Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO4143

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
03-700396-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inhoudsindicatie - vrijspraak opzettelijk vervoeren van heroine; algemene ervaringsregels; ontbreken van bewijs voor wetenschap bij de verdachte van de aanwezigheid van heroine, die in de auto waarin de verdachte reed was verborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700396-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 november 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te Rotterdam [geboortegegevens verdachte],

gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 november 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen op 22 juli 2010 opzettelijk 1531 gram heroïne heeft vervoerd of in elk geval in zijn bezit heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [naam medeverdachte] opzettelijk heroïne heeft vervoerd. De officier van justitie is van mening dat verdachte en [naam medeverdachte] mogelijk leugenachtige verklaringen hebben afgelegd over (het doel van) hun reis per auto naar Rotterdam op 22 juli 2010. Ter zitting heeft verdachte namelijk iets anders verklaard dan bij de politie.

Als verdachte gelogen heeft over de reden voor zijn reis naar Rotterdam, dan kan dat tot de conclusie leiden dat verdachte opzettelijk harddrugs vervoerde. Er dient daarom nader onderzoek te worden gedaan naar het waarheidsgehalte van de verklaringen.

Ook als verdachte niet gelogen heeft over zijn reis naar Rotterdam, acht de officier van justitie de stelling van verdachte dat hij niets wist van de aanwezigheid van de verborgen heroïne in de auto, ongeloofwaardig. Het is volgens de officier van justitie onaannemelijk dat iemand anders zoveel heroïne zomaar achter laat in een auto die gebruikt wordt door mensen die daar niets van zouden weten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte is in het kader van het Waakzaam Twee-project van de politie onderworpen aan een verkeerscontrole, terwijl het primaire doel van de politie een controle in het kader van de bestrijding van drugsproblematiek was. De politie heeft daarom misbruik gemaakt van haar bevoegdheden. Daarbij heeft de politie de auto waarin verdachte reed, voor een verkeerscontrole geselecteerd door het kenteken van de auto te vergelijken met gegevens in een door de politie gehanteerd vergelijkingsbestand. Deze gegevens hadden daarin niet mogen worden opgenomen. Dit alles moet tot de conclusie leiden dat het bewijs in de zaak onrechtmatig is verkregen en niet mag worden gebruikt.

Ook als de rechtbank van oordeel is dat het bewijs rechtmatig is verkregen, moet verdachte worden vrijgesproken, omdat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat hij wist dat hij heroïne vervoerde. Verdachte had de auto immers geleend en de drugs waren goed verborgen in de rugleuning van de bijrijderstoel.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Verdachte is op 22 juli 2010 staande gehouden, nadat de auto waarin hij reed (komende uit de richting Rotterdam op de A2) door de politie was geselecteerd voor een controle op grond van de Wegenverkeerswet 1994. Deze verkeerscontrole vond plaats in het kader van het project Waakzaam Twee.

Meteen nadat de politie verdachte om zijn rijbewijs en de autopapieren had gevraagd, ontstond het vermoeden dat verdachte de Opiumwet overtrad, omdat de verbalisanten een sterke weedgeur in de auto roken. Met toestemming van verdachte werd de auto onderzocht met behulp van een speurhond. Vervolgens trof de politie een aantal zakjes met weed en een zakje met hasj aan. In de holle ruimte van de rugleuning van de bijrijderstoel trof men, nadat men de achterkant van de stoel had losgemaakt, 3 pakketten heroïne aan. Verdachte en zijn passagier [naam medeverdachte] werden hierop aangehouden.

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto voor de duur van ongeveer een week geleend had, wat door de eigenaar van de auto, [v.K.], werd bevestigd. Verdachte heeft erkend dat de zakjes met weed en hasj van hem waren, maar van de heroïne die in de rugleuning verborgen was, wist hij niets af. Verdachte heeft ook aangegeven geen idee te hebben wanneer, door wie of hoe de heroïne in de auto is terechtgekomen. Verdachte is naar eigen zeggen op 22 juli 2010 naar familie in Rotterdam geweest en was op weg terug naar zijn woonplaats in Limburg, toen hij werd aangehouden.

[v.K.] en medeverdachte [naam medeverdachte] hebben verklaard niets geweten te hebben van de aanwezigheid van heroïne in de auto van [v.K.].

Overwegingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het dossier in de onderhavige zaak voldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat verdachte met opzet heroïne heeft vervoerd. Om het bestanddeel “opzettelijk” bewezen te kunnen achten, is vereist dat de rechtbank aan de hand van wettige bewijsmiddelen vaststelt dat verdachte op enige manier wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van harddrugs in de auto waarmee hij reed.

In de rechtspraak wordt de algemene ervaringsregel gehanteerd dat een bestuurder van een auto geacht wordt bekend te zijn met de aanwezigheid van voorwerpen in zijn auto. Deze regel geldt echter voor de situatie waarin men rijdt in zijn eigen auto. Immers, van de eigen auto zal men doorgaans weten wat zich daarin bevindt.

Echter, verdachte reed in een auto die hij van een derde geleend had. In die situatie kan men niet zonder meer stellen dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van al hetgeen zich in de auto bevond en met name niet van de drugs, die goed verborgen waren achter de bekleding van een rugleuning van een stoel.

Bewijsmiddelen waaruit afgeleid kan worden dat verdachte desalniettemin moet hebben geweten dat hij harddrugs vervoerde, zijn niet te vinden in het dossier, noch in de vorm van verklaringen, noch in de vorm van bewijs dat verdachte op enige wijze betrokken was bij de handel in harddrugs of anderszins.

Net als de officier van justitie is de rechtbank van mening dat het niet direct voor de hand liggend is dat drugscriminelen zomaar zoveel heroïne (met zoveel waarde) onbewaakt en onbeheerd achterlaten in een auto waarin mensen zitten die daar niets vanaf zouden weten, maar deze stelling moet eveneens aangemerkt worden als een algemene ervaringsregel. Daaruit valt niet af te leiden dat in dit geval deze verdachte geweten moet hebben van de aanwezigheid van de drugs in de auto. En dus kan deze ervaringsregel niet komen in de plaats van het ontbrekende bewijs met betrekking tot de wetenschap van de aanwezigheid van de drugs.

Nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van heroïne in de auto, acht zij het opzet op het vervoer, dan wel het bezit van de heroïne niet bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

Ter zitting heeft de officier van justitie aangedrongen op een onderzoek naar de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte met betrekking tot de reden voor zijn rit naar Rotterdam. De rechtbank heeft reeds ter zitting dit verzoek gemotiveerd afgewezen omdat zelfs indien verdachte gelogen zou hebben over de reden van zijn rit naar Rotterdam dit geen bewijs zou opleveren met betrekking tot zijn wetenschap van de aanwezigheid van de drugs. Het zou verdachte wel plaatsen in een bedenkelijk daglicht maar dat is niet voldoende om een ontbrekend bewijsmiddel te vervangen.

Het verweer van de raadsvrouw dat er sprake is geweest van misbruik van bevoegdheden, laat de rechtbank onbesproken, omdat het bewijs, los van het antwoord op de vraag of het rechtmatig is verkregen en moet worden uitgesloten, niet tot een bewezenverklaring kan leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Hazen, voorzitter, mr. I. Becker-Hartenhof en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 november 2010.

Buiten staat

Mr. Becker-Hartenhof en mr. Hazen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 juli 2010 in Maasbracht, in elk geval in de gemeente Maasgouw,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1531 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700396-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 17 november 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te Rotterdam [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 3 november 2010 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.