Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7576

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-12-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
03-703152-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3795, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: uitvoer van hard- en softdrugs, deelname aan een criminele organisatie, bruikbaarheid van stemherkenning door tolken voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703152-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 december 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Raadsman is mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 9 december 2009,

9 maart 2010 en 30 november 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen harddrugs naar het buitenland heeft vervoerd, dan wel heeft gedeald, dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 2: samen met anderen softdrugs naar het buitenland heeft vervoerd, dan wel heeft gedeald, dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 3: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de zaakdossiers 1 tot en met 4 en de overige getapte telefoongesprekken was sprake van een continue handel in hard- en softdrugs door verdachte. Die handel vond, aldus de officier van justitie, plaats gedurende een langere periode. Daarbij werkten verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen met als doel het verkopen van verdovende middelen. De samenwerking vond op een zodanige wijze plaats dat gesproken kan worden van een criminele organisatie. Verdachte heeft sinds juni 2005 aan deze organisatie deelgenomen. Bovendien was hij degene die vanaf het vertrek van zijn broer [medeverdachte 1] naar Marokko op 3 juli 2008 leiding aan de organisatie heeft gegeven.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in de eerste plaats verweer gevoerd ten aanzien van de herkenning van de stem van verdachte door de tolken. Kort gezegd stelt de raadsman dat niet kan worden gesproken van een deugdelijke stemherkenning, zodat de gesprekken die op grond van de stemherkenning aan verdachte worden toegeschreven van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Subsidiair dienen alle gesprekken die aan verdachte worden toegeschreven, maar die niet door enig ander bewijsmiddel worden ondersteund, te worden uitgesloten van het bewijs.

Ten aanzien van zaakdossier 1 heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aan [koper 1] verdovende middelen heeft geleverd. Nergens blijkt immers uit dat daadwerkelijk verdovende middelen zijn geleverd en in de auto van [koper 1] zijn gelegd.

De raadsman komt tot dezelfde conclusie ten aanzien van de gestelde levering van verdovende middelen aan [koper 2] (zaakdossier 2). Daar komt bij dat de bij [koper 2] aangetroffen tas met amfetamine niet gelinkt kan worden aan de getapte telefoongesprekken. Ook blijkt niet waar de tas met cocaïne vandaan is gekomen. Er kan aldus niet van worden uitgegaan dat verdachte deze verdovende middelen geleverd heeft.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank de gestelde leveringen van verdovende middelen in de zaakdossiers 1 en 2 wel bewezen acht, ten aanzien van de uitvoer van harddrugs enkel de periode vanaf juli 2008 tot en met september 2008 bewezen kan worden en ten aanzien van de uitvoer van softdrugs enkel de periode van 20 tot en met 25 september 2008.

Ten aanzien van zaakdossier 3 merkt de raadsman op dat er geen verdovende middelen zijn aangetroffen. De getapte telefoongesprekken vormen onvoldoende bewijs voor het uitvoeren van verdovende middelen. Ook kan niet worden vastgesteld om welke verdovende middelen het gaat. Bovendien moeten de in dit dossier beschreven gedragingen aangemerkt worden als voorbereidingshandelingen. Maar die zijn aan verdachte ten aanzien van dit dossier niet ten laste gelegd.

Ten aanzien van zaakdossier 4 heeft de raadsman betoogd goed te kijken naar de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en naar de betrouwbaarheid daarvan. De raadsman is van mening dat op basis van deze verklaringen niet vastgesteld kan worden op welk moment zij voor het eerst in contact kwamen met verdachte. Nu er onduidelijkheid bestaat over de periode, dient in het voordeel van verdachte uitgegaan te worden van de minst verstrekkende periode. Dat betekent dat hooguit van een periode van twee weken vóór de datum van 19 juli 2008 kan worden uitgegaan.

Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 3] in zaakdossier 5 is de raadsman van mening dat deze onbetrouwbaar zijn.

Ten aanzien van de deelname aan een criminele organisatie heeft de raadsman op grond van het voorafgaande bepleit dat hoogstens kan worden aangesloten bij de periode van 5 juli 2008 tot en met 25 september 2008.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst het verweer van de raadsman ten aanzien van de stemherkenningen bespreken. Vervolgens wordt de inhoud van de zaakdossiers weergegeven. Daarna volgt een bespreking van de ten laste gelegde feiten.

Bruikbaarheid stemherkenningen

De zaak tegen verdachte maakt deel uit van het onderzoek [T.]. In dit onderzoek zijn vele telefoongesprekken afgeluisterd (tapgesprekken). Deze tapgesprekken nemen een belangrijke plaats in binnen het onderzoek. Een groot aantal gesprekken is – onder meer na stemherkenning door verbalisanten of tolken – aan verdachte toegeschreven.

De raadsman heeft aangevoerd dat de stemherkenningen door de tolken niet deugdelijk zijn en dat daarom de betreffende tapgesprekken dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair moeten de gesprekken van het bewijs worden uitgesloten waarvoor geen ander bewijsmiddel voorhanden is dat de toeschrijving ervan aan verdachte ondersteunt.

Ter staving van zijn standpunt heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Geen van de tolken heeft de stem van verdachte ooit in het echt gehoord. Dat maakt het onmogelijk zijn stem te herkennen.

Ook kunnen de tolken niet benoemen welke gesprekken of welke stem zij als referentiemateriaal genomen hebben. Hierdoor is het voor de verdediging onmogelijk te onderzoeken of gesprekken op basis waarvan de tolken hun oordeel hebben gevormd, wel gesprekken zijn waaraan verdachte heeft deelgenomen.

Opvallend is verder dat de tolken verschillende antwoorden geven op dezelfde vragen.

Ten slotte is het niet de taak van een tolk om stemherkenning toe te passen, omdat dat niet in de functie van tolk ligt besloten. De herkenning is een eigen interpretatie en eigen conclusie van de tolk. Daar is op zich al het nodige op aan te merken en op basis daarvan moet met grote voorzichtigheid met de stemherkenning worden omgesprongen. Daarbij komt dat in casu zelfs het telefoonnummer en de naam van de gespreksdeelnemer genoemd werden, waardoor het volgens de raadsman een tolk wel heel gemakkelijk wordt gemaakt om iemands stem te herkennen.

De rechtbank overweegt in verband met dit verweer als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat (resultaten van) stemherkenningen door tolken in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt omdat ze daartoe niet zijn opgeleid. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een categorische uitsluiting van deze stemherkenningen van het bewijs.

Dit neemt niet weg dat bij de waardering van de bewijskracht van deze stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats is, mede in het licht van de kanttekeningen die vanuit de wetenschap worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van dergelijke herkenningen.

In de jurisprudentie worden feiten en omstandigheden genoemd die aan de betrouwbaarheid van dergelijke stemherkenningen in zijn algemeenheid bijdragen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is ook in het onderhavige geval sprake. Onder meer is verdachtes stem herkend door de hem verhorende verbalisant [P.].

De stemherkenningen worden ondersteund door overige bewijsmiddelen. Zo werden aan de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] tapgesprekken voorgehouden, waarover zij hebben verklaard dat zij deze gesprekken met verdachte hebben gevoerd. Ook wordt in een bepaald tapgesprek gesproken over het broertje van [medeverdachte 1], terwijl de oudere broer van verdachte de bijnaam [medeverdachte 1] heeft. Voorts wordt de gebruiker van één van de aan verdachte toegeschreven telefoonnummers in een aantal gesprekken [verdachte] genoemd en noemt de koper in zaakdossier 1 ([koper 1]) de gebruiker van een aan verdachte toegeschreven telefoonnummer “[verdachte]”, waarvan de rechtbank begrijpt dat dit een afkorting is van de naam [verdachte].

Verder hebben verbalisanten verdachte zien bellen op het moment dat een telefoongesprek werd getapt waaraan hij deelnam.

Daar komt nog het volgende bij. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand die een bepaalde stem vaker hoort, die stem op den duur gaat herkennen. Dat is een vaardigheid die niet per se verbonden is aan het zijn van tolk of verbalisant. Het is daarom niet verwonderlijk dat een tolk die vele gesprekken geconcentreerd afluistert, op enig moment de stem gaat herkennen van een persoon die hij vaker gehoord heeft. Dat de desbetreffende tolk de stem van de betrokkene nooit in het echt heeft gehoord, hoeft er dan ook niet aan in de weg te staan dat hij met juistheid een gesprek toeschrijft aan de persoon wiens stem hij aldus heeft herkend en die in het onderzoek een bepaalde naam heeft gekregen. Ook de omstandigheid dat bij het beluisteren van een gesprek de – inmiddels uit het onderzoek gebleken – informatie over de gebruikte telefoonnummers en de gebruikers daarvan zichtbaar is, hoeft geen bezwaar te zijn voor een correcte herkenning van de stem. Illustratief daarvoor is een gesprek van 16 september 2008 (8.31 uur) tussen de aansluitingen die in gebruik zijn bij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en waarbij is geconcludeerd dat de telefoon tijdens het gesprek aan verdachte is doorgegeven.

Dit alles brengt mee dat de rechtbank het standpunt van de raadsman niet deelt. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de stemherkenningen van verdachte in voldoende mate ondersteund worden door andere bewijsmiddelen en derhalve bruikbaar zijn voor het bewijs.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen.

Zaakdossier 1

Vanaf 17 september 2008 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd naar aanleiding waarvan het vermoeden bestaat dat een onbekende Duitssprekende man met de roepnaam [koper 1] verdovende middelen bestelt bij verdachte. In de telefoongesprekken wordt gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Zo zegt [koper 1] tegen verdachte dat hij goede suiker nodig heeft en roken, hasj, zoals de laatste maal. Daarop antwoordt verdachte: “ja, oké, zoals de laatste keer”. Op 20 september 2008 wordt bij een observatie een ontmoeting gezien tussen de auto in gebruik bij verdachte en een [merk auto] met een Duits kenteken. Aansluitend aan de ontmoeting wordt door verdachte uitgebeld met [medeverdachte 2]. Verdachte deelt hem mede dat hij er over vijf minuten is. Het observatieteam ziet dat [medeverdachte 2] het pand [A.weg] ([‘n bar]) uitkomt en dat hij samen met een onbekende man en verdachte het pand aan de [D.straat] te Maastricht binnengaat. De [merk auto] met het Duitse kenteken staat geparkeerd in de directe omgeving van dit pand. Blijkens taps belt en sms’t verdachte daarna een paar maal met medeverdachte [medeverdachte 5]. Verdachte vraagt [medeverdachte 5] om iets van honderd dat goedkoop moet zijn. Verder zegt verdachte dat hij een of twee nodig heeft en hij vraagt of hij het nu kan komen halen. Ook vraagt verdachte of hij datgene mee moet nemen. [medeverdachte 5] zegt dat verdachte nu kan komen en dat hij datgene dat hij niet is kwijtgeraakt terug kan brengen. Dan belt verdachte met [medeverdachte 2] en zegt dat hij het nieuwe naar buiten moet brengen omdat verdachte dat terugbrengt naar de eigenaar. Even later bevindt de telefoon van verdachte zich blijkens de mastgegevens in Heerlen, de woonplaats van [medeverdachte 5]. Daarna geeft verdachte [medeverdachte 2] telefonisch de opdracht om wat te halen om koffie in te doen. In een volgend gesprek zegt [medeverdachte 2] dat hij net gemalen heeft en eraan komt. Korte tijd later ziet het observatieteam voornoemde [merk auto] met Duits kenteken vertrekken. Deze [merk auto] wordt later in Luxemburg staande gehouden waarbij ongeveer 1 kilo hasjiesj en circa 50 gram heroïne worden aangetroffen. Onderzoek wijst uit dat het daadwerkelijk om hasjiesj en heroïne gaat. Ook wordt er koffie gevonden, die volgens de getuige [koper 1] ertoe diende om te voorkomen dat speurhonden van de politie bij een eventuele controle de verdovende middelen zouden ontdekken. [koper 1] heeft verder verklaard dat de dealer een afspraak met hem had gemaakt bij het eerste tankstation in Maastricht. Hij zag daar een [merk auto] met twee inzittenden. Eén van de inzittenden gaf hem een teken, waarop hij de [merk auto] door Maastricht volgde tot aan een appartement. Daar heeft [koper 1] de verdovende middelen ontvangen.

Zaakdossier 2

Vanaf 19 september 2008 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd naar aanleiding waarvan de politie het vermoeden heeft dat een onbekende man van vermoedelijk Algerijnse afkomst verdovende middelen bestelt bij verdachte. In de telefoongesprekken wordt gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Na zijn aanhouding op 25 september 2008 kon de afnemer van de verdovende middelen geïdentificeerd worden als [koper 2].

Op 19 september 2008 wordt verdachte gebeld door een man. De man deelt mede dat als zij zich verbeteren, hij met hen wil werken. Hij zegt dat spullen soms niet goed worden gebracht. Het gesprek gaat over gras. Ook vraagt de man of het andere er is, waarop verdachte vraagt of hij bedoelt wat hij de laatste keer heeft gepakt. Na een bevestigend antwoord van de man antwoordt verdachte dat dit er is en dat het goeie is. Drie dagen later belt dezelfde man weer met verdachte. In dit gesprek zegt verdachte dat “die” aanwezig is en dat het echt goed is. De man zegt dat hij een of twee dagen van tevoren zal bellen, zodat verdachte die dingen gereed kan maken. De man zegt ook dat hij de papieren bij elkaar zal verzamelen.

Op 25 september 2008 hebben verdachte en de man wederom telefonisch contact. Verdachte zegt dat het gereed is en vraagt of het 600 in totaal is. In een volgend gesprek die dag zegt de man dat hij 6 nodig heeft van die ene en dat hij van die andere een halve en 2 apart wil hebben. Even later neemt verdachte telefonisch contact op met medeverdachte [medeverdachte 5]. Verdachte zegt dat hij spullen nodig heeft, 500 apart en 200 apart en dat hij dit na het eten op komt halen. Tijdens een observatie wordt gezien dat de [merk auto] in gebruik bij verdachte, met verdachte als bestuurder, in Heerlen is. De bijrijder van een [merk auto] stapt in de [merk auto], de [merk auto] rijdt weg en komt even later weer terug, waarna de bijrijder weer uit de [merk auto] stapt en in de [merk auto] stapt. Beide auto’s rijden daarna weg. Blijkens getapte telefoongesprekken heeft [medeverdachte 5] terwijl deze ontmoeting plaatsvindt telefonische contacten waarin hij over prijzen onderhandelt. Zijn bevindingen belt hij door aan verdachte. In een gesprek met een andere man zegt [medeverdachte 5] dat hij het nummer aan iemand gegeven heeft en dat die iemand zo zal bellen. Ook zegt hij dat die iemand [verdachte] heet en de broer is van die ander. Even later heeft verdachte telefonisch contact met een man. Hij vraagt of die ander hem gebeld heeft en of hij niet een van die kan zien. In een volgend gesprek, enkele minuten later, vraagt verdachte of hij nu een kan zien en of de man op die plek zoals altijd komt. De man antwoordt bevestigend en zegt dat hij er binnen 20 minuten zal zijn. Nog geen half uur later wordt tijdens een observatie de [merk auto] in gebruik bij verdachte gezien. De [merk auto] staat dan geparkeerd op het [O.plein] te Maastricht. Verdachte en een andere man zitten in deze auto. Een [merk auto] met Belgisch kenteken staat twee keer stil in de buurt van de [merk auto] van verdachte, waarna beide voertuigen wegrijden. Enkele minuten later wordt gezien dat de [merk auto] op de [A.weg] te Maastricht geparkeerd wordt en dat verdachte en de bijrijder uitstappen. De bijrijder draagt een witte plastic draagtas bij zich. Hierna wordt verdachte een aantal malen gebeld door een man. Verdachte zegt dat de man naar het oude huis op de hoek moet komen. Even later laat de man weten dat hij er is en dat hij buiten aan het lopen is. Daarop neemt verdachte telefonisch contact op met [medeverdachte 2]. Verdachte zegt dat hij daar buiten loopt en dat hij nu naar hem toe moet gaan. Ook moet hij die zak meenemen. Tijdens een observatie op de [D.straat] te Maastricht wordt een ontmoeting waargenomen tussen [medeverdachte 2] en afnemer [koper 2]. [medeverdachte 2] staat in de deuropening en zwaait naar [koper 2], waarna beiden het pand aan de [D.straat] binnengaan.

Ondertussen heeft verdachte blijkens een tapgesprek contact met een man en zegt dat hij nog andere vijf en half nodig heeft. Even later wordt tijdens een observatie gezien dat de [merk auto] in gebruik bij verdachte geparkeerd wordt op het [O.plein] en dat een [merk auto] daarachter parkeert. De bestuurder van de [merk auto] neemt een donkerkleurige tas uit de kofferbak en overhandigt deze aan de bestuurder van de [merk auto], die de tas op de achterbank van de [merk auto] plaatst. De [merk auto] rijdt weg en wordt even later geparkeerd aan de [D.straat]. De bijrijder stapt uit, neemt een zwart wit geblokte tas van de achterbank en loopt de woning aan de [D.straat] binnen. Als de [merk auto] weer wegrijdt en even later geparkeerd wordt aan de [A.weg] zien verbalisanten dat een van de twee inzittenden verdachte is. Ook wordt gezien dat afnemer [koper 2] contact heeft met de bestuurder van een [merk auto].

Even later ziet het observatieteam dat [medeverdachte 2] een zwart wit geblokte tas vanuit de woning in de kofferbak van de personenauto van [koper 2] laadt. Nadat [koper 2] is vertrokken neemt verdachte telefonisch contact met hem op en vraagt of hij gevolgd wordt door een auto. Na aanhouding van [koper 2] wordt in diens auto een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Het betreft 5.890 gram hennep, 719 gram cocaïne en 4.078 gram amfetamine. [koper 2] verklaart dat hij naar Maastricht is gekomen om verdovende middelen te halen Verder verklaart hij dat [medeverdachte 2] alle verdovende middelen in zijn auto heeft gelegd. Ook heeft [koper 2] verklaard dat hij in verband met het halen van drugs telefonische contacten had met een persoon die hij [Y.] noemde. Het telefoonnummer van deze [Y.] was [xxxx]. Verdachte maakte in die periode gebruik van het telefoonnummer [xxxx].

Zaakdossier 3

Vanaf 8 september 2008 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd naar aanleiding waarvan de politie het vermoeden heeft dat door een onbekende man met de roepnaam [koper 3] verdovende middelen worden besteld bij verdachte. In de telefoongesprekken wordt gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. Genoemde [koper 3] maakte gebruik van niet op naam gestelde Belgische telefoonaansluitingen. Blijkens de taps belt [koper 3] op 8 september 2008 met verdachte. Hij vraagt of er spullen zijn en zegt dat verdachte moet kijken wat die vingers kosten en wat dat goede ding kost. Later zegt [koper 3] dat hij een jongen heeft die veel wil pakken, zo’n 20, maar wel goeie.

Op 16 september 2008 belt [koper 3] met [medeverdachte 2] en zegt dat hij 400 van die schil van vis, 100 van vingers en 100 koffie nodig heeft. Enkele minuten later belt [medeverdachte 2] uit met verdachte en geeft door wat [koper 3] gezegd heeft. Verdachte zegt dat hij morgen contact met hem op zal nemen. Uit taps blijkt dat [koper 3] op 17 september 2008 papier is komen brengen bij [medeverdachte 2], die hierover telefonisch contact heeft met verdachte. In de avond van 17 september 2008 vinden telefoongesprekken plaats tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5]. Verdachte en [medeverdachte 5] hebben verschillende keren telefonisch contact met elkaar om een ontmoeting te regelen. De bijbehorende mastgegevens laten zien dat verdachte zich gedurende de gesprekken met [medeverdachte 5] verplaatst naar overeengekomen plaatsen. Ondertussen neemt [medeverdachte 2] blijkens de taps contact op met verdachte en deelt hem mede dat die ene heeft gebeld en dat hij mensen van buiten bij zich heeft die 30 mintbladeren willen.

Tijdens een observatie in de vroege ochtend van 18 september 2008 wordt gezien dat een Belgische [merk auto] stopt op de [A.weg] te Maastricht en dat twee mannen, die uit die auto stappen, contact maken met een man die uit [‘n bar] komt en met hem de bar binnengaan. Ongeveer twintig minuten later wordt gezien dat drie mannen [‘n bar] uitkomen, van wie twee in de Belgische [merk auto] stappen, die daarna wegrijdt en België binnenrijdt. Rond het tijdstip van de aankomst van de Belgische [merk auto] op de [A.weg] vindt een telefoongesprek plaats tussen een onbekende man en [medeverdachte 2], waarin [medeverdachte 2] meedeelt dat hij onder is en vraagt of de beller andere mensen bij zich heeft. De beller antwoordt dan: “Nee, alleen die jongen van toen”.

Later op die dag hebben verdachte en [medeverdachte 5] wederom telefonisch contact met elkaar waarbij [medeverdachte 5] vraagt elkaar te ontmoeten. Verdachte zegt dat hij de door [medeverdachte 5] meegegeven spullen die erbij waren terugbrengt, omdat “hij alleen die heeft gepakt waar veel van was”. [medeverdachte 5] zegt dat hij die spullen niet terug hoeft te brengen.

Zaakdossier 4

Zaaksdossier 4 betreft de verkoop van verdovende middelen aan de Fransen [getuige 1] en [getuige 2]. Beiden hebben verschillende verklaringen afgelegd. Ten aanzien van hun verklaringen stelt de rechtbank het volgende voorop.

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben in maart 2009 bij de politie en in december 2009 bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Beide getuigen hebben verklaard dat ze al jaren verslaafd zijn aan heroïne en dat zij om de twee weken naar Nederland reden om drugs te kopen. Op sommige punten zijn hun verklaringen weliswaar over en weer tegenstrijdig en wijken hun latere verklaringen af van hun eerdere verklaringen. Daar staat echter tegenover dat beide getuigen op een aantal punten overeenstemmend verklaren. Ook vinden hun verklaringen deels bevestiging in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank ziet daarom geen reden om de verklaringen van de Franse getuigen niet te gebruiken, maar zij zal dit doet met enige behoedzaamheid in die zin dat zij zich zal beperken tot gebruik van de passages die in een ander bewijsmiddel bevestigd worden.

Uit vanaf 18 juli 2009 opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en sms-verkeer kan worden afgeleid dat er door tussenkomst van [medeverdachte 2] verdovende middelen geleverd zullen worden aan een Franssprekende man, die zich telefonisch voorstelt als [getuige 2]. Deze man stuurt een sms-bericht aan [medeverdachte 2] waarin hij zegt dat hij 80 “rabla”, 80 “mix” en 3 “coke kristal” moet hebben. Bij een observatie op 19 juli 2008 wordt gezien dat een man en een vrouw die gebruik maken van een [merk auto] voorzien van het Franse kenteken [xxxx] door [medeverdachte 2] worden opgevangen op de [7J.straat]en ondergebracht in het pand [M.H.straat] te Maastricht. Gecombineerd met de hiervoor genoemde telefoongesprekken kan worden aangenomen dat dit de genoemde [getuige 2] is, samen met een hem vergezellende vrouw. Na deze observatie vindt een groot aantal telefoongesprekken plaats tussen [medeverdachte 2] en de in Marokko verblijvende verdachte over de afwikkeling van de te leveren partij verdovende middelen. [medeverdachte 2] zegt dat de persoon 30 wil pakken en die van 50 van de vorige keer wil betalen. Hij wil ook 50 op de pof hebben en 4 melk van de vorige keer die niet goed was. Er volgt een gesprek tussen verdachte en de Franssprekende man. De man zegt dat hij geld heeft voor dat van de laatste keer plus voor 30 en 5 chris. Daarna volgt een gesprek tussen [medeverdachte 2] en verdachte, waarin verdachte aangeeft dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 6] moet zeggen dat hij 5 moet brengen.

Bij bevraging van bovengenoemd Frans kenteken wordt bekend dat de kentekenhoudster [getuige 1] is. Uit vervolgens door rechtshulp verkregen inlichtingen blijkt dat de door de Fransen gebruikte telefoonnummers in gebruik zijn bij deze [getuige 1] en de op hetzelfde adres in Frankrijk wonende [getuige 2]. [getuige 1] en [getuige 2] zijn in Frankrijk als getuigen gehoord. [getuige 1] heeft verklaard dat zij, samen met haar vriend [getuige 2] [getuige 2], om de twee weken naar Nederland kwam om heroïne en af en toe cocaïne te kopen. Zij kochten de verdovende middelen altijd bij dezelfde personen. Tijdens haar verhoor werd een foto getoond van verdachte. [getuige 1] heeft verklaard dat zij hem herkent als de kerel met de zwarte [merk auto]. Zijn rol was om het materiaal naar het appartement te brengen. Tevens heeft zij verklaard dat ze gemiddeld om de vijftien dagen 50 gram heroïne kochten. Verder heeft [getuige 1] verklaard dat ze ook wel eens op krediet konden kopen, omdat ze goede klanten waren. [medeverdachte 2] kon de beslissing niet nemen, maar moest het vragen aan de jongere broer van [medeverdachte 1]. Verder heeft zij verklaard dat de personen die haar de verdovende middelen verstrekten [medeverdachte 2] of de jongere broer van [medeverdachte 1] waren. Zij waren degenen die de drugs naar de woning brachten. Tijdens het verhoor werd aan [getuige 1] een foto getoond van [medeverdachte 2]. [getuige 1] heeft verklaard dat dit de persoon is die zij “[medeverdachte 2]” noemt.

Ook [getuige 2] is in Frankrijk gehoord. Hij heeft verklaard dat hij gemiddeld om de tien dagen naar Maastricht gaat om verdovende middelen te halen. Hij heeft verder verklaard dat hij dan telkens gemiddeld 100 gram heroïne kocht, maar de laatste vijf maanden slechts 50 gram. Ook nam hij elke keer een paar gram cocaïne, wat ook wel “Crystal” werd genoemd. Voor heroïne werd de term “rabla” gebruikt. Tevens heeft [getuige 2] verklaard dat de broer van [medeverdachte 1] de verdovende middelen bracht en dat hij altijd in een [merk auto] kwam. Die man liet zich “[verdachte]” noemen. Tijdens het verhoor werd een foto getoond van verdachte. [getuige 2] heeft verklaard dat dit de persoon is die hij “[verdachte]” noemt. Hij heeft verder verklaard dat het wel eens gebeurde dat hij handelswaar kon krijgen zonder te betalen, maar dat het dan kon gebeuren dat [medeverdachte 2] (zoals [getuige 2] [medeverdachte 2] ook aanduidt) [verdachte] belde om toestemming daarvoor te krijgen. Het nieuwe nummer van [verdachte] is [xxxxxx].

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Verdachte is betrokken geweest bij het leveren van verschillende verdovende middelen aan buitenlandse kopers. Dit blijkt zowel uit de verklaringen van de afnemers [getuige 1], [getuige 2], [koper 1] en [koper 2] als uit verschillende tapgesprekken en observaties.

Uit de verklaringen van de Franse kopers komt naar voren dat zij met een grote frequentie naar Maastricht kwamen om heroïne en soms cocaïne te kopen. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] herkennen verdachte als de persoon die de verdovende middelen kwam brengen. Beiden hebben het daarbij over de (jongere) broer van [medeverdachte 1], die in een [merk auto] reed.

Verder blijkt uit tapgesprekken dat medeverdachte [medeverdachte 2] meerdere malen telefonisch contact met verdachte heeft gehad over de afwikkeling van de levering van verdovende middelen en de betaling daarvan.

De rechtbank overweegt dat zowel [getuige 1] als [getuige 2] hebben verklaard dat zij sinds 2005 om de veertien dagen hun verdovende middelen in Maastricht kopen. Dat gebeurde op verschillende locaties in Maastricht. Uit sms-verkeer en tapgesprekken van 18 en 19 juli 2008 blijkt dat [getuige 1] en [getuige 2] bij [medeverdachte 2] verdovende middelen bestellen en dat [medeverdachte 2] daarover telefonisch contact heeft met verdachte. Uit deze contacten blijkt ook dat zij al eerder zulke bestellingen hebben gedaan en ook op krediet verdovende middelen kunnen kopen.

Gelet op het voorafgaande is de rechtbank van mening dat ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat [getuige 1] als [getuige 2] al geruime tijd verdovende middelen kochten door tussenkomst van verdachte. Echter niet kan worden vastgesteld dat dat al sedert juni 2005 plaatsvond, nu niet eenduidig is dat verdachte en niet een ander de verdovende middelen toen al aan meergenoemde Fransen leverde. Vaststaat dat in elk geval in 2008 mede door tussenkomst van verdachte verdovende middelen aan [getuige 1] en [getuige 2] zijn geleverd. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in ieder geval sinds 1 januari 2008 betrokken is geweest bij de leveringen van verdovende middelen aan [getuige 1] als [getuige 2]. Dit brengt met zich dat de periode waarin verdachte strafbare feiten heeft gepleegd fors korter is dan de officier van justitie bewezen heeft geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte tevens betrokken geweest bij de levering van cocaïne en hennep aan [koper 2], bij de levering van heroïne en hasjiesj aan [koper 1] en de levering van in ieder geval hennep aan [koper 3], allemaal in 2008.

Verdachte onderhield contacten met de afnemers, had ontmoetingen met hen en had ontmoetingen met medeverdachte [medeverdachte 5], die als leverancier van verdovende middelen moet worden beschouwd. Uit deze contacten blijkt dat de afnemers vaker bij of via verdachte verdovende middelen bestelden. Vooral in de beschrijving van de hierboven weergegeven zaakdossiers 1 en 2 zijn de handelingen van verdachte aan de hand van de verschillende tapgesprekken en observaties goed te volgen. Ook hebben genoemde afnemers een verklaring afgelegd en zijn de geleverde verdovende middelen onderschept.

Uit bij de bespreking van zaakdossier 3 vermelde telefoongesprekken, in combinatie met de daar beschreven observaties, leidt de rechtbank af dat [koper 3] in verband met de levering van verdovende middelen [‘n bar] aan de [A.weg] te Maastricht heeft bezocht, bij welke levering verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld. Weliswaar zijn in deze zaak geen verdovende middelen onderschept, toch is sprake van eenzelfde patroon als in de zaakdossiers 1 en 2. Dit patroon houdt in dat een (buitenlandse) koper verdachte benadert voor de koop van verdovende middelen en dat verdachte daarna contact opneemt met [medeverdachte 5] om de gewenste verdovende middelen te verkrijgen. Vervolgens is het [medeverdachte 5] die de drugs levert of verdachte in contact brengt met een andere leverancier.

De rechtbank stelt vast dat in de telefoongesprekken tussen verdachte en de kopers, maar ook tussen verdachte en zijn medeverdachten, in versluierde taal wordt gesproken. Zo wordt er gesproken van “rabla” en “crystal”. [getuige 2] heeft verklaard dat met die termen respectievelijk heroïne en cocaïne worden bedoeld. Ook worden in de gesprekken de termen “suiker”, “melk”, “vingers”, “gras” en “mintbladeren” gebruikt. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze dan wel soortgelijke termen veelvuldig worden gebezigd in de handel in verdovende middelen. Daarbij komt dat in de diverse telefoongesprekken wordt gesproken over aantallen, hoeveelheden en prijzen.

De rechtbank overweegt verder dat het eveneens een feit van algemene bekendheid is dat buitenlanders naar Maastricht komen om harddrugs en softdrugs te kopen. De hoeveelheden die zijn geleverd zijn geen gebruikershoeveelheden die ter plekke geconsumeerd konden worden. Bovendien werden de verdovende middelen door [getuige 2] en [getuige 1] in hun lichaamsopeningen verstopt. Ook werden de verdovende middelen in koffie verpakt, zodat speurhonden deze tijdens een controle niet konden ruiken. Daardoor moet het voor verdachte zonder meer duidelijk zijn geweest dat de buitenlandse kopers de verdovende middelen mee zouden nemen naar het buitenland.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van

1 januari 2008 tot en met 7 oktober 2008 tezamen met anderen heroïne, cocaïne, hennep en hasjiesj naar het buitenland heeft geëxporteerd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook amfetamine heeft geëxporteerd. [koper 2] heeft daar zelf over gezegd dat hij niet weet hoe die in zijn auto terecht gekomen is. Wat hier ook van zij, waargenomen is dat [koper 2] contact heeft gehad met de bestuurder van een [merk auto] die niet door verklaringen, taps of andere observaties aan verdachte is te linken, zodat niet uit te sluiten valt dat [koper 2] de amfetamine van een ander dan verdachte heeft betrokken, zoals betoogd door de raadsman. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3:

Aan de verdachte wordt ten derde verweten dat hij in de periode 1 juli 2006 tot en met 7 oktober 2008 heeft deelgenomen aan een organisatie die kort gezegd tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde “criminele doelstelling” (de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, of sturing van de leden van de organisatie.

Voor het bewijs van het bestaan van een criminele organisatie is een hiërarchische verhouding met afdwingbare regels niet noodzakelijk. Voldoende is dat komt vast te staan dat sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband met een gezamenlijk crimineel doel. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in deze het geval.

Uit het dossier blijkt dat over een langere periode een criminele organisatie heeft bestaan die tot oogmerk had het buiten het grondgebied brengen van verdovende middelen in de zin van de Opiumwet. Tot deze organisatie behoorden [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2] en vermoedelijk nog anderen. Deze organisatie was ook in 2008 actief. De organisatie heeft in de maand september 2008 twee keer hard- en softdrugs geleverd die voor uitvoer naar het buitenland waren bestemd. Bij deze leveringen heeft verdachte een belangrijke rol gespeeld.

Dat sprake was van een criminele organisatie waarin verdachte een wezenlijke rol had blijkt uit het volgende. Er was een patroon van handelen waarin afnemers telefonisch contact opnamen met verdachte, al dan niet via medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte zorgde via contacten met medeverdachte [medeverdachte 5] voor de leveringen van de verdovende middelen. Hij onderhandelde daarbij over de prijs van de te leveren verdovende middelen. Verder diende [medeverdachte 2] toestemming aan verdachte te vragen voor het op krediet verkopen van verdovende middelen. Ook sprak verdachte [medeverdachte 2] directief toe en gaf hij deze opdrachten. Zo belde verdachte [medeverdachte 2] als hij een afnemer op moest vangen, een deur moest openmaken of als deze iets moest halen of meenemen. Tevens gaf [medeverdachte 2] telefonisch boodschappen van afnemers aan verdachte door.

Met andere deelnemers van de criminele organisatie, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], heeft verdachte gedurende een langere periode samengewerkt in de handel in verdovende middelen. Aan deze criminele organisatie heeft verdachte in elk geval deelgenomen in 2008. Deelnemers van de organisatie hanteerden een bepaalde werkwijze en maakten in hun onderlinge en in hun externe telefonische contacten gebruik van versluierde taal.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in 2008 deelgenomen heeft aan een organisatie die tot oogmerk had het brengen van heroïne, cocaïne, hennep en hasjiesj buiten het grondgebied van Nederland. Voor zijn deelname gedurende een langere periode is, onder verwijzing wat daarover bovenaan pagina 11 is vermeld, geen bewijs.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht meermalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht meermalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 11 derde, vierde en vijfde lid, namelijk het meermalen buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en cocaïne en hennep en hasjiesj.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid of 11, derde, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van het voorarrest.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, in het geval van een veroordeling, verdachte gezien moet worden als een tussenpersoon. Ook heeft hij verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Het is algemeen bekend dat de gemeente Maastricht en haar inwoners veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. Verdachte heeft daaraan gedurende een aanzienlijke periode een bijdrage geleverd en dat rekent de rechtbank verdachte aan. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vindt de rechtbank daarom passend.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf neemt de rechtbank de strafnormen uit de ‘oriëntatiepunten straftoemeting en LOVS-afspraken’ (bijgewerkt 2 maart 2010) voor de in- en uitvoer van harddrugs als uitgangspunt. Hierin worden drie categorieën daders onderscheiden, te weten ‘pakezels’, ‘standaard’ en ‘organisatie’. Bewezen is verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet, zodat de rechtbank zal uitgaan van de ‘organisatie’-categorie. Bij [koper 1] is onder meer 43 gram heroïne aangetroffen (zaakdossier 01) en bij [koper 2] onder meer 719 gram cocaïne (zaakdossier 02). De Franse kopers [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij om de twee weken tenminste 50 gram heroïne kochten (zaakdossier 04). Nu bewezen is verklaard dat zij vanaf januari 2008 tot 7 oktober 2008 harddrugs bij verdachte hebben gekocht, gaat de rechtbank uit van een uitvoer van 900 gram heroïne (waarbij de rechtbank voor één maand 4 weken telt). In totaal is dus in elk geval 1.662 gram aan harddrugs uitgevoerd. Gelet hierop is categorie 5 (van 1500 tot 2000 gram) van toepassing, welke categorie staat voor 24 tot 30 maanden gevangenisstraf.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van softdrugs, te weten 6.884 gram in totaal (zaakdossier 01 en 02) en deelname aan een criminele organisatie.

Ten aanzien van verdachtes deelname aan een criminele organisatie heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte een aanzienlijke en na het vertrek van zijn broer [medeverdachte 1] zelfs leidende rol heeft gehad. In deze rol heeft verdachte met kopers prijsafspraken gemaakt en heeft hij verdovende middelen besteld, opgehaald en afgeleverd. Hij heeft ook de meeste contacten met de kopers onderhouden. Daarbij komt dat verdachte bepaalde klussen delegeerde en anderen het uitvoerende werk liet doen. Dit dient ten nadele van verdachte te worden verdisconteerd in een op te leggen straf.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren passend vindt.

6 De voorlopige hechtenis

Nu de gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis is verleend nog steeds aan de orde zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen hennep te onttrekken aan het verkeer en de overige in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan verdachte.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De in beslag genomen hoeveelheid hennep (nr. 66) is van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp is dat tot het begaan van het onder 2 primair bewezen verklaarde misdrijf is vervaardigd of bestemd.

Ten aanzien van de in beslag genomen parkeerkaart (nr. 1), polis (nr. 2), naheffingsaanslag (nr. 3) en het Marokkaanse identiteitsbewijs (nr. 68) gelast de rechtbank de teruggave aan verdachte.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken 2060 gram hennep (nr. 66);

- gelast de teruggave aan verdachte van de parkeerkaart (nr. 1), de polis (nr. 2), de naheffingsaanslag (nr. 3) en het Marokkaanse identiteitsbewijs (nr. 68).

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en

mr. Th.A.J.M. Provaas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 december 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of

amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 en 5 van de Opiumwet, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 7 oktober 2008 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of artikel 11 derde, vierde en vijfde lid, namelijk het meermalen, althans eenmaal (telkens) buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen, in elk geval het (telkens) bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van heroïne en/of cocaïne en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of N ethyl-MDA en/of amfetamine, in

elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of hennep en/of hasjiesj, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.