Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7621

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
17-12-2010
Zaaknummer
124814 / FA RK 07-1645
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek grootmoeder om moeder te ontzetten uit het ouderlijk gezag en toewijzing van de voogdij aan grootmoeder. Relatie tot eerdere beslissingen van Duitse rechter tot toekenning aan grootmoeder van het Aufenthaltsbestimmungsrecht, Gesundheitsfürsorge en de Vermögungssorge.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 4 november 2010

Zaaknummer: 124814 / FA RK 07-1645

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven.

inzake:

[de grootmoeder],

verzoekster, verder te noemen: de grootmoeder,

wonende te [adres],

advocaat mr. J.G. van Ek,

en:

[de moeder]

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [adres],

Als belanghebbenden in deze procedure worden voorts aangemerkt:

- [Vader S], wonende te [adres], vader van [minderjarige S], verder te noemen: [S];

- [Vader J], [adres], vader van [minderjarige J], verder te noemen: [H].

1. Verloop van de procedure

De grootmoeder heeft op 29 november 2007 een verzoekschrift tot ontzetting van het ouderlijk gezag ingediend.

De grootmoeder heeft bij brief van 26 mei 2008 en bij faxbericht van 10 juli 2008 nadere stukken ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 juli 2008, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak vervolgens aanhouden en heeft de grootmoeder in gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen.

De grootmoeder heeft bij brief van 18 augustus 2008 nadere stukken ingediend. Bij brief van 5 november 2008 heeft zij de gronden van het verzoek nader toegelicht.

De behandeling ter zitting is voortgezet op 23 maart 2009, waarna de behandeling ter zitting opnieuw is aangehouden.

Bij brief van 31 augustus 2009 heeft de grootmoeder een Duitse vertaling van het verzoekschrift ingediend, alsmede het bewijs van betekening daarvan aan de moeder.

Bij faxbericht van 23 september 2009 heeft de grootmoeder nog nadere stukken ingediend.

Bij brief van 9 juni 2010 heeft Stefan Wöhler, Rechtsanwalt (hierna: Wöhler) zich als gemachtigde van de moeder gesteld.

Bij brief van 14 juni 2010 heeft de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken aan Wöhler gezonden.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 28 juni 2010.

2. De feiten

Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en [S] is geboren:

- [minderjarige S], te [geboortegegevens], verder te noemen: [minderjarige S].

Uit de inmiddels beëindigde relatie tussen de moeder en [H] is geboren:

- [minderjarige J], te [geboortegegevens], verder te noemen: [minderjarige J].

De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige S] en [minderjarige J] uit. [minderjarige S] en [minderjarige J] verblijven bij de grootmoeder.

3. Verzoek

De grootmoeder verzoekt de moeder te ontzetten uit het ouderlijk gezag over [minderjarige S] en [minderjarige J] en te bepalen dat zij zelf de voogdij over deze minderjarigen zal uitoefenen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de grootmoeder een beslissing van het Amtsgericht Heinsberg van 16 september 2003 overgelegd. Bij deze beslissing heeft het Amtsgericht op verzoek van het Stadtjugendambt Heinsberg het Aufenthaltsbestimmungsrecht, de Gesundheitsfürsorge en de Vermögungssorge overgedragen aan de grootmoeder.

De grootmoeder heeft voorts een op 22 september 2003 door de moeder ondertekende volmacht overgelegd, waarbij zij grootmoeder gemachtigd heeft tot de aanmelding van [minderjarige S] bij een school. Op 16 september 2003 zijn de kinderen ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Brunssum. De grootmoeder heeft voorts overgelegd een door de moeder op 21 september 2005 ondertekende Abtretungserklärung, waarbij de moeder de Elterliche Sorge en het Personenrecht over beide kinderen aan de grootmoeder heeft overgedragen.

De grootmoeder heeft voorts een rapport van 27 augustus 2007 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) ingediend. Dit rapport is opgemaakt naar aanleiding van een door de raad op verzoek van het Jugendamt Keulen en met tussenkomst van de International Service ISS ingesteld onderzoek naar geschiktheid van de grootmoeder voor het pleegouderschap. De raad komt in dit rapport tot de conclusie dat de grootmoeder geschikt is voor het pleegouderschap van beide kinderen.

De grootmoeder stelt dat de moeder weinig tot geen omgang heeft met de kinderen en dat zij geheel verantwoordelijk is voor hun opvoeding en verzorging. Onder verwijzing naar de overwegingen van de raad in voornoemd rapport van 27 augustus 2007 stelt de grootmoeder dat er goede gronden zijn te vrezen dat de belangen van de kinderen zullen worden verwaarloosd doordat de moeder de kinderen zal terugeisen of terugnemen van de grootmoeder, zodat de verzorging en opvoeding van de kinderen grovelijk verwaarloosd zullen worden. De grootmoeder heeft de rechtbank verzocht de moeder met toepassing van artikel 1: 269 lid 1 sub e te ontzetten uit de ouderlijke macht over [minderjarige S] en [minderjarige J] en tevens aan haar de voogdij over beide kinderen toe te vertrouwen.

In voornoemde brief 5 november 2008 en ter zitting van 28 juni 2010 heeft de grootmoeder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek is gebaseerd op artikel 1: 269 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens de grootmoeder heeft de moeder de verzorging dan wel de opvoeding van de kinderen grovelijk verwaarloosd. De moeder heeft de kinderen sedert enkele jaren in het geheel niet zelf opgevoed. Nadat de kinderen gedurende 18 maanden in diverse pleeggezinnen hebben verbleven werd de grootmoeder door het Amtsgericht Heinsberg tot pleegmoeder benoemd. De bezoekregeling die toentertijd gold werd door de moeder niet dan wel nauwelijks nagekomen. Telkens als er afspraken werden gemaakt via de pleegouders en het Jugendamt werden deze niet nagekomen door de moeder. Gedurende drie jaar hebben de moeder en de kinderen geen enkel contact meer met elkaar gehad, hoewel de grootmoeder heeft geprobeerd het contact tussen de moeder en de kinderen in stand te houden.

4. Standpunt van de moeder

In een eerste, bij voornoemde brief van haar gemachtigde van 9 juni 2010 gegeven, reactie heeft de moeder zich op het standpunt gesteld dat de ten behoeve van de grootmoeder al bestaande volmachten voldoende zijn om de beslissingen voor de dagelijkse zorg van de kinderen te nemen en dat er daarom geen noodzaak is de moeder van het gezag over de kinderen te ontzetten. Volgens de moeder zou ontzetting tot een verdere vervreemding tussen haar en de kinderen leiden. Zij heeft verwezen naar een verslag van Hilfplangespräche van het Jugendamt Keulen, waaruit volgens de moeder blijkt dat de omgang van de moeder met de kinderen uiterst moeilijk verloopt vanwege de ambivalente opstelling van de grootmoeder.

De moeder heeft ter zitting van 28 juni 2010 – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de kinderen in 2002, aanvankelijk voor een periode van drie maanden, bij haar zijn weggehaald. Volgens de moeder lag hieraan geen rechterlijke uitspraak ten grondslag. Zij stelt vervolgens met de overplaatsing van de kinderen in 2003 naar de grootmoeder te hebben ingestemd, omdat de kinderen dan niet zouden worden gescheiden en omdat zij dacht haar kinderen dan regelmatig te kunnen zien. Volgens de moeder heeft ze haar kinderen vervolgens nauwelijks gezien. Pas onlangs, nadat een ander Keuls Jugendamt met de zaak werd belast, werd het mogelijk afspraken te maken over bezoekcontacten bij het Jugendamt. Tot het verlenen van medewerking hieraan kon de grootmoeder slechts met grote moeite worden bewogen. De moeder stelt voorts dat zij, hoewel zij daar recht op heeft, geen informatie van de grootmoeder krijgt over de schoolresultaten van de kinderen, niet op de hoogte wordt gesteld van ouderavonden en ook niet wordt betrokken bij beslissingen over noodzakelijke medische behandelingen van de kinderen. Zij stelt voorts dat, toen eenmaal een contactmoment bij het Jugendamt plaatsvond, het contact met haar kinderen goed verliep. De moeder benadrukt dat er inmiddels acht jaren zijn verstreken sinds de kinderen bij haar werden weggehaald en dat zij haar leven sindsdien op orde heeft gekregen. Ze werkt sinds 2003 bij de ambulancedienst en wijst erop dat zij voorafgaand aan dit werk lichamelijk en psychisch is onderzocht. Volgens de moeder zou zij niet tot dit werk zijn toegelaten als er iets mis met haar was. Ze wijst er voorts op dat het Jugendamt waarbij ze nu is aangesloten zich tegen de overdracht van het gezag op de grootmoeder verzet.

5. Standpunt van de vaders

De vader van [minderjarige S] en de vader van [minderjarige J] hebben ter zitting van 23 maart 2009 aangegeven met het verzoek in te stemmen.

6. Beoordeling

6.1

De gemachtigde van de moeder is niet ter zitting verschenen. Volgens de moeder zou hem door de rechtbank zijn meegedeeld dat hij niet ter zitting zou mogen verschijnen. De griffier heeft ter zitting verklaard dat hij de advocaat er telefonisch expliciet op heeft gewezen dat hij de moeder ter zitting als haar gemachtigde zou mogen vertegenwoordigen, maar dat hij niet beschouwd zou worden als haar advocaat. Voorts is de advocaat verteld waar hij informatie kan vinden over de in Nederland bestaande mogelijkheden van financiële rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat het niet verschijnen ter zitting van haar gemachtigde voor risico van de moeder komt.

6.2

In artikel 8 van de Verordening van de raad van 27 november 2003, PbEU L 338, gewijzigd op 2 december 2004, PbEU L 367 (Brussel II-bis) is bepaald dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Vast staat dat de kinderen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats hadden – en ook nu nog hebben – bij de grootmoeder in [adres]. De rechtbank is dan ook bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

6.3

Ingevolge artikel 2 in verbinding met artikel 1 van het Verdrag van 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101 (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961) nemen de rechterlijke autoriteiten van de Staat, waarin een minderjarige zijn gewone verblijf heeft, de in hun interne wet voorkomende maatregelen. Ingevolge het tweede lid van artikel 2 bepaalt deze interne wet de voorwaarden waaronder die maatregelen worden genomen, zowel wat betreft de betrekkingen tussen de minderjarige en de personen of instellingen aan wier zorg hij is toevertrouwd als ten opzichte van derden.

Aangezien de kinderen in Nederland hun gewone verblijf hebben, brengen de genoemde verdragsbepalingen mee dat de rechtbank de vraag of het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt zal beoordelen aan de hand van de desbetreffende Nederlandse wettelijke bepalingen.

6.4

Gelet op het standpunt dat de grootmoeder in voornoemde brief 5 november 2008 en tevens ter zitting van 28 juni 2010 heeft ingenomen, gaat de rechtbank ervan uit dat de grootmoeder haar verzoek heeft gebaseerd op artikel 1: 269 lid 1 sub a BW. Op grond van deze bepaling kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontzetten op grond van – onder meer – grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van een of meer van de kinderen. Omdat de grootmoeder in tweedegraads bloedverwantschap staat tot [minderjarige S] en [minderjarige J] is zij op grond van artikel 1: 270 lid 1 BW bevoegd tot indiening van het verzoek.

6.5

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de artikelen 3 en 5 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 in onderling verband gelezen mee dat de maatregelen waartoe het Amtsgericht Heinsberg op 16 september 2003 heeft besloten in Nederland geldig zijn. Dat betekent dat de grootmoeder in Nederland de haar door het Amtsgericht toegewezen rechten, te weten het Aufenthaltsbestimmungsrecht, de Gesundheitsfürsorge en de Vermögungssorge in Nederland mag uitoefenen. De grootmoeder heeft terecht aangevoerd dat met deze rechten niet het volledige gezag over de kinderen aan haar is overgedragen. De grootmoeder beschikt niet over het Vertretungsrecht en daarmee niet over de bevoegdheid om zelfstandig de voor de kinderen noodzakelijke gezagsbeslissingen te nemen in het kader van de gezagsuitoefening. Daarmee heeft de grootmoeder belang bij indiening van haar verzoek.

6.6

Op grond van artikel 1: 299 BW is de grootmoeder, als bloedverwant van de beide kinderen, bevoegd om te verzoeken tot voogdes over de kinderen te worden benoemd.

6.7

Met betrekking tot de vraag of de moeder de verzorging of opvoeding van [minderjarige S] en [minderjarige J] grovelijk heeft verwaarloosd overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de door de grootmoeder overgelegde stukken in verband met de procedure die heeft geleid tot de beslissing van het Amtsgericht Heinsberg van 16 september 2003 blijkt dat deze beslissing is gebaseerd op uitvoerig onderzoek naar de opvoedingscapaciteiten van de moeder. Uit een door het Amtsgericht ingewonnen psychologisch deskundigenbericht blijkt dat de moeder destijds niet in staat werd geacht de zorg en opvoeding van de kinderen op zich te nemen. Geconcludeerd werd onder meer dat de moeder weliswaar de wens had een goede moeder voor haar kinderen te zijn, maar dat zij niet bereid was de hiermee gepaard gaande lasten te aanvaarden. De psycholoog uitte het vermoeden dat er bij moeder sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Aan dit vermoeden legde de psycholoog onder meer ten grondslag dat de moeder stelselmatig verantwoordelijkheden ontloopt en de neiging heeft de schuld steeds bij anderen te leggen. Met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de moeder heeft de psycholoog aangegeven dat het zinvol zou zijn als de moeder ten minste gedurende twee jaren ambulante psychotherapie zou volgen om de noodzakelijke rijpheid voor de uitoefening van het moederschap te verkrijgen.

Gelet op deze constateringen zou het naar het oordeel van de rechtank voor de hand gelegen hebben als de moeder zich in de jaren volgend op de beslissing van het Amtsgericht de nodige inspanningen zou hebben getroost om alsnog de verzorging en de opvoeding van haar kinderen op zich te kunnen nemen. Een minimumvereiste daarbij is dat de moeder contact met haar kinderen zou hebben gehouden. Van dit alles is echter niet gebleken. De moeder heeft verklaard dat de inhoud van het psychologisch deskundigenbericht onjuist is. Voor wat haar psychische gesteldheid betreft heeft de moeder daarbij volstaan met een verwijzing naar de medische keuring voor haar functie als medewerkster van de ambulancedienst. De rechtbank is van oordeel dat de door de moeder gestelde geschiktheid voor haar werkzaamheden nog geen indicatie biedt voor haar geschiktheid de kinderen te verzorgen en op te voeden.

Het betoog van de moeder dat de grootmoeder de contacten tussen de moeder en de kinderen zou hebben verhinderd acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt veeleer naar voren dat de bevordering van het contact tussen de moeder en de kinderen in de periode na de beslissing van het Amtsgericht werd bemoeilijkt doordat de moeder diverse malen is verhuisd, waardoor er onduidelijkheid ontstond over haar verblijfplaats. Een gevolg was ook dat de moeder en de grootmoeder te maken kregen met verschillende Jugendamten. Tussen de moeder en de grootmoeder is niet in geding dat er bij het huidige Jugendamt na lange tijd, met medewerking van de grootmoeder, enig contact heeft plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen. Daarbij is volgens de grootmoeder onder andere afgesproken dat er schriftelijk contact tussen de moeder en de kinderen zou worden opgebouwd. Volgens de grootmoeder is dat gebleven bij een briefje, met een foto, van de moeder. Op hun in antwoord daarop geschreven brief hebben de kinderen nog altijd geen reactie gekregen. Nadat de moeder beweerde dat ze vaak geschreven heeft, maar nooit antwoord kreeg, heeft de grootmoeder de moeder gevraagd de correspondentie via het Jugendamt te laten verlopen, echter zonder resultaat.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting rijst meer in het algemeen het beeld op van een moeder die, zodra zij op haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de kinderen wordt aangesproken, tegenwerpt dat het niet aan haar, maar aan anderen, in het bijzonder aan grootmoeder, te wijten is dat zij geen invulling kan geven aan die verantwoordelijkheid. Zo heeft de moeder verklaard dat de omstandigheid dat zij een van haar nieuwe adressen niet officieel kon laten registreren – met alle gevolgen voor haar bereikbaarheid van dien – aan de grootmoeder te wijten zou zijn: niet het feit dat de moeder haar identiteitskaart had verloren, maar het feit dat haar moeder haar geboortebewijs had zou daar debet aan zijn. Op de rechtbank komt dit over als het ontlopen van de verantwoordelijkheid om voor anderen bereikbaar te zijn. Het nemen van die verantwoordelijkheid is een noodzaak die voor iedere ouder geldt, en dus ook voor deze moeder, die – naar zij stelt – verlangt naar uitbreiding van de contacten met haar kinderen. Door haar opstelling ter zitting heeft de moeder het beeld dat uit voornoemde psychologische rapportage van 2003 rijst in elk geval niet kunnen wegnemen.

Samenvattend stelt de rechtbank vast dat er sinds 2002 slechts sprake is geweest van sporadische contacten tussen de moeder en de beide kinderen en dat er in die zin geen sprake is geweest van enige feitelijke verzorging of opvoeding van de kinderen door de moeder. Voorts is niet gebleken dat de moeder serieuze inspanningen heeft gedaan om de contacten met haar kinderen te verbeteren. Dat dit zou zijn te wijten aan obstructie van de grootmoeder is niet aannemelijk geworden. Ook is niet gebleken dat de moeder sinds de beslissing van het Amtsgericht ook maar enige inspanning heeft gedaan om zich te laten behandelen voor de psychische problemen die mede ten grondslag lagen aan de beslissing haar kinderen uit huis te plaatsen.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de stukken – waaronder in het bijzonder een schrijven van 28 februari 2008 van Atrium Medisch Centrum Parkstad – blijkt dat er toenemende zorgen bestaan over [minderjarige S]. Hij voelt zich angstig en in de steek gelaten door zijn ouders. Daarnaast scoort hij hoog op een depressievragenlijst en geeft de leerkracht autistisch gedrag aan. Er lijkt sprake te zijn van angst en een depressieve stemmingsproblematiek bij een kind met mogelijk hechtingsproblemen. Uit haar verklaringen ter zitting blijkt dat ook de moeder ervan uit gaat dat [minderjarige S] “autistisch is”. Wat hier ook van zij, het is de rechtbank duidelijk dat [minderjarige S] een jongen is die bijzondere aandacht behoeft en die gebaat is bij een stabiele opvoedingsomgeving. De grootmoeder heeft de afgelopen jaren bewezen deze omgeving aan beide kinderen te kunnen geven. Van enige garantie dat de moeder de kinderen een dergelijke stabiele omgeving nog zal kunnen bieden is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat het huidige stabiele opvoedingsklimaat voor beide kinderen moet worden bestendigd en dat de kinderen erbij gebaat zijn als de grootmoeder het (volledige) gezag krijgt over de kinderen.

Het door de moeder overgelegde Hilfeplan van 16 maart 2010 van het Jugendamt Keulen, afdeling Rodenkirchen, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Hoewel het op zichzelf is te prijzen dat – zoals de grootmoeder ter zitting heeft verteld – dit Jugendamt met een schone lei heeft willen beginnen en ook medewerking heeft verleend aan het herstel van de contacten tussen de moeder en de kinderen, ziet de rechtbank in het Hilfeplan geen inhoudelijke redenen om het verzoek van de grootmoeder af te wijzen. Dat, zoals het Jugendamt lijkt te suggereren, de grootmoeder onvoldoende zou meewerken aan de bevordering van de contacten tussen de moeder en de kinderen, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank overweegt ten slotte dat ook de raad ter zitting niet van bezwaren tegen de toewijzing van de verzoeken heeft doen blijken.

6.8

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder de verzorging en opvoeding van de [minderjarige S] en [minderjarige J] door vooral afwezig te zijn grovelijk heeft verwaarloosd, zodat zij dient te worden ontzet van het gezag over [minderjarige S] en [minderjarige J]. De rechtbank zal de grootmoeder benoemen tot voogdes over beide kinderen.

7. Beslissing

De rechtbank:

ontzet [de moeder] van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige S], geboren te [geboortegegevens], en

- [minderjarige J], geboren te [geboortegegevens];

benoemt [de grootmoeder] tot voogd over beide minderjarigen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het bij deze rechtbank berustende gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, voorzitter, mr. A.C.A. Schreinemakers en mr. P. Kistemaker-van Blaricum, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2010 door mr. R.E. Bakker voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier. Mr. R.E. Bakker en mr. A.C.A. Schreinemakers zijn buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

GK

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.