Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7572

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
03-703735-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - inhoudsindicatie: Bewezenverklaard is het witwassen van verschillende goederen.

De rechtbank is, gelet op de financiële gegevens van verdachte en diens partner, van oordeel dat het niet anders kan dan dat de aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen, bestaande uit kleding, schoenen, zonnebrillen, een auto en geld, middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703735-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Waarnemend voor mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, trad ter terechtzitting als raadsman op mr. E.E.W.J. Maessen, eveneens advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 november 2010. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting d.d. 2 maart 2010 gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen bij een inbraak in een supermarkt sigaretten, strippenkaarten, postzegels en batterijen heeft gestolen, dan wel dat hij samen met anderen sigaretten, postzegels en batterijen heeft geheeld;

Feit 2: samen met een ander geld, kleding, schoenen, zonnebrillen en een auto heeft witgewassen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 primair

De officier van justitie acht feit 1 primair niet wettig en overtuigend bewezen. Hij meent dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte bij deze inbraak is betrokken.

De officier van justitie vordert dan ook een vrijspraak voor feit 1 primair.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Feit 1 subsidiair acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen. Dit baseert hij onder meer op:

- het feit dat de betreffende goederen in de woning van verdachte en [medeverdachte] zijn aangetroffen;

- de aangifte van de diefstal van de betreffende goederen;

- de door verdachte geschetste omstandigheden waaronder hij de goederen in handen kreeg;

- verdachtes kennelijk leugenachtige verklaring daaromtrent;

- verdachtes verklaring dat ‘ze hem toch alleen maar voor heling hebben’ en

- de zwijgzaamheid van [medeverdachte], terwijl het op haar weg lag om een verklaring af te leggen in een situatie die om opheldering vraagt.

Ten aanzien van feit 2

Ook feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Dit baseert hij onder meer op:

- het aantreffen van grote hoeveelheden kleding, schoenen en zonnebrillen en van een grote hoeveelheid contant geld in de woning van verdachte en [medeverdachte];

- de waarde van de aangetroffen kleding, schoenen en zonnebrillen, geschat op tenminste € 20.000,-;

- de herkenning van veel van die goederen door de winkeliers die aangifte deden van diefstal;

- het feit dat het merendeel van de kleding nieuw dan wel ongebruikt was en was voorzien van prijskaartjes;

- het feit dat de aangetroffen kinderkleding varieerde van maat 54 tot 116 en er zowel meisjes- als jongenskleding werd aangetroffen, terwijl verdachte en [medeverdachte] een zoontje hebben dat ten tijde van de doorzoeking acht maanden oud was;

- de volstrekt ongeloofwaardige verklaringen van verdachte en [medeverdachte];

- het aantreffen van een auto die in maart 2009 werd gekocht voor een bedrag van € 10.250,-.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet anders kan dan dat de aangetroffen goederen afkomstig zijn van een misdrijf en dat verdachte en [medeverdachte] dit wisten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Verzoek tot het horen van getuigen

De verdediging verzoekt de rechtbank de informanten van de CIE te horen die hebben verklaard dat ene [verdachte], waarmee verdachte wordt bedoeld, deel uitmaakt van een groep die overvallen en ramkraken pleegt.

Voorts verzoekt de verdediging de rechtbank om de onbekende persoon te horen die tegen getuige [getuige 1] zou hebben gezegd dat een groep mannen verantwoordelijk was voor de inbraak in zijn boetiek en dat onder meer ene [verdachte] van die groep deel uitmaakte.

De verdediging baseert haar verzoek op artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering en stelt dat bij afwijzing van het verzoek de processen-verbaal waarin de betreffende informatie is opgenomen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Ten aanzien van feit 1 primair

De verdediging pleit voor een vrijspraak van feit 1 primair, nu er geen direct verband bestaat tussen verdachte en de ten laste gelegde inbraak.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde goederen van diefstal afkomstig zijn.

[benadeelde partij] heeft verklaard dat hij niet weet of de goederen afkomstig zijn uit zijn winkel. Er is ook geen ander bewijs waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de goederen gestolen zijn uit de winkel van [benadeelde partij] of anderszins verkregen zijn uit enig misdrijf.

De verdediging pleit dan ook voor een vrijspraak van feit 1 subsidiair.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging stelt zich op het standpunt dat slechts van enkele kledingstukken kan worden vastgesteld dat ze van misdrijf afkomstig zijn, namelijk van die kledingstukken die door de aangevers voor de volle honderd procent zijn herkend als afkomstig van de inbraak bij hun winkel. Ten aanzien van de overige kledingstukken is onvoldoende bewijs voorhanden dat ze van misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van het geldbedrag stelt de verdediging dat er voldoende bewijs is dat dit uit enig misdrijf afkomstig is, gelet op verdachtes verklaring over zijn verdiensten uit hennepteelt.

Van de auto kan niet worden bewezen dat deze uit enig misdrijf afkomstig is, aldus de verdediging.

Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat evenmin kan worden gesteld dat het, gelet op de aard van de goederen, niet anders kan zijn dan dat ze uit misdrijf afkomstig zijn.

Ten slotte stelt de verdediging, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 26 oktober 2010, LJN BM 4440, dat er geen sprake hoeft te zijn van witwassen, indien aannemelijk is dat de aangetroffen goederen de buit betreffen van een door verdachte zelf gepleegd misdrijf en dat het aangetroffen geld de opbrengst is van door verdachte zelf geteelde hennep.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Verzoek tot het horen van getuigen

Nu de rechtbank de processen-verbaal van de CIE noch het proces-verbaal van bevindingen, waarop door de verdediging is gedoeld, als bewijsmiddel zal gebruiken, wijst zij het verzoek van de verdediging tot het horen van de CIE-informanten en de onbekende persoon waarover getuige [getuige 1] zou hebben gesproken af.

Ten aanzien van feit 1 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van feit 1 primair.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Ten laste gelegd is de opzet- dan wel schuldheling van sigaretten, postzegels en batterijen.

Namens [benadeelde partij] supermarkt heeft [aangever] aangifte gedaan van diefstal van onder meer sigaretten, postzegels en batterijen. Daarnaast heeft [benadeelde partij], de eigenaar van die vestiging, verklaard dat de hem getoonde batterijen, postzegels en rookwaar, aangetroffen in de woning van verdachte, tot het assortiment van de winkel behoren. Daaraan voegt [benadeelde partij] echter toe dat hij niet weet of de hem getoonde goederen daadwerkelijk uit zijn winkel afkomstig zijn.

Nu van geen enkel van deze goederen die in de woning van verdachte werd aangetroffen, kan worden bewezen dat het afkomstig is uit de betreffende vestiging, laat staan dat het daar gestolen is, en er evenmin bewijs voorhanden is dat de goederen van een andere diefstal afkomstig zijn, kan feit 1 niet wettig en overtuigend worden bewezen verklaard.

Nader onderzoek naar bijvoorbeeld de prijsstickers op de verpakking van de batterijen had wellicht uitsluitsel kunnen bieden over de vraag of de batterijen al dan niet afkomstig waren van de betreffende [‘n supermarkt]. Dergelijk onderzoek is echter – op wat afdrukken maken met de niet-exclusieve prijstang van de [‘n supermarkt] na – niet uitgevoerd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 1 subsidiair.

Ten aanzien van feit 2

Op 26 november 2009 vond er een doorzoeking plaats in de woning van verdachte en [medeverdachte] op het adres [H.straat] te Landgraaf. Daarbij werden onder meer een grote hoeveelheid kleding, een grote hoeveelheid schoenen, een geldbedrag van € 6.200,- in een tasje, een tas met een grote hoeveelheid kleingeld en zonnebrillen aangetroffen.

Na de aanhouding van verdachte op diezelfde dag te Heerlen werd een onderzoek ingesteld aan zijn kleding. In zijn beurs was een geldbedrag van € 1.175,- aanwezig.

Ten tijde van zijn aanhouding reed verdachte in een personenauto, merk [merk auto]. Deze werd inbeslaggenomen. Als eigenaar van deze auto staat [medeverdachte] geregistreerd. [medeverdachte] kocht deze auto in maart 2009 voor een bedrag van € 10.250,- en tegen inlevering van een andere auto. De auto werd contant betaald.

Uit een onderzoek naar de waarde van slechts een gedeelte van de in de woning van verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen goederen blijkt dat deze wordt geschat op € 18.432,-. Een schatting van de waarde van alle in de woning inbeslaggenomen voorwerpen bedraagt minimaal € 20.000,-. Samen met het aangetroffen geld en de inbeslaggenomen auto vertegenwoordigen de goederen een waarde van ten minste € 38.000,-.

Gelet op

- de fiscale gegevens van verdachte en [medeverdachte] over de periode van 2005 tot en met 2009;

- de uitkeringsgegevens van verdachte en [medeverdachte] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 26 november 2009;

- de inkomensgegevens van verdachte en [medeverdachte] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 26 november 2009;

- de gegevens van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) over de jaren 2005 tot en met 2009;

is het niet mogelijk een legale oorsprong te vinden voor het geheel aan inbeslaggenomen vermogenscomponenten (voorwerpen, geld en personenauto).

Gelet op deze financiële gegevens is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen, bestaande uit kleding, schoenen, zonnebrillen, een auto en geld, middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn.

Hierbij laat de rechtbank het aangetroffen geld in de kinderspaarpot en de aangetroffen buitenlandse valuta buiten beschouwing, nu zij het aannemelijk acht dat het geld in de kinderspaarpot door bijvoorbeeld familie en/of vrienden is geschonken ten behoeve van verdachtes zoontje en dat het buitenlands geld als het ware restvaluta zijn van een vakantie.

Van verschillende inbeslaggenomen kledingstukken en brillen kan overigens met zekerheid worden gezegd dat zij van diefstal afkomstig zijn, nu deze goederen door de winkeliers als zodanig zijn herkend, dan wel nu dit uit nader onderzoek naar de goederen is gebleken. Het gaat om gepleegde diefstallen vanaf 10 maart 2009.

Voorts is er geen enkele reden om te twijfelen aan de criminele herkomst van de overige inbeslaggenomen kledingstukken, zonnebrillen en schoenen, nu uit de verklaringen van [getuige 2 en 3] en [getuige 1], waarnaar in voetnoot 11 wordt verwezen, blijkt dat verschillende van de getoonde kledingstukken behoren tot hun collectie. Dit blijkt ook uit een nadere verklaring van [getuige 4].

Verdachte heeft tegen de verbalisanten gezegd dat hij flink geld heeft verdiend met de verkoop van door hem gekweekte hennep. Dit is een mogelijke verklaring voor het aantreffen van de grote hoeveelheid geld en voor de bekostiging van (een deel van) de aangetroffen goederen.

Dit maakt het bewijs dat de goederen middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf alleen nog maar sterker, nu het kweken van hennep volgens de Opiumwet een misdrijf is.

De verklaring van verdachte en [medeverdachte] dat zij zelf veel kleding hebben gekocht, dan wel gekregen, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu bij hen kinderkleding variërend in de maten 54 tot en met 116, waaronder meisjeskleding werd aangetroffen, terwijl verdachte en [medeverdachte] ten tijde van de doorzoeking een zoontje hadden in de leeftijd van ongeveer acht maanden.

Aldus had verdachte, samen met [medeverdachte], kleding, schoenen, zonnebrillen en een auto voorhanden, terwijl beiden wisten dat deze goederen een criminele herkomst hadden.

Ten aanzien van het geld acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat ook [medeverdachte] dit voorhanden had. Om die reden kan ten aanzien van verdachte niet het medeplegen worden bewezenverklaard.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat er geen sprake hoeft te zijn van witwassen indien aannemelijk is dat de aangetroffen goederen de buit betreffen van een door verdachte zelf gepleegd misdrijf en het aangetroffen geld de opbrengst is van door verdachte zelf geteelde hennep.

In het door de verdediging aangehaalde arrest overweegt de Hoge Raad onder meer: ‘[Er; toevoeging rechtbank] moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.’

Naar het oordeel van de rechtbank staat geenszins vast dat de aangetroffen kleding, zonnebrillen, schoenen en auto afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf.

Voorts ziet het arrest van de Hoge Raad niet op de situatie dat aangetroffen geld de opbrengst betreft van hennepteelt.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat dit verweer in feite geen bewijsverweer, doch een kwalificatieverweer betreft.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 2

in de periode van 1 maart 2009 tot en met 26 november 2009 te Landgraaf en elders in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met een ander kleding en schoenen en zonnebrillen en een personenauto ([merk auto]) voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat deze goederen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en dat hij

in de periode van 1 maart 2009 tot en met 26 november 2009 te Landgraaf en elders in het arrondissement Maastricht geld voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd en witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, op grond van hetgeen hij bewezen acht, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest.

Hij voert hiertoe aan dat bij verdachte een grote hoeveelheid gestolen goederen is aangetroffen en dat er mensen door de diefstallen werkelijk gedupeerd zijn. Verdachte trekt zich daarvan niets aan. Het gaat hem alleen maar om zijn eigen gewin. Daarnaast zorgt dit soort feiten voor een scheefgroei in de maatschappij.

Voorts heeft de officier van justitie bij het bepalen van zijn eis acht geslagen op het strafblad van verdachte.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging wijst erop dat de voorlopige hechtenis van verdachte door de raadkamer van deze rechtbank is opgeheven op grond van artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering. Tegen die achtergrond meent zij dat de eis van de officier van justitie erg hoog is, nu aan het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, sinds de raadkamerbehandeling, slechts het witwassen van de auto is toegevoegd.

Daarnaast wijst de verdediging erop dat tegen [medeverdachte] voor dezelfde feiten een gevangenisstraf wordt geëist van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, hetgeen betekent dat verdachte voor dezelfde feiten driemaal zo lang zou moeten zitten. Ook tegen die achtergrond meent de verdediging dat de eis van de officier van justitie te hoog is.

Zelfs een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, zou gelet op voornoemde beslissing van de raadkamer, hoog zijn.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft een grote hoeveelheid kleding en schoenen, verschillende zonnebrillen, een auto en geld witgewassen.

Verdachte heeft deze goederen en het geld nooit legaal kunnen verkrijgen. Het niettemin voorhanden hebben daarvan is op zichzelf al laakbaar.

Daarnaast staat van verschillende van de bij verdachte aangetroffen goederen vast dat ze van diefstal afkomstig zijn. Deze diefstallen zijn gepaard gegaan met een enorme benadeling van de samenleving in het algemeen en van de benadeelden in kwestie in het bijzonder, niet in de laatste plaats door de agressieve wijze waarop verschillende diefstallen werden gepleegd en de grote schade die daarbij werd aangericht. De diefstallen zijn immers telkens gepleegd door met een gestolen auto de pui van de desbetreffende winkel te rammen. Verdachte laat dit kennelijk geheel onverschillig; het is ondergeschikt aan zijn wens om met dure spullen te pronken of om, zoals hij heeft verklaard, deze te verkopen. De zich in het dossier bevindende foto’s van het zoontje van verdachte, omringd door een grote hoeveelheid bankbiljetten, en van verdachte poserend met geld en een vuurwapen, zeggen wat dat betreft genoeg over zijn houding ten opzichte van het bewezenverklaarde feit.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de straf van één jaar gevangenisstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, een passende straf is. Met die straf moet het voor verdachte, die al een strafblad op het gebied van vermogensdelicten heeft, volkomen duidelijk zijn dat het witwassen van goederen en geld in strijd met de wet is en dat hij zich niet nog eens schuldig moet maken aan het plegen van strafbare feiten.

6 Het beslag

De officier van justitie heeft de beslaglijst ingetrokken ten aanzien van de voorwerpen met de nummers: 11, 12, 13, 17, 18, 71 tot en met 146, 153 tot en met 169, 171 tot en met 193 en 196.

Ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst vordert de officier van justitie:

- de verbeurdverklaring van de voorwerpen met de nummers: 60 (geld: € 6.200,-), 69 (geld: € 1.175,-) en 152 (personenauto [merk auto]);

- de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp met nummer: 61 (ploertendoder);

- de teruggave aan de [‘n supermarkt] van het voorwerp met nummer: 26 (batterijen);

- de bewaring ten behoeve van de rechthebbende ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de voorwerpen, waarvan niet vastgesteld kan worden dat ze afkomstig zijn van misdrijf, aan verdachte moeten worden teruggegeven.

Ten aanzien van de ploertendoder stelt de verdediging dat deze niet kan worden onttrokken aan het verkeer, nu het voorhanden hebben daarvan niet is ten laste gelegd. Het openbaar ministerie had daarvoor een afzonderlijke vordering moeten indienen.

Ten aanzien van de [merk auto] stelt de verdediging dat rekening moet worden gehouden met verdachtes draagkracht, die niet hoog is, en met het feit dat deze aan verdachtes partner [medeverdachte] toebehoort.

De rechtbank zal de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurdverklaren:

- tas ([merk]), nummer 59;

- geld (€ 6.200,-), nummer 60 en

- geld (€ 1.175,-), nummer 69.

Deze voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat het voorwerpen zijn die aan verdachte toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit onder 2 zijn verkregen, dan wel omdat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit onder 2 is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank zal het volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp onttrekken aan het verkeer:

- ploertendoder, nummer 61.

Dit voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat het aan de verdachte toebehoort, het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en het bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit is aangetroffen. Bovendien kan het voorwerp dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.

Ten aanzien van dit laatste overweegt de rechtbank het volgende. Bij verdachte is een groot aantal van diefstal afkomstige goederen aangetroffen. Tevens zijn bij hem veel goederen en is bij hem een groot bedrag aan geld aangetroffen, waarvan vaststaat dat hij hierover niet legaal heeft kunnen beschikken. Hieruit blijkt dat verdachte zich met criminele zaken bezighoudt ter verkrijging van dit soort goederen en dergelijke inkomsten. Het is geenszins ondenkbaar dat verdachte met het oog daarop een wapen, zoals een ploertendoder, voorhanden heeft.

Nu verdachte van feit 1 zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

- rookwaar, nummers 1 tot en met 7 en

- batterijen, nummer 26.

Nu ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen niet duidelijk is wie de rechthebbende is, zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten. Dit betreft de voorwerpen met de nummers:

8, 9, 10, 14, 15, 16, 19 tot en met 25, 27 tot en met 58, 63 tot en met 68, 70, 147 tot en met 152, 170 en 195.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen:

o tas ([merk]), nummer 59;

o geld (€ 6.200,-), nummer 60;

o geld (€ 1.175,-), nummer 69.

- verklaart aan het verkeer onttrokken het volgende in beslag genomen voorwerp:

o ploertendoder, nummer 61;

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

o rookwaar, nummers 1 tot en met 7;

o batterijen, nummer 26;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

o navigators, nummers 8 tot en met 10, 66;

o gsm’s, nummers 14 tot en met 16, 19 en 20;

o radiocompactdisk, nummer 21;

o computerspellen, nummers 22 en 23;

o software, Microsoft [merk], nummer 24;

o [merk] starterspakketten, nummer 25;

o brillen, nummers 27 tot en met 39;

o brillekoker, nummer 40;

o schoeisel, nummers 41 tot en met 58, 65;

o kleding, nummers 63, 64, 67, 68, 147, 151;

o videoband, nummer 70;

o gordijn, nummer 148;

o tassen, nummers 149 en 150;

o personenauto, nummer 152;

o bon, nummer 170;

o kentekenplaat, nummer 195.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. M.J.M. Goessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 november 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2009 tot en met 17 november 2009 te Ulestraten, in de gemeente Meerssen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bedrijfspand (te weten [benadeelde partij] Supermarkt) heeft weggenomen meerdere pakken/ sloffen sigaretten en/of strippenkaarten en/of postzegels en/of batterijen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde partij] Supermarkt, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 16 november 2009 tot en met 26 november 2009 te Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meerdere pakken/ sloffen sigaretten en/of postzegels en/of batterijen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die

goederen voornoemd wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 26 november 2009 te Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer geldbedragen en/of kleding en/of schoenen en/of zonnebrillen en/of een personenauto ([merk auto]) voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dit/deze geldbedrag(en) en/of goed(eren) voornoemd - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.