Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BQ6158

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
151361/KG ZA 10-240
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BR5909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Koop van paard. Voorlopig oordeel dat (naar Belgisch recht) sprake is van consumentenkoop en dat het paard een gebrek heeft, dat zich binnen zes maanden na het tijdstip van levering heeft geopenbaard en daarom vermoed wordt op dat tijdstip te hebben bestaan, welk vermoeden door gedaagde (verkoper) niet is weerlegd. Veroordeling tot terugbetaling koopprijs en terughalen paard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151361 / KG ZA 10-240

Vonnis in kort geding van 20 juli 2010

in de zaak van

[EISER],

wonende te Landgraaf,

eiser,

advocaat mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam,

tegen

1. [GEDAAGDE],

wonende te Heist-op-den-Berg, België,

2. [GEDAAGDE2]

gevestigd te Heist-op-den-Berg, België,

gedaagden,

advocaat mr. G.A. Stibbe te Budel-Dorplein.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser], [gedaagde1] en Dressuurstal [gedaagde1] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk gedaagden genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding

-de mondelinge behandeling

-de pleitnota van [eiser]

-de pleitnota van [gedaagde1].

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.De dochter van [eiser] (“[[XX]]”) zal per 1 september 2010 gaan deelnemen aan een opleiding Docent/Trainer Paardensport. Voor deze opleiding heeft zij een leerpaard nodig. De opleiding stelt huurpaarden ter beschikking, doch het geniet de voorkeur dat de studenten een eigen paard hebben. Het leerpaard dient onder meer in staat te zijn om een parcours van 1 meter hoog te springen. Voorts mag het geen beperkingen vertonen in de basisgangen en dient het paard gezond en handelbaar te zijn.

2.2.[gedaagde1] is professioneel ruiter en exploiteert een dressuurstal in België. [eiser] heeft op enig moment belangstelling getoond voor het paard [[F]] dat door [gedaagde1] te koop werd aangeboden. [eiser] en [[XX]] hebben de dressuurstal van [gedaagde1] tweemaal bezocht, waarbij [[XX]] het paard beide keren heeft uitgeprobeerd. [gedaagde1] was ermee bekend dat [eiser] een paard zocht voor [[XX]] om aan voornoemde opleiding deel te nemen. [eiser] heeft het paard op 22 augustus 2009 in België laten keuren door [[Y]]. Laatstgenoemde heeft het paard onderworpen aan een klinische en röntgenologische aankoopkeuring. [eiser] en [gedaagde1] waren aanwezig bij deze keuring. [gedaagde1] heeft tijdens de keuring verteld dat het paard in het verleden last had gehad van de knie van het linkerachterbeen. [[y]] heeft de knie nader klinisch onderzocht en geen problemen geconstateerd. [[y]] heeft het paard volgens zijn rapport van keuring van 22 augustus 2009 geschikt bevonden. [eiser] heeft het paard na deze keuring van [gedaagde1] gekocht voor € 10.000,00 en het paard direct ter plaatse, na contante betaling van de koopprijs, geleverd gekregen van [gedaagde1].

2.3.[eiser] heeft na de aankoop een schade- en ziektekostenverzekering voor het paard afgesloten bij EFO Paardenverzekering (nader te noemen EFO).

2.4.Na de aankoop ervoer [[XX]] dat het paard moeilijk berijdbaar was. [eiser] schakelde daarom een ruiter in, [[Q]], die concludeerde dat het paard niet te berijden was wegens fysieke problemen. [eiser] heeft het paard daarna laten onderzoeken door paardendierenarts [[A]], die heeft geconcludeerd dat het paard - kort gezegd - artrose heeft in de halswervels, waardoor het paard niet geschikt is als dressuur-, spring- en/of leerpaard. De bevindingen van [[A]] voornoemd zijn vastgelegd in een brief aan EFO van 12 november 2009. EFO heeft een second opinion aangevraagd bij dr. K. [[P]]. Van [[P]] heeft bij brief van 18 december 2009 aan EFO de conclusies van [[A]] onderschreven. Van [[P]] heeft tevens geconcludeerd dat de artrose is te antedateren tot voor de aankoop en heeft geadviseerd het disfunctioneren van het paard niet onder de dekking van de verzekering te laten vallen. Ook [[A]] heeft, op 21 december 2009, verklaard dat de artrose te antedateren is tot voor de aankoop van het paard. EFO heeft bij brief van 24 december 2009 aan [eiser] bericht dat de dekking van de verzekering voor de artrose in de halswervels is komen te vervallen, daar het gaat om een verborgen gebrek.

2.5.[eiser] heeft bij brief van 10 november 2009 geklaagd bij [gedaagde1] over de geconstateerde gebreken en verzocht het paard tegen restitutie van de koopprijs terug te nemen. [gedaagde1] heeft bij brief van zijn gemachtigde van 15 december 2009 aan [eiser] bericht aan dit verzoek geen gehoor te zullen geven. [eiser] heeft daarna bij brief van zijn gemachtigde van 4 januari 2010 de koopovereenkomst ontbonden wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en [gedaagde1] gesommeerd om de aankoopprijs terug te betalen. [gedaagde1] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven. Bij brief van zijn gemachtigde van 13 april 2010 heeft [eiser] [gedaagde1] gesommeerd de koopsom terug te betalen, een schadevergoeding te betalen en het paard op het terrein van [eiser] op te halen, ofwel voldoende tegenbewijs te leveren tegen het bewijsvermoeden dat het paard bij de aankoop niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Op 23 april 2010 zijn partijen bij elkaar gekomen, bij welke gelegenheid [gedaagde1] het paard heeft gelongeerd en bereden. Partijen zijn niet tot een oplossing van het geschil gekomen.

3.Het geschil

3.1.[eiser] vordert gedaagden te veroordelen

1.om aan [eiser] te betalen € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2010, althans vanaf een door de Voorzieningenrechter te bepalen datum, te betalen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn,

2.om het paard bij [eiser] af te (laten) halen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat daarmee na betekening van dit vonnis in gebreke wordt gebleven,

3.om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een voorschot van € 4.087,80, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, op de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2010, althans vanaf een door de Voorzieningenrechter te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening,

4.om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag aan werkelijke proceskosten van € 6.729,75, althans aan BIK van € 2.113,17, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, althans een bedrag aan BIK van € 816,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 april 2010, althans vanaf een door de Voorzieningenrechter te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening,

5.in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.Gedaagden voeren verweer.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Gedaagden hebben tijdens de mondelinge behandeling een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. De voorzieningenrechter heeft hierop na een korte schorsing van de mondelinge behandeling mondeling beslist en zich bevoegd geacht om van de vordering kennis te nemen. De motivering van de beslissing is dat de gevorderde voorzieningen in dit arrondissement worden vereist.

4.2.De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van dit geschil in kort geding uit van Belgisch recht, nu de koopovereenkomst het nauwst verbonden is met Belgisch recht. De koopovereenkomst is in België gesloten en betaling van de koopprijs en levering van het paard hebben aldaar plaatsgevonden. De door [eiser] ingeroepen artikelen 5, 7 en 8 van het EEG-Overeenkomstenverdrag 1980 (EVO) leiden niet tot een ander voorlopig oordeel.

4.3.[gedaagde1] heeft betoogd dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen. Dit verweer wordt verworpen. De stelling van [gedaagde1] dat [[XX]] een geschikt paard heeft om de opleiding mee te volgen, is gemotiveerd betwist door [eiser] en niet aannemelijk geworden. Aannemelijk is dat [[XX]] per 1 september 2010 een paard nodig heeft om aan de opleiding te beginnen, waarbij de voorzieningenrechter in aanmerking neemt dat de opleiding aanraadt om een eigen paard te hebben. Voldoende aannemelijk is voorts dat [eiser] het aankoopbedrag van het paard [[F]] nodig heeft om een nieuw paard te kunnen kopen. Los gezien van de vraag of van [eiser] gevergd kan worden om genoegen te nemen met een huurpaard voor [[XX]], zou het huren van een leerpaard tot aanzienlijke additionele kosten leiden bovenop de kosten die [eiser] al moet maken voor de stalling en verzorging van het paard [[F]]. Van spoedeisend belang bij de gevorderde wettelijke rente over het aankoopbedrag, het voorschot op schadevergoeding en de vergoeding voor de werkelijke proceskosten dan wel buitengerechtelijke incassokosten is onvoldoende gebleken, zodat die vorderingen zullen worden afgewezen.

4.4.[gedaagde1] heeft voorts betoogd dat de zaak te complex is om in kort geding behandeld te kunnen worden, doch ook dit verweer wordt verworpen. De zaak leent zich voor behandeling in kort geding.

4.5.De voorzieningenrechter komt thans toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen toe. Ten eerste dient beoordeeld te worden met welke partij [eiser] de koopovereenkomst is aangegaan. Dressuurstal [gedaagde1] heeft ontkend dat zij contractspartij is. [eiser] heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de koopovereenkomst (mede) is aangegaan met Dressuurstal [gedaagde1]. De koopovereenkomst is mondeling aangegaan met [gedaagde1] en [eiser] heeft de koopprijs zonder onderliggende factuur contant aan [gedaagde1] betaald. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde1] bij het aangaan van de koopovereenkomst namens Dressuurstal [gedaagde1] heeft gehandeld. Van enige andere rechtsverhouding tussen [eiser] en Dressuurstal [gedaagde1] is evenmin gebleken. De gevraagde voorzieningen jegens Dressuurstal [gedaagde1] zullen dan ook worden afgewezen.

4.6.[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij consumentenbescherming geniet, terwijl [gedaagde1] dit betwist. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van de bepalingen 1649 bis t/m quinquies van het Belgisch Burgerlijk Wetboek, die zien op consumentenkoop. [gedaagde1] stelt dat geen sprake is van consumentenkoop, omdat [eiser] betrokken is in de ruitersport (onder andere als voorzitter van een rijvereniging), [gedaagde1] het paard privé heeft verkocht en de bedrijfsactiviteiten van de dressuurstal niet zijn gericht op de verkoop van paarden. Consument in de zin van artikel 1649bis paragraaf 2 sub 1 is “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die geen verband houden met zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit”. Aangezien [eiser] het paard voor (de opleiding van) [[XX]] heeft gekocht, dient [eiser] als consument in de zin van voornoemd artikel gekwalificeerd dient te worden. Het feit [eiser] betrokken is bij de ruitersport brengt niet mee dat hij bij de koop geacht wordt beroepsmatig te hebben gehandeld. Verkoper in de zin van artikel 1649bis paragraaf 2 sub 2 is “iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die consumptiegoederen verkoopt in het kader van zijn beroepsactiviteit of zijn commerciële activiteit.” Bepalend is dan ook of de verkoop is geschied in het kader van het beroep of bedrijf van [gedaagde1], niet (alleen) of de rechtspersoon waarin [gedaagde1] dat bedrijf uitoefent de koopovereenkomst heeft gesloten. [gedaagde1] is een professionele ruiter die volop actief is in de paardenwereld. Daarnaast is hij directeur van Dressuurstal [gedaagde1] en is het paard door [eiser] en [[XX]] bezichtigd bij Dressuurstal [gedaagde1]. Dit alles leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat [gedaagde1] als verkoper en [eiser] als koper in de zin van voornoemd artikel zijn opgetreden bij de verkoop van het paard en aldus sprake is geweest van een consumentenkoop.

4.7.Krachtens artikel 1649ter paragraaf 1 juncto sub 2 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek wordt het door de verkoper aan de consument geleverde consumptiegoed geacht slechts in overeenstemming te zijn met de overeenkomst, indien het geschikt is voor elk bijzonder door de consument gewenst gebruik dat deze aan de verkoper bij het sluiten van de overeenkomst heeft medegedeeld en dat de verkoper heeft aanvaard. Voorts volgt uit artikel 1649quater paragraaf 1 dat de verkoper jegens de consument aansprakelijk is voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van het goed en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf voornoemde levering. Paragraaf 4 voegt daar aan toe dat, indien zich een gebrek manifesteert binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering van het goed, tot bewijs van het tegendeel geldt het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering. [gedaagde1] betwist dat het paard gebreken vertoont en stelt zich op het standpunt dat er een contra-expertise dient plaats te vinden. De voorzieningenrechter acht het evenwel op grond van de door [eiser] in het geding gebrachte producties en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, voorshands voldoende aannemelijk geworden dat het paard gebreken vertoont waardoor het niet geschikt is om door [[XX]] als leerpaard gebruikt te worden. De door [gedaagde1] in het geding gebrachte verklaringen en het ter zitting vertoonde filmpje van de bijeenkomst op 23 april 2010 (zie 2.5) leveren onvoldoende bewijs van het tegendeel op. Het is derhalve voorshands voldoende aannemelijk geworden dat het paard niet geschikt is voor het door [eiser] gewenste gebruik, welk gebruik door [gedaagde1] bij het aangaan van de overeenkomst is aanvaard. Het rapport van [[A]], waarin de gebreken geconstateerd worden, dateert van 12 november 2009, derhalve binnen een termijn van zes maanden na de koop. Er dient in dit kort geding dan ook uitgegaan te worden van het bewijsvermoeden dat het geconstateerde gebrek bestond op het tijdstip van levering. [gedaagde1] heeft in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen, dat het gebrek eerst na het tijdstip van levering is ontstaan. Nu er vanuit gegaan moet worden dat het paard ten tijde van de levering een gebrek vertoonde waardoor het niet aan de overeenkomst beantwoordde en [gedaagde1] het paard niet heeft willen terugnemen, is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] gerechtigd is om conform artikel 1649quinquies ontbinding van de koopovereenkomst te eisen, voor zover de koopovereenkomst niet reeds rechtsgeldig buitengerechtelijk zou zijn ontbonden. De gevorderde nakoming van de ongedaanmakingsverbintenissen in de vorm van terugbetaling van de koopprijs en terugname van het paard zijn dan ook toewijsbaar.

4.8.De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,00.

4.9.[gedaagde1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.166,93

4.10.[eiser] behoort als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Dressuurstal [gedaagde1] te dragen. Deze kosten worden evenwel begroot op nihil, nu niet is gebleken dat door het mede dagvaarden van Dressuurstal [gedaagde1] meer kosten zijn gemaakt dan door de gemachtigde van gedaagden zijn gemaakt in het kader van het verweer van [gedaagde1].

5.De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.veroordeelt [gedaagde1] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting het bedrag van € 10.000,00, te betalen, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis,

5.2.veroordeelt [gedaagde1] om het paard bij [eiser] af te (laten) halen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat daarmee na betekening van dit vonnis in gebreke wordt gebleven, tot een maximum van € 10.000,00,

5.3.veroordeelt [gedaagde1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.166,93,

5.4.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2010.?