Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO7021

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
13-12-2010
Zaaknummer
397012 EJ VERZ 10-1166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

7:685 BW - dringende reden ontbinding. Anders dan de werkneemster, fysiotherapeute, wil doen geloven, neemt de kantonrechter aan dat werkneemster in haar hoedanigheid van (BIG-geregistreerd) medisch behandelaar zeer laakbaar heeft gehandeld door zich in het testament van een 87-jarige, afhankelijke en zieke man te laten opnemen en vervolgens het legaat te aanvaarden en te gelde te maken, dit alles voor haar werkgeefster verzwijgende.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 59
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 186
Burgerlijk Wetboek Boek 7 187
Burgerlijk Wetboek Boek 7 640
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0992
Prg. 2011/33
JAR 2011/35
RAR 2011/57
GJ 2011/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard-Geleen

zaaknr: 397012 EJ VERZ 10-1166

typ: FL

datum uitspraak: 29 november 2010

beschikking van de kantonrechter op een verzoek ex artikel 7:685 BW

inzake

[eisende partij],

Gevestigd te [woonplaats],

hierna verder te noemen: “[eisende partij]”,

gemachtigde: mw. mr. L. Isenborghs werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Roermond,

contra

[gedaagde partij],

wonende te [adres],

hierna verder te noemen: “[gedaagde partij]”,

gemachtigde: mw. mr. N.M. van Wijk, advocaat te Geleen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

[eisende partij] heeft op 20 oktober 2010 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.

Hierna is de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald op 29 november 2010.

[gedaagde partij] heeft op 23 november 2010 een verweerschrift met bijlagen ingediend.

[eisende partij] heeft op 26 november 2010 per fax nog een aantal producties ingediend.

Op 29 november 2010 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Gehoord zijn [eisende partij], bijgestaan door mw. mr. C.M.A. Mertens, te dezen vervangende mw. mr. L. Isenborghs, alsmede [gedaagde partij], bijgestaan door mw. mr. N.M. van Wijk.

De kantonrechter heeft vervolgens mondeling uitspraak gedaan.

HET VERZOEK:

[eisende partij] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [gedaagde partij] te ontbinden, primair op grond van een dringende reden en subsidiair op grond van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst dadelijk dan wel na korte tijd dient te eindigen.

Ter staving van haar verzoek voert [eisende partij] het volgende - zakelijk weergegeven – aan:

[gedaagde partij], thans 35 jaar oud, is op 1 maart 2003 bij haar in dienst getreden in de functie van fysiotherapeut. Het is een dienstverband voor gemiddeld 8 uur per week. Haar laatstgenoten loon bedraagt € 1.403,23 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag. Volgens [eisende partij] heeft [gedaagde partij] steeds naar tevredenheid gefunctioneerd. Op 27 januari 2010 is [gedaagde partij] gestart met de behandeling van de heer [overledene]. De heer [overledene] was lijdende aan de ziekte van Parkinson. Op [2010] is de heer [overledene] overleden. Op 24 september 2010 vernam [eisende partij] van de voormalige huisarts van de heer [overledene], die dat op zijn beurt van de ex echtgenote van de heer [overledene] had vernomen, dat de heer [overledene] bij testament aan [gedaagde partij] zijn inboedel en zijn auto had gelegateerd en dat [gedaagde partij] dat legaat had aanvaard. [eisende partij] is van mening dat dit in strijd is met de artikelen 54 en 38 van de Beroepsethiek en Gedragsregels voor de Fysiotherapeut, die bindend zijn voorgeschreven voor leden van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie en voor de inschrijving in het Centrale Kwaliteitsregister Fysiotherapie. Daarbij komt dat [gedaagde partij] de behandeling van de heer [overledene] heeft stopgezet zonder [eisende partij] daarvan in kennis te stellen, hetgeen in strijd is met het Professioneel Statuut, onderdeel uitmakende van de toepasselijke CAO. Onderzoek heeft uitgewezen dat de heer [overledene] op 24 juni 2010, derhalve kort voor zijn overlijden, een testament heeft laten opmaken door een bevriende notaris van [gedaagde partij]. Na het overlijden van de heer [overledene] heeft [gedaagde partij] kennelijk de uitvaart geregeld en het legaat aanvaard. De inboedel heeft zij te koop aangeboden op marktplaats.nl. [eisende partij] is van mening dat de handelwijze van [gedaagde partij] in strijd is met voormelde gedragsregels en dat die handelwijze een dringende reden oplevert voor een onmiddellijke beëindiging van het dienstverband. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] met ingang van 27 september 2010 op non actief gesteld. Subsidiair is [eisende partij] van mening dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Door de handelwijze van [gedaagde partij] heeft zij alle vertrouwen in [gedaagde partij] verloren. Omdat die verstoring volledig te wijten is aan [gedaagde partij], is er geen plaats voor toekenning van een vergoeding aan [gedaagde partij].

HET VERWEER:

[gedaagde partij] is van mening dat geen sprake is van een dringende reden en evenmin van een verandering in de omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Volgens [gedaagde partij] heeft zij enkel op basis van goede trouw gehandeld. Zij heeft slechts één doel voor ogen gehad en dat was hulp bieden aan de heer [overledene]. Zij heeft steeds een goed contact gehad met de heer [overledene]. Zij hielp hem als zij daarvoor tijd en mogelijkheden had. Zij deed ook de was voor hem. Zij betwist dat [overledene] haar een wasmachine heeft geschonken. Voor al haar hulp wilde de heer [overledene] haar belonen. Ondanks dat zij dat steeds weigerde, bleef de heer [overledene] aandringen. Uiteindelijk heeft zij ingestemd met het voorstel van de heer [overledene] om de inboedel aan haar na te laten. Het doel daarvan was tweeledig; hij wilde haar belonen voor haar hulp enerzijds en zo wilde hij bereiken dat zijn ex echtgenote niets zou erven. [gedaagde partij] betwist dat de heer [overledene] een auto in bezit had. [gedaagde partij] bestrijdt voorts dat zij het legaat heeft aanvaard op het moment dat de heer [overledene] patiënt van haar was. De laatste behandeling heeft zij op of omstreeks 8 juni 2010 gegeven. De heer [overledene] was zodanig opgeknapt dat verdere behandeling niet was geïndiceerd. Dat heeft zij telefonisch meegedeeld aan de huisarts van de heer [overledene]. Ook heeft zij aan de huisarts meegedeeld dat de relatie met de heer [overledene] te persoonlijk werd. Zij heeft derhalve niet in strijd met de regels gehandeld en heeft professioneel gehandeld. De ex echtgenote en familie van de heer [overledene] waren dankbaar dat zij de uitvaart heeft geregeld en de nalatenschap heeft afgewikkeld. Het verbaast haar dan ook zeer dat de ex echtgenote haar achteraf verwijten maakt. [gedaagde partij] is van mening dat zij niet in strijd heeft gehandeld met de toepasselijke regels en dat zij zeer zeker haar werkgever niet in diskrediet heeft willen brengen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch ontbindt is [gedaagde partij] van mening dat aan haar een vergoeding dient te worden toegekend van € 6.819,70 bruto alsmede een bedrag van € 1.500,00 als tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING

De kantonrechter is niet gebleken dat het door [eisende partij] ingediende verzoek verband houdt met het bestaan van enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Een gouden regel in de (para-)medische) hulpverlening is geen giften of bevoordelingen aan te nemen van degene tot wie de hulpverlener in een behandelingsrelatie staat.

De wetgever heeft dit principe in het algemeen tot uitdrukking gebracht in de regel van

4:59 BW, waarin wie werkzaam is op het gebied van de individuele gezondheidszorg (BIG-geregistreerden), die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden, bijstand heeft verleend, geen voordeel kan trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die zodanig persoon gedurende de behandeling of de bijstand te zijn of harer behoeve heeft gemaakt. De wetgever drukt dit beginsel nog pregnanter uit in art. 7:168 lid 1 jo. 7:187 lid 3 BW, betreffende de vernietigbaarheid van een schenking of gift van de patiënt aan zijn/haar behandelaar. De door [eisende partij] geciteerde bepalingen uit het Professioneel Statuut behorende bij de CAO en de KNGF Handreiking, alsmede de modelregeling Fysiotherapeut-Patiënt zijn niet meer dan praktische uitwerkingen van dit sociaal-medisch-ethisch beginsel.

De grondslag voor dit alles is de afhankelijkheidspositie van de patiënt jegens zijn/haar behandelaar.

In deze zaak staat vast dat verweerster de 87-jarige alleenstaande heer [overledene] vanaf januari 2010 ondermeer in verband met de aandoening ziekte van Parkinson fysiotherapeutische behandelingen heeft gegeven in haar hoedanigheid van BIG-geregistreerd fysiotherapeut. Vóór januari 2010 bestond er geen wederzijdse bekendheid van [gedaagde partij] en [overledene].

Blijkens een in haar agenda doorgehaalde notitie duurden die behandelingen in ieder geval tot en met 9 juni 2010. Onweersproken is gelaten dat de declaratie van deze behandelingen tot augustus is geschied.

Volgens [gedaagde partij] is de behandeling per die datum beëindigd. Op de vraag van de kantonrechter of daarna de verwijzend arts formeel daarvan in kennis is gesteld en dit ook op formele wijze in de praktijkadministratie is ingevoerd geeft verweerster een halfslachtig antwoord dat er op neerkomt dat dit de arts telefonisch via zijn assistente zou zijn doorgegeven (mededeling [huisarts], huisarts, d.d. 16-11-2010). [gedaagde partij] heeft tot heden niet in het in de praktijk van [eisende partij] gebruikte registratiesysteem Intramed, zoals te doen gebruikelijk, de behandeling van heer [overledene] doen vermelden als beëindigd.

Op 24 juni 2010 is verweerster samen met de heer [overledene] bij notaris [notaris] geweest, welke notaris de uiterste wilsbeschikking van de heer [overledene] heeft vastgelegd, onder herroeping van alle eerdere en waarbij [overledene] aan [gedaagde partij] de hele inboedel van zijn woning en zijn auto legateerde.

Op [2010] is de heer [overledene] overleden.

In augustus en september 2010 heeft [gedaagde partij], gebruikmakend van de naam [gebruikersnaam], via Marktplaats.nl de inboedel van wijlen de heer [overledene] verkocht en de opbrengsten kennelijk behouden.

Bijzonderheid in deze zaak is dat de heer [overledene] kortelings na een huwelijk van ruim 45 jaar van de echt gescheiden was.

Vast staat ook dat verweerster [gedaagde partij] haar werkgeefster [eisende partij] omtrent dit alles helemaal niet heeft geïnformeerd en dat de werkgeefster via derden bekend is geraakt met het voren omschrevene.

Verweerster stelt dat zij een goed mens is en niet meer heeft willen doen dan de hulpbehoevende heer [overledene] te hebben willen bijstaan. Gaandeweg de behandeling ontstond er naar haar eigen zeggen ter zitting, een meer persoonlijke relatie. Daarom is zij in juni de behandeling gestopt. [overledene] wilde haar in juni 2010 belonen voor haar inzet. Hij drong daar zo op aan dat zij meende het legaat niet te kunnen weigeren

Bovendien, zo stelt zij, was de behandeling al ten tijde van het opmaken van het testament en het openvallen van het legaat beëindigd, zodat de gedragsregels inzake het aanvaarden van voordelen niet toepasselijk zijn.

De kantonrechter vindt in [gedaagde partij]s contra-argumentatie eveneens argumenten die in haar nadeel strekken: als zij inderdaad uit immateriële betrokkenheid handelde en zeer sociaal begaan is met haar medemens, hoort zij als geen ander te weten dat in die relaties iedere bemoeienis met financiële zaken, testamenten en het aannemen van beloningen van afhankelijke mensen uit den boze is. Wanneer in een dergelijke verhouding een niet over het hoofd te zien materieel aspect ontstaat, ontstaat tegelijk een pregnant aanwezige zweem van welbegrepen eigenbelang van [gedaagde partij] bij betrokkenheid bij het “wee” en meer nog het “wel” van een 87-jarige zieke en afhankelijke man.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Art. 7:460 BW maakt de hulpverlener onmogelijk de behandelingsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. Dat betekent dat ofwel de patiënt de overeenkomst moet opzeggen ofwel partijen deze met wederzijds goedvinden beëindigen. [gedaagde partij] zegt dat de behandeling in juni voltooid was, maar stoelt deze bewering nergens op. Zolang dit niet formeel naar de verwijzer en in het praktijksysteem is vastgelegd, duurt de patiëntrelatie voort. Dit betekent in dit geval tot aan [2010], de datum van het overlijden van de heer [overledene]. Daaruit volgt dat het bezoek aan de notaris en de wetenschap dat zij legataris werd tijdens [overledene] patiëntschap plaatsvond.

Mocht om welke reden dan ook aangenomen moeten worden dat de patiëntrelatie op of rond 9 juni 2010 eindigde, dan blijft staan dat de benoeming tot legataris is voortgesproten uit een behandelaar-patiënt relatie, die gaandeweg kennelijk een andere inhoud kreeg. De beëindiging van die relatie is onduidelijk. Hierdoor kan naar het oordeel van de kantonrechter niet een scherpe scheidslijn getrokken worden tussen einde van het behandelaarschap en begin van een persoonlijke relatie. Nu deze laatste haar oorsprong vindt in de eerste, blijven de ethische normen van behandelaarschap nawerken. Het verwerven van het legaat moet in dat geval toegerekend worden aan het behandelaarschap.

Dit betekent dat [gedaagde partij] in alle gevallen door het zich laten opnemen als legataris in [overledene] testament en het aanvaarden van het legaat, de voormelde ethische norm geen bevoordelingen van patiënten aan te nemen op een buitengewoon grove manier ten eigen voordele overtreden heeft.

[gedaagde partij] had de mogelijkheid om allereerst te weigeren mee te gaan naar de notaris, maar meer nog om het legaat niet te aanvaarden: geen wettelijke regel gebiedt ongewenste legaten toch te aanvaarden.

Dit is op zich al zeer ernstig en een te schande maken van haar beroepsgroep, zij katalyseert haar eigen onheil door dit alles voor haar werkgever te verzwijgen, hetgeen de kantonrechter [gedaagde partij] zwaar aanrekent.

Daarnaast heeft haar handelen een negatieve uitstraling op de praktijk van haar werkgever, getuige het verzoek van een andere huisarts dan voormelde om geen afhankelijke patiënten meer in aanraking te brengen met [gedaagde partij].

Het handelen van [gedaagde partij] en meer nog het verzwijgen van deze situatie voor haar werkgever, vormt naar het oordeel van de kantonrechter omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in art. 677 lid 1 BW zouden hebben opgeleverd, zodat sprake is van gewichtige redenen die moeten leiden tot een dadelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ingevolge het systeem van de wet uiteraard zonder vergoeding.

[gedaagde partij] wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij].

Wat partijen overigens nog hebben aangevoerd is door de kantonrechte beoordeeld, maar leidt niet tot een andere beschikking.

Beschikt

De kantonrechter:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij], werkgeefster, en [gedaagde partij] op grond van gewichtige redenen als voormeld per heden, 29 november 2010;

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskossten aan de zijde van [eisende partij] gerezen en tot aan deze beschikking begroot op € 798,--, waarvan € 500,-- gemachtigdensalaris;

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. J.J. Groen, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.