevoerd dat een konijn geen bedreigde diersoort is.

Dit alles brengt volgens de raadsman met zich dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder feit 1 (zowel primair als subsidiair) tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie.

3.3 Het oordeel van de economische politierechter

Inleiding

De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben gerelateerd dat zij op 2 april 2009 in de gemeente Eijsden in een weiland, grenzend aan een graft, een man zagen. Deze man was bezig gezaagde boomstammen op te laden op een zogenoemde “loader”. De verbalisanten zagen dat er in de graft snoei- en zaagwerkzaamheden hadden plaatsgevonden. Zij zagen verder dat er boven aan de graft in een aangrenzend weiland vijf ontwortelde bomen lagen. Tenminste een van deze bomen betrof een es dan wel esdoorn. De man deelde de verbalisanten mede dat hij de bomen aan het opladen was in opdracht van de verdachte [naam verdachte].

Bij nader onderzoek zagen de verbalisanten dat in de graft zeer waarschijnlijk een dassenburcht aanwezig was. Ze zagen meerdere uitgangen van konijnenholen en een vijftal grotere ingangen. De burcht was kennelijk bewoond. Enkele ingangen waren bedekt met afgezaagde boomstammen en takken. Voorts zaten er in het weiland boven de graft gaten, ontstaan door de gerooide bomen. Deze gaten bevonden zich recht boven de dassenburcht. Juist op deze plaatsen waren bomen met behulp van zware landbouwmachines gerooid, aldus de verbalisanten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 1 april 2009 in het kader van achterstallig onderhoud snoeiwerkzaamheden heeft uitgevoerd in/op de bovenbedoelde graft/het weiland. Er zijn ook bomen gerooid. Deze bomen bevonden zich in het weiland boven de graft. Het rooien gebeurde in zijn opdracht door een loonwerker die hiervoor zijn eigen machines gebruikt heeft.

Bij de politie heeft verdachte nog verklaard dat hem niet bekend was dat er in de graft een bewoonde dassenburcht was. Hij heeft wel gezien dat er veel konijnen zaten. Hij dacht dat deze konijnen gebruik maakten van een vermoedelijk oude zomerburcht. Volgens hem waren er geen sporen van een das en was de burcht pertinent niet bewoond.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn zes personen als getuigen gehoord, te weten de verbalisant [naam verbalisant 1], de heer [naam getuige] (voorzitter van de Dassenwerkgroep Limburg), mevrouw [de J-van H.] (biologe), de heer [C.] (lid van de Dassenwerkgroep Limburg en de Werkgroep Daslicht), de heer [K.] (dierenarts en jager) en de heer [L.] (fruitteler en lid van de Vereniging Das en Boom).

Getuige [naam verbalisant 1] heeft verklaard op 2 april 2009 sporen (o.a. vers uitgegooid zand) te hebben gezien waarvan hij vermoedde dat deze afkomstig waren van een das. Om zeker te zijn heeft hij de heer [naam getuige] van de Stichting Dassenwerkgroep Limburg verzocht naar de burcht te komen kijken.

De getuige [naam getuige] heeft verklaard op 3 april 2009 sporen van een das te hebben gezien. Het betrof hier in- en uitgaande sporen. Hij kon niet met zekerheid zeggen of het spoor van buiten naar binnen (en terug), dan wel van binnen naar buiten (en terug) liep. De sporen zouden daarom van een bewoner van de burcht kunnen zijn geweest, maar ook van een bezoekende das.

De getuigen [de J-van H.], [C.], [K.] en [L.] zijn alle vier op verzoek van verdachte enkele dagen na het gebeuren bij de burcht gaan kijken. Allen hebben verklaard dat zij toen geen sporen van bewoning of aanwezigheid van een das hebben aangetroffen. [C.] heeft nog verklaard dat de burcht in het verleden wel bewoond was door dassen. In 2008 en 2009 heeft hij echter geen sporen van (bewoning door) dassen meer gezien. [de J-van H.] en [K.] hebben nog verklaard wel sporen van konijnen te hebben aangetroffen.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

Uit bovenstaande verklaringen concludeert de economische politierechter dat zich in de graft een holenstelsel (burcht) bevond, dat in ieder geval in het verleden door dassen werd bewoond. Of deze burcht ten tijde van de verweten gedragingen nog steeds daadwerkelijk door dassen werd bewoond is naar het oordeel van de economische politierechter niet vast komen te staan. De getuigen a décharge hebben weliswaar verklaard dat zij geen sporen van bewoning hebben aangetroffen, maar deze verklaringen zijn niet doorslaggevend. Het gaat hier immers om waarnemingen gedaan ná de werkzaamheden die beweerdelijk verstorend zijn geweest. Het zou dus best kunnen dat er geen sporen (meer) werden gezien, juist omdat de dassen door de werkzaamheden waren verdreven. De verklaringen van [naam verbalisant 1] en [naam getuige] dat de burcht wél bewoond was, kunnen echter evenmin als doorslaggevend worden aangemerkt. De enkele constatering dat er een dassenspoor liep zegt immers niets over bewoning. Zoals [naam getuige] heeft aangegeven kan dit ook het spoor van een bezoeker zijn geweest. Dit laatste, in samenhang met de verklaring van [C.], dat hij in 2008 en 2009 ook al geen dassensporen (meer) heeft aangetroffen, brengt de economische politierechter tot het oordeel dat er wel een burcht was, maar dat niet vastgesteld kan worden dat deze burcht ten tijde van het verweten delict door dassen werd bewoond. Wel is komen vast te staan dat er ten tijde van het delict sprake was van bewoning door konijnen. Immers; verbalisant [naam verbalisant 1] heeft konijnenholen gezien, twee getuigen hebben expliciet verklaard konijnensporen te hebben aangetroffen en ook verdachte zelf heeft verklaard dat er konijnen waren die volgens hem in de oude dassenburcht woonden.

Uit dit alles concludeert de economische politierechter dat er sprake was van een dassen- en/of konijnenburcht, waarvan vast staat dat deze op 1 en/of 2 april 2009 werd bewoond door konijnen.

Anders dan de raadsman meent is niet alleen een das, maar ook een wild konijn een beschermde diersoort. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 4, lid 1, onder a van de FFW. Niet alleen een dassen- , maar ook een konijnenburcht heeft derhalve een beschermde status.

Dit brengt de economische politierechter bij de vraag of de werkzaamheden die op 1 en/of 2 april 2009 op/in de nabijheid van deze dassen- en/of konijnenburcht werden verricht, hebben geleid tot het beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen, dan wel verstoren van de dassen- en/of konijnenburcht, dan wel tot het (subsidiair tenlastegelegde) verontrusten van een das.

Het beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen:

De economische politierechter is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de burcht is beschadigd, vernield, uitgehaald en/of weggenomen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan wel worden opgemaakt dat er met een (zwaar) voertuig boven de graft is gereden. Bewijs dat hierdoor schade aan de dassen- en/of konijnenburcht is veroorzaakt is echter niet voorhanden. Er zit wel een foto in het dossier (foto nr. 16, op pagina 16), waarop een gat/verzakking in de bodem te zien is. Volgens getuige [naam getuige] betreft het hier een verse verzakking, aangezien de wand (nog) niet begroeid is met nieuw gras. Uit het dossier blijkt echter niet dat dit gat/deze verzakking tot beschadiging of vernieling van de burcht heeft geleid, dan wel enig andere nadelige invloed hierop heeft gehad. Nu de getuige [naam verbalisant 1] bovendien ter terechtzitting heeft verklaard dat hij deze verzakking heeft bekeken en niet heeft kunnen vaststellen dat er een verbinding was met de burcht, acht de economische politierechter onvoldoende bewijs aanwezig voor het beschadigen, vernielen, uithalen, en/of wegnemen van de dassen- en/of konijnenburcht. Verdachte zal daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Het verstoren, dan wel verontrusten:

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van verstoren, dan wel verontrusten merkt de economische politierechter allereerst op dat “verstoren” ziet op de nesten/holen als zodanig en dat “verontrusten” ziet op de beschermde dieren zelf.

In de wet en de Memorie van Toelichting wordt niet aangegeven wanneer precies sprake is van “verstoren” in de zin van artikel 11 van de FFW. Artikel 11 van de FFW is gebaseerd op artikel 12(1)d van de Habitatrichtlijn. In het “Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC (February 2007)” wordt wel iets gezegd over dit artikel. In het “Guidance document” is aangegeven dat nesten/rustplaatsen van beschermende diersoorten strikte bescherming behoeven, aangezien zij cruciaal zijn voor het leven van de betreffende dieren en daardoor voor het voortbestaan van de betreffende soort. Het beschermingsregime heeft tot doel de ecologische functie van de nesten/verblijfplaatsen veilig te stellen, om er zo voor te zorgen dat de betreffende diersoort(en) zich met succes kunnen voortplanten. Gelet op deze uitleg kan er naar het oordeel van de economische politierechter slechts sprake zijn van “verstoren” in de zin van artikel 11 van de FFW, indien er daadwerkelijk gevolgen voor het betreffende nest/hol zijn geweest, in die zin dat de ecologische functie is verstoord. In het onderhavige dossier is daarvoor geen bewijs voorhanden. Verdachte zal daarom ook van het resterende onderdeel van feit 1 primair worden vrijgesproken.

Rest de vraag of de werkzaamheden hebben geleid tot de subsidiair tenlastegelegde verontrusting van een das. Nu niet is komen vast te staan dat er daadwerkelijk dassen in de burcht woonden, kan niet worden bewezen dat er inderdaad een verontrusting van een das heeft plaatsgevonden. Verdachte zal derhalve ook van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De economische politierechter acht het onder feit 2 tenlastegelegde wel wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte zonder vergunning een es dan wel esdoorn heeft doen vellen. De economische politierechter baseert haar oordeel op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de constatering van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] dat er in het weiland van verdachte een ontwortelde es dan wel esdoorn lag, terwijl hiervoor – anders dan vereist - geen kapvergunning was verleend.

Dat verdachte ook twee wilde kersenbomen zonder vergunning heeft doen vellen acht de economische politierechter niet wettig en overtuigend bewezen, aangezien het hier om vruchtbomen gaat en uit artikel 4:11a van de APV 2009 van de gemeente Eijsden blijkt dat voor vruchtbomen geen kapvergunning is vereist. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte derhalve vrij gesproken.

3.4 De bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 april 2009 tot en met 2 april 2009 in de gemeente Eijsden zonder vergunning van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden, een houtopstand, bestaande uit een es dan wel esdoorn, heeft doen vellen.

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 2:

overtreding van het bepaalde bij artikel 4.3.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Eijsden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 850,- ten aanzien van feit 1 primair en een geldboete van € 150,- ten aanzien van feit 2.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde doen vellen van een es (esdoorn) te volstaan met een schuldigverklaring, zonder oplegging van een straf of maatregel, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

5.3 Het oordeel van de economische politierechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft een es of een esdoorn zonder de hiervoor vereiste vergunning doen vellen. Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij heeft aangegeven er gewoon niet aan gedacht te hebben dat hij een kapvergunning zou moeten aanvragen. Hij draagt de natuur een warm hart toe en beschikt ook over een Certificaat van Vakbekwaamheid ‘Erkend Natuurbeheerder”. Dit alles pleit voor verdachte. Anderzijds had juist een “Erkend Natuurbeheerder” naar het oordeel van de politierechter zorgvuldiger te werk moeten gaan. Alles afwegende acht de economische politierechter daarom een geldboete van € 150, - een passende straf.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 4.3.2 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Eijsden, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De economische politierechter:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 150, - bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, economische politierechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

1 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 2 april 2009 in de gemeente Eijsden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, één of meer nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een dassenburcht/een verblijfplaats van een of meer das(sen) (Melus Melus), heeft/hebben beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen en/of verstoord, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader met een (zwaar) landbouwwerk- dan wel voertuig snoei-, rooi-, opruim- en/of transportwerkzaamheden verricht boven op de graft, waarin de dassenburcht was gelegen, waardoor grote gaten en/of verzakkingen ontstonden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 2 april 2009 in de gemeente Eijsden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten de das (Melus Melus) opzettelijk heeft/hebben verontrust, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader met een (zwaar) landbouwwerk- dan wel voertuig snoei-, rooi-, opruim- en/of transportwerkzaamheden verricht boven op de graft, waarin de dassenburcht was gelegen, waardoor grote gaten en/of verzakkingen ontstonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 tot en met 2 april 2009 in de gemeente Eijsden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden, een houtopstand, bestaande uit twee wilde kersenbomen en een es dan wel esdoorn, heeft/hebben geveld of doen vellen.