Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7634

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
393334 EJ VERZ 10-5686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst, vergoeding voor werknemer van 60.000,-- euro, langdurige dienstbetrekking, verwijten aan werkgeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0998
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 393334 EJ VERZ 10-5686

beschikking van 18 november 2010

in de zaak

STICHTING WOONPUNT,

statutair gevestigd te [plaats],

verzoekster, verder te noemen: Woonpunt,

gemachtigde: mr. J.G.A. Penders, advocaat te Maastricht

tegen

[verweerder],

wonend te [adres],

verweerder, verder te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, gemeente Sittard-Geleen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kantonrechter heeft kennis genomen van het op 21 september 2010 ingekomen verzoekschrift met bijlagen alsmede van het op 21 oktober 2010 ingekomen verweerschrift met bijlagen.

Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 28 oktober 2010. Verzoekster is verschenen vertegenwoordigd door de heren [manager] (manager centrale diensten) en [teamleider] (teamleider bedrijfsbureau), alsmede bij haar gemachtigde mr. J.G.A. Penders. Verweerder is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.M.J.P. Penners.

Door de griffier is van de behandeling schriftelijk aantekening gehouden.

Vervolgens is de beslissing bepaald op heden.

MOTIVERING

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, mede aan de hand van de overgelegde producties, het volgende vast:

- [verweerder], geboren op [geboortedatum], is sedert [datum] op grond van een arbeidsovereenkomst bij Woonpunt in dienst in de functie van medewerker Bedrijfsbureau Maastricht & Mergelland;

- Het loon van [verweerder] bedroeg laatstelijk € 3.186,00 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag en exclusief een jaarlijkse 13e maand.

Het geschil

2.1 Woonpunt heeft zich gewend tot de kantonrechter met het verzoek de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 november 2010 of op een nader in redelijkheid te bepalen datum op grond van gewichtige redenen, zijnde veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidhalve zo spoedig mogelijk behoort te eindigen.

Woonpunt heeft gesteld dat de reden van het onderhavige verzoek is gelegen in het feit dat zij in de afgelopen periode definitief het vertrouwen in de verdere samenwerking met [verweerder] heeft verloren.

2.2 [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van Woonpunt. Wel heeft hij ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard dat hij een terugkeer bij Woonpunt niet meer ziet zitten. De verhoudingen tussen partijen zijn dusdanig verstoord dat van een verdere samenwerking geen sprake meer kan zijn.

De beoordeling

3.1 Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld in hun verzoek- en verweerschrift en hetgeen zij ter terechtzitting hebben verklaard, is de kantonrechter tot de conclusie gekomen dat de verhouding tussen partijen dermate ernstig is verstoord dat een verdere samenwerking niet meer tot de mogelijkheid behoort. Verder is gebleken dat het verzoek geen verband houdt met een opzegverbod zoals bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW. De kantonrechter zal derhalve de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op korte termijn ontbinden wegens verandering in de omstandigheden.

3.2 Vervolgens komt de vraag aan de orde of aan een der partijen een ten laste van de wederpartij komende vergoeding als bedoeld in artikel 7:685 lid 8 BW toegekend dient te worden.

3.3 Woonpunt is de mening toegedaan dat aan [verweerder] geen vergoeding toegekend dient te worden, omdat [verweerder] zelf schuld is aan de ontstane situatie. Bovendien heeft zij bijgedragen in de scholing en opleiding van [verweerder], terwijl [verweerder] ook nog eens de laatste zeven maanden feitelijk geen arbeid heeft verricht voor Woonpunt.

3.4 [verweerder] daarentegen is van mening dat oorzaak van de verandering in de omstandigheden volledig voor rekening van Woonpunt dient te komen. Hij heeft zich altijd opgesteld zoals een goed werknemer betaamt. Verder heeft hij een dienstverband van ruim achttien jaren bij verzoekster en gedurende die periode heeft hij immer goed gefunctioneerd. Dat hij gedurende de laatste zeven maanden feitelijk geen werkzaamheden meer voor Woonpunt heeft verricht, ligt geheel in de risicosfeer van Woonpunt zelf.

3.5 De kantonrechter overweegt over de verwijtbaarheid van de ontstane situatie als volgt.

3.6.1 Woonpunt stelt dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan door een serie van omstandigheden. Woonpunt heeft erop gewezen dat [verweerder] in de maand januari 2010 ernstig tekortgeschoten is in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Nadat hij begin februari 2010 was aangesproken door collega’s op zijn tekortschietende werkhouding, heeft hij beschuldigingen geuit aan het adres van collega’s, die zij als dreigend ervaren hebben. In de gesprekken die nadien hebben plaatsgevonden met de manager met als doel om de spanningen in de werkrelatie tussen de collega’s weg te nemen, heeft hij de houding ingenomen dat hem niets te verwijten viel. De communicatie met de collega’s is compleet verstoord geraakt, hetgeen direct gevolgen had voor het functioneren van het bedrijfsbureau.

3.6.2 Woonpunt heeft verder aan de orde gesteld dat uit de beoordelingsgesprekken sinds 2007 blijkt dat [verweerder] moeite heeft met een deugdelijke planmatige aanpak van zijn werkzaamheden en niet naar behoren anticipeert op voorzienbare ontwikkelingen. Verder heeft zij verwezen naar gebeurtenissen in het verleden. In april 2008 heeft [verweerder] aan een onbevoegd persoon de sleutel van het parkeerdek ter hand gesteld. Omdat hij daarna een collega verdacht van “verraad” is er destijds een gespannen en onwerkbare situatie ontstaan. Na inschakeling van een externe coach zijn de werkrelaties hersteld.

3.7.1 Met betrekking tot het functioneren van [verweerder] dat zou blijken uit de beoordelingsgesprekken sinds 2007, het incident met de sleutel en de daarna ontstane spanningen, wordt het volgende overwogen.

3.7.2 Woonpunt illustreert het ”minder functioneren” door overlegging van het “formulier Resultaat- en ontwikkelingsgesprekken 2007 d.d. 24 januari 2008” en een gespreksverslag van 11 april 2008. In het door [verweerder] overgelegde “formulier Resultaat- en ontwikkelingsgesprekken 2009 d.d. 23 december 2009 ” staat echter vermeld dat [verweerder] een duidelijke verbetering heeft laten zien op het gebied van plannen, bewaken en bijsturen. Hij anticipeert steeds vaker en laat een actievere houding zien. Woonpunt heeft hem vervolgens de mogelijkheid geboden om binnen de afdeling “door te groeien”. Woonpunt stelt zelf in haar verzoekschrift dat de teamleider op dat moment van mening was dat de betrokkenheid van [verweerder] in zijn werk qua inzet, houding en motivatie was toegenomen. Van een niet goed/niet behoorlijk functioneren was op dat moment derhalve geen sprake meer.

3.7.3 Verder kan geconstateerd worden dat het incident met de sleutel in 2008 de ontwikkelingsmogelijkheden van [verweerder] nadien niet beperkt heeft. [verweerder] heeft betwist dat er om de door Woonpunt gestelde reden destijds een externe coach is ingeschakeld. De sfeer binnen het bedrijfsbureau was al gespannen, aldus [verweerder]. Wat hier verder ook van zij, gebleken is dat de sfeer toen hersteld is middels een extern ingeschakelde coach. Deze twee omstandigheden uit het verleden leggen geen gewicht meer in de schaal bij de beoordeling van de onderhavige zaak.

3.8.1 Thans zal ingegaan worden op de ontwikkelingen sedert januari 2010.

3.8.2 In overleg met de afdeling Control werd [verweerder] de mogelijkheid geboden vanaf 1 januari 2010 zelfstandig, in plaats van de teamleider, de aanbestedingen geheel af te handelen in samenwerking met de senior medewerker planning & control. Daarnaast werden verzoeken voor offerteaanvragen van de opzichters, voorheen door de teamleider zelf gecoördineerd, ter afhandeling toevertrouwd aan [verweerder].

3.8.3 Woonpunt stelt dat zij eind januari 2010 heeft moeten constateren dat hetgeen door [verweerder] in zijn nieuwe functie is gepresteerd in geen enkele verhouding stond met hetgeen hij aan werkzaamheden nog diende te verrichten. Daarbij werd met name gedoeld op de afhandeling van door de opzichters aangevraagde offertes en daarmee verband houdende aanbestedingen.

3.8.4 Los van het verweer van [verweerder] dat hij geen of te weinig informatie ontving van zijn opzichters om de werkzaamheden (tijdig) af te ronden, geldt dat [verweerder] dit werk, dat voor hem nieuw was, nog geen maand aan het uitvoeren was. [verweerder] kan tegengeworpen worden dat hij het kennelijk niet nodig geoordeeld om de situatie met zijn teamleider tussentijds te bespreken, ondanks het feit dat hij wist dat de aanlevering van gegevens door de opzichters achter bleven. Anderzijds mag van Woonpunt verwacht worden dat zij [verweerder] een kans biedt om alsnog te tonen dat hij wel in staat is de nieuwe werkzaamheden naar tevredenheid te vervullen en dat zij hem daarbij zonodig te coacht.

3.8.5 Nadat [verweerder] door zijn teamleider was aangesproken op zijn prestaties, heeft een collega hem aangesproken. Die collega maakte kenbaar dat hij niet langer gediend was van de houding die [verweerder] in de maand januari 2010 had getoond.

Woonpunt stelt dat naar de mening van die collega, daarin overigens bijgevallen door een andere collega, [verweerder] in januari 2010 alles behalve de hem opgedragen werkzaamheden heeft verricht, terwijl zijn collega’s met hun werk juist druk doende waren de gestelde afdelingsresultaten te behalen. Naar zeggen van die collega’s was [verweerder], tijdens een langdurige afwezigheid van teamleider [teamleider], regelmatig en langdurig bezig met privé-activiteiten waaraan zij zich hadden gestoord.

[verweerder] heeft betwist dat hij onder het werk bezig was met privé-activiteiten. Hij stelt dat de collega’s hun beweringen niet kunnen staven en hij verwijt Woonpunt dat zij de beschuldigingen van de collega’s kritiekloos overneemt.

3.8.6 Woonpunt heeft haar stelling dat [verweerder] privé-activiteiten verricht onder werktijd niet althans onvoldoende onderbouwd. Woonpunt heeft een uittreksel van de inschrijving van de op naam van [verweerder] staande eenmansonderneming van de Kamer van Koophandel overgelegd. Woonpunt heeft niet ontkend dat zij [verweerder] toestemming verleend heeft werkzaamheden te verrichten voor zijn eenmanszaak buiten werktijd. Voornoemde inschrijving van de onderneming kan niet dienen als onderbouwing van de stelling dat hij onder werktijd met privé-activiteiten bezig is geweest. Feitelijk is de stelling alleen gebaseerd op de beweringen van twee collega’s, tevens kamergenoten van [verweerder], echter hun beweringen zijn in deze procedure niet onderbouwd middels enig bewijsstuk.

3.8.7 Woonpunt stelt dat er, naar aanleiding van de hiervoor genoemde beschuldiging van collega’s aan het adres van [verweerder], een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [verweerder] en die collega’s, waarbij [verweerder] - aldus Woonpunt - “duidelijk uitgesproken, maar niettemin ook vage en als dreigend ervaren beschuldigingen uitte aan het adres van enkele collega’s”.

De manager centrale diensten, de heer [manager], heeft vervolgens gesprekken gevoerd met zowel [verweerder] als diens rechtstreekse collega’s. [manager] en [teamleider] - zo stelt Woonpunt - kregen de indruk dat [verweerder] duidelijk geen begrip had voor de door hem bij de collega’s en ook bij de teamleider veroorzaakte commotie en dat hij vond dat hem niets te verwijten viel, welke indruk heeft geleid tot de ernstige vertrouwensbreuk.

Woonpunt stelt verder dat hierna - ondanks de pogingen van haar teamleider en manager Centrale Diensten - de verhouding tussen [verweerder] en zijn collega’s niet is verbeterd maar zelfs is verslechterd. [verweerder] sprak niet meer met zijn directe collega’s en zocht ook geen contact meer met hen, waardoor er zakelijk gezien ook niet meer werd samengewerkt.

Woonpunt heeft vervolgens besloten [verweerder] op non-actief te plaatsen. Woonpunt stelt zich op het standpunt dat door de opstelling van [verweerder] de vertrouwensrelatie ernstig verstoord was en dat er sprake was van een ernstig arbeidsconflict.

Partijen zijn toen overeengekomen ter oplossing van hun conflict een externe mediator in te schakelen. Deze poging is echter mislukt.

3.8.8 [verweerder] heeft ter zitting erkend dat hij tegen zijn collega’s de opmerking gemaakt heeft dat hij “ook nog A4-tjes had, die hij nog in ging zetten”. Hij voelde zich emotioneel geraakt, toen zijn integriteit in twijfel getrokken werd en heeft een primaire reactie getoond. [verweerder] kan verweten worden dat hij zich zo geuit heeft. Echter, ter zitting is eveneens gebleken dat [verweerder] tijdens de gesprekken die met hem gevoerd zijn, heeft erkend dat zijn uitlating onwenselijk was en ook dat hij zijn excuses daarvoor heeft aangeboden.

3.8.9 Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Woonpunt partij heeft gekozen voor de collega’s van [verweerder]. Ter zitting is immers gebleken dat volgens Woonpunt de relatie tussen [verweerder] en de collega’s niet hersteld is, omdat hij de verwijten over zijn grondhouding niet erkent. Het was volgens Woonpunt aan hem om de schijn weg te nemen en de collega’s vinden dat hij de schijn niet weg heeft kunnen nemen.

Niet in geschil is dat de communicatie tussen [verweerder] en zijn kamergenoten is stil gevallen. Woonpunt legt het verwijt bij [verweerder] neer; volgens de kamergenoten zou [verweerder] niet meer met hen gesproken hebben. [verweerder] legt het verwijt bij zijn kamergenoten neer; zij communiceerden niet meer met hem. Ook op dit punt schaart Woonpunt zich dus achter de kamergenoten.

Nadat [verweerder] zijn excuses had aangeboden voor zijn ongewenste uitlating, had het voor de hand gelegen dat Woonpunt de kamergenoten verzocht zou hebben [verweerder] een serieuze kans te geven de schijn weg te nemen en [verweerder] duidelijk te maken dat zijn werkinstelling op de voet gevolgd en beoordeeld zou worden door zijn leidinggevende. Niet gebleken is dat dit gebeurd is.

3.8.10 Partijen hebben ter terechtzitting verklaard dat er, ondanks mediation, een onhoudbare situatie is ontstaan en dat zij het erover eens zijn dat partijen niet meer samen door een deur kunnen. De kantonrechter is van oordeel dat die omstandigheden niet in overwegende mate voor rekening van [verweerder] komen. Hem kan weliswaar verweten worden in januari 2010 niet eerder naar zijn leidinggevende te zijn gestapt en dat hij een onwenselijke uitlating gedaan heeft tegenover zijn collega’s, maar daar staat tegenover dat Woonpunt zich geschaard heeft achter de verwijten van de kamergenoten van [verweerder], zonder dat van die verwijten bewijzen zijn overgelegd. Ook is [verweerder] niet de kans geboden om te bewijzen dat hij zijn werkzaamheden wel naar behoren kan verrichten en dat de verwijten van zijn kamergenoten onterecht waren.

3.9 De kantonrechter is derhalve van oordeel dat aan [verweerder] een ten laste van Woonpunt komende vergoeding toegekend dient te worden. De kantonrechter zal bij de vaststelling van die vergoeding niet alleen rekening houden met de hiervoor geschetste omstandigheden maar tevens rekening houden met de leeftijd van [verweerder] ([leeftijd]), de duur van zijn dienstverband bij Woonpunt ([jaren]), zijn loon en diens kansen op de arbeidsmarkt gelet op diens leeftijd en functie. Al deze omstandigheden in aanmerking nemend, zal de kantonrechter aan [verweerder] een ten laste van Woonpunt komende vergoeding toekennen van € 60.000,-- bruto.

3.10 Woonpunt zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW in de gelegenheid worden gesteld uiterlijk 8 december 2010 haar verzoek in te trekken.

3.11 De kantonrechter acht ten slotte termen aanwezig de kosten van deze procedure te compenseren, tenzij Woonpunt haar verzoek intrekt. Indien dat het geval is dient Woonpunt de kosten van deze procedure te dragen.

BESLISSING

Voor het geval Woonpunt haar verzoek uiterlijk 8 december 2010 niet intrekt:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 15 december 2010.

Kent aan [verweerder] een ten laste van Woonpunt komende vergoeding toe van

€ 60.000,-- bruto.

Veroordeelt Woonpunt - voor zover nodig- tot betaling van die vergoeding aan [verweerder].

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Voor het geval Woonpunt haar verzoek uiterlijk 8 december 2010 intrekt:

Veroordeelt Woonpunt tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] tot deze uitspraak begroot op € 400,-.

Aldus gegeven door mr. I.M. Etman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

HP