Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO3399

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-11-2010
Datum publicatie
10-11-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 1221
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het kader van de Wmo is verzocht om (een bevestigingssysteem voor) een kinderzitje voor een scootmobiel. Aanvraagster moet de mogelijkheid hebben om zich tezamen met haar kind te kunnen verplaatsen teneinde op aanvaardbare wijze te kunnen deelnemen aan het leven van alledag. Het daarbij steeds afhankelijk stellen van anderen vormt een belemmering voor haar zelfstandig functioneren en haar deelname aan het maatschappelijk verkeer. Verweerder heeft niet aan zijn zorgplicht voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 1221

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres],

wonend te Maastricht, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 7 juli 2010

Kenmerk: 100022287

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 8 oktober 2010 plaatsgehad. Ter zitting is eiseres in persoon verschenen bijgestaan door P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door P. Kalmar, werkzaam bij de gemeente Maastricht. Eiseres heeft als getuigen meegebracht I. Barkhuysen, psychologe Integrale Zorg Mondriaan Zorggroep, en W. Maens, medewerkster stichting MEE.

2. Overwegingen

Eiseres beschikt over een vervoersvoorziening in de vorm van deelname aan het collectief vervoer “Vervoer op maat” en, in aanvulling daarop, over een scootmobiel, die aan vervanging toe is. Eiseres heeft verzocht om een aanpassing van haar scootmobiel in de vorm van (een bevestigingssysteem voor) een kinderzitje, welke in eerste instantie van de zijde van de gemeente mondeling is toegezegd.

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft verweerder de toekenning ingetrokken en aan eiseres een nieuwe scootmobiel zonder kinderzitje toegekend.

Bij het in de aanhef vermelde besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de intrekking gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college ingevolge het tweede lid rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de Wmo heeft de gemeenteraad van de gemeente Maastricht de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 Gemeente Maastricht (hierna: Verordening) vastgesteld.

Krachtens artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Krachtens artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening wordt geen voorziening toegekend indien deze niet noodzakelijk is vanwege redelijkerwijs van de aanvrager zelf of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden of huisgenoten, te vergen medewerking aan een oplossing voor het zich voordoende probleem.

Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ondersteuningsbehoevende afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Blijkens de stukken is eiseres halfzijdig verlamd. Er is sprake van chronische orthopedische en neurologische aandoeningen met psychosociale componenten. Voor de lange afstanden kan eiseres gebruik maken van Vervoer op maat, waarmee zij van deur tot deur of van deur tot afspreekpunten en omgekeerd kan reizen. Voor de korte afstanden is zij aangewezen op een scootmobiel. Eiseres woont samen met haar echtgenote. De echtgenote werkt fulltime in ploegendienst. In mei 2009 is eiseres bevallen van hun eerste kind. Eiseres heeft, ruim voor de bevalling, verzocht om een aangepaste scootmobiel. Dit teneinde zich mét haar kind in de directe woonomgeving zelfstandig buitenshuis te kunnen verplaatsen voor sociale doeleinden, zoals het doen van kleine boodschappen en het eenvoudigweg buiten zijn.

In het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 4 december 1998 (LJN AA8703) onder het in aanvaardbare mate deelnemen aan het leven van alledag van een gehandicapte met een uiterst beperkte mobiliteit in beginsel mede gerekend de vervoersbehoefte, die voortspruit uit zorgtaken ten behoeve van de kinderen in relatie tot de bijdragen die daarin van de - in die zaak: niet buitenshuis werkende - echtgenote dan wel van andere daartoe in redelijkheid in aanmerking komende betrokkenen mag worden gevergd. De rechtbank is niet gebleken dat de Raad onder de Wmo hierover anders oordeelt.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres op grond van de bestaande vervoersvoorzieningen in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alledag, daarbij in aanmerking nemende dat van eiseres verwacht mag worden dat zij haar eigen verantwoordelijkheid en het zelfoplossend vermogen van het gezin maximaal benut om haar (individuele) vervoersbehoefte op een sobere wijze in te vullen. Verweerder stelt dat van de echtgenote mag worden verwacht dat zij (ook) voor het kind zorgt en de boodschappen doet en dat Vervoer op maat de aangewezen voorziening is voor de overige activiteiten.

De rechtbank constateert dat verweerder geen (zorgvuldig) onderzoek heeft ingesteld naar de relevante feiten en omstandigheden, waarvoor verweerder wel op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) diende zorg te dragen. Zo heeft verweerder niet onderzocht of eiseres inderdaad hulp heeft of kan krijgen van vrienden, familie of buren. Nu eiseres in bezwaar heeft gesteld dat zij geen oppas heeft voor haar kind en niet kan terugvallen op familie, neemt de rechtbank het gestelde als vaststaand aan.

Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder dat (de zorg voor) het kind niet los kan worden gezien van eiseres. Gezien het feit dat de echtgenote fulltime werkt en het kind niet alleen thuis kan blijven, moet eiseres zich tezamen met haar kind kunnen verplaatsen (althans zolang het kind zich niet zelfstandig kan verplaatsen) teneinde op aanvaardbare wijze te kunnen deelnemen aan het leven van alledag. Het haar daarbij steeds afhankelijk stellen van anderen, zoals verweerder doet, vormt een belemmering voor haar zelfstandig functioneren en haar deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat de zorg voor een minderjarig kind ook een maatschappelijke functie heeft. Dit betekent dat, ook op de momenten dat de echtgenote zou kunnen voorzien in de opvang van het kind, eiseres toch de mogelijkheid moet hebben om tezamen met haar kind dingen te kunnen ondernemen. Dit klemt temeer nu aannemelijk is dat het welbevinden van eiseres hierbij is gebaat. Ook hier geldt dat eiseres bij die activiteiten niet steeds afhankelijk dient te worden gesteld van haar echtgenote.

Het collectief vervoer, waarbij eiseres haar kind wel kan meenemen, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het feit dat die voorziening niet terstond maar slechts na bestelling en een aanrijdtijd beschikbaar is, niet geschikt om zich met een kind op (zeer) korte afstanden te verplaatsen en levert derhalve geen voldoende bijdrage aan de zelfredzaamheid van eiseres. Daarbij staat ook niet ter discussie dat eiseres voor een scootmobiel sec in aanmerking komt.

De rechtbank concludeert dat verweerder niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Verweerder dient immers zodanige voorzieningen te treffen dat de deelname van eiseres aan het maatschappelijk verkeer en haar zelfstandig functioneren wordt bevorderd c.q. behouden. Het collectief vervoer in combinatie met een scootmobiel zonder (de mogelijkheid van een) kinderzitje zijn geen voorzieningen die de vervoersbeperkingen van eiseres voldoende compenseren. Alleen een scootmobiel met een kinderzitje is voor eiseres een adequate vervoersvoorziening voor de korte afstand. Gelet hierop kan daargelaten worden of eiseres een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Bij het primaire besluit is aan eiseres een nieuwe scootmobiel toegekend, welke in huur zou worden verstrekt door de Firma Welzorg. Blijkens het verslag van de hoorzitting was Welzorg destijds van mening dat het aanbrengen van een kinderzitje op dit type scootmobiel niet mogelijk c.q. veilig was. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven, dat dit oordeel van Welzorg niet heeft meegespeeld bij de besluitvorming. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld, dat Welzorg het wel verantwoord en mogelijk acht om een kinderzitje aan te brengen op een zwaarder type scootmobiel dan het model dat eiseres was toegekend. Verweerder heeft ter zitting hiertegen niets ingebracht.

De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorzien in de zaak, de bezwaren van eiseres gegrond verklaren en bepalen dat verweerder aan eiseres - met inwisseling van de eventueel reeds verstrekte scootmobiel en voor zolang noodzakelijk - een daartoe geschikte scootmobiel met een bevestigingssysteem voor een kinderzitje en - indien het model kinderzitje niet algemeen gebruikelijk is - inclusief kinderzitje in bruikleen dient te verstrekken.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-.

3. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 874,-, te vergoeden aan eiseres;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- vergoedt.

Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels, rechter, in tegenwoordigheid van I.H.J. van Neer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2010.

w.g. I. van Neer w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 8 november 2010

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.