Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7632

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
27-12-2010
Zaaknummer
393965 EJ VERZ 10-5766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medezeggenschap en arbeidstijden / arbeidsvoorwaarden (een slepend conflict bij de brandweer in Zuid-Limburg).

Door het Jaeger-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 9 september 2003 heeft Nederland zijn Arbeidstijdenbesluit moeten aanpassen aan de gewijzigde realiteit van slaap- en wachtdiensten die als arbeidstijd hebben te gelden.

De Europese Richtlijn 2003/88/EG over de organisatie van de arbeidstijd geeft aanwijzingen voor de toegelaten arbeidsduur en de verdeling van arbeid over perioden en dagen, maar regelt niet de arbeidsvoorwaardelijke gevolgen van een en ander.

De regeling van zulke gevolgen is overgelaten aan de reguliere overlegkaders.

Bij de brandweer hebben het arrest en de aanpassing van het Arbeidstijdenbesluit in 2007 landelijk tot aanpassing van de wekelijkse maximum arbeidsduur geleid: 54 uur werd 48 uur. Sindsdien is in het landelijke en lokale arbeidsvoorwaardenoverleg strijd geleverd over de uitwerking hiervan in bezoldiging, herbezetting en werkroosters.

In Zuid-Limburg is van werkgeverszijde langs twee wegen getracht een oplossing te bereiken voor vragen ten aanzien van de vertaling van de aldus aan te passen 24-uursdiensten in werkroosters met inbegrip van de daarmee gemoeide belonings- en herbezettingskwesties: overleg met de bonden en (later) overleg met twee ondernemingsraden (Parkstad en Margraten/Maastricht).

De OR in Parkstad gaf op enig moment zijn zegen aan een om instemming voorgelegd roostervoorstel van de ondernemer. De OR Margraten/Maastricht onthield echter zijn instemming.

In de onderhavige verzoekschriftprocedure heeft de ondernemer BZL de kantonrechter te Maastricht om vervangende toestemming verzocht op de voet van artikel 27 lid 4 Wor.

De kantonrechter gaat niet mee in het verzoek van de ondernemer en honoreert de bezwaren van de OR en van de als belanghebbende partijen aan de zijde van de OR tot de procedure toegelaten twee vakbonden: het gaat bij het onderhavige instemmingsverzoek immers in relevant te achten mate om een aangelegenheid van arbeidsvoorwaardelijke aard die inhoudelijk haar regeling vindt in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een arbeidsvoorwaardelijke regeling van publiekrechtelijke aard (artikel 27 lid 3 Wor). De regionale of lokale brandweerorganisatie zal - als werkgever - verder moeten onderhandelen met de vakbonden over harerzijds gewenste aanpassingen van de verhouding tussen actieve en 'inactieve' (slaap- en wacht-)uren.

Naar het oordeel van de kantonrechter is evenmin voldaan aan de in artikel 27 lid 4 Wor voor vervangende toestemming gestelde eisen.

De proceskosten worden - deels met verwijzing naar artikel 22a Wor - gecompenseerd.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 27
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-1041
RAR 2011/48
JAR 2011/33
TRA 2011, 29
ROR 2011/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknummer 393965 EJ VERZ 10-5766

beschikking van 24 november 2010

in de zaak van

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BRANDWEER ZUID-LIMBURG,

gevestigd te Margraten,

verzoekende partij,

verder ook aan te duiden als BZL,

procederend bij gemachtigde mr. M.P.W. Steuten, advocaat te ’s-Hertogenbosch

tegen

ONDERNEMINGSRAAD VAN DE BRANDWEER ZUID-LIMBURG,

gevestigd te Margaten,

verwerende partij,

verder ook aan te duiden als OR BZL,

procederend bij gemachtigde mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat te Maastricht

alsmede

vereniging ABVAKABO FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

zich opgeworpen hebbend als belanghebbende partij in de zin van artikel 282 Rv.,

verder ook aan te duiden als AK FNV (of tezamen met CNV PZ als de vakbonden),

procederend bij gemachtigde mr. R. van der Stege, advocaat te Utrecht

en

vereniging CNV PUBLIEKE ZAAK,

gevestigd te Den Haag,

zich opgeworpen hebbend als belanghebbende partij in de zin van 282 Rv.,

verder ook aan te duiden als CNV PZ (of tezamen met AK FNV als de vakbonden) procederend bij gemachtigde mr. A.T. Chinnoe, advocaat te Utrecht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Een namens BZL per gewone post ingezonden verzoekschrift met een omvangrijk pakket van 37 bijlagen is ter griffie ontvangen op 27 september 2010 (voorafgaand was een faxexemplaar van het negen pagina’s tellende verzoekschrift zonder bijlagen ontvangen).

Een namens OR BZL ingezonden verweerschrift zonder bijlagen is ter griffie ontvangen op 29 oktober 2010.

Via de telefax op 4 november 2010 en per post op 5 november 2010 is vervolgens van de zijde van de vakbonden als zelfbenoemde belanghebbende partijen een gezamenlijk verweerschrift ontvangen, dat voorzien was van twee bijlagen.

BZL heeft op de dag van de zitting, althans in de avond van zondag 7 november 2010, per telefax nog drie aanvullende stukken als bijlagen bij haar verzoek ingebracht (wegens gefundeerde bezwaren van de zijde van de andere partijen worden deze stukken, waarvan de relevantie op het eerste gezicht ook onduidelijk is, niet bij de oordeelsvorming betrokken).

Partijen zijn vervolgens uitvoerig en in meer ronden gehoord ter gelegenheid van een mondelinge behandeling op maandag 8 november 2010 vanaf 10:30 uur.

Van hetgeen ter zitting bepleit, gezegd en gedaan is, is schriftelijk aantekening gehouden.

Daarenboven heeft iedere partij meer of minder uitvoerige pleitaantekeningen overgelegd, die geacht worden in hun geheel uitgesproken te zijn.

Aan het slot van de zitting is partijen gelegenheid geboden zich gedurende een week na de datum van behandeling te beraden over een eventueel vergelijk of over een procedurele (tussen)oplossing. Zij hebben die gelegenheid willen benutten, doch tot enig resultaat heeft een en ander (over het karakter en de oprechtheid van intenties ventileren zij na afloop zelfs tegengestelde opvattingen) niet geleid, zodat om een uitspraak op tegenspraak verzocht is.

Bij gebreke van een andere uitkomst van bedoeld beraad is derhalve uitspraak bepaald.

MOTIVERING

globale inhoud van het (oorspronkelijke) verzoek van BZL en van reactie OR BZL

Op 12 mei 2010 heeft BZL haar OR op de voet van artikel 27 lid 2 Wor in verbinding met artikel 27 lid 1 aanhef en onder b. van die wet voorgesteld om in te stemmen met een voorgenomen besluit tot wijziging van het dienstrooster binnen de Brandweer Limburg-Zuid. BZL gaf tegelijk uitdrukking aan de wens om daarover uiterlijk in week 21 een besluit te nemen. In de beschrijving van het besluitvoornemen is geschetst in welke verhouding dit voornemen staat tot kwesties die sedert begin 2007 aan de orde zijn in het landelijke en lokale georganiseerde overleg met vakbonden over arbeidsvoorwaarden (respectievelijk het LOGA en het GO) naar aanleiding van het terugbrengen van de maximale arbeidsduur van 54 uur per week naar 48 uur. Die reductie was een uitvloeisel van Richtlijn 2003/88/EG over organisatie van de arbeidstijd, de uitleg die het Hof van Justitie EG/EU aan arbeidstijd in aanwezigheidsdienst is gaan geven en een daarmee verband houdende wijziging van het Nederlandse Arbeidstijdenbesluit. Na constatering van een impasse (‘patstelling’) in het overleg met de vakbonden, met name in het (lokale) GO, dat met onderbrekingen gaande was vanaf februari/maart 2007 tot het moment van het verzoek om instemming, kwam de ondernemer naar eigen zeggen (tekst brief 12 mei 2010) tot een andere gevolgtrekking over het in Maastricht/Margraten te volgen overlegcircuit. Die conclusie was dat ‘de verwerking van het LOGA-akkoord van 7 maart 2007 binnen onze organisatie aangemerkt kan worden als een roosteraangelegenheid die voor instemming dient te worden door de Ondernemingsraad’ (de deels gebrekkige formulering komt voor rekening van BZL).

De ondernemer beriep zich hiervoor op de redenering dat reductie van de (maximale) arbeidsduur tot 48 uur zonder (lokaal) overleg met vakbonden ‘kan leiden tot een andere verdeling van de werk-, wacht- en slaapuren (…..), zolang de waardering van de onderscheidenlijke werk-, wacht- en slaapuren niet of nauwelijks verandert’. Omdat in deze argumentatie de weging van wacht- en slaapuren te Maastricht/Margaten ‘nagenoeg gelijk’ geacht werd aan die te Parkstad Limburg (waar op een eerder moment voor overleg met de OR in plaats van het GO gekozen was), was er ‘voor wat de ondernemer betreft’ geen aanleiding (meer) ‘om deze kwestie bij het Georganiseerd Overleg neer te leggen’. Onder ‘instandlating van de Maastrichtse weegfactoren’ moest het naar inschatting van de ondernemer mogelijk zijn om ‘de uitgangspunten voor roosters vast te stellen binnen de kaders van het LOGA-akkoord van 7 maart 2007’. In drie fasen heeft de ondernemer ten behoeve van de OR die ‘uitgangspunten’ vervolgens kort beschreven, onder verwijzing naar de als bijlage bijgevoegde rapportage van het “Project Urenweging, Dagindeling en Roosters”. De derde ‘Fase’ kwam zijns inziens neer op de ontwikkeling van een ‘Plan van Aanpak om te komen tot de daadwerkelijke ontwikkeling van de nieuwe dienstroosters’ en bevat in de beschrijving het expliciete uitgangspunt dat overeenstemming bereikt diende te worden met de vakbonden over de roosteraanpassingen die bij brief van 12 mei 2010 aan de OR voorgelegd zijn. Dat desondanks voor de methode van OR-instemming gekozen is, verklaart de ondernemer (die zichzelf op dit punt heel opmerkelijk als ‘werkgever’ aanduidt) met de opmerking dat dit oorspronkelijke standpunt ‘inmiddels achter zich gelaten’ is. Van het voorgestelde rooster maakt deel uit dat geen onderscheid gemaakt wordt tussen wacht- en slaapuren en dat voor beide categorieën een weegfactor van 50% gehanteerd wordt. In de brief van 12 mei 2010 is dit toegelicht met de opmerking dat dit ‘nagenoeg overeenkomt met het hanteren van de weegfactoren zoals die te Maastricht gehanteerd worden’ (zodat de ondernemer de aan de OR voorgelegde kwestie als een pure ‘roosteraangelegenheid’ aanmerkt). Daarnaast wordt volgens de toelichting jaarlijks per medewerker een minimaal aantal dagdiensten in het rooster opgenomen, bijvoorbeeld voor oefening, training en opleiding, maar ook ‘om het aantal productieve uren omhoog te kunnen brengen zodat het voltijdsalaris “verdiend” wordt’. Ter verduidelijking is toegevoegd dat uitgangspunt is om acht (‘8’) dagdiensten in het rooster op te nemen, maar ‘op termijn zal dit aantal uitgebreid worden naar 15’ (vijftien). Voor die uitbreiding van de actieve dienst zijn in de brief aan de OR argumenten gegeven. Ten aanzien van de ‘gevolgen voor personeel’ erkent de ondernemer in de toelichting dat ‘met name de medewerkers van het Maastrichtse deel van de Brandweer Zuid-Limburg gedurende de 24-uursdiensten meer werkzame uren zullen hebben en dat zij een aantal dagdiensten dienen te draaien op jaarbasis, te weten in eerste aanleg een aantal van 8 en later naar verwachting een aantal van 15’ (bij naar verwachting gelijkblijvend loon en ‘niet significant’ wijzigende waardering van de respectieve uren).

De ondernemer heeft in het om instemming voorgelegde besluitvoornemen van 12 mei 2010 als zijn opvatting verwoord het niet redelijk te achten dat, mede door een verschillende keuze van overlegcircuits, ‘de medewerker te Maastricht aanmerkelijk minder (hoeft) te werken voor zijn inkomen dan de medewerker die afkomstig is van Brandweer Parkstad-Limburg’. In Maastricht is uitwerking van het LOGA-akkoord van 7 maart 2007 tot dusver uitgebleven en is de maximale arbeidsuur per week naar 48 uur teruggebracht met onverkort behoud van bezoldiging ‘terwijl er minder hard voor werd gewerkt’ (woordkeus is van de ondernemer). In Parkstad Limburg zijn bij de Brandweer met medewerking van de OR werkroosters aangepast in de door de ondernemer beoogde zin. Naar berekening van BZL in het stuk van 12 mei 2010 leidt het aldus hanteren van ‘twee systemen naast elkaar’ tot een ‘nagenoeg gelijk uitpakken van toepassing van de weging’ in de beide gebieden: ‘gemiddeld worden wacht- en slaapuren te Maastricht gewaardeerd op 52% tegen 50% te Parkstad-Limburg’.

OR BZL heeft in een korte brief van 26 mei 2010 aan de ondernemer/bestuurder doen weten na intern overleg en na een bespreking met de bestuurder tot de conclusie te zijn gekomen dat er hier voor hem geen taak ligt. Hij gaf als zijn opvatting dat de urenweging niet los te zien was van ‘daadwerkelijke invulling van het rooster’, dat over die weging nog (‘eerst’) een ‘uitkomst’ met de vakorganisaties bereikt moest worden en dat het ook verder zo is dat artikel 27 lid 3 Wor het overleg met de vakorganisaties voorrang geeft. De OR ontzegde de ondernemer het recht het voorgenomen besluit (‘zo’) in te voeren en onthield zich (vooralsnog) van een inhoudelijk oordeel over het roostervoorstel zelve.

vervolgstappen

BZL heeft bij op 11 juni 2010 verzonden (uitvoerige) brief - gedagtekend 7 juni 2010 - de kwestie om bemiddeling voorgelegd aan de Bedrijfscommissie voor de Overheid (verder ook: BC). Tegen het verzoek is een verweerschrift namens OR BZL ingebracht door mr. Verstraelen, die de opstelling van de OR onverkort verdedigde en van nadere argumenten voorzag. Hij heeft zich er tegen verzet dat de BC een voor partijen bindend oordeel zou uitspreken in plaats van te volstaan met een advies. De BC heeft na een eerste mondelinge behandeling op 10 augustus 2010 partijen bij advies van 27 augustus 2010 in overweging gegeven om het overleg te heropenen. Zij zag (voor de OR) ‘geen formele beletselen’ om ‘het nieuwe dienstrooster inhoudelijk te behandelen’ en adviseerde deswege de OR om (na beoordeling en bespreking) een inhoudelijke beslissing op het verzoek om instemming te nemen en aan de ondernemer kenbaar te maken. OR BZL heeft geen uitvoering aan dit advies gegeven, zich op het standpunt stellend dat er (nog steeds) geen aanleiding toe bestond. Een hernieuwd verzoek van BZL d.d. 16 september 2010 met een identiek roostervoorstel heeft ertoe geleid dat de OR op 23 september 2010 opnieuw en op dezelfde of vergelijkbare gronden zijn instemming aan het voorstel onthield.

In de thans aanhangige procedure betrekken BZL en OR BZL geen wezenlijk andere standpunten. Hoogstens passen zij hun argumentatie enigszins aan of voegen zij argumenten en/of verwijzingen naar jurisprudentie toe, terwijl de raadsman van OR BZL zich ter zitting van 8 november 2010 bovendien onverkort geschaard heeft achter de argumenten die de vakbonden in hun gezamenlijke verweerschrift aangevoerd hebben.

Nieuw is wel dat de vakbonden AK FNV en CNV PZ zich in de procedure waarin BZL de vervangende toestemming van de kantonrechter op de voet van artikel 27 lid 4 Wor verzoekt, opwerpen als belanghebbende partij. Zij stellen zich op het principiële standpunt dat hun belangen ernstig geschaad worden door de stap van BZL om een arbeidsvoorwaardelijke kwestie via ‘een juridisch trucje’ uit het collectieve overleg in het kader van het GO te tillen en te verleggen naar het medezeggenschapsniveau binnen de onderneming zelf. Volgens de bonden tast dit tegelijkertijd hun geloofwaardigheid als organisatie (tegenover leden en niet-leden) en als vaste onderhandelingspartner over arbeidsvoorwaarden aan. Ook impliceert de gewijzigde opstelling van BZL een aantasting van het recht van vakvereniging en het recht van bonden op vrij onderhandelen. Tot slot doorbreekt BZL naar hun oordeel de in de Wor neergelegde systematische scheiding van onderhandelen over arbeidsvoorwaarden tussen werkgever en vakbonden enerzijds en uitoefenen van medezeggenschap in het overleg tussen ondernemer en OR over voorgenomen regelingen op sociaal vlak anderzijds, waarbij het instemmingsrecht een subsidiair karakter heeft ten opzichte van het overleg op cao-niveau.

AK FNV en CNV PZ vragen de kantonrechter zijn toestemming aan het verzoek van BZL te onthouden, althans aan eventuele toestemming de restrictie te verbinden dat bij inroostering van brandweerlieden ‘niet meer werkuren zullen worden ingeroosterd dan nu het geval is’.

BZL betoogt in deze verzoekschriftprocedure dat de bonden niet kunnen worden ontvangen in hun verweer bij gebreke van een belang als bedoeld in artikel 282 Rv. Zij is van oordeel dat ‘de huidige actie van de Bonden - interventie in een Wor-zaak - niet past in het systeem van de wet’. Niet in te zien valt volgens BZL waarom eventuele bezwaren tegen een roostervoorstel of de invoering daarvan niet heel wel door de OR zelf in rechte ingebracht kunnen worden (‘de Bonden hebben hierin naar de mening van verzoeker geen rol’).

bevoegdheid kantonrechter en ontvankelijkheid van AK FNV en CNV PZ als belanghebbende

De kantonrechter te Maastricht is zowel absoluut als relatief bevoegd om te oordelen over dit op toepassing van de Wet op de ondernemingsraden (verder: Wor) betrekking hebbende geschil, dat draait om de vraag of de ondernemer op de voet van artikel 27 lid 4 Wor toestemming dient te verkrijgen voor het nemen van een besluit tot invoering van een op bovengeschetste uitgangspunten gebaseerd (nieuw) dienstrooster binnen de BZL-organisatie.

In weerwil van de daartegen geopperde bezwaren van de zijde van BZL hebben de beide vakbonden voorts voldoende hun belang bij de interventie in deze procedure geadstrueerd, zodat zij in volle omvang als belanghebbende in de zin van artikel 282 Rv. aan de zijde van OR BZL ontvankelijk zijn in het zowel schriftelijk als mondeling gevoerde verweer.

Een redelijke, op de in concreto toepasselijke regels van de Wor terug te voeren interpretatie van het wettelijke begrip ‘belanghebbende’ laat niet de uitermate enge uitleg toe die BZL daaraan wenst te verbinden. De Wor kent immers naar aard, systematiek en inhoud een domeinscheiding tussen enerzijds de (min of meer onbegrensde) materie die aan het reguliere overleg over (primaire) arbeidsvoorwaarden voorbehouden is en anderzijds de limitatief opgesomde instemmingkwesties waartoe het overleg met de ondernemingsraad zich bij uitstek leent. Dit impliceert bijna als vanzelf dat de vakbonden belang hebben bij de uitkomst van een procedure waarvan de inzet (mede) is of langs de weg van een instemmingverzoek van de ondernemer aan de OR het vrije onderhandelingsrecht van vakbonden gefrustreerd wordt of zou kunnen worden. De loutere mogelijkheid dat in een concrete situatie een onderwerp van overleg van de ondernemer met de ondernemingsraad interfereert met de onderhandelingpositie van een bond ten opzichte van diezelfde ondernemer in de rol van werkgever, maakt dat een vakbond belang heeft bij een procespositie in de zin van artikel 282 Rv. Zulks spoort ten volle met de betekenis die in HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 149 respectievelijk HR 6 juni 2003, NJ 2003,486 en HR 10 november 2006, NJ 2007,45 toegekend is aan de combinatie van het type aan de orde zijnde verzoekschriftprocedure, de aard van de daarmee verband houdende wetsbepalingen, het door de uitkomst van de specifieke procedure eventueel te treffen belang en de mate van (eerdere) betrokkenheid bij het in de procedure behandelde onderwerp. Niet te ontkennen valt dat het in de thans aanhangige zaak, in ieder geval indirect maar mogelijk zelfs direct, om meer dan het louter vaststellen van een dienstrooster gaat. De verhouding tussen actieve uren en slaap- of wachturen en de mate van daadwerkelijke arbeidsinzet van werknemers zijn door de ondernemer zelf immers (mede) tot inzet gemaakt toen hij het roostervoorstel aan de OR deed. Daarmee wordt geraakt aan een elementaire primaire arbeidsvoorwaarde, omdat voor die respectieve uren geldt dat zij niet alleen een uiteenlopende (fysieke en mentale) belasting van werknemers opleveren, maar ook binnen het gekozen systeem van ‘weging’ van arbeidsuren een verschillende loonwaarde toebedeeld gekregen hebben.

De bonden verdedigen de stelling dat BZL deze zaak niet kan ‘afdoen’ met de OR, omdat BZL een aantal zaken miskent die direct van doen hebben met het sleutelen aan een of meer aan het Gemeenschappelijk Overleg (verder: GO) voorbehouden arbeidsvoorwaarden, zonder dat het GO die ruimte laat. In het licht van het recht op vrijelijk onderhandelen, als uitvloeisel van het recht van vakvereniging, valt niet in te zien waarom een vakbond zijn zelfstandige belang bij een juiste afbakening van de respectieve competenties niet in een procedure op de voet van artikel 27 lid 4 Wor zou mogen beargumenteren, ongeacht of en hoe de betrokken OR zich in die procedure tegen de verzochte toestemming verweert. Dit is temeer het geval als - zoals hier - de vakbonden zich erop beroepen dat eerder in het GO tussen bonden en ondernemer gemaakte afspraken geschonden (dreigen te) worden en dat zij in hun wervende kracht gedupeerd worden als te makkelijk een positie als onderhandelaar prijsgegeven wordt.

inhoudelijke beoordeling van het verzoek om vervangende toestemming

Vertrekpunt voor de uiteenlopende opstelling van partijen vormt het feit dat onder invloed van Europese regels en jurisprudentie (Jaeger arrest, HvJ EG Luxemburg, 9 september 2003) en een daaruit voorvloeiende wijziging per 1 juni 2006 van het Arbeidstijdenbesluit in 2007 de maximale wekelijkse arbeidsduur voor brandweerpersoneel veranderd is: het maximum werd 48 in plaats van 54 uur. Centraal in de discussie staan ‘het Maastrichtse akkoord’ van 5 februari 2007 en ‘het LOGA-akkoord’ van 7 maart 2007. Het college van B&W Maastricht, de vakbonden AK FNV en CNV PZ en de Regionale Brandweer Zuid-Limburg spraken - na gevoerde collectieve acties - op 5 februari 2007 af dat met directe ingang ‘een 48-urige werkweek’ ingevoerd werd met behoud van bezoldiging, onder (voorlopige) handhaving van het basisrooster en met afspraken over (volledige) herbezetting van ‘de vrijvallende uren’. Die 48 uur, gebaseerd op bij de beroepsbrandweer gebruikelijke 24-uursdiensten volgens rooster, worden deels slapend en wakend doorgebracht en vormen een gemiddeld maximum over 26 weken. Het akkoord van 7 maart 2007 van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (“LOGA”) over Arbeidstijden brandweer vloeide voort uit overleg tussen het College Arbeidszaken VNG en drie landelijk opererende vakbonden, waaronder AK FNV en CNV PZ. Dit akkoord beperkt zich welbewust tot hoofdlijnen, die lokaal verdere uitwerking dienden te krijgen, primair in het GO over arbeidsduur en werktijden. Het behelsde enerzijds dat ‘het salaris, de eindejaarsuitkering en de vakantietoelage’ ongewijzigd bleven, evenals ‘de hoogte van de toelagen’ (ook de ‘lokale’, met inbegrip van handhaving van ‘de indexeringsafspraken’ die op het moment van het akkoord ‘lokaal gelden’). Anderzijds - voor wat betreft ‘invulling uren’ - werd ‘partijen in het lokale overleg’ meegegeven dat zij afspraken dienden te maken over het ‘waar nodig’ verbeteren van de geoefendheid zonder dat dit ten koste zou gaan ‘van de overige reguliere werkzaamheden’ en ‘ondanks de 6 uur minder aanwezigheid’, waarbij ‘indien nodig’ dagdiensten ingeroosterd konden worden en de zaterdag benut kon worden. Voor de verdere uitwerking die aan ‘de gemeenten’ overgelaten werd, bevatte het akkoord de zinsnede dat dit diende te gebeuren ‘met inachtneming van de bepalingen over de medezeggenschap en georganiseerd overleg’. In het akkoord is nog met instemming verwezen naar een uitspraak van de bestuursrechter van de Rechtbank Den Haag, waarin de werkgever gehouden werd geacht binnen een 48-uurrooster ‘tot een zodanige verdeling van de onderscheiden wacht-, slaap- en productieve uren te komen dat er een salaris overeenkomstig een volledige betrekking wordt verdiend’ (bedoeld: een betrekking van 36 uur per week).

BZL stelt in het debat met haar OR over het rooster - naast de ambitie tot het gelijktrekken van de arbeidsurensituatie in Maastricht met die in Parkstad Limburg (op het niveau van deze laatste en niet omgekeerd) - als uitgangspunt en oogmerk voorop dat er een andere urenverdeling gerealiseerd moet worden. En wel zodanig, dat door haar brandweerlieden ‘het salaris verdiend wordt overeenkomstig een betrekking van 36 uur per week’, hetgeen neerkomt op 1.872 uren per kalenderjaar. Na aftrek van verlofdagen zou dit in haar visie resulteren in 1.630 ‘te verdienen salarisuren per jaar’. De actuele praktijk in Maastricht is dat op basis van de geldende verdeling en weging van de respectieve uren 1.435 ‘salarisuren’ gemaakt worden. Een verschil dus van exact 195 uren op jaarbasis, al is het zo dat BZL op andere plaatsen staande houdt dat het verschil ‘ongeveer’ op dat getal neerkomt. Tot dusver heeft de werknemersdelegatie in het GO zich tegen een dergelijke wijziging verzet, althans de opvatting verdedigd dat een overbrugging van het verschil loonconsequenties (gevolgen voor het ‘salaris’ of de bezoldiging) dient te hebben. Het standpunt in de onderhandelingen is geweest dat een wachtdienst van 24 uur achttien ‘salarisuren’ moet opleveren. Gestagneerde gesprekken over deze botsende opvattingen of onderhandelingsinzetten zijn tot dusver niet vlotgetrokken, zodat de op 5 februari 2007 gefixeerde situatie bestendigd is. Een poging van BZL tot beslechting van het geschil door de Lokale Advies- en Arbitrage Commissie (LAAC) is gestrand. De vakbonden wensten (vooralsnog) noch met arbitrage noch met een vorm van advisering door de Commissie in te stemmen. Een op eenzijdig verzoek van BZL verkregen opinie van de LAAC mist daarom bindende kracht, ook ten aanzien van het thans te geven rechterlijke oordeel, en kan hoogstens richtsnoer zijn voor verdere onderhandelingen van BZL en vakbonden.

Na de weigering van de OR om in te stemmen met het roostervoorstel en zelfs om inhoudelijk in te gaan op de eventuele merites van of bezwaren tegen dit voorstel, vraagt BZL de kantonrechter om vervangende toestemming. Aldus gaat het thans om de vraag of zich een van de limitatief opgesomde omstandigheden in de zin van artikel 27 lid 4 Wor voordoet die tot zodanige toestemming nopen. De eerste mogelijkheid is dat het onthouden van instemming door OR BZL in het concrete geval door de rechter onredelijk geacht wordt. De tweede doet zich voor als ondernemer BZL voldoende overtuigend voor het voetlicht brengt dat het voorgenomen besluit gevergd wordt door (bepaalde) zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen. BZL ontzegt zowel de OR als de vakbonden - om uiteenlopende redenen (de OR omdat hij tot de start van deze procedure slechts procedurele tegenwerpingen gemaakt had) - het recht om ten aanzien van de tweede toestemmingsgrond aan het debat deel te nemen. Niet in te zien valt evenwel waarom een in rechte betrokken OR en twee als belanghebbende toegelaten derdepartijen die mogelijkheid ontnomen zou moeten worden. Alle drie dienen zij onbelemmerd gelegenheid te hebben argumenten aan te dragen die de toetsing aan de criteria van artikel 27 lid 4 Wor betreffen. Hun kan redelijkerwijs niet met succes tegengeworpen worden dat zij eerder niet (ten volle) van een bestaande mogelijkheid gebruikmaakten of dat zij hun heil maar moeten zoeken in andere wegen en middelen. De proceseconomie noch de gelijkheid van proceskansen verzet zich daartegen, eerder is van het tegendeel sprake: die twee waarden zijn ermee gediend. Dit zou overigens anders zijn als de kantonrechter tot de constatering zou komen dat de OR door de eerder gekozen opstelling (afwijzing van instemming op de gekozen summiere argumentatie) ‘onredelijk’ gehandeld zou hebben, omdat daarmee onverschillig geworden zou zijn of (ook) aan een tweede toestemmingscriterium voldaan is.

De OR heeft evenwel reeds daarom niet onredelijk zijn instemming onthouden aan het besluitvoornemen, dat uit (een aanmerkelijk deel van) de eigen argumentatie van BZL blijkt dat en welke in het GO aan de orde zijnde en tot dusver onopgeloste arbeidsvoorwaardelijke vragen de eerst op 12 mei 2010 bij de OR gebrachte roosterdiscussie vertroebelen. Het ligt voor de hand te concluderen dat in het landelijke arbeidsvoorwaardenoverleg de arbeids- en rusttijden van de professionele brandweer nog niet ‘uitputtend’ geregeld zijn. Er zijn immers onmiskenbaar nog aan het lokale overleg toebedeelde ‘open einden’. Desondanks is er op zijn minst sprake van een zodanig door de overlegpartners toegeëigend onderwerp, dat zowel de totale arbeidsduur als de verdeling daarvan over actieve en niet-actieve uren (inclusief de daaraan verbonden vragen van beloning of relatieve weging) aangemerkt moet worden als ‘inhoudelijk geregeld’ in de zin van artikel 27 lid 3 Wor. Uiteraard behoeft de tijdelijk bereikte regeling (‘standstill’) voor de Maastrichtse situatie niet blijvend te zijn en biedt deze het GO ruimte tot het aanbrengen van wijzigingen of tot introductie van modaliteiten. Zolang daartoe echter in datzelfde overleg niet besloten is, bijvoorbeeld omdat de overtuigingskracht over en weer ontbreekt om een impasse te doorbreken, kan en kon de OR zichzelf op goede gronden een overlegrol ontzeggen. Het standpunt van de OR dat er voor instemming met een juist wel op doorbreking van die impasse gericht dienstroostervoorstel geen plaats is, kan niet als onredelijk aangemerkt worden. BZL koos de verkeerde overlegpartner.

Met dit oordeel en de daaraan gegeven argumentatie is tevens - impliciet - uitgemaakt dat BZL vanuit met name bedrijfsorganisatorisch en bedrijfssociaal oogpunt geen overtuigende grond van voldoende zwaarwegend kaliber aandraagt voor haar besluitvoornemen. Van de keuze om de discussie met de vakbonden in het GO over wijziging van een of meer specifieke arbeidsvoorwaarden te ontgaan door vanaf mei 2010 exclusief de MZ-weg te bewandelen, kan niet of onvoldoende gezegd worden dat deze ‘gevergd’ wordt door zulke organisatorische of sociale redenen op ondernemingsniveau. Sterker nog: bepaalde voor werknemers nadelige arbeidsvoorwaardelijke aspecten van een eventueel met toestemming van de kantonrechter te wijzigen dienstrooster kunnen (bij gebrek aan directe doorwerking van een aldus tot stand komend definitief besluit van de ondernemer) leiden tot talrijke individuele en collectieve arbeidsgeschillen. Over een reeks van jaren zouden daarmee de arbeidsrust, de onderlinge verhoudingen en de stabiliteit van de organisatie bij de brandweer geschaad kunnen worden. De organisatie en de sociale verhoudingen bij BZL lijken daarmee minder gediend dan met een in harmonie te realiseren uitkomst van het GO.

De slaagkans in dat overleg is uiteraard wel afhankelijk van de vraag of GO-partijen daartoe elk een serieuze inzet plegen en er ieder voor zich niet bij voorbaat van uitgaan dat de (arbeidsvoorwaardelijke) offers uitsluitend van de andere kant moeten komen.

De hiervoor ontvouwde redenering gaat niet of in mindere mate op voor het (min of meer impliciete) bedrijfseconomische motief van BZL om dit roostervoorstel op deze wijze en in deze vorm aan de OR voor te leggen, namelijk kostenneutrale introductie van een relevant aantal extra actieve uren van haar brandweerpersoneel in Maastricht. Desondanks laat die overweging of dit motief de balans niet in de andere richting doorslaan. De daartegen van de zijde van OR BZL en vakbonden aangevoerde bewaren zijn immers minimaal even krachtig en redelijk, zodat de kantonrechter ook daarom zijn toestemming aan het voorgenomen besluit moet onthouden. Er wordt al met al geen aan artikel 27 lid 4 Wor te ontlenen doorslaggevende reden aanwezig geacht voor honorering van het verzoek van BZL.

De proceskosten worden in het licht van het bepaalde in artikel 22 a Wor tussen de direct betrokken partijen geheel gecompenseerd, zodat BZL en BZL OR ieder de eigen kosten dragen. Op grond van overwegingen van redelijkheid heeft hetzelfde te gelden in de verhouding tussen BZL en de als belanghebbende aangemerkte vakbonden, zodat ook zij ten opzichte van elkaar ieder de eigen kosten zullen moeten dragen.

BESLISSING

Onthoudt BZL toestemming om het voorgenomen besluit te nemen.

Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij / belanghebbende de eigen kosten

zal dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.