Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO4394

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
03-700634-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - Medeplegen van aanwezig hebben van verdovende middelen en voorbereidinghandelingen Opiumwet door echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700634-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens].

Raadsvrouw is mr. G.L.P. Biesmans, advocate te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 november 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen synthetische drugs heeft geproduceerd of verhandeld;

Feit 2: samen met anderen in het bezit was van ongeveer 21 liter synthetische drugs;

Feit 3: samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van synthetische drugs;

Feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

Feit 5: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

3 De voorvragen

Ambtshalve beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding

Op grond van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Een functie van de tenlastelegging is de verdachte op zodanig duidelijk wijze te informeren waarvoor hij terecht moet staan, dat hij zich daartegen adequaat kan verdedigen. Een andere functie van de tenlastelegging is de rechter in staat te stellen om op grond van de tenlastelegging het verwijt dat het openbaar ministerie met de tenlastelegging aan de verdachte maakt te onderzoeken en hierover een beslissing te nemen, te weten of het verwijt al dan niet bewezen kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder 5 niet aangeeft op welke concrete gedragingen zij zich richt. De tenlastelegging omvat niet meer dan een gedeeltelijke herhaling van de delictsomschrijvingen van de artikelen 420ter en -bis van het Wetboek van Strafrecht. De concretisering beperkt zich enkel tot de vermelding van de ten laste gelegde periode (een periode van ruim 10 maanden) en de vermelding van de plaats (de gemeente Vijlen - de woonplaats van verdachte - , althans het arrondissement Maastricht, dan wel elders in Nederland) en het verwijt dat meermalen is witgewassen door verdachte, al dan niet tezamen met anderen. Wat betreft de voorwerpen die zouden zijn witgewassen beperkt de tenlastelegging zich tot een zeer algemene opsomming, te weten geld en/of onroerend goed en/of roerend goed.

De tenlastelegging van feit 5 verschaft geen nadere informatie. Volgens het dossier en de tenlastelegging van de overige feiten die aan verdachte verweten worden, zou zij betrokken zijn geweest bij - kort gezegd - de productie van synthetische drugs. Onduidelijk is of het verwijt van (gewoonte)witwassen ziet op het geld dat verdachte (en/of haar medeverdachten) al dan niet rechtstreeks met behulp van deze productie hebben verkregen dan wel dat meer specifieke geldbedragen en/of voorwerpen bedoeld zijn. Evenmin bevat de tenlastelegging andere aanvullende informatie, waaruit zou kunnen worden teruggeredeneerd welke geldbedragen of voorwerpen bedoeld worden. Daarbij wordt nog opgemerkt dat onder verdachte geen geldbedragen of waardevolle (on)roerende zaken in beslag zijn genomen.

De tenlastelegging van feit 5 stelt de rechtbank vanwege een onvoldoende geconcretiseerde feitomschrijving niet in staat een inhoudelijke beslissing te nemen.

Dientengevolge zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het ten laste gelegde onder 5 nietig verklaren, omdat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de gevoerde tapgesprekken tussen [medeverdachte 1] en de verdachten uit het onderzoek [E.], te weten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en haar vader, [medeverdachte 4]. Nu de verdenking tegen verdachte kennelijk is ontstaan naar aanleiding van haar contacten met [medeverdachte 1], terwijl de verdenking tegen [medeverdachte 1] volgens de politie direct voortvloeit uit zijn contacten met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zijn deze tapgesprekken nodig om vast te stellen of er sprake was van een voldoende verdenking tegen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en waarop die verdenking is gebaseerd. Bij gebreke hiervan is niet duidelijk of de jegens verdachte toegepaste dwangmiddelen rechtmatig zijn aangewend en of het bewijsmateriaal in casu rechtmatig is verkregen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende verdenking was jegens verdachte. Zij is als het ware “meegezogen” in de zaak van [medeverdachte 5]. Mocht er bij de overige verdachten toch iets schorten aan de verdenking, dan stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat dit op grond van de Schutznorm niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de zaak van verdachte zou kunnen leiden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een eventueel gebrek aan de verdenking tegen [medeverdachte 1] niet met zich mee brengt dat daardoor de belangen van verdachte zijn geschonden. De Schutznorm verzet zich daar tegen.

Bovendien heeft de rechtbank in het vonnis van heden ten aanzien van [medeverdachte 1] geoordeeld dat er jegens hem voldoende redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van - kort gezegd - de productie van drugs was.

De rechtbank heeft ten aanzien van [medeverdachte 1], in dit verband, gezien het dossier, onder meer, het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat onder andere in het proces-verbaal “Start onderzoek 245110805 ([E.])” en in het proces-verbaal van het eerste voortgangsonderzoek de verdenkingen ten aanzien van [medeverdachte 2], zijn echtgenote[medeverdachte 3] en (schoon)vader [medeverdachte 4] betreffende het witwassen van gelden afkomstig van, onder andere, de productie van verdovende middelen uitgebreid zijn uiteengezet. Uit het proces-verbaal van het tweede voortgangsonderzoek blijkt dat in een proces-verbaal van de CIE van 22 juli 2009 over verdachte wordt vermeld: “[medeverdachte 1] uit Heerlen produceert in opdracht van [medeverdachte 2] uit Landgraaf amfetamine-olie.”

Verder wordt in dit tweede voortgangsonderzoek gerelateerd dat uit de sedert mei 2009 in het onderzoek [E.] opgenomen en beluisterde telefoongesprekken, vastgesteld wordt dat er regelmatig contacten zijn tussen verdachte enerzijds en [medeverdachte 2] en diens echtgenote [medeverdachte 3] anderzijds. Het betreft privé-contacten, waaruit blijkt dat verdachte en [medeverdachte 2] elkaar regelmatig ontmoeten. In combinatie met de gerelateerde informatie van de CIE, bestaat bij verbalisanten het vermoeden dat deze contacten betrekking hebben op verdovende middelen. Vervolgens wordt in het tweede voortgangsonderzoek verwezen naar een uitgebreide getuigenverklaring van [getuige 1] op 26 januari 2007 over betrokkenheid van verdachte bij de productie van synthetische drugs. In dit tweede voortgangsonderzoek wordt aangegeven dat sedert 4 augustus 2009 twee telefoonaansluitingen in gebruik bij verdachte worden getapt ex artikel 126 m en 126n van het Wetboek van Strafvordering en dat op grond van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering observaties worden verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende redelijk vermoeden van schuld van verdachte bij de productie van drugs opleveren, op grond waarvan tot het afluisteren van telefoongesprekken en tot observatie kon worden overgegaan.

De CIE informatie betreffende verdachte d.d. 22 juli 2009 is specifiek nu zij verdachte rechtstreeks aan [medeverdachte 2] én aan de productie van synthetische drugs koppelt. Uit de bedoelde tapgesprekken blijkt van daadwerkelijke contacten tussen verdachte en [medeverdachte 2]. Dat verdachte zich zou bezighouden met de productie van synthetische drugs, vindt verder steun in de getuigenverklaring van [getuige 1] - de ex-vriendin van verdachtes broer -, die, onder meer, heeft verklaard voor verdachte jerrycans met grondstoffen in haar woning te hebben bewaard en van hem zelfgemaakte pillen te hebben gekregen. Dat deze informatie dateert van 26 januari 2007, doet geen afbreuk aan haar waarde. Bij haar oordeel heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat (de organisatie van) [medeverdachte 2] verdacht wordt al jarenlang actief te zijn.”

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de stelling van de raadsvrouw dat uit het dossier niet kan worden vastgesteld of er sprake was van een gerechtvaardigde verdenking jegens [medeverdachte 1], feitelijke grondslag mist.

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft hij tot vrijspraak geconcludeerd.

De officier van justitie stelt dat het niet te begrijpen valt dat verdachte niet wist wat haar man deed in het schuurtje op het dakterras. Ten eerste heeft verdachte verklaard dat ze overal mocht komen, ze verklaart letterlijk “het is ons huis”. Op de tweede plaats is de situatie niet nieuw voor haar. In 2003 werd er op dezelfde plek een laboratorium opgerold en in 2008 is haar dochter in het ziekenhuis opgenomen omdat ze grondstoffen voor de XTC-productie had binnengekregen. Op de derde plaats is door cameraobservaties waargenomen dat verdachte bij haar partner in de buurt is als deze met gasflessen aan het sjouwen is (pagina 394 van het dossier). Het is niet aannemelijk dat verdachte totaal in het ongewisse is gebleven van het criminele handelen van haar man. Door zich niet te distantiëren van zijn handelen, is sprake van bewuste en nauwe samenwerking en kan zij als medepleger worden veroordeeld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij stelt zich op het standpunt dat verdachte niet op de hoogte was van de activiteiten van haar man en nooit iets bemerkt heeft dat duidde op de aanwezigheid van een amfetaminelaboratorium in de berging op het dakterras, of de aanwezigheid van de aangetroffen goederen in bedoelde berging, op het dakterras en in de koelcellen. Ook hoefde zij dat in redelijkheid niet te vermoeden, aldus de raadsvrouwe.

Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

Verdachte heeft nooit iets gezien op het dakterras wanneer zij het dakterras gebruikte, zoals in de zomer 2009 of op 11 oktober 2009 toen zij jarig was. Ook heeft zij verklaard dat zij twee weken voor de inval voor het laatst in de berging op het dakterras is geweest, en dat daar toen enkel hout lag. In de koelcellen, in de friture in aanbouw, is ze juli 2009 voor het laatst geweest, toen zij een feest had. Verdachte had ook geen reden om daar te komen nu de friture nog niet in bedrijf was. Blijkens de CIE-informatie, ontvangen op 12 oktober 2009, zou het amfetaminelaboratorium op die datum reeds opgesteld staan in het pand van [‘n cafe]. Dat is feitelijk onmogelijk volgens verdachte, nu uit de foto’s van de verjaardag op 11 oktober 2010 blijkt dat kinderen speelden op het dakterras, terwijl van een laboratorium of drugsgerelateerde spullen niets te zien is.

Verder heeft verdachte aangegeven dat zij in de weekenden op de camping verbleef. Dat was ook zo in het weekend voor de doorzoeking van 11 november 2010. In de herfstvakantie – van 26 oktober 2009 tot en met 1 november 2009 – was zij eveneens op de camping. Verdachte geeft aan dat de op 11 november 2009 op het dakterras aangetroffen situatie, nog niet zo was toen ze op vakantie ging. Verdachte verwijst ter bevestiging van haar standpunt naar de verklaringen van haar dochters [G.] en [J.} en van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3].

Verdachte heeft niets geroken en hoefde ook niets te ruiken, zo stelt de raadsvrouw. Zij verwijst daarvoor naar het feit dat verbalisant [P.] bij de doorzoeking (pagina 355 e.v.) niet relateert dat hij bij het betreden van het dakterras al een indringende geur van amfetamine waarneemt. Pas als hij in de berging staat, verklaart hij over een penetrante geur. Dit terwijl de deur van de berging op dat moment al even openstond en er een doek voor de ingang hing. Het is dus onwaarschijnlijk dat er geur is waar te nemen als de deur dicht is. Ook het feit dat er in de woning licht brandde, dat zeker een lichtschijnsel zal werpen op het terras, wil nog niet zeggen dat in de woning alles kan worden gezien wat op het dakterras staat. Ook stelt de raadsvrouwe dat de afzuiging niet zichtbaar was op het terras en dat die ook geen geluid maakte dat op het terras te horen was, nu verbalisanten [V.] en [P.] daarover niets verklaren.

De rioolbuis voor de afvoer viel weg tegen het wit van de schuifpui. De BMK op het terras was verborgen op het terras en in de tafelpoten, aldus de politie in haar proces-verbaal. Als verdachte op de hoogte was van de activiteiten van haar man, had hij de spullen niet hoeven te verbergen.

Het voorval met haar dochter [J.] heeft haar weliswaar alert gemaakt, maar aan de andere kant was verdachte er van overtuigd dat haar man zich na dit voorval nooit meer met verdovende middelen zou inlaten.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de bewezenverklaring slechts een zeer korte periode kan behelzen. Verder heeft zij ten aanzien van de feiten 4 en 5 geconcludeerd tot vrijspraak.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1, 2 en 3

Op 11 november 2009 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de percelen [V.berg x en y] te Vijlen, in de gemeente Vaals. Dit betreft een pand waar een café, genaamd [‘n cafe], met woning is gevestigd. De woning is genummerd x en het café y. Het pand bestaat uit twee verdiepingen. Aan de achterzijde van de woning op de eerste verdieping ligt een dakterras. Vanuit de woonkamer van de woning kan men middels een schuifdeur op het dakterras komen. Op het dakterras ligt aan de linkerkant als men vanuit de woonkamer komt een berging aan de woning vast.

In de woning werd op genoemde datum ‘s ochtends vroeg binnengetreden. In de woning waren naast verdachte ook [medeverdachte 5], de echtgenoot van verdachte, en twee kinderen aanwezig.

In de berging werd een in werking zijnd amfetaminelaboratorium ontdekt, alwaar de echtgenoot van verdachte op dat moment werkzaam was.

Verdachte heeft verklaard dat zij het café gekocht heeft samen met haar man, maar dat het café enkel op haar naam staat. Zij heeft tevens verklaard dat zij twee weken geleden nog in de ruimte waar het laboratorium is aangetroffen is geweest en dat er toen enkel hout lag. Ook heeft zij verklaard dat zij zich vrij in het huis beweegt, dat ze in alle ruimtes komt. Ze verbleef verder ieder weekend op de camping en ook tijdens de herfstvakantie is ze daar geweest. De dag van de doorzoeking was een gewone schooldag.

[medeverdachte 5], echtgenoot van verdachte, heeft verklaard dat hij de panden [V.berg x en y] samen met zijn vrouw heeft gekocht.

Tijdens de doorzoeking zijn onder andere ongeveer 21 liter amfetamine, glaskolven, gasflessen, gasbranders, BMK, caustic soda, zoutzuur en mierenzuur aangetroffen in de berging – waar op dat moment een amfetaminelaboratorium in werking was – op het dakterras, in de tuin met schuren en in twee koelcellen. De conclusie van verbalisant [V.] van de groep Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) is dat de schuur, grenzend aan het terras van de woning nr. x, was ingericht en in gebruik was voor de illegale vervaardiging van amfetamine. De goederen aangetroffen in de vervallen schuren en op het dakterras zijn eerder gebruikt bij of bestemd voor de vervaardiging van amfetamine.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de aangetroffen hoeveelheid verdovende middelen onderzocht en heeft geconcludeerd dat deze amfetamine bevatten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte mede-eigenaar is van de woning [V.berg x], waar zij met haar gezin woont, en het daaronder gelegen café, [V.berg y], te Vijlen. Het café staat daarenboven op haar naam. Dat betekent dat de bewezen verklaarde hoeveelheid amfetamine (feit 2) alsmede de bewezen verklaarde stoffen en goederen (feit 3), die op 11 november 2009 in het pand [V.berg x en y] te Vijlen zijn aangetroffen, zich bevonden in de machtssfeer van verdachte. Degene die de eigendom en de beschikkingsmacht heeft over in casu de woning, de berging op het dakterras, het dakterras, en het café met toebehoren, kan immers in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van wat zich daarin bevindt. Voorts kan diegene geacht worden wetenschap te hebben van hetgeen daar aanwezig was. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch van 20 augustus 2008 (LJN: BG3908).

De feiten en omstandigheden die verdachte aanvoert om aan te tonen dat zij geen weet had van de aanwezigheid van de aangetroffen amfetamine (feit 2) en voorwerpen en stoffen (feit 3), en dat ook niet kon vermoeden, overtuigen de rechtbank niet.

De rechtbank stelt vast dat op de ochtend van de doorzoeking een in werking zijnd amfetaminelaboratorium aangetroffen wordt in de berging op het dakterras, waar verdachtes echtgenoot op dat moment werkzaam is. De voorwerpen en stoffen die daarvoor benodigd waren, dan wel afvalproducten, bevonden zich die ochtend onder meer in de berging, op het dakterras en in de koelcellen. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte op de ochtend van de doorzoeking – samen met twee van haar kinderen – in de woning aanwezig was.

Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat het die dag een gewone schooldag was. Dat verdachtes echtgenoot, die geen reguliere baan had, enkel amfetamine heeft bereid op momenten dat verdachte niet aanwezig was, zoals verdachte lijkt te betogen wanneer ze aangeeft dat ze in de weekenden en in de herfstvakantie op de camping verblijft, wordt door het voorgaande gelogenstraft. Reeds om die reden acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte van niets wist.

Dat verdachte de op de ochtend van de doorzoeking aangetroffen voorwerpen en stoffen nooit eerder heeft gezien, is naar het oordeel van de rechtbank ook overigens niet aannemelijk. Daartoe wordt overwogen dat verdachte naar eigen zeggen de dag vóór 11 november 2009 nog op het dakterras is geweest en dat er toen niets bijzonders te zien was. Vast staat dat zich op 11 november 2009 in de vroege ochtend een groot aantal voorwerpen op het dakterras bevond, gelieerd aan de productie van amfetamine. Uitgaande van verdachtes stelling dat dit een dag eerder nog niet het geval was, zou dat logischerwijze betekenen dat al deze spullen en grondstoffen van 10 op 11 november 2009 naar het dakterras gebracht moeten zijn. Uit de cameraobservaties (periode 23 oktober 2009 tot en met 11 november 2009) is evenwel niet gebleken dat voorwerpen en stoffen de dag vóór, dan wel de ochtend van de doorzoeking (of overigens in de totale periode van de cameraobservaties), in het pand [V.berg x en y] te Vijlen zijn aangevoerd.

Verder heeft de rechtbank bij vonnis van heden bewezen verklaard dat verdachtes echtgenoot in de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 november 2009 amfetamine heeft bereid. Dat betekent ook dat de berging reeds gedurende langere tijd in gebruik moet zijn geweest voor dit doel. Het is gelet daarop niet vol te houden dat verdachte, die heeft verklaard overal in het pand te komen – en twee weken voor de doorzoeking nog in de berging zegt te zijn geweest – al die tijd nooit iets van opslag van voorwerpen en stoffen dan wel productieactiviteiten in de berging heeft gemerkt, terwijl deze berging is gelegen aan het besloten terras van de woning. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de voor de productie van amfetamine in de berging benodigde spullen evenals het eindproduct, gelet op de omsloten ligging van het dakterras, via de woning van verdachte moeten worden aan- respectievelijk afgevoerd. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het productieproces gepaard gaat met een penetrante geur. Het is niet aannemelijk dat die geur – zeker bij warm weer – niet op het terras te ruiken is geweest. Ook zullen de kleren van verdachtes echtgenoot geroken moeten hebben naar deze geur. Vanuit het verleden kan verdachte geacht worden bekend te zijn met deze geur. Dat op het terras geen voorwerpen of stoffen voor de productie van amfetamine zichtbaar aanwezig zijn als derden op bezoek komen, bijvoorbeeld tijdens een verjaardagsfeest, en dat het speelhuisje leeg is als daar kinderen in spelen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Aan de verklaring van de dochters van verdachte hecht de rechtbank niet de waarde die verdachte daaraan wil doen toekomen. Ook hetgeen verdachte overigens heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

De rechtbank overweegt dat geen wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit blijkt dat verdachte in de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 november 2009 samen met haar man amfetamine heeft geproduceerd. De rechtbank is van oordeel dat voor het medeplegen van dit feit een actieve handeling vereist is. Het zich enkel niet distantiëren en het gedogen van de productie van amfetamine door haar echtgenoot, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om medeplegen door verdachte van die productie aan te nemen. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank wel dat verdachte wist, tenminste in de vorm van voorwaardelijk opzet, van de aanwezigheid van de onder feit 2 bewezen verklaarde hoeveelheid amfetamine en de onder feit 3 bewezen verklaarde voorwerpen en stoffen. Voor het aannemen van medeplegen aan de aanwezigheid van deze spullen door verdachte – welk feit uit zijn aard verder ook geen actieve handeling vereist – is naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van amfetamine en goederen, waarvan zij gelet op het bovenstaande wist dat die bestemd waren voor de productie van amfetamine, en dat deze amfetamine en goederen zich in haar machtssfeer bevonden. Verdachte heeft zich daarvan niet gedistantieerd en de situatie gedoogd. Daardoor kan er gesproken worden van een bewuste en nauwe samenwerking als voor het medeplegen vereist. Immers, wanneer verdachte de aanwezigheid van de amfetamine en stoffen en voorwerpen voor de productie van synthetische drugs niet zou hebben toegestaan, dan zou ook verdachtes echtgenoot die amfetamine en stoffen en voorwerpen nimmer in het gezamenlijke pand aanwezig kunnen hebben gehad.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande deze feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zodat zij van dit feit moet worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 11 november 2009 te Vijlen, in de gemeente Vaals, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 21 liter van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 11 november 2009 te Vijlen, in de gemeente Vaals, tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen, te weten glaskolven en gasflessen en gasbranders en stoffen, te weten BenzylMethylKeton (BMK) en caustic soda en zoutzuur en mierenzuur voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en haar, verdachtes, mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan zij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, in vereniging gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte de zorg heeft over haar jongste twee kinderen en enig kostwinner is. Verder heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte werk heeft. De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft samen met haar man [medeverdachte 5] ongeveer 21 liter amfetamine(base) en diverse grondstoffen en benodigdheden voor de productie van amfetamine aanwezig gehad, onder andere op het dakterras van haar woning, waar zij en [medeverdachte 5] met hun minderjarige kinderen wonen. Deze spullen waren bedoeld voor de productie van amfetamine, die door [medeverdachte 5] plaatsvond in een laboratorium op dat dakterras.

Verdachte heeft in 2003 een schriftelijke waarschuwing gekregen in het kader van een sepot vanwege haar (geringe) betrokkenheid bij de productie van amfetamine. Ook toen ging het om een amfetaminelaboratorium dat [medeverdachte 5] in de tuin van hun woning exploiteerde.

Hoewel verdachte ook ditmaal niet actief bij de amfetamineproductie van haar man betrokken was, heeft zij wel gedoogd dat deze productie op haar dakterras plaats vond en dat de benodigdheden daarvoor min of meer voor het grijpen aanwezig waren. Zo bleek tijdens de doorzoeking dat in het houten speelhuisje, waar de toen 4-jarige zoon van verdachte regelmatig speelde, onder meer jerrycans met BMK en zoutzuur waren opgeslagen. Verdachte had als geen ander doordrongen moeten zijn van het gevaar dat hiervan uitging. Immers, in 2008 had haar 14-jarige dochter per ongeluk in de woning van verdachte aanwezige grondstoffen voor XTC gedronken, waardoor zij met een acute hartstilstand en in direct levensgevaar op de intensive care moest worden opgenomen. Zelfs dit ingrijpende voorval heeft verdachte er kennelijk niet toe gebracht haar man ervan te weerhouden in 2009 (opnieuw) een amfetaminelaboratorium naast hun woning te starten. Daarbij heeft verdachte blijkbaar het aanzienlijke gezondheidsrisico van een dergelijk laboratorium voor haar eigen gezin en omwonenden volkomen ondergeschikt geacht aan de financiële beloning die de productie opleverde. Kennelijk waren de ‘waarschuwingen’ uit 2003 en 2008 onvoldoende om haar ervan te doordringen dat zij door haar opstelling verantwoordelijk is voor het in stand houden en laten voortduren van het strafbare gedrag van haar man. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan.

Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt. Dat betekent ook dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volstaan met het opleggen van een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Gelet op de zogeheten landelijke oriëntatiepunten betreffende de invoer van harddrugs (artikel 2 onder A van de Opiumwet), die bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf in dit soort zaken doorgaans als uitgangspunt worden gehanteerd, en de in de vaste jurisprudentie van het Gerechtshof Den Bosch naar aanleiding daarvan vastgestelde rekenmodus wanneer het gaat om het bezit (artikel 2 onder C van de Opiumwet) van harddrugs, gaat de rechtbank voor de aanwezigheid van 21 liter amfetamine (feit 2) in beginsel uit van een gevangenisstraf van 30 maanden (categorie standaard).

Voor voorbereidinghandelingen zijn geen oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank acht, gelet op de hoeveelheid en aard van de spullen, voor dit feit (feit 3) in beginsel een gevangenisstraf van 6 maanden op zijn plaats.

Al met al zou derhalve een gevangenisstraf van 36 maanden passend zijn.

De rechtbank ziet evenwel in hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte en haar aandeel in de feiten aanleiding hiervan (fors) naar beneden af te wijken. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte de zorg heeft over twee minderjarige kinderen, van wie de jongste slechts 5 jaar oud is, in combinatie met de omstandigheid dat verdachtes echtgenoot en vader van deze kinderen bij vonnis van de rechtbank van heden tot een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld. De rechtbank acht een lange gevangenisstraf ten aanzien van verdachte niet op zijn plaats, omdat dit zou betekenen dat verdachte lange tijd van haar kinderen verwijderd zou zijn, wat de rechtbank ongewenst vindt.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de laakbare passieve houding van verdachte, acht de rechtbank het bovendien noodzakelijk dat verdachte gedurende de proeftijd een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf boven haar hoofd weet. De rechtbank spreekt haar hoop uit dat deze voorwaardelijke straf, anders dan de waarschuwing uit 2003 en het tragische ongeval met haar dochter in 2008, verdachte er nu definitief van zal doordringen dat zij zich in de toekomst dient te onthouden van het plegen van strafbare feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Dagvaarding nietig

- verklaart de dagvaarding nietig ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 november 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 november 2009 te Vijlen in de gemeente Vaals, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of heeft bewerkt en/of heeft verwerkt en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft verstrekt en/of heeft vervoerd, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA(MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

zij, verdachte, op of omstreeks 11 november 2009 te Vijlen, in de gemeente Vaals, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) (ten minste ongeveer 21 liter) van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

zij, verdachte, op of omstreeks 11 november 2009 te Vijlen, in de gemeente Vaals, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of

verstrekken en/of vervoeren van MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA(MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen, te weten glaskolven en/of drukketels en/of gasflessen en/of verwarmingselementen en/of gasbranders en/of mengketels en/of stoffen, te weten BenzylMethylKeton (BMK) en/of caustic soda en/of methylalcohol en/of zoutzuur en/of mierenzuur en/of vervoermiddelen en/of gelden of andere betaalmiddelen, voorhanden heeft gehad, waarvan zij, verdachte en/of haar, verdachtes, mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

4.

zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 november 2009 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Vaals, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen, van welke organisatie onder meer deel uitmaakten [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, namelijk het meermalen, althans eenmaal (telkens) binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, in elk geval het (telkens) bereiden en/of het bewerken en/of het verwerken en/of het verkopen en/of het afleveren en/of het verstrekken en/of het vervoeren van MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA(MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of het voorbereiden en/of

bevorderen van voornoemd(e) feit(en);

5.

zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 11 november 2009 te Vijlen, in de gemeente Vaals, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte, meermalen (telkens)

-van een voorwerp, te weten geld en/of onroerend goed en/of roerende goederen de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) voorwerp(en) is of het/ze voorhanden heeft en/of (telkens)

-een voorwerp, te weten geld en/of onroerend goed en/of roerende goederen, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.