Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO3553

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
145831 / FA RK 09-1582 en 146531 / FA RK 09-1724
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ8922, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek BJZ om vervangende toestemming ex art. 1: 336a lid 2 BW tot wijziging in het verblijf van de minderjarige na inroeping van het blokkaderecht door de pleegouders. Verzoek pleegmoeder in plaats van BJZ te benoemen tot voogdes.

Onder verwijzing naar HR 10 maart 1989, NJ 1990, 24 neemt de rechtbank bij de toepassing van art. 1: 299a BW tot uitgangspunt het belang van de pleegkinderen bij een redelijke waarborging van de continuïteit van hun verblijf in het pleeggezin waar zij zich geborgen weten. De rechtbank deelt mening raad en BJZ dat de relatie tussen BJZ en de pleegzorg enerzijds, en de pleegouders anderzijds onwerkbaar is geworden. De rechtbank verwacht dat strijd zal blijven voortduren als, zoals de raad heeft geadviseerd, BJZ het gezag behoudt én [minderjarige] in het pleegezin blijft. De rechtbank is van oordeel dat ter beëindiging van machtsstrijd en met het oog op de belangen van minderjarige de beste oplossing is de pleegmoeder te belasten met de voogdij. Stelling raad en BJZ dat pleegmoeder te weinig pedagogisch inzicht heeft onvoldoende onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 299a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 336a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/40
RFR 2011/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 3 november 2010

Zaaknummers: 145831 / FA RK 09-1582 en 146531 / FA RK 09-1724

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

zaaknummer 145831 / FA RK 09-1582

DE STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

verder te noemen: BJZ,

gevestigd te Roermond,

verzoekster,

en:

[pleegouder 1]

en

[pleegouder 2],

beiden wonende te [woonplaats],

wederpartij, verder te noemen: de pleegouders,

advocaat mr. R.L.J. Reijnen,

en

zaaknummer 146531 / FA RK 09-1724

[pleegouder 1]

en

[pleegouder 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers, verder te noemen: de pleegouders,

advocaat mr. R.L.J. Reijnen,

en

DE STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

verder te noemen: BJZ,

gevestigd te Roermond,

wederpartij.

Als belanghebbenden worden voorts aangemerkt:

[de moeder],

verder te noemen: de moeder,

en

[de vader],

verder te noemen: de vader,

advocaat mr. F.E.H.M. van Aken.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook de beschikking van deze rechtbank van

22 februari 2010.

1. Verder verloop van de procedure

De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft op

7 juli 2010 een rapport uitgebracht.

BJZ heeft gereageerd bij brieven van 5 augustus 2010 en 18 augustus 2010.

De advocaat heeft namens de pleegouders bij schrijven van 27 augustus 2010 gereageerd op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en op de reactie van BJZ.

De advocaat van de pleegouders heeft op 17 september 2010 een brief van [de minderjarige] overgelegd.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 21 september 2010.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De medewerkers van Xonar, [M] en [W], zijn, alhoewel behoorlijk opgeroepen, evenmin verschenen.

2. Verdere beoordeling:

De rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2010 bepaald dat de behandeling van het verzoek onder zaaknummer 146531 zal worden voortgezet nadat in de zaak onder zaaknummer 145831 bij gewijsde is beslist. Gelet op artikel 1:299a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en op hetgeen daarover sub 4 van voormelde beschikking is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat in het dictum van die beschikking bedoeld is te bepalen dat de behandeling van het verzoek onder zaaknummer 145831 zal worden voortgezet nadat in gewijsde zal zijn beslist onder zaaknummer 146531.

Hoewel in voormelde beschikking daarover anders is bepaald, heeft de rechtbank ter zitting van 21 september 2010 toch beide verzoeken inhoudelijk behandeld, mede gelet op de brief van 11 januari 2010 waarin BJZ aangeeft niet akkoord te zijn met wijziging van de voogdij en voor de onderbouwing van het verweer verwijst naar de rapportage behorende bij het verzoek ex artikel 1: 336a BW.

De rechtbank overweegt dat beide verzoeken zozeer met elkaar verweven zijn dat gescheiden behandeling geen recht zou doen aan alle belangen, waaronder het belang van [de minderjarige].

Op grond van artikel 299a BW zal wel de beslissing in zaaknummer 145831 worden aangehouden totdat in gewijsde zal zijn beslist in zaaknummer 146531.

Zaaknummer 146531 verzoekschrift benoeming/wijziging voogdij

In zijn rapport van 7 juli 2010 adviseert de raad om het verzoek van de pleegouders af te wijzen, omdat het in het belang van [de minderjarige] niet wenselijk is dat de pleegmoeder wordt belast met de voogdij over hem. Volgens de raad komt het verzoek van pleegouders voort uit een negatieve motivatie van pleegmoeder, die wijziging van de voogdij ziet als een mogelijkheid om de moeizame samenwerking met BJZ te beëindigen. Volgens de raad beschikt de pleegmoeder over onvoldoende pedagogische inzichten om zelfstandig de belangen van [de minderjarige] te waarborgen, waardoor zij niet altijd in staat is om adequaat in te spelen op de behoeften van [de minderjarige]. Volgens de raad blijft daarom hulp van derden geïndiceerd.

De raad adviseert om de samenwerkingsrelatie tussen de pleegouders en BJZ te herstellen. Daarnaast stelt de raad dat de pleegouders de begeleiding van pleegzorg en pedagogische hulpverlening dienen te accepteren. Ten slotte adviseert de raad om de omgang tussen [de minderjarige] en de vader uit te breiden middels begeleide contacten, waarbij pleegouders en vader samen aanwezig zijn.

Ter zitting heeft de raad nog nader gesteld dat er sprake is van complexe problematiek bij [de minderjarige] en dat de pleegouders te weinig inzicht hebben om zaken adequaat te regelen. Desgevraagd heeft de raad aangegeven dat hij tot deze stelling komt op basis van contacten met informanten.

Namens de pleegouders heeft de advocaat nader aangevoerd dat de pleegouders erkennen dat de hulp stroef loopt, maar dat zij wel bereid zijn daaraan te werken. Zij hebben de hulp van psycholoog [V.D.] ingeroepen om te helpen bij de opvoeding en om de hulpverlening van BJZ te bevorderen. [V.D.] is aanwezig bij de besprekingen en legt aan pleegouders uit wat tijdens deze besprekingen wordt gezegd. De pleegouders erkennen dat [de minderjarige] hechtingsproblematiek heeft. Het verzoek tot wijziging van de voogdij is gedaan nadat BJZ had besloten [de minderjarige] uit het pleeggezin weg te halen. Op dat moment waren vader en de pleegouders het erover eens dat [de minderjarige] niet naar een ander pleeggezin zou moeten gaan.

De pleegvader heeft gesteld dat hij aan Xonar (pleegzorg) heeft aangegeven dat hij en pleegmoeder van hun beide pleegkinderen houden. Xonar legt dan, aldus pleegvader, de link dat hij en pleegmoeder de pleegkinderen zien als eigen zonen; daarom hebben zij de STAPcursus een tweede keer moeten volgen. De pleegvader stelt echter dat hij begrijpt dat zij slechts pleeggezin zijn. Zij hebben niets tegen een uitbreiding van de omgang tussen [de minderjarige] en zijn vader. Volgens beide pleegouders zijn de contacten tussen hen en de vader altijd goed geweest.

De pleegouders stellen dat zij en niet BJZ ervoor gezorgd hebben dat er hulp kwam voor [de minderjarige]; zíj hebben Amacura ingeschakeld en zíj hebben de ergotherapie geregeld. Zij hebben in overleg met de huisarts ook PGB willen aanvragen om zorg in te kopen voor [de minderjarige], maar de voogdes heeft hen toen verweten dat zij dit hadden willen doen achter haar rug om.

De pleegmoeder geeft aan dat het nu goed gaat met [de minderjarige].

Namens de vader heeft de advocaat gesteld dat voogdijwijziging niet in het belang van [de minderjarige] is. Vader wil het gezag graag terug. Als nu voogdijwijziging plaatsvindt, wordt de weg voor vader om het gezag terug te krijgen wel heel lang. Vader wil dat [de minderjarige] verplaatst wordt naar het pleeggezin van zijn zusje. Het verzoek van de pleegouders dient te worden afgewezen. Als [de minderjarige] nog langer bij de pleegouders blijft, zouden de problemen uitgebreid kunnen worden en daardoor komt dan de opbouwfase van de omgang bij vader in gevaar. Vader staat open voor alle hulpverlening. de huidige pleegouders kunnen [de minderjarige] alleen aan met heel veel hulp. Vader heeft er weinig vertrouwen in dat de pleegouders hem respecteren.

Namens BJZ heeft mevrouw [K] gesteld dat het voor haar volstrekt onmogelijk is om haar taak als voogdes nog uit te oefenen. Volgens mevrouw [K] is in het verleden op alle door de raad genoemde werkpunten geprobeerd hulp te bieden, maar dat is niet gelukt. Meerdere pleegzorgwerkers hebben geprobeerd hulp te bieden en adviezen te geven, aan pleegouders is uitgelegd dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit, maar het wordt door de pleegouders niet geaccepteerd. Volgens pleegouders is er met [de minderjarige] niets aan de hand. Door de pleegouders wordt het onderzoek van Amacura terzijde geschoven.

Mevrouw [K] stelt verder dat zij hard moet zwoegen om bij pleegouders duidelijk te krijgen wat wel en niet kan.

Volgens mevrouw [K] hebben de pleegouders de heer [V.D.] gevraagd de communicatie tussen pleegouders en de hulpverlening te verbeteren. Die hulp werkt averechts. Tijdens gesprekken komen de pleegouders niet meer aan het woord, maar voert alleen de heer [V.D.] nog het woord. Mevrouw [K] stelt dat zij onvoldoende zicht krijgt op de ontwikkeling van [de minderjarige] omdat zij geen huisbezoek kan afleggen. De deur wordt niet opengedaan.

Desgevraagd stelt de heer [B] namens BJZ dat met de pleegouders overleg is geweest over de opvoedkwaliteiten en dat dit heeft geleid tot het opnieuw volgen van de STAPcursus. Vervolgens heeft Xonar aangegeven dat het niet ging lukken met deze pleegouders en daarna is de strijd verhard. Het MDObesluit is niet lichtvaardig genomen; er is veel aan voorafgegaan.

Desgevraagd stelt mevrouw [G] namens BJZ dat op aangeven van de voogdes en de pleegzorg werd gezien dat het niet goed ging in het pleeggezin. Er is veel geprobeerd in te zetten, maar het is niet gelukt; er kwam geen verbetering.

De rechtbank is van oordeel dat het door de pleegouders gedane verzoek aan de vereisten van artikel 1:299a lid 1 en lid 2 BW voldoet: de pleegouders hebben met instemming van BJZ, de huidige voogdes, de minderjarige [de minderjarige] ten minste een jaar verzorgd en opgevoed anders dan in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel én zij hebben het verzoek gezamenlijk ingediend.

Op grond van het vierde lid van voornoemd artikel 299a wordt het verzoek slechts ingewilligd als dit in het belang van de minderjarige wordt geacht en als genoegzaam is gebleken dat BJZ niet bereid is zich uit de bediening te doen ontslaan. Uit de brief van 11 januari 2010 van BJZ en uit het door BJZ gedane verzoek om vervangende toestemming te krijgen om wijziging in het verblijf van [de minderjarige] te brengen, leidt de rechtbank af dat BJZ niet bereid is zich uit de bediening te doen ontslaan.

De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of het in het belang van [de minderjarige] is dat de pleegmoeder, die tot het gezag bevoegd is, wordt benoemd tot voogdes.

De rechtbank stelt voorop dat tussen de pleegouders en [de minderjarige] gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaat. Zoals blijkt uit – onder meer – de uitspraak van de Hoge Raad van 10 maart 1989, NJ 1990, 24) dient zulks bij de uitleg van de Wet van 7 juni 1978, Stb. 303, waarbij artikel 1: 299a BW is ingevoegd, mede in aanmerking te worden genomen in dier voege dat de op grond van deze wet mogelijke inbreuken op het gezinsleven moeten worden gezien als een inmenging in de zin van het tweede lid artikel 8 EVRM, die dient te blijven binnen de grenzen van hetgeen dit lid toelaat. De voormelde wet berust blijkens haar parlementaire geschiedenis op een afweging van belangen, waarbij voorop heeft gestaan het belang van de pleegkinderen bij een redelijke waarborging van de continuïteit van hun verblijf in het pleeggezin waar zij zich geborgen weten.

Gelet op dit uitgangspunt kunnen de pleegouders zich met succes op artikel 1:299a BW beroepen als voldoende aannemelijk is dat [de minderjarige] zich geborgen weet in het pleeggezin en hij belang heeft bij een redelijke waarborging van de continuïteit van het verblijf bij zijn pleegouders.

De rechtbank overweegt als volgt.

[de minderjarige] verblijft sinds eind 2003 bij de huidige pleegouders. Bij beschikking van 15 september 2008 zijn beide ouders ontheven van het gezag en is BJZ benoemd tot voogdes over [de minderjarige]. In de ontheffingsprocedure heeft de raad, mede op basis van informatie van BJZ, aangevoerd dat [de minderjarige] behoefte heeft aan veiligheid, duidelijkheid, stabiliteit en rust en dat hij dit krijgt in het pleeggezin.

Uit de stukken is gebleken dat [de minderjarige] in de periode na september 2008 zowel op school als thuis problemen kreeg. Op initiatief van de pleegouders en in overleg met BJZ is, zo blijkt uit de stukken, aan Amacura gevraagd [de minderjarige] te onderzoeken en advies uit te brengen. Amacura heeft dit advies in augustus 2009 uitgebracht. Eind juli 2009 echter werd, nadat Xonar pleegzorg had aangegeven dat pleegouders niet voldeden aan de criteria gesteld in het pleegzorgcontract, tijdens een MDO door BJZ besloten dat gezocht zou gaan worden naar een andere woonplek voor [de minderjarige]. In oktober 2009 is dit besluit formeel aan de pleegouders medegedeeld door BJZ.

De rechtbank stelt vast dat in elk geval de raad nog in het najaar van 2008 van mening was dat [de minderjarige] voldoende veiligheid, duidelijkheid, stabiliteit en rust in het pleeggezin had en dat hij dus in die periode nog gebaat was bij de continuïteit van het verblijf bij zijn pleegouders. Mede gelet op de betrekkelijk korte tijdspanne gelegen tussen deze mening van de raad en de beslissing van BJZ van eind juli 2009 om [de minderjarige] naar een ander pleeggezin te verplaatsen, mag van BJZ een zo concreet mogelijke onderbouwing worden verwacht van de volgens haar plotseling opgekomen noodzaak om tot de genoemde maatregel over te gaan.

Ter zitting heeft de rechtbank BJZ de gelegenheid gegeven toe te lichten wat er in de periode tussen september 2008 en juli 2009 is gebeurd en waarom de pleegouders niet meer geschikt werden geacht. BJZ heeft niet kunnen aangeven op grond waarvan de beslissing tot overplaatsing van [de minderjarige] is genomen, anders dan door te verwijzen naar de informatie van de pleegzorgwerker, namelijk dat in het gezin niet bereikt werd wat moest worden bereikt, dat de pleegmoeder moeilijker te bereiken was en dat praktische dingen afketsten omdat het als een aanval werd gezien.

De rechtbank is door deze antwoorden niet overtuigd geraakt van de noodzaak van de beslissing om [de minderjarige] weg te halen uit het pleeggezin.

Van een concrete onderbouwing van de noodzaak tot verplaatsing van [de minderjarige] is de rechtbank des te minder gebleken, omdat BJZ de uitslag van het Amacura-onderzoek niet heeft afgewacht, maar al vóór die uitslag besloten heeft om [de minderjarige] uit het pleeggezin weg te halen.

Verder bevreemdt het de rechtbank dat BJZ, zoals uit de rapportage blijkt, enerzijds met de pleegouders had afgesproken om de STAP-cursus in september 2009 te evalueren, maar anderzijds al in juli 2009 had besloten om [de minderjarige] bij pleegouders weg te halen. De pleegouders lijken hiermee geen eerlijke kans te hebben gehad de twijfel van BJZ weg te nemen.

Zowel de raad als BJZ als ook de pleegouders beschouwen de relatie tussen BJZ (/ Xonar pleegzorg) en de pleegouders als onwerkbaar en als strijd. De rechtbank, gelet op alle gebeurtenissen, deelt deze mening van de raad, BJZ en de pleegouders. De strijd wordt ook via procedures gevoerd:

- klacht van de pleegouders tegen BJZ (eind juni 2009) omdat BJZ zou hebben gezegd dat [de minderjarige] en het andere pleegkind zouden worden weggehaald en in een internaat zouden worden geplaatst;

-verzoek van BJZ op grond van artikel 336a BW (november 2009)

-verzoek van pleegouders op grond van artikel 299a BW (december 2009)

-opzegging pleegzorgcontract door Xonar Pleegzorg ( augustus 2010).

Met betrekking tot de vraag welke betekenis aan de conflictueuze verstandhouding tussen de pleegouders en BJZ / Xonar pleegzorg moet worden gehecht bij de beoordeling van de vraag of [de minderjarige] belang heeft bij continuering van zijn verblijf bij de pleegouders overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat er als gevolg van deze strijd al maanden geen of nauwelijks contact is tussen BJZ, die het gezag heeft over [de minderjarige], en de pleegouders bij wie [de minderjarige] woont.

Als gevolg van deze strijd worden zaken die voor de ontwikkeling van [de minderjarige] noodzakelijk zijn niet opgepakt: uit de raadsrapportage en uit de voogdijrapportage blijkt dat in het Amacurarapport van augustus 2009 is geadviseerd dat na een jaar een hernieuwd neuro-psychologisch onderzoek zou moeten volgen, dat speltherapie zou moeten worden gestart, dat verdere diagnostiek zou moeten plaatsvinden en dat een PPG/PGB voor begeleiding in het gezin en

opvoedingsondersteuning aangevraagd zou moeten worden. Desgevraagd is ter zitting van 21 september 2010 door mevrouw [K] namens BJZ gesteld dat dit alles niet is gebeurd. BJZ wilde eerste de beslissing van de rechtbank afwachten.

De rechtbank acht deze gang van zaken niet in het belang van [de minderjarige].

Van BJZ als voogdes mag verwacht worden dat, ondanks communicatieproblemen, uitvoering wordt gegeven aan de door Amacura gegeven adviezen. Dat heeft BJZ niet gedaan en daarmee heeft zij het belang van [de minderjarige] niet gediend.

De rechtbank is van oordeel dat de strijd tussen BJZ en de pleegouders schadelijk is voor [de minderjarige] en daarom zo spoedig mogelijk moet worden gestaakt. In het kader van deze verzoekprocedure is dan ook van belang de vraag te beantwoorden of de genoemde conflicten tussen de pleegouders en BJZ van dien aard zijn dat zij in de weg staan aan het, gelet op voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, voorop te stellen belang van [de minderjarige] bij continuïteit in het pleeggezin.

De raad stelt in zijn rapport dat BJZ het gezag dient te behouden, dat de samenwerkingsrelatie tussen de pleegouders en BJZ hersteld dient te worden en dat [de minderjarige] in het pleeggezin dient te blijven. BJZ heeft in haar reactie van 6 juli 2010 en ter zitting van 21 september 2010 duidelijk gemaakt dat zij als voogdes van mening blijft dat de verblijfplaats van [de minderjarige] dient te veranderen en dat het volstrekt onmogelijk is de taak van voogdes uit te oefenen als [de minderjarige] in het huidige pleeggezin blijft. BJZ heeft ook nog gewezen op het feit dat Xonar het pleegzorgcontract heeft opgezegd. Gelet op deze houding van BJZ verwacht de rechtbank dat bovengenoemde strijd blijft voortduren als, zoals de raad adviseert, BJZ het gezag behoudt én [de minderjarige] in het pleeggezin blijft.

De rechtbank hecht geen gewicht aan het argument dat Xonar het pleegcontract met de pleegouders inmiddels heeft opgezegd. Door aldus te handelen heeft Xonar de pleegouders voor een voldongen feit gesteld en bovendien in strijd met haar publieke taak gehandeld.

Alles overwegende oordeelt de rechtbank dat ter beëindiging van de machtsstrijd tussen BJZ en Xonar pleegzorg enerzijds en de pleegouders anderzijds thans de beste oplossing, met het oog op de belangen van [de minderjarige], zal zijn om de pleegmoeder te belasten met de voogdij.

Anders dan de raad acht de rechtbank de pleegmoeder wel in staat om de belangen van [de minderjarige] adequaat te behartigen. De pleegmoeder heeft, anders dan BJZ, de adviezen van Amacura wel opgevolgd, voor zover dat in haar macht lag. Zo heeft zij de ergotherapie geregeld en heeft zij zich ingespannen om een PGB aan te vragen, maar door miscommunicatie van BJZ is dit laatste niet gelukt. Ook heeft de pleegmoeder hulp van de heer [V.D.] ingeroepen bij de opvoeding van [de minderjarige]. Daarmee heeft zij laten zien dat zij wel inziet dat [de minderjarige] hulp nodig heeft. Het feit dat BJZ en de raad de heer [V.D.] als hulpverlener afkeuren, maakt nog niet dat gesteld kan worden dat pleegmoeder geen hulp accepteert.

De raad heeft de rechtbank niet ervan kunnen overtuigen dat pleegmoeder te weinig pedagogisch inzicht heeft. De raad heeft niet zelf onderzoek gedaan naar de opvoedingssituatie bij [de minderjarige] thuis, maar heeft ten aanzien van de pedagogische mogelijkheden van pleegmoeder volstaan met een persoonlijk contact en een telefonisch contact met twee informanten van Xonar namelijk de heer [W] en mevrouw [H]. Deze pleegzorgwerkers zijn hun werkzaamheden in het pleeggezin pas gestart respectievelijk in oktober 2009 en april 2010. Toen hadden Xonar en BJZ al besloten dat [de minderjarige] uit het pleeggezin zou worden gehaald. Het had op de weg van de raad gelegen om te informeren bij de pleegzorgwerker die vóór juli 2009 in het pleeggezin werkzaam was, zeker gezien het feit dat de raad in zijn rapport van april 2008 in de ontheffingsprocedure nog heeft geconcludeerd dat het pleeggezin aan [de minderjarige] stabiliteit, duidelijkheid, veiligheid en rust gaf.

De rechtbank betrekt ook het verweer van de vader in de oordeelsvorming. Het verweer van vader is ingegeven door zijn eigen belang, namelijk uitbreiding van de omgangsregeling en het op termijn terugkrijgen van het gezag over [de minderjarige]. Dit belang van vader kan als zodanig echter geen grond zijn voor toe-of afwijzing van het verzoek van pleegouders.

De rechtbank gaat uit van de bij beschikking van 15 september 2008 vastgestelde onmacht van vader om [de minderjarige] op te voeden en te verzorgen. De rechtbank overweegt voorts dat uit niets blijkt dat pleegmoeder het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader tegenwerkt. Ook in de afgelopen maanden, waarin de strijd tussen BJZ en pleegouders voortduurde, heeft pleegmoeder [de minderjarige] naar zijn vader laten gaan. De rechtbank benadrukt ook het belang van een goede omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader en neemt aan dat de pleegmoeder de huidige omgangsregeling van eenmaal per maand in ieder geval zal blijven uitvoeren.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [de minderjarige] zich geborgen weet in het pleeggezin en dat hij belang heeft bij continuïteit van zijn verblijf bij de pleegouders.

Het verzoek tot voogdijwijziging zal dan ook worden toegewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek van de pleegouders toe, wijzigt de beschikking van 15 september 2008 en bepaalt dat [pleegouder 2] de voogdij zal uitoefenen over voornoemde minderjarige [de minderjarige], geboren te [geboortegegevens].

Houdt de beslissing in zaaknummer 145831 aan totdat in gewijsde zal zijn beslist op zaaknummer 146531.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.A.E. Cornuit, voorzitter, mr. R.E. Bakker en mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2010 door mr. W.M.A.E. Cornuit voornoemd, in tegenwoordigheid van de griffier.

LF

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de

beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.