Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BQ3841

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
03/640194-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/640194-09

Rekestnummer: 10/453

Deze beschikking is gegeven door de rechtbank te Maastricht, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

hierna te noemen: (de) verzoeker.

De verzoeker heeft in deze zaak woonplaats gekozen te Sittard, ten kantore van zijn raadsvrouwe mr. F.A.G.M. Landerloo.

De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van

- € 275,00 voor de kosten raadsvrouwe met betrekking tot de indiening van dit verzoekschrift;

- € 33,30 voor de reiskosten;

welke kosten de verzoeker stelt te hebben gemaakt in het kader van het onderzoek in de strafzaak en de behandeling ervan ter zitting.

De procesgang

Het verzoek is op 15 juli 2010 ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De verzoeker en zijn raadsvrouwe zijn niet ter zitting verschenen.

De raadsvrouwe is voorafgaande aan de behandeling in raadkamer telefonisch ervan in kennis gesteld dat de raadkamer voornemens is de verzochte kosten raadsvrouwe te matigen, gelet op de hoofdsom.

De beoordeling

De zaak met bovengenoemd parketnummer is geëindigd door een inmiddels onherroepelijk vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 15 juni 2010, waarbij de verzoeker is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

De rechtbank is in deze bevoegd en het verzoekschrift is tijdig ter griffie ingediend.

De zaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht het billijk een vergoeding van € 33,30 toe te kennen voor de reiskosten die door verzoeker zijn gemaakt ten behoeve van de behandeling van de strafzaak. Deze vergoeding is berekend op de voet van en krachtens de Wet tarieven in strafzaken, namelijk op basis van de kosten van openbaar vervoer tweede klasse.

Gelet op het feit dat de hoofdsom, voor zover toewijsbaar, slechts € 33,30 beloopt, acht de rechtbank termen aanwezig de advocaatkosten ten behoeve van het opstellen van het verzoekschrift, die forfaitair € 275,00 resp. € 540,00 bedragen, aanzienlijk te matigen.

De rechter is niet onverkort gehouden de voormelde bedragen toe te wijzen, maar hij kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval mede in het licht van de grenzen van redelijkheid en billijkheid, in voorkomende gevallen anders beslissen. In deze zaak is daarvoor alle reden waar de hoofdsom in verhouding tot de kosten de rechtbank volkomen disproportioneel voorkomt. Aansluiting zoekend bij het liquidatietarief voor de sectoren kanton, zal de rechtbank overgaan tot vergoeding op de voet van artikel 591a tweede lid van het Wetboek van strafvordering tot een bedrag van € 60,00, onder afwijzing van het meer verzochte.

DE BESLISSING

Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe ten bedrage van:

- € 60,00 (zestig euro) voor de kosten raadsman ten behoeve van indiening van het onderhavige verzoekschrift;

- € 33,30 (drieëndertig euro en dertig eurocent) voor reiskosten;

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.P.J. Quaedackers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer op 5 november 2010.

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer in strafzaken, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door uitbetaling van € 93,30 (drieëndertig euro en dertig eurocent) aan de verzoeker, door overmaking van dit bedrag op de rekening derdengelden ten name van [naam stichting], rekeningnummer [rekeningnummer], zodra bovengenoemde beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gedaan op 5 november 2010 door mr. R.P.J. Quaedackers, rechter.