Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO3654

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
03-703706-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis vonnis - Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Ramo'. Verdachte is veroordeeld voor drugsrunnen, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703706-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens],

wonende te [adresgegevens],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave.

Raadsman is mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de zittingen van 19 mei 2009, 14 augustus 2009, 10 november 2009, 22 januari 2010, 2 april 2010, 30 juni 2010 en 21, 22 en 24 september 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en [verdachte] hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De strafzaak tegen verdachte, hierna te noemen: [verdachte], is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte]:

Feit 1: samen met anderen verschillende keren harddrugs buiten Nederland heeft gebracht dan wel harddrugs heeft verkocht,

Feit 2: deelgenomen heeft aan een organisatie gericht op het plegen van drugsgerelateerde delicten,

Feit 3: samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, dan wel samen met anderen verschillende keren geldbedragen heeft witgewassen, terwijl hij wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf dan wel dat hij dat redelijkerwijs moest vermoeden,

Feit 4: samen met anderen een auto heeft witgewassen.

3 Voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

Feit 3

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastelegging onder 3 het volgende.

Op grond van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Een functie van de tenlastelegging is de verdachte op zodanig duidelijk wijze te informeren waarvoor hij terecht moet staan, dat hij zich daartegen adequaat kan verdedigen. Een andere functie van de tenlastelegging is de rechter in staat te stellen om op grond van de tenlastelegging het verwijt dat het openbaar ministerie met de tenlastelegging aan de verdachte maakt te onderzoeken en hierover een beslissing te nemen, te weten of het verwijt al dan niet bewezen kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder 3 niet aangeeft op welke concrete gedragingen zij zich richt. De tenlastelegging omvat niet meer dan een gedeeltelijke herhaling van de delictsomschrijvingen van de artikelen 420bis, eerste lid, respectievelijk 420quater, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat in de primaire variant ook de ‘gewoonte’ in de tenlastelegging is opgenomen. De concretisering beperkt zich tot vermelding van het voorwerp dat witgewassen zou zijn (geld), de vermelding van de tenlastegelegde periode (een periode van circa 9 maanden) en de vermelding van de plaats (de gemeente/het arrondissement Maastricht, dan wel elders in Nederland). In alle varianten van de tenlastelegging van dit feit is tevens aangegeven dat meermalen is witgewassen door [verdachte] al dan niet tezamen met anderen. Volgens het dossier en de tenlastelegging van de overige feiten die aan [verdachte] verweten worden zou [verdachte] veelvuldig betrokken zijn geweest bij handel in verdovende middelen.

De tenlastelegging van feit 3 verschaft geen nadere informatie. Onduidelijk is derhalve of het verwijt van (gewoonte-/schuld-)witwassen ziet op al het geld dat [verdachte] (en/of zijn medeverdachten) al dan niet rechtstreeks met behulp van de drugshandel hebben verkregen dan wel dat meer specifieke geldbedragen bedoeld zijn. Evenmin bevat de tenlastelegging andere aanvullende informatie, waaruit zou kunnen worden teruggeredeneerd welke geldbedragen bedoeld worden. Te denken valt aan vermeldingen als waar het geld voorhanden was, waar of bij welke gelegenheid het is overgedragen of waaraan het is uitgegeven.

De tenlastelegging van feit 3 primair, subsidiair en meer subsidiair stelt de rechtbank vanwege een onvoldoende geconcretiseerde feitsomschrijving niet in staat een inhoudelijke beslissing te nemen.

Dientengevolge zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair, nietig verklaren, omdat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie is van mening dat feit 1 bewezen kan worden, gelet op de verklaringen van [L.], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5].

Feit 2

De officier van justitie is van mening dat in de onderhavige zaak voldaan is aan de kenmerken van een criminele organisatie en dat [verdachte] daar leiding aan heeft gegeven. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat dit feit bewezen kan worden.

Feit 4

De officier van justitie is van oordeel dat ook feit 4 primair bewezen kan worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van [verdachte] heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 4 gerefereerd, nu die feiten ook door [verdachte] zijn bekend. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een (criminele) organisatie. Iedereen handelde voor eigen rekening en er was geen sprake van sturing of leidinggeven door [verdachte]. Hij stelde drugs ter beschikking, verdere betrokkenheid was er niet. Feit 2 is daarom niet bewijsbaar, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bijnamen

Voordat de rechtbank de afzonderlijke feiten bespreekt, merkt zij op dat in veel verklaringen de verdachte en de medeverdachten met een bijnaam worden aangeduid. Voor de begrijpelijkheid van de bespreking van de feiten en de bewijsvoering geeft de rechtbank hier aan welke bijnamen zij onder andere in het dossier heeft aangetroffen en als vaststaand aanmerkt.

[verdachte] had als bijnaam: '[verdachte]',

[medeverdachte 1] had als bijnaam: '[medeverdachte 1]'.

[medeverdachte 2] had als bijnaam ‘[medeverdachte 2]’ of ‘[medeverdachte 2]’.

[medeverdachte 5] had als bijnaam ‘[medeverdachte 5]’ en [medeverdachte 4] had als bijnaam ‘[medeverdachte 4]’, al dan niet met de toevoeging ‘[medeverdachte 4]’.

Tenslotte vermeldt de rechtbank nog dat met de bijnaam ‘[R.F.]’ of ‘[R.F.]’ kennelijk [R.F.] is bedoeld, die geen verdachte in de zaak [R.] is.

Feit 1

Onder feit 1 is aan [verdachte] tenlastegelegd dat hij zich, samen met anderen, in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 heeft schuldig gemaakt aan het meermalen buiten Nederland brengen van verschillende soorten harddrugs door, zo begrijpt de rechtbank, in Maastricht heroïne en cocaïne te verkopen aan (met name) Franse kopers, die deze middelen meenamen naar het buitenland.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

[verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat hij in de ten laste gelegde periode drugs heeft verkocht aan met name Fransen, dat hij dit samen met anderen deed, en dat het voornamelijk om heroïne en cocaïne ging.

Op 2 mei 2008 zijn de Fransen [koper 1], [koper 2] en [koper 3] aangehouden. Bij hen is onder meer heroïne aangetroffen. [koper 1] en [koper 3] hebben beiden verklaard dat zij op 2 mei 2008 naar Maastricht waren gekomen om heroïne te kopen. Tevoren had [koper 1] naar het telefoonnummer [06-xxxx] gebeld en een man genaamd [medeverdachte 1] gesproken. Volgens [koper 1] heeft [medeverdachte 1] hen in Maastricht naar een woning gebracht en verdovende middelen gehaald en deze aan een andere persoon die ook in de woning was gegeven. [koper 1] en [koper 3] hebben het geld aan ene “[medeverdachte 2]” gegeven. Er was nog een man in de woning, genaamd [verdachte]. Tijdens een meervoudige fotoconfrontatie heeft [koper 1] [medeverdachte 2] herkend als de persoon van wie zij verdovende middelen had gekocht. [koper 3] heeft bij een meervoudige fotoconfrontatie in maart 2010 [medeverdachte 4] herkend, die hij ‘[verdachte]’ noemt, als degene die, volgens hem, evenals ‘[medeverdachte 2]’ heroïne en cocaïne in het appartement verkocht. Ook heeft [koper 3] verdachte [medeverdachte 2] tijdens een meervoudige fotoconfrontatie aangewezen als ‘[medeverdachte 2]’, die hem op 2 mei 2008 drugs had verkocht. [medeverdachte 2] had hem, [koper 3], gedurende een jaar tussen de twaalf en vijftien keer geholpen (de rechtbank begrijpt uit de context dat [koper 3] hiermee bedoelt dat hij zo vele malen drugs in Maastricht heeft ‘gekocht’) en wel in verschillende appartementen.

[verdachte] heeft verklaard dat het telefoonnummer [06-xxxx] een zogenaamde ‘handelslijn’ betrof en dat hierop Franse klanten belden om drugs te bestellen.

Op 7 januari 2009 zijn de Fransen [koper 4] en [koper 5] in België aangehouden, nadat zij met de auto in Maastricht waren geweest. Zij waren in het bezit van ruim 100 gram heroïne. [koper 4] heeft verklaard dat hij naar Maastricht was gekomen om heroïne te kopen, dat de dealer [verdachte] heette en dat hij al eerder van deze dealer drugs had gekocht, eind 2008. [koper 5] heeft eveneens verklaard dat de dealer [verdachte] heette. Tijdens een fotoconfrontatie herkent hij [verdachte] vrijwel zeker als degene die de drugs in het appartement aan hen verkocht.

[verdachte] heeft ter terechtzitting bekend dat hij bij deze drugsdeal aanwezig was.

Op 7 januari 2009 zijn ook de Fransen [koper 6] en [koper 7] aangehouden. Bij hen werd eveneens heroïne aangetroffen. [koper 7] heeft verklaard dat hij samen met [koper 6] naar Maastricht was gekomen om heroïne te kopen. De heroïne heeft hij in een appartement gekocht, dat op enkele minuten afstand lag van de plaats waar hij geparkeerd had. Zij werden deze keer, even als een keer eerder, opgehaald en teruggebracht door een taxi. [koper 6] had tevoren naar de dealer gebeld en met hem een afspraak gemaakt. [koper 6] heeft bij een meervoudige fotoconfrontatie [medeverdachte 2] herkend als de persoon die bij deze verkoop aanwezig was. Ook heeft zij verklaard dat zij eerder op dit adres is geweest, in december 2008 voor de kerst. Het telefoonnummer van de dealer is: [06-yyyy].

[verdachte] heeft over het telefoonnummer [06-yyyy] verklaard dat ook dit een zogenaamde ‘handelslijn’ betrof en dat hierop Franse klanten belden om drugs te bestellen.

De verbalisanten hebben naar aanleiding van de verhoren van [koper 7] en [koper 6] een onderzoek ingesteld naar de locatie van het dealpand en de bewoners van dat pand. Het bleek het adres [K.straat] te Maastricht te zijn. Hier woonden [K.] en [W.].

[K.] en [W.] hebben tegenover de politie verklaard dat zij sinds circa vier maanden drugskopers in hun huis, [K.straat] te Maastricht, ontvingen. Deze kopers werden steeds begeleid door [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 2], die in de woning drugs verkochten aan die kopers. Bij de rechter-commissaris heeft [W.] nog verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] samen de klanten afhandelen en dat er soms wel vier dagen per week klanten waren.

[medeverdachte 5] heeft bij de politie erkend dat hij regelmatig bij [W.] en [K.] verdovende middelen kwam brengen. [medeverdachte 2] heeft bij de politie eveneens erkend dat hij al enkele maanden bij [K.] en [W.] kwam om aan Fransen drugs te verkopen. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat ook hij zo nu en dan de woning van [W.] en [K.] gebruikte om drugs te verkopen.

[medeverdachte 2] heeft bij de politie voorts verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode betrokken was bij de drugshandel van [medeverdachte 1] en [verdachte]. Hij heeft onder meer verklaard dat de klanten bijna altijd belden met [medeverdachte 1] of [verdachte], dat zij dan naar hem belden, dat hij de klanten dan moest ophalen, dat het bijna altijd Franse personen waren, dat hij vervolgens in een woning drugs aan de klanten verkocht en dat de klanten voornamelijk heroïne en ook wel cocaïne kochten.

Ook [medeverdachte 5] heeft bij de politie verklaard dat hij samen met anderen drugs heeft verkocht aan met name Franse kopers. Hij heeft verder verklaard dat de klanten meestal met [verdachte] belden, dat [medeverdachte 2] ze met de taxi ging halen, dat de klanten naar een huis werden gebracht, waar gehandeld werd en dat hij hier ook bij betrokken was. De meeste klanten kwamen volgens [medeverdachte 5] voor heroïne en cocaïne.

Ten aanzien van de wetenschap van de uitvoer overweegt de rechtbank nog dat deze reeds valt af te leiden uit het feit dat de kopers Fransen waren, die met voertuigen met een Frans kenteken naar Maastricht kwamen om drugs te kopen, terwijl er zodanige hoeveelheden werden gekocht, dat deze niet voor onmiddellijk gebruik konden zijn bedoeld.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het meermalen uitvoeren van heroïne en cocaïne in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009.

Feit 2

Aan [verdachte] wordt als tweede feit verweten dat hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 - als leider - heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve het hebben van een ‘criminele doelstelling’ (de hierboven genoemde illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie gericht moet zijn, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie volgens vaste jurisprudentie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, sturing van de leden van de organisatie en een bepaalde werkwijze. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor het bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft op of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waaraan naast [verdachte] in elk geval hebben deelgenomen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], met dien verstande dat bij [medeverdachte 1] deze periode is beperkt tot 15 december 2008.

De rechtbank zal in het hiernavolgende bespreken op grond van welke bewijsmiddelen zij tot deze beslissing is gekomen.

Vooropgesteld zij dat de rechtbank bewezen acht dat [verdachte] samen met anderen opzettelijk harddrugs heeft uitgevoerd (feit 1). Dit feit is gepleegd in de tenlastegelegde periode van feit 2.

Daarnaast wijzen in deze zaak in het bijzonder de volgende kenmerken op het bestaan van een criminele organisatie: de taakverdeling, de werkwijze, het gebruik van vaste telefoonnummers, de vaste klantenkring en de nazorg.

De handelingen van de organisatie omvatten het inkopen van puur materiaal, het versnijden en persen van het versneden materiaal en het verkopen van de verdovende middelen aan personen die deze middelen meenamen naar het buitenland. De verdovende middelen waren met name heroïne en cocaïne.

Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er volgens een tamelijk vaste werkwijze werd gehandeld, die als volgt kan worden omschreven. Een klant belde op en maakte een afspraak voor de koop van verdovende middelen. Op de afgesproken plaats werd de auto van de klant achtergelaten en werd de klant door een runner met een taxi opgevangen die de klant naar een woning bracht. In het algemeen waren de gevraagde hoeveelheden harddrugs niet in de woning aanwezig en moest de klant wachten totdat ze gehaald waren. Als de verdovende middelen in de woning (gebracht waren en daarmee) aanwezig waren kreeg de klant wat hij besteld had en betaalde hij daarvoor. De klant verliet daarna de woning en werd met een taxi teruggebracht naar zijn auto.

Deze werkwijze valt onder andere af te leiden uit de wijze waarop de verkoop van verdovende middelen aan [koper 1] en [koper 3] op 2 mei 2008 en aan [koper 6] en [koper 7] op 7 januari 2009 in Maastricht heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hierover in de bewijsvoering van feit 1 is opgenomen.

[koper 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] altijd kopers begeleidt tot de woning. Na de bestelling gaat hij de verdovende middelen halen en geeft hij deze aan een andere persoon die ook in de woning is. Volgens [koper 1] verkoopt [medeverdachte 1] nooit zelf en neemt hij ook nooit geld aan. Dat doet altijd iemand anders. [koper 3] heeft verklaard dat hij bij een kooptransactie met verschillende personen te maken had, ook al belde hij iedere keer hetzelfde nummer. Hij bestelde bij [medeverdachte 1]; [medeverdachte 1] was altijd degene die de telefoon opnam. Hij onderhandelde ook telkens met [medeverdachte 1], die daarna vertrok.

Deze werkwijze komt ook tot uiting in de verklaringen van [K.] en [W.], die sinds circa vier maanden drugskopers in hun huis, [K.straat] te Maastricht, ontvingen. Volgens [K.] was de afspraak dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] van de slaapkamer aan de voorzijde gebruik zouden maken om verdovende middelen te verkopen. Daarvoor zouden zij, [K.] en [W.], tussen de 20 en 40 euro krijgen; af en toe werd met cocaïne betaald. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [K.] en [W.] soms geld, maar meestal cocaïne voor eigen gebruik als vergoeding kregen.

In de woning werden de drugs verkocht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]. Volgens [W.] is [medeverdachte 2] circa 20 à 25 keer met klanten in hun woning geweest en [medeverdachte 5] volgens hem circa 6 keer; [K.] verklaarde dat er tussen de 20 en 30 keer klanten zijn geweest.

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij bij [K.] en [W.] kwam om de verdovende middelen brengen. Hij kreeg daartoe opdracht van [medeverdachte 2]. Hij haalde de spullen bij [medeverdachte 4]. Vaak reed hij daar naar toe met de scooter.

[medeverdachte 5] heeft bovendien meerdere malen over de werkwijze gesproken. Op 3 februari 2009 verklaarde hij daarover het volgende. Een klant belt met [verdachte], die belt met een taxi. [medeverdachte 2] gaat met de taxi de klanten halen. De klanten worden naar een huis gebracht, waar gehandeld wordt. De meeste klanten komen voor heroïne en cocaïne. Nadat de bestelling bekend is, worden de drugs gehaald. Dan wordt er weer een taxi gebeld en worden de klanten zonder [medeverdachte 2] weggestuurd.

De verklaringen van [K.], [W.] en [medeverdachte 5] worden ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 3], dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zich bezig hielden met het halen van klanten.

Op 10 februari 2009 heeft [medeverdachte 5] uitgebreider over de werkwijze verteld. Volgens hem waren er bepaalde klantentelefoons, die volstonden met Franse telefoonnummers. Een van deze telefoons had als deel van het telefoonnummer de cijfers [06-mmmm]. Op deze telefoons belden (met uitzondering van [medeverdachte 3]) alleen klanten. Als deze belden dan nam meestal [verdachte] of [medeverdachte 2] de telefoon op. [verdachte] noemde zich dan [verdachte] en [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] of [medeverdachte 2]. Met deze namen stonden ze bekend bij klanten. Er werd bijna altijd Frans gesproken, een enkele keer Arabisch. De klanten vertelden wanneer ze zouden vertrekken of dat ze er al bijna waren. [verdachte] vroeg altijd om ongeveer 20 minuten voordat ze er waren nog even te bellen, omdat het circa 10 minuten zou duren voordat er een taxi was. Bijna altijd werd er afgesproken bij [’n hotel], Koffieshop [F], Koffieshop [BW], de telefooncel achter het Chinese poolcentrum op de [T.weg] of bij de kerk in [M.]. Heel af en toe werden er afspraken bij het station, de [M.] en bij de [MD] bij de [G.] gemaakt. Het waren altijd dezelfde klanten die kwamen. In de telefoon stonden alle namen van de klanten. Het gemiddelde dat per klant werd verkocht was 70 gram heroïne en 3 gram cocaïne. Sommige klanten kwamen voor tussen de 100 en 150 gram heroïne. Een klant uit Marseille kwam meestal voor 4 à 5 kilo heroïne. Van deze klant is ook de [merk auto]. Deze heeft [verdachte] van hem gekocht. Hij heeft hem betaald met geld en drugs.

Deze werkwijze is ook te herkennen in de verklaring van [L.]. Deze heeft al op 5 juni 2008 verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] beiden mobiele telefoons hadden en dat de klanten naar hen belden. Hij werd dan weer door [medeverdachte 1] en [verdachte] gebeld om de klanten op te halen en hen naar een dealplek te brengen. Zo’n dealplek kon een woning zijn of gewoon een plek op straat. Volgens [L.] hadden [medeverdachte 1] en [verdachte] een klantenkring opgebouwd met veel vaste klanten. Zij wisten zelfs soms welke vaste klanten op komst waren: “een soort werkschema”.

In dat verband wijst de rechtbank ook op de verklaring van [L.], dat er één telefoonnummer was dat ze niet kwijt mochten raken. Dit was het nummer dat bij alle klanten bekend was. Als dit nummer (de rechtbank begrijpt: een gsm met dit nummer) in beslag was genomen, werd hetzelfde nummer opnieuw aangevraagd. Hiermee in overeenstemming is de omstandigheid dat bij [medeverdachte 1] op verschillende tijdstippen verschillende gsm’s in beslag zijn genomen met steeds hetzelfde telefoonnummer.

Het belang dat werd gehecht aan vaste klanten wordt ondersteund door het feit dat wel eens contact werd opgenomen met Franse klanten die al een tijdlang niet meer waren gekomen.

Verder zijn er aanwijzingen dat de organisatie ook aan een zekere ‘nazorg’ deed. [koper 3] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 2] terugzag op 29 oktober 2008, toen hij, [koper 3], uit de gevangenis kwam. [medeverdachte 1] kwam met de auto, hij had zijn chauffeur [verdachte] bij zich. Ze namen hem en [koper 2] mee naar een appartement waar gedeald werd. In opdracht van [medeverdachte 1] gaf [medeverdachte 2] hun daar 200 gram heroïne. [medeverdachte 1] was volgens [koper 3] aanwezig toen [medeverdachte 2] hun de heroïne gaf. Het was, aldus [koper 3], een cadeautje, zodat zij weer opnieuw verdovende middelen van hem zouden kopen.

Uit het voorafgaande blijkt van de samenwerking van verschillende personen bij de handel in verdovende middelen. Welke personen tot ‘de groep’ behoorden, blijkt uit onder meer de volgende verklaringen.

De getuige [L.] was volgens eigen zeggen tot 5 juni 2008 betrokken bij de handel in verdovende middelen, tezamen met [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4]. Hij heeft op 5 juni 2008 verklaard dat hij sinds circa twee maanden in de woning [P.hof] te Maastricht verblijft, omdat hij samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] in verdovende middelen handelt. Diens verklaring vindt ondersteuning in de verklaring van [medeverdachte 3] dat zij zich [L.] onder diens voornaam [B] kan herinneren als haar wordt verteld dat deze persoon door ‘[medeverdachte 1]’ verdacht werd van het stelen van een groot geldbedrag en in het feit dat

[medeverdachte 2] en [L.] op 23 mei 2008 samen in een auto zijn aangetroffen.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 5] deel uitmaakte van de groep waarin zich [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bevinden.

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat de groep uit zes man bestond: [medeverdachte 1], [R.F.], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2], [verdachte] en hemzelf. Op 10 februari 2009 heeft [medeverdachte 5] verklaard dat [medeverdachte 1] en [R.F.] sinds twee maanden niet meer meededen, omdat het tot ruzie was gekomen tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]. [medeverdachte 5] heeft ten slotte verklaard dat hij vanaf juni 2008 binnen deze groep werkzaam was. In de maanden oktober 2007 tot en met februari 2008 kwamen [R.F.] en [medeverdachte 1].

Uit de verklaringen van verschillende personen kan worden afgeleid dat de groep op een gestructureerde wijze samenwerkte en dat ieder in beginsel een eigen rol had.

[verdachte] was volgens [L.] en [medeverdachte 5] de baas van de groep. [medeverdachte 1] wordt door [L.] als ‘onderdirecteur’ en ‘rechterhand’ (van [verdachte]) aangeduid. Daarmee in overeenstemming is hetgeen [L.] over [medeverdachte 1] heeft verklaard, te weten dat [medeverdachte 1] [L.] inwerkte, alle dealplekken liet zien en hoe hij moest rijden. [medeverdachte 1] deed volgens [L.] het meeste. Hij deed de geldzaken, wierf en runde klanten. Elders heeft [L.] verklaard dat [medeverdachte 1] de telefoontjes kreeg en het geld bij zich hield. Aan de functie van ‘rechterhand van [verdachte]’ doet niet af dat [verdachte] wel eens op [medeverdachte 1] schold. [verdachte] was immers volgens [medeverdachte 1] een opgefokt persoon. Daaraan doet evenmin af dat [medeverdachte 1], zoals hierboven aangegeven, op een gegeven moment ruzie kreeg met [verdachte] en door deze werd weggestuurd.

[medeverdachte 2] hielp klanten (omdat hij het beste Frans sprak), mixte verdovende middelen en nam het geld in ontvangst. Uit de verklaringen van [W.] en [K.] kan worden afgeleid dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] in de woning van [W.] en [K.] de verdovende middelen hebben verkocht. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zich bezig hielden met het halen van de klanten. Verderop heeft zij verklaard dat het ophalen van klanten, het controleren van runners en het transporteren van verdovende middelen gedaan werd door [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4]. [medeverdachte 5] heeft zichzelf als ‘loopjongetje’ omschreven.

De verwerking van de heroïne werd voornamelijk door [medeverdachte 4] gedaan. [medeverdachte 4] perste de heroïne tot schijven. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij de pers op het adres van [medeverdachte 4] gezien heeft en weet dat deze pers gebruikt werd voor het persen van verdovende middelen.

De taakverdeling was niet absoluut. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat iedereen van alles wat deed, zoals verdovende middelen halen en persen. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] de heroïne heeft verwerkt en geperst en dat hij hem, [medeverdachte 4], daarbij heeft geholpen.

De leidende functie van [verdachte] en de samenwerking van de groep wordt onderstreept door de verklaring van [medeverdachte 5] over het beheer van de opbrengsten. Hij heeft verklaard dat [verdachte] het geld beheert, dat het geld wordt bewaard bij [medeverdachte 4], dat [verdachte] het geld daar telde en er pakketjes van maakte en het vervolgens aan [medeverdachte 4] gaf, die het verstopte. Ook heeft [medeverdachte 5] verklaard dat het geld bij de matras van [medeverdachte 2] werd bewaard en in het nachtkastje van [medeverdachte 4]. Op 3 februari 2009 werden tijdens een doorzoeking aan de [B.straat] in Maastricht in een afvoerkanaal in de keuken van de woning van [medeverdachte 4] drie geldbedragen van totaal € 21.380,00 aangetroffen.

Op grond van de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat [verdachte] in de periode van 1 mei 2008 en met 3 februari 2009 – als leider - heeft deelgenomen aan een organisatie, waartoe verder in die periode in elk geval behoorden [medeverdachte 1] (tot 15 december 2008), [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. Deze personen vormden een duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten bestaande uit – kort gezegd – het uitvoeren en verkopen van heroïne en cocaïne.

Feit 4

Als vierde feit wordt aan [verdachte] verweten het witwassen van een [merk auto].

Op 6 september 2007 werd door de politie op de [A.C.] te Maastricht een [merk auto], met kenteken [XX-XX-XX], gecontroleerd. De auto werd bestuurd door [verdachte] en [medeverdachte 1] zat als bijrijder in de auto. Aanvankelijk heeft [verdachte] bij die controle verklaard dat hij de eigenaar was van de auto en dat de auto op zijn naam was verzekerd. Hij had het voertuig gekocht voor € 15.000,00. Op het moment dat de verbalisant aan [verdachte] meedeelde dat hij de auto in beslag zou nemen, omdat hij hem verdacht van witwassen van de auto, reageerde [medeverdachte 1] spontaan met de mededeling dat niet [verdachte], maar hij de eigenaar was van de auto en dat hij de auto voor € 15.000,00 had gekocht van zijn spaargeld. [verdachte] beaamde dit ongevraagd en vertelde dat [medeverdachte 1] net terug was uit Engeland en daar had gespaard.

[verdachte] heeft later bij de politie verklaard dat de auto niet van hem was, maar van een vriend van hem, genaamd [medeverdachte 1]. De auto was op zijn naam verzekerd omdat [medeverdachte 1] geen rijbewijs had. [medeverdachte 1] heeft de auto ergens bij een treinstation in Duitsland gekocht en contant betaald.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij de auto van een Duitse student heeft gekocht, hij meende in het centrum van Dortmund. Hij heeft er € 15.000,00 voor betaald, dat was zijn spaargeld. De auto stond niet op zijn naam omdat hij een bepaalde leeftijd moest hebben om de auto op zijn naam te mogen verzekeren.

Uit onderzoek is gebleken dat over [medeverdachte 1] geen fiscale gegevens met betrekking tot de jaren 2004, 2005 en 2006 in Nederland bekend zijn. Gegevens over spaartegoeden in Nederland ontbreken eveneens.

[G.] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op 2 februari 2007 de [merk auto] van hem heeft gekocht voor een bedrag van € 25.500,00. Daarvan is een koopovereenkomst opgesteld. Daaruit blijkt tevens dat het bedrijf waar de auto is gekocht is gevestigd in het noorden van Duitsland. De koopsom werd door [medeverdachte 1] contant betaald met reeds gebruikte bankbiljetten van € 100,00, € 50,00 en € 20,00. Het hoofdaandeel bestond uit bankbiljetten van € 50,00. Op verzoek van [medeverdachte 1] werd het kentekenbewijs per post naar zijn ‘broer’ [medeverdachte 1], [S.straat] Maastricht, Nederland, gestuurd. [medeverdachte 1] heeft later per telefoon de ontvangst van het kentekenbewijs aan [G.] bevestigd.

De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] dat de auto voor

€ 15.000,00 is gekocht, nu [G.] heeft verklaard dat er € 25.500,00 voor de auto is betaald, dit ook blijkt uit de koopovereenkomst die terzake is opgesteld en [medeverdachte 1] en [verdachte] ook geen aannemelijke verklaringen hebben gegeven voor het opvoeren van een hogere prijs in de koopovereenkomst dan die daadwerkelijk betaald zou zijn, terwijl [medeverdachte 1] ook eerst nog onjuist heeft verklaard de auto in Dortmund van een student te hebben gekocht.

Uit de aangehaalde verklaringen en bevindingen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de auto op de tenlastegelegde dag voorhanden hadden. Dat [verdachte] wist dat de auto uit misdrijf was verkregen leidt de rechtbank verder af uit de feiten dat de auto door [medeverdachte 1] met contant geld is betaald en [medeverdachte 1] en [verdachte] wisselende verklaringen over de eigendom en een legale financiering gaven, terwijl geen van die verklaringen in verband met de overige feiten aannemelijk is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat [verdachte], tezamen met een ander, op 6 september 2007 te Maastricht de personenauto van het merk [merk auto], met kenteken [XX-XX-XX] voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze auto uit enig misdrijf afkomstig was.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in het arrondissement Maastricht, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, hoeveelheden heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne, zijnde heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in het arrondissement Maastricht, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakten [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, het opzettelijk verkopen van hoeveelheden heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne en het meermalen opzettelijk voorbereiden en bevorderen van voornoemde feiten, van welke vorenomschreven organisatie hij leider was;

4.

op 6 september 2007, in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander, een personenauto (merk/type: [merk auto], kenteken: xx-xx-xx), voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven personenauto - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet

T.a.v. feit 4 primair:

medeplegen van witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van acht jaar. Daarbij heeft de officier van justitie met name rekening gehouden met de leidinggevende rol die [verdachte] binnen de criminele organisatie had, de tientallen kilo’s harddrugs die in de ten laste gelegde periode uitgevoerd moeten zijn en de enorme verdiensten die dat met zich mee heeft gebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat de inwoners van de regio Zuid-Limburg en van Maastricht meer dan gemiddeld ongewild geconfronteerd worden met de gevolgen van deze handel in verdovende middelen. Gevolgen die zich onder meer uiten in de vorm van overlast van dealers en gebruikers op straat en/of in panden, verkeersgevaarlijk rijgedrag van drugsrunners en algehele gevoelens van onveiligheid.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf veel te hoog is en heeft daarbij verwezen naar andere (hard)drugszaken uit den lande, die met veel minder straf zijn afgedaan. Hij heeft aangevoerd dat het enkele feit dat de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden in Zuid-Limburg geen strafverzwarende werking mag hebben, nu dat zou betekenen dat iemand die in Zuid-Limburg de Opiumwet overtreedt zwaarder bestraft wordt dan iemand die dat elders in Nederland doet. De strafeis zou naar zijn mening minimaal gehalveerd dienen te worden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van het hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van [verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met het feit dat de bewezenverklaarde feiten een zekere overlap kennen.

[verdachte] heeft gedurende negen maanden een organisatie geleid die zich op grote schaal vanaf de inkoop, via de bewerking tot en met de verkoop bezig hield met de handel in heroïne en cocaïne. Deze drugs werden met name aan Franse klanten verkocht.

[verdachte] was de leider van de organisatie. Het geld dat met de drugshandel werd verdiend, werd door de leden van de organisatie afgedragen aan [verdachte]. Hij telde en beheerde het geld en zorgde ervoor dat dit, voor zover het niet direct nodig was om nieuwe drugs mee in te kopen, in het huis van één van de leden van de organisatie in Maastricht werd verborgen.

Daarnaast heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan witwassen door van met drugshandel verdiend geld, samen met een medeverdachte, een auto te kopen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Dat geldt in het bijzonder voor de regio

Zuid-Limburg/Maastricht. Als gevolg van de geografische ligging tussen België en Duitsland, is deze regio gemakkelijk bereikbaar voor afnemers van (hard)drugs uit het buitenland die hun verdovende middelen in groten getale in Nederland voor een lagere prijs kunnen krijgen dan in eigen land. Die ontwikkeling dient met kracht te worden bestreden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank dan ook van oordeel dat bij de op te leggen straf rekening mag worden gehouden met de specifieke problematiek die de georganiseerde harddrugshandel in de regio Zuid-Limburg/Maastricht met zich brengt. De algemeen preventieve werking van een straf is immers ook een doel dat met een strafoplegging gediend kan worden.

Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf wordt in dit soort zaken doorgaans aansluiting gezocht bij de zogeheten landelijke oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Gelet op het feit dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel drugs door [verdachte] en zijn mededaders zijn uitgevoerd in de bewezen verklaarde periode, zijn deze oriëntatiepunten in dit geval niet 1-op-1 bruikbaar. Gelet op de aangetroffen hoeveelheden drugs bij de verschillende Franse kopers die in het dossier figureren, de hoeveelheden drugs die standaard per schijf geperst werden, de intensieve telefonische contacten met Franse kopers, alleen al in de maanden januari en februari 2009 en de verklaringen van onder meer [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] over de verhandelde hoeveelheden, gaat de rechtbank er evenwel vanuit dat in de bewezenverklaarde periode van 9 maanden in ieder geval meer dan 20 kilo heroïne en/of cocaïne is verhandeld, zijnde de hoogste categorie in de oriëntatiepunten voor in- en uitvoer van harddrugs. Het oriëntatiepunt voor deze hoeveelheid is in de organisatievariant, waarvan hier sprake is, een gevangenisstraf van 72 maanden (6 jaar) en hoger.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op min of meer vergelijkbare zaken, waarin sprake was van uitvoer van harddrugs, gedurende een langere periode door een criminele organisatie, gepleegd in de regio Zuid-Limburg/Maastricht. Afgezien van de door de raadsman overgelegde zaak van de rechtbank Utrecht (16/710918-09), waarin een gevangenisstraf van 30 maanden werd opgelegd, worden in dergelijke zaken doorgaans gevangenisstraffen tot vijf jaar opgelegd.

De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] geen aanleiding om van deze lijn af te wijken.

De Reclassering heeft in een rapport van 12 mei 2009 haar zorgen geuit over de toekomstperspectieven van [verdachte] en zich afgevraagd hoe hij zijn leven weer op de rails zou moeten krijgen. [verdachte] wordt in het rapport omschreven als een persoon met weinig normbesef en zonder reële toekomstplanning. Die omschrijving komt overeen met het beeld dat de rechtbank van [verdachte] ter zitting heeft verkregen. Desgevraagd heeft [verdachte] ter zitting slechts in zeer algemene zin aan kunnen geven wat zijn toekomstplannen zijn.

Daarbij wordt naast al hetgeen hiervoor is overwogen, in het bijzonder rekening gehouden met de leidinggevende rol van de verdachte in de organisatie.

Ten faveure van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest wegens overtreding van de Opiumwet.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar passend is.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen GSM verbeurd te verklaren omdat deze gebruikt is bij de handel in drugs.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

De in beslag genomen GSM is vatbaar voor verbeurdverklaring. Dit voorwerp is onder [verdachte] in beslaggenomen. [verdachte] heeft tevens verklaard dat de GSM aan hem toebehoort.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat met behulp van de GSM het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van feit 3 nietig;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart [verdachte] strafbaar;

Straffen

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 oktober 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad, hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, te weten het meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, in elk geval het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden of een hoeveelheid MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of het meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk voorbereiden en/of bevorderen van voornoemd(e) feit(en), van welke vorenomschreven organisatie hij, verdachte, leider en/of bestuurder was;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte toen aldaar meermalen (telkens) opzettelijk ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van ((een) hoeveelhei(i)d(en)) geld gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat dat/die hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3

februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement

Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of

een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) ((een)

hoeveelhe(i)d(en)) geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of heeft omgezet, althans van ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld,

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat die

hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3

februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement

Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of

een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) ((een)

hoeveelhe(i)d(en)) geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft

overgedragen en/of heeft omgezet, althans van ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld,

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) redelijkerwijs moest

vermoeden dat die hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij, verdachte, op of omstreeks 6 september 2007, in de gemeente Maastricht,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, een (personen)auto (merk/type: [merk auto], kenteken:

xx-xx-xx), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een (personen)auto (merk/type:

[merk auto], kenteken: xx-xx-xx), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij,

verdachte, wist dat bovenomschreven (personen)auto - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 6 september 2007, in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een (personen)auto (merk/type: [merk auto], kenteken: xx-xx-xx), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van een (personen)auto (merk/type: [merk auto], kenteken xx-xx-xx) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven (personen)auto - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;