Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO3266

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
03-700075-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Ramo'. Verdachte is veroordeeld voor drugsrunnen, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700075-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

verblijvende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 19 mei 2009, 14 augustus 2009, 10 november 2009, 22 januari 2010, 2 april 2010, 30 juni 2010 en 21, 22 en 24 september 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De strafzaak tegen verdachte, hierna te noemen: [naam verdachte], is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 8].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [naam verdachte]:

Feit 1: samen met anderen ongeveer 2,5 kilo heroïne opzettelijk aanwezig heeft gehad,

Feit 2: zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen dan wel schuldwitwassen van € 22.390,00,

Feit 3: samen met anderen verschillende keren harddrugs buiten Nederland heeft gebracht dan wel harddrugs heeft verkocht,

Feit 4: deelgenomen heeft aan een organisatie gericht op het plegen van drugsgerelateerde delicten,

Feit 5: samen met anderen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd,

Feit 6: samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, dan wel samen met anderen verschillende keren geldbedragen heeft witgewassen, terwijl hij wist dat het geld afkomstig was uit een misdrijf dan wel dat hij dat redelijkerwijs moest vermoeden.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding

Feit 6

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastelegging onder 6 het volgende.

Op grond van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Een functie van de tenlastelegging is de verdachte op zodanig duidelijk wijze te informeren waarvoor hij terecht moet staan, dat hij zich daartegen adequaat kan verdedigen. Een andere functie van de tenlastelegging is de rechter in staat te stellen om op grond van de tenlastelegging het verwijt dat het openbaar ministerie met de tenlastelegging aan de verdachte maakt te onderzoeken en hierover een beslissing te nemen, te weten of het verwijt al dan niet bewezen kan worden.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder 6 niet aangeeft op welke concrete gedragingen zij zich richt. De tenlastelegging omvat niet meer dan een gedeeltelijke herhaling van de delictsomschrijvingen van de artikelen 420bis, eerste lid, respectievelijk 420quater, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat in de primaire variant ook de ‘gewoonte’ in de tenlastelegging is opgenomen. De concretisering beperkt zich tot vermelding van het voorwerp dat witgewassen zou zijn (geld), de vermelding van de tenlastegelegde periode (een periode van circa 9 maanden) en de vermelding van de plaats (de gemeente/het arrondissement Maastricht, dan wel elders in Nederland). In alle varianten van de tenlastelegging van dit feit is tevens aangegeven dat meermalen is witgewassen door [naam verdachte] al dan niet tezamen met anderen.

De tenlastelegging van feit 6 verschaft geen nadere informatie. Volgens het dossier en de tenlastelegging van de overige feiten die aan [naam verdachte] verweten worden zou hij veelvuldig betrokken zijn geweest bij de handel in verdovende middelen. Onduidelijk is of het verwijt van (gewoonte-/schuld-)witwassen ziet op al het geld dat [naam verdachte] (en/of zijn medeverdachten) al dan niet rechtstreeks met behulp van de drugshandel hebben verkregen dan wel dat meer specifieke geldbedragen bedoeld zijn. Evenmin bevat de tenlastelegging andere aanvullende informatie, waaruit zou kunnen worden teruggeredeneerd welke geldbedragen bedoeld worden. Te denken valt aan vermeldingen als waar het geld voorhanden was, waar of bij welke gelegenheid het is overgedragen of waaraan het is uitgegeven.

De tenlastelegging van feit 6 primair, subsidiair en meer subsidiair stelt de rechtbank vanwege een onvoldoende geconcretiseerde feitsomschrijving niet in staat een inhoudelijke beslissing te nemen.

Dientengevolge zal de rechtbank de dagvaarding ten aanzien van het tenlastegelegde onder 6 primair, subsidiair en meer subsidiair nietig verklaren, omdat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is

De raadman heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie ter zake van dit feit niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat in strijd met de bedoeling van de wettelijke bepaling van witwassen [naam verdachte] voor feit 6 wordt vervolgd. Subsidiair bepleit de raadsman kwalificatie-uitsluiting wegens oneigenlijk gebruik van de witwasbepaling. De rechtbank begrijpt dat de raadsman met het subsidiair aangevoerde bepleit dat er ten aanzien van feit 6 ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen omdat het bewezenverklaarde feit niet onder een strafbepaling valt.

In verband met de voorafgaande overwegingen van de rechtbank komt deze aan een bespreking van de verweren van de raadsman niet meer toe.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feiten 1 en 2

De officier van justitie is van mening dat feit 1 en feit 2 primair bewezen kunnen worden verklaard. De drugs en het geld zijn aangetroffen op het verblijfsadres van [naam verdachte] waar hij ook aanwezig was.

Feiten 3 en 5

De officier van justitie is van mening dat beide feiten bewezen kunnen worden verklaard, gelet op de verklaringen van [naam medeverdachte 9], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5].

Feit 4

De officier van justitie is van mening dat in de onderhavige zaak voldaan is aan de kenmerken van een criminele organisatie en dat [naam verdachte] daaraan heeft deelgenomen. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat dit feit bewezen kan worden verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feiten 1 en 2

De raadsman van [naam verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat bij zowel feit 1 als feit 2 de wetenschap bij [naam verdachte] ontbreekt dat er drugs en geld in de woning aanwezig waren. Evenmin heeft [naam verdachte] het bedoelde geldbedrag voorhanden gehad. [naam verdachte] moet derhalve worden vrijgesproken.

Feiten 3,4 en 5

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van deze feiten gerefereerd, met dien verstande dat het in de onderhavige zaak gaat om heroïne en cocaïne en geen andere drugs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bijnamen

Voordat de rechtbank de afzonderlijke feiten bespreekt, merkt zij op dat in veel verklaringen [naam verdachte] en de medeverdachten met een bijnaam worden aangeduid. Voor de begrijpelijkheid van de bespreking van de feiten en de bewijsvoering geeft de rechtbank hier aan welke bijnamen zij onder andere in het dossier heeft aangetroffen en als vaststaand aanmerkt.

[naam medeverdachte 1] had als bijnaam: '[bijnaam medeverdachte 1]'.

Naam medeverdachte 2 had als bijnaam: '[bijnaam medeverdachte 2]'.

[naam verdachte] had als bijnaam ‘[L.]’ of ‘[L.]’.

[naam medeverdachte 7] had als bijnaam ‘[L.]ke’ en [naam medeverdachte 6] had als bijnaam ‘[M]’, al dan niet met de toevoeging ‘de materiaalman’.

Tenslotte vermeldt de rechtbank nog dat met de bijnaam ‘[F.]’ of ‘[F.]’ kennelijk Raai Naam medeverdachte 1 is bedoeld , die geen verdachte in de zaak Ramo is.

Feit 3

Onder feit 3 is [naam verdachte] ten laste gelegd dat hij zich, samen met anderen, in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 heeft schuldig gemaakt aan het meermalen buiten Nederland brengen van verschillende soorten harddrugs door, zo begrijpt de rechtbank, in Maastricht heroïne en cocaïne te verkopen aan (met name) Franse kopers, die deze middelen meenamen naar het buitenland.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat hij in de ten laste gelegde periode betrokken was bij de drugshandel van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1]. Hij heeft onder meer verklaard dat de klanten bijna altijd belden met [naam medeverdachte 2] of [naam medeverdachte 1], dat [naam medeverdachte 2] of [naam medeverdachte 1] dan naar hem belde, dat hij de klanten dan moest ophalen, dat de klanten bijna altijd Franse personen waren, dat hij vervolgens in een woning drugs aan de klanten verkocht en dat de klanten voornamelijk heroïne en ook wel cocaïne kochten.

Op 2 mei 2008 zijn de Fransen [L.], Protain en [M.] aangehouden. Bij hen is onder meer heroïne aangetroffen. [L.] en [M.] hebben beiden verklaard dat zij op 2 mei 2008 naar Maastricht waren gekomen om heroïne te kopen. Tevoren had [L.] naar het telefoonnummer +31620357799 gebeld en een man genaamd [bijnaam medeverdachte 2] gesproken. Volgens [L.] heeft [bijnaam medeverdachte 2] hen in Maastricht naar een woning gebracht en verdovende middelen gehaald en deze aan een andere persoon die ook in de woning was gegeven. [L.] en [M.] hebben het geld aan ene ‘[L.]’ gegeven. Er was nog een man in de woning, genaamd [bijnaam medeverdachte 1]. Tijdens een meervoudige fotoconfrontatie heeft [L.] [naam verdachte] herkend als de persoon van wie zij verdovende middelen had gekocht. [M.] heeft bij een meervoudige fotoconfrontatie in maart 2010 [naam medeverdachte 6] herkend, die hij ‘[bijnaam medeverdachte 1]’ noemt, als degene die, volgens hem, evenals ‘[L.]’, heroïne en cocaïne in het appartement verkocht. Ook heeft [M.]

[naam verdachte] tijdens een meervoudige fotoconfrontatie aangewezen als ‘[L.]’, die hem op 2 mei 2008 drugs had verkocht. Verder had [L.] hem, [M.], gedurende een jaar tussen de twaalf en vijftien keer geholpen (de rechtbank begrijpt uit de context dat [M.] hiermee bedoelt dat hij zo vele malen drugs in Maastricht heeft ‘gekocht’) en wel in verschillende appartementen.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij deze drugsdeal betrokken was als degene die door de Fransen als ‘[L.]’ omschreven werd.

Op 7 januari 2009 zijn de Fransen [J] en [V] aangehouden. Bij hen werd heroïne aangetroffen. [V] heeft verklaard dat hij samen met [J] naar Maastricht gekomen was om heroïne te kopen. De heroïne had hij in een appartement gekocht, dat op enkele minuten afstand lag van de plaats waar hij geparkeerd had. Zij werden deze keer, even als een keer eerder, opgehaald en teruggebracht door een taxi. [J] had tevoren naar de dealer gebeld en met hem een afspraak gemaakt. [J] heeft bij een meervoudige fotoconfrontatie [naam verdachte]herkend als de persoon die bij deze verkoop aanwezig was. Ook heeft zij verklaard dat zij eerder op dit adres is geweest, in december 2008 voor de kerst. Het telefoonnummer van de dealer is: +316[...].

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat hij bij deze drugsverkoop aanwezig was en dat het telefoonnummer +316[...] één van de zogenaamde ‘handelstelefoons’ betrof, waarop de Franse kopers belden om drugs te bestellen.

De verbalisanten hebben naar aanleiding van de verhoren van [V] en [J] een onderzoek ingesteld naar de locatie van het dealpand en de bewoners van dat pand. Het bleek het adres [K-straat] 31 te Maastricht te zijn. Hier woonden [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5].

[naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] hebben tegenover de politie verklaard dat zij sinds circa vier maanden drugskopers in hun huis, [K-straat] 31 te Maastricht, ontvingen. Deze kopers werden steeds begeleid door [L.](ke) en/of [L.], die in de woning drugs verkochten aan die kopers. Bij de rechter-commissaris heeft [naam medeverdachte 5] nog verklaard dat [L.]en [J.] samen de klanten afhandelen en dat er soms wel vier dagen per week klanten waren.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat hij regelmatig bij [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] kwam om aan Fransen drugs te verkopen. Ook [naam medeverdachte 7] heeft bij de politie verklaard dat hij al enkele maanden bij [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] verdovende middelen kwam brengen.

Voorts heeft [naam medeverdachte 7] bij de politie verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode samen met anderen meermalen drugs heeft verkocht aan met name Fransen. Hij heeft onder meer verklaard dat de klanten meestal met [naam medeverdachte 1] belden, dat [L.]ze met de taxi ging halen, dat de klanten naar een huis werden gebracht, waar gehandeld werd en dat hij hier ook bij betrokken was. De meeste klanten kwamen volgens [naam medeverdachte 7] voor heroïne en cocaïne.

Ten aanzien van de wetenschap van de uitvoer overweegt de rechtbank nog dat deze reeds valt af te leiden uit het feit dat de kopers Fransen waren, die met voertuigen met een Frans kenteken naar Maastricht kwamen om drugs te kopen, terwijl er zodanige hoeveelheden werden gekocht, dat deze niet voor onmiddellijk gebruik konden zijn bedoeld.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [naam verdachte] zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het meermalen uitvoeren van heroïne en cocaïne in de periode van 2 mei 2008 tot en met 2 februari 2009.

Feit 5

Aan [naam verdachte] wordt als feit 5 verweten dat hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd.

Volgens de officier van justitie kunnen alle ten laste gelegde voorbereidingshandelingen worden bewezen. De raadsman heeft aangegeven dat zijn cliënt inderdaad als runner is opgetreden en voor zover de officier van justitie heeft gepoogd ten laste te leggen dat

[naam verdachte] als runner is opgetreden refereert de raadsman zich.

Bij de doorzoeking op 3 februari 2009 in de woning van [naam medeverdachte 6], [B straat] te Maastricht, zijn in beslag genomen een hydraulische pers (groot model), een kleine hydraulische pers, onderdelen van een pers, enkele schijven geperste heroïne en drie pakketjes geldbiljetten.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [naam medeverdachte 1] in februari-maart 2008 heeft leren kennen en dat [naam medeverdachte 1] hem heeft overgehaald om voor hem te werken. Hij zou geld krijgen als hij [naam medeverdachte 1] ging helpen met de drugshandel. Hij haalde klanten met een taxi op en bracht hen naar een woning. Hij verkocht drugs en bracht de klanten weer weg. Ook heeft hij contact opgenomen met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5]. [naam medeverdachte 5] heeft verklaard dat [naam verdachte] hem heeft gevraagd om de woning beschikbaar te stellen. Dat wordt bevestigd door [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat [naam verdachte] met de taxi klanten ging halen en de afhandeling van klanten regelde.

Zowel [naam medeverdachte 9] als [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 7] hebben verklaard dat [naam verdachte] bij de voorbewerking van heroïne betrokken was. [naam medeverdachte 9] heeft verklaard dat [naam verdachte] klanten hielp, verdovende middelen mixte en geld ontving. Verderop heeft [naam medeverdachte 9] verklaard dat het versnijden van heroïne door [naam medeverdachte 6] en [naam verdachte] gebeurde. [naam medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat zij meerdere keren bij het klaarmaken van de verdovende middelen is geweest en gezien heeft dat toen onder andere [naam verdachte] verdovende middelen aan het ‘prepareren, persen’ was. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat [naam verdachte] vaker heroïne droogde, zeefde en verpakte. Volgens [naam medeverdachte 7] werd het vermalen van de heroïne en het persen ook wel eens door [naam verdachte] gedaan.

Uit deze verklaringen, in verband met de besprekingen van de feiten 1, 2, 3 en 4, leidt de rechtbank af dat de rol van [naam verdachte] in de zaak Ramo meer omvatte dan dat hij slechts een runner was. De rechtbank acht aannemelijk dat hij van alles deed: van het klaarmaken van heroïne tot het maken van afspraken met klanten, het regelen van een ruimte en het in ontvangst nemen van geld.

[naam verdachte] verbleef enige tijd op het adres van [naam medeverdachte 6], waar hij ook werd aangehouden. Op dat adres zijn onder meer verdovende middelen, (onderdelen van) persen en geldbedragen gevonden. De rechtbank acht het in het licht van de verklaringen van genoemde getuigen onwaarschijnlijk dat [naam verdachte] hier geen wetenschap van had. Hiertoe wordt tevens verwezen naar de bewijsvoering van feit 1 en feit 2.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bovendien bewezen dat [naam verdachte] ook betrokken was bij het klaarmaken van drugs, al was zijn voornaamste taak vermoedelijk het contact met klanten.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat [naam verdachte] tezamen met anderen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd. Hij heeft daartoe klanten van heroïne en cocaïne benaderd en begeleid en heroïne met versnijdingsmiddelen geperst en geprepareerd. Ook heeft hij een ruimte geregeld voor de verkoop van verdovende middelen. Met deze handelingen heeft hij zich en anderen gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van het bereiden, verwerken, vervaardigen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs.

Feit 4

Aan [naam verdachte] wordt als vierde feit verweten dat hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve het hebben van een de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’ (de hierboven genoemde illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie gericht moet zijn, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie volgens vaste jurisprudentie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, sturing van de leden van de organisatie en een bepaalde werkwijze. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor het bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De rechtbank acht bewezen dat [naam verdachte] in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in Maastricht heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waaraan naast [naam verdachte] in elk geval hebben deelgenomen [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7], met dien verstande dat bij [naam medeverdachte 2] deze periode is beperkt tot 15 december 2008.

De rechtbank zal in het hiernavolgende bespreken op grond van welke bewijsmiddelen zij tot deze beslissing is gekomen.

Vooropgesteld zij dat de rechtbank bewezen acht dat [naam verdachte] samen met anderen opzettelijk harddrugs heeft uitgevoerd (feit 3) en dat hij samen met anderen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd (feit 5). Beide feiten zijn gepleegd in de tenlastegelegde periode van feit 4.

Daarnaast wijzen in deze zaak in het bijzonder de volgende kenmerken op het bestaan van een criminele organisatie: de taakverdeling, de werkwijze, het gebruik van vaste telefoonnummers, de vaste klantenkring en de nazorg.

De handelingen van de organisatie omvatten het inkopen van puur materiaal, het versnijden en persen van het versneden materiaal en het verkopen van de verdovende middelen aan personen die deze middelen meenamen naar het buitenland. De verdovende middelen waren met name heroïne en cocaïne.

Uit de hierna te bespreken bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er volgens een tamelijk vaste werkwijze werd gehandeld, die als volgt kan worden omschreven. Een klant belde op en maakte een afspraak voor de koop van verdovende middelen. Op de afgesproken plaats werd de auto van de klant achtergelaten en werd de klant door een runner met een taxi opgevangen die de klant naar een woning bracht. In het algemeen waren de gevraagde hoeveelheden harddrugs niet in de woning aanwezig en moest de klant wachten totdat ze gehaald waren. Als de verdovende middelen in de woning (gebracht waren en daarmee) aanwezig waren kreeg de klant wat hij besteld had en betaalde hij daarvoor. De klant verliet daarna de woning en werd met een taxi teruggebracht naar zijn auto.

Deze werkwijze valt onder andere af te leiden uit de wijze waarop de verkoop van verdovende middelen aan [L.] en [M.] op 2 mei 2008 en aan [J] en [V] op 7 januari 2009 in Maastricht heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hierover in de bewijsvoering van feit 3 is opgenomen.

[L.] heeft verklaard dat [bijnaam medeverdachte 2] altijd kopers begeleidt tot de woning. Na de bestelling gaat hij de verdovende middelen halen en geeft hij deze aan een andere persoon die ook in de woning is. Volgens [L.] verkoopt [bijnaam medeverdachte 2] nooit zelf en neemt hij ook nooit geld aan. Dat doet altijd iemand anders.

[M.] heeft verklaard dat hij bij een kooptransactie met verschillende personen te maken had, ook al belde hij iedere keer hetzelfde nummer. Hij bestelde bij [bijnaam medeverdachte 2]; [bijnaam medeverdachte 2] was altijd degene die de telefoon opnam. Hij onderhandelde ook telkens met [bijnaam medeverdachte 2], die daarna vertrok.

Deze werkwijze komt ook tot uiting in de verklaringen van [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5], die sinds circa vier maanden drugskopers in hun huis, [K-straat] 31 te Maastricht, ontvingen. Volgens [naam medeverdachte 4] was de afspraak dat [L.]en [L.] van de slaapkamer aan de voorzijde gebruik zouden maken om verdovende middelen te verkopen. Daarvoor zouden zij, [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5], tussen de 20 en 40 euro krijgen; af en toe werd met cocaïne betaald. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] soms geld, maar meestal cocaïne voor eigen gebruik als vergoeding kregen.

In de woning werden de drugs verkocht door [L.]en [L.]. Volgens [naam medeverdachte 5] is [L.]circa 20 à 25 keer met klanten in hun woning geweest en [L.] volgens hem circa 6 keer; [naam medeverdachte 4] verklaarde dat er tussen de 20 en 30 keer klanten zijn geweest.

[naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij bij [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] kwam om de verdovende middelen brengen. Hij kreeg daartoe opdracht van [L.]. Hij haalde de spullen bij [M]. Vaak reed hij daar naar toe met de scooter.

[naam medeverdachte 7] heeft bovendien meerdere malen over de werkwijze gesproken. Op 3 februari 2009 verklaarde hij daarover het volgende. Een klant belt met Naam medeverdachte 1, die belt met een taxi. [L.]gaat met de taxi de klanten halen. De klanten worden naar een huis gebracht, waar gehandeld wordt. De meeste klanten komen voor heroïne en cocaïne. Nadat de bestelling bekend is, worden de drugs gehaald. Dan wordt er weer een taxi gebeld en worden de klanten zonder [L.]weggestuurd.

De verklaringen van [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 7] worden ondersteund door de verklaring van [naam medeverdachte 3], dat [L.]en [L.]ke zich bezighielden met het halen van klanten.

Op 10 februari 2009 heeft [naam medeverdachte 7] uitgebreider over de werkwijze verteld. Volgens hem waren er bepaalde klantentelefoons, die volstonden met Franse telefoonnummers. Een van deze telefoons had als deel van het telefoonnummer de cijfers 06-1010. Op deze telefoons belden (met uitzondering van Samira) alleen klanten. Als deze belden dan namen meestal [naam medeverdachte 1] of [naam verdachte] de telefoon op. [naam medeverdachte 1] noemde zich dan [bijnaam medeverdachte 1] en [naam verdachte] [L.]of Bruce [L.]. Met deze namen stonden ze bekend bij klanten. Er werd bijna altijd Frans gesproken, een enkele keer Arabisch. De klanten vertelden wanneer ze zouden vertrekken of dat ze er al bijna waren. [naam medeverdachte 1] vroeg altijd om ongeveer 20 minuten voordat ze er waren nog even te bellen, omdat het circa 10 minuten zou duren voordat er een taxi was. Bijna altijd werd er afgesproken bij Novotel, Koffieshop Fantasia, Koffieshop Black Widow, de telefooncel achter het Chinese poolcentrum op de Tongerseweg of bij de kerk in Mariaberg. Heel af en toe werden er afspraken bij het station, de Mississippi en bij de MacDonalds bij de Geusselt gemaakt. Het waren altijd dezelfde klanten die kwamen. In de telefoon stonden alle namen van de klanten. Het gemiddelde dat per klant werd verkocht was 70 gram heroïne en 3 gram cocaïne. Sommige klanten kwamen voor tussen de 100 en 150 gram heroïne. Een klant uit Marseille kwam meestal voor 4 à 5 kilo heroïne. Van deze klant is ook de Ford Mondeo. Deze heeft [naam medeverdachte 1] van hem gekocht. Hij heeft hem betaald met geld en drugs.

Deze werkwijze is ook te herkennen in de verklaring van [naam medeverdachte 9]. Deze heeft al op 5 juni 2008 verklaard dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] beiden mobiele telefoons hadden en dat de klanten naar hen belden. Hij werd dan weer door [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] gebeld om de klanten op te halen en hen naar een dealplek te brengen. Zo’n dealplek kon een woning zijn of gewoon een plek op straat. Volgens [naam medeverdachte 9] hadden [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] een klantenkring opgebouwd met veel vaste klanten. Zij wisten zelfs soms welke vaste klanten op komst waren: “een soort werkschema”.

In dat verband wijst de rechtbank ook op de verklaring van [naam medeverdachte 9], dat er één telefoonnummer was dat ze niet kwijt mochten raken. Dit was het nummer dat bij alle klanten bekend was. Als dit nummer (de rechtbank begrijpt: een gsm met dit nummer) in beslag was genomen, werd hetzelfde nummer opnieuw aangevraagd. Hiermee in overeenstemming is de omstandigheid dat bij [naam medeverdachte 2] op verschillende tijdstippen verschillende gsm’s in beslag genomen zijn met steeds hetzelfde telefoonnummer.

Het belang dat werd gehecht aan vaste klanten wordt ondersteund door het feit dat wel eens contact werd opgenomen met Franse klanten die al een tijdlang niet meer waren gekomen.

Verder zijn er aanwijzingen dat de organisatie ook aan een zekere ‘nazorg’ deed. [M.] heeft verklaard dat hij [L.] terugzag op 29 oktober 2008, toen hij, [M.], uit de gevangenis kwam. [bijnaam medeverdachte 2] kwam met de auto, hij had zijn chauffeur [bijnaam medeverdachte 1] bij zich. Ze namen hem en Protain mee naar een appartement waar gedeald werd. In opdracht van [bijnaam medeverdachte 2] gaf [L.] hun daar 200 gram heroïne. [bijnaam medeverdachte 2] was volgens [M.] aanwezig toen [L.] hun de heroïne gaf. Het was, aldus [M.], een cadeautje, zodat zij weer opnieuw verdovende middelen van hem zouden kopen.

Uit het voorafgaande blijkt van de samenwerking van verschillende personen bij de handel in verdovende middelen. Welke personen tot ‘de groep’ behoorden, blijkt uit onder meer de volgende verklaringen.

De getuige [naam medeverdachte 9] was volgens eigen zeggen tot 5 juni 2008 betrokken bij de handel in verdovende middelen, tezamen met [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2], [naam verdachte] en [naam medeverdachte 6]. Hij heeft op 5 juni 2008 verklaard dat hij sinds circa twee maanden in de woning Penatenhof 53b te Maastricht verblijft, omdat hij samen met , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] in verdovende middelen handelt. Diens verklaring vindt ondersteuning in de verklaring van [naam medeverdachte 3] dat zij zich [naam medeverdachte 9] onder diens voornaam Byarny kan herinneren als haar wordt verteld dat deze persoon door ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ verdacht werd van het stelen van een groot geld bedrag en in het feit dat

[naam verdachte] en [naam medeverdachte 9] op 23 mei 2008 samen in een auto zijn aangetroffen.

[naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 7] deel uitmaakte van de groep waarin zich Naam medeverdachte 1, [bijnaam medeverdachte 2], [M] en [L.]bevinden.

[naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat de groep uit zes man bestond: [bijnaam medeverdachte 2], [F.],, [M], [L.], Naam medeverdachte 1 en hemzelf. Op 10 februari 2009 heeft [naam medeverdachte 7] verklaard dat [bijnaam medeverdachte 2] en [F.] sinds twee maanden niet meer meededen, omdat het tot ruzie was gekomen tussen [bijnaam medeverdachte 2] en [bijnaam medeverdachte 1]. [naam medeverdachte 7] heeft ten slotte verklaard dat hij vanaf juni 2008 binnen deze groep werkzaam was. In de maanden oktober 2007 tot en met februari 2008 kwamen [F.] en [bijnaam medeverdachte 2].

Uit de verklaringen van verschillende personen kan worden afgeleid dat de groep op een gestructureerde wijze samenwerkte en dat ieder in beginsel een eigen rol had.

[naam medeverdachte 1] was volgens [naam medeverdachte 9] en [naam medeverdachte 7] de baas van de groep. [naam medeverdachte 2] wordt door [naam medeverdachte 9] als ‘onderdirecteur’ en ‘rechterhand’ (van [naam medeverdachte 1]) aangeduid. [naam medeverdachte 7] ziet hem ook als onderdirecteur. Daarmee in overeenstemming is hetgeen [naam medeverdachte 9] over [naam medeverdachte 2] heeft verklaard, te weten dat [naam medeverdachte 2] [naam medeverdachte 9] inwerkte, alle dealplekken liet zien en hoe hij moest rijden. [naam medeverdachte 2] deed volgens [naam medeverdachte 9] het meeste. Hij deed de geldzaken, wierf en runde klanten. Elders heeft [naam medeverdachte 9] verklaard dat [naam medeverdachte 2] de telefoontjes kreeg en het geld bij zich hield. Aan de functie van ‘rechterhand van [naam medeverdachte 1]’ doet niet af dat [naam medeverdachte 1] weleens op [naam medeverdachte 2] schold. [naam medeverdachte 1] was immers volgens [naam medeverdachte 2] een opgefokt persoon. Daaraan doet evenmin af dat [naam medeverdachte 2], zoals hierboven aangegeven, op een gegeven moment ruzie kreeg met [naam medeverdachte 1] en door deze werd weggestuurd.

[naam verdachte] hielp klanten (omdat hij het beste Frans sprak), mixte verdovende middelen en nam het geld in ontvangst. Uit de verklaringen van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 7] in de woning van [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] de verdovende middelen hebben verkocht. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 7] zich bezig hielden met het halen van de klanten. Verderop heeft zij verklaard dat het ophalen van klanten, het controleren van runners en het transporteren van verdovende middelen gedaan werd door Naam medeverdachte 1, [L.], [bijnaam medeverdachte 2], [L.]ke en [M]. [naam medeverdachte 7] heeft zichzelf als ‘loopjongetje’ omschreven.

De verwerking van de heroïne werd voornamelijk door [naam medeverdachte 6] gedaan. [naam medeverdachte 6] perste de heroïne tot schijven. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij de pers op het adres van [M] gezien heeft en weet dat deze pers gebruikt werd voor het persen van verdovende middelen.

De taakverdeling was niet absoluut. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat iedereen van alles wat deed, zoals verdovende middelen halen en persen. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 6] de heroïne heeft verwerkt en geperst en dat hij hem, [naam medeverdachte 6], daarbij heeft geholpen.

De leidende functie van [naam medeverdachte 1] en de samenwerking van de groep wordt onderstreept door de verklaring van [naam medeverdachte 7] over het beheer van de opbrengsten. Hij heeft verklaard dat Naam medeverdachte 1 het geld beheert, dat het geld wordt bewaard bij [M], dat Naam medeverdachte 1 het geld daar telde en er pakketjes van maakte en het vervolgens aan [M] gaf, die het verstopte. Ook heeft [naam medeverdachte 7] verklaard dat het geld bij de matras van ([L.]) werd bewaard en in het nachtkastje van [M]. Op 3 februari 2009 werden tijdens een doorzoeking aan de [B straat] in Maastricht in een afvoerkanaal in de keuken van de woning van [naam medeverdachte 6] drie geldbedragen van totaal € 21.380,00 aangetroffen.

Op grond van inhoud van de genoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat [naam verdachte] in de periode 1 mei 2008 en met 3 februari 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie, waartoe verder in die periode in elk geval behoorden [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 2] (tot 15 december 2008) en [naam medeverdachte 7]. Deze personen vormden een duurzaam samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten bestaande uit – kort gezegd – het uitvoeren en verkopen van heroïne en cocaïne.

Feit 1

Aan [naam verdachte] wordt als eerste feit verweten dat hij op 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht samen met anderen 2.447,3 gram heroïne aanwezig heeft gehad.

Bij een doorzoeking op 3 februari 2009 in de [B straat] te Maastricht, de woning van [naam medeverdachte 6], zijn in de keuken en in de kelder van de woning onder andere verschillende hoeveelheden heroïne, met een totaal gewicht van 2.477,3 gram, aangetroffen. Verder zijn geldbedragen en een hydraulische pers aangetroffen. [naam verdachte] was in de woning aanwezig toen de woning werd doorzocht.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij zijn verklaring blijft zoals hij bij de politie heeft afgelegd. Daarin bekende hij dat hij samen met [naam medeverdachte 6] pure heroïne en versnijdingmiddel heeft gemixt en heroïne schijven heeft geperst.

Verschillende personen, onder wie [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 9], hebben verklaard dat de verwerking van heroïne door [naam medeverdachte 6] werd gedaan. [naam medeverdachte 7] heeft voorts verklaard dat dit vanaf januari 2009 in de woning van [naam medeverdachte 6] gebeurde. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij de pers op het adres van [M] gezien heeft en dat zij weet dat deze pers gebruikt werd voor het persen van verdovende middelen.

Ter terechtzitting heeft [naam verdachte] zich op het standpunt gesteld dat hij niet wist dat er drugs in de woning van [naam medeverdachte 6] aanwezig waren. Ook ontkent hij, na beschuldiging van [naam medeverdachte 6], dat hij de drugs in de woning heeft gebracht. [naam verdachte] heeft verder verklaard dat hij bij [naam medeverdachte 6] logeerde en een sleutel van de woning heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat [naam verdachte] gedurende negen maanden heeft deelgenomen aan een organisatie die zich bezig hield met drugshandel. In dat verband werd heroïne versneden en geperst (feit 5), waarvoor met name [naam medeverdachte 6] verantwoordelijk was. Het verwerken van de heroïne vond ook in diens woning plaats. [naam verdachte] heeft ook wel meegeholpen bij het verwerken van de heroïne. De aangetroffen hoeveelheid heroïne (2.477,3 gram) was van een zodanige omvang dat zij als handelsvoorraad moet worden aangemerkt. Vanwege al deze omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van [naam verdachte] dat hij niet wist dat er drugs in de woning aanwezig waren ongeloofwaardig. [naam verdachte] heeft zich in ieder geval welbewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de woning van [naam medeverdachte 6], waar hij, [naam verdachte] logeerde, heroïne aanwezig was.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat [naam verdachte] op 3 februari 2009 samen met een ander of anderen opzettelijk 2.447,3 gram heroïne in de woning aan de [B-straat] in Maastricht aanwezig heeft gehad.

Feit 2

Als tweede feit wordt aan [naam verdachte] verweten dat hij tezamen met een ander of anderen op 3 februari 2009 een geldbedrag van € 22.390,- heeft witgewassen.. De rechtbank begrijpt, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting, dat bedoeld is ten laste te leggen een bedrag van € 21.380,-. De tenlastelegging zal in zoverre verbeterd worden gelezen.

Op 3 februari 2009 werden tijdens de doorzoeking van de woning van [naam medeverdachte 6] aan de [B straat] te Maastricht in een afvoerkanaal in de keuken diverse geldbedragen aangetroffen, in totaal € 21.380,00. Na zijn aanhouding door de politie heeft [naam medeverdachte 6] verklaard dat dit geld niet van hem was, dat hij niet wist dat op die plek geld lag, en dat het geld door [naam verdachte] in de woning gebracht moest zijn. Deze was enkele dagen vóór 3 februari 2009 bij hem komen logeren.

[naam verdachte] heeft verklaard dat hij sinds ongeveer een maand in de woning van zijn vriend [naam medeverdachte 6], de huurder van de woning waar hij werd aangehouden, sliep. [naam verdachte] heeft ontkend iets te weten van het geld dat in de woning van [naam medeverdachte 6] is aangetroffen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de wetenschap van [naam verdachte] over de aanwezigheid van het geld in de woning in de [B-straat] als volgt.

Bij de politie heeft [naam verdachte] heeft verklaard dat hij het geld dat hij met drugstransacties verdiende aan [B.] (de rechtbank begrijpt: [naam medeverdachte 7]) gaf, die het vervolgens aan [naam medeverdachte 1] gaf. Ook gaf hij het geld wel eens direct aan [naam medeverdachte 1]. Ook [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat het geld dat met de drugstransacties werd verdiend aan Naam medeverdachte 1 [naam medeverdachte 1] moest worden gegeven. Nadat Naam medeverdachte 1 het geld had geteld en er pakketjes van had gemaakt, gaf hij het geld aan [M] en deze verstopte het dan. Er lag in de woning van [M] geld bij de matras van ([L.]) en achter de lade van het nachtkastje van [M]. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij dit weet omdat hij zelf eenmaal uit dit nachtkastje een pakketje van ongeveer 7 à 8 duizend euro moest pakken.

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [naam verdachte] gedurende 9 maanden heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met drugshandel, van welke organisatie ook [naam medeverdachte 6] deel uitmaakte (feit 4), is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [naam verdachte] tezamen met een ander of anderen, op 3 februari 2009 in Maastricht een bedrag van € 21.380,00, dat werd verdiend met drugstransacties, heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Daarbij betrekt de rechtbank dat [naam verdachte] op dat moment naar eigen zeggen al geruime tijd in de woning van [naam medeverdachte 6] verbleef en dat het, gelet op onder meer de hiervoor genoemde verklaringen van [naam medeverdachte 7], kennelijk goed gebruik binnen de organisatie was het geld dat met de drugshandel werd verdiend in het huis van [naam medeverdachte 6] te bewaren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte]

1.

op 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2.477,3 gram heroïne (diacetylmorfine), zijnde heroïne (diacetylmorfine) een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen hoeveelheden geld (in totaal ongeveer 21.380,- Euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat voormelde hoeveelheden geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in het arrondissement Maastricht, meermalen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in het arrondissement Maastricht, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakten F. [naam medeverdachte 1] en M. [naam medeverdachte 2] en K. [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet en als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, te weten het meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en het opzettelijk verkopen van hoeveelheden heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne en het meermalen opzettelijk voorbereiden en bevorderen van voornoemde feiten;

5.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in het arrondissement Maastricht

tezamen en in vereniging met anderen meermalen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen, een ander heeft getracht te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen en inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van voornoemde feiten heeft getracht te verschaffen en voorwerpen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist zij bestemd waren tot het plegen van voornoemde feiten;

immers heeft hij,

- opzettelijk (potentiële) kopers van voornoemde middelen benaderd en begeleid en vervoerd/doen vervoeren en

- opzettelijk telefonische contacten onderhouden en

- opzettelijk een of meer ruimten geregeld/gereserveerd voor de verkoop van/handel in voornoemde middelen en

- opzettelijk prijsafspraken gemaakt ten behoeve van de verkoop van voornoemde middelen en

- opzettelijk voornoemde middelen gemengd en/of vermengd en/of geperst en/of versneden en/of geprepareerd en

- opzettelijk metalen (hydraulische) persen en mallen voorhanden gehad

- opzettelijk geld afkomstig van de verkoop van voornoemde middelen en/of bestemd voor de aankoop van voornoemde middelen voorhanden gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [naam verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C,

van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van witwassen

T.a.v. feit 3 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 4:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een

misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet en als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet.

T.a.v. feit 5:

om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en om zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat ze bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [naam verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de rol die [naam verdachte] volgens hem binnen de criminele organisatie had, de tientallen kilo’s harddrugs die in de ten laste gelegde periode uitgevoerd moeten zijn en de enorme verdiensten die dat met zich mee heeft gebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat de inwoners van de regio Zuid-Limburg en van Maastricht meer dan gemiddeld ongewild geconfronteerd worden met de gevolgen deze handel in verdovende middelen. Gevolgen die zich onder meer uiten in de vorm van overlast van dealers en gebruikers op straat en/of in panden, verkeersgevaarlijk rijgedrag van drugsrunners en algehele gevoelens van onveiligheid.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf te hoog is en heeft daarbij verwezen naar andere (hard)drugszaken uit den lande, die met minder straf zijn afgedaan. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het feit dat

[naam verdachte] openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen (beperkte) rol en de rol van anderen binnen de organisatie. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat

[naam verdachte] inmiddels bezig is zijn leven op orde te krijgen, heeft de raadsman bepleit maximaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform het voorarrest op te leggen, met eventueel daarnaast een voorwaardelijk deel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van het hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van [naam verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met het feit dat de bewezenverklaarde feiten een zekere overlap kennen.

[naam verdachte] heeft gedurende negen maanden deel uitgemaakt van een organisatie die zich vanaf de inkoop, via de bewerking, tot en met de uitvoer bezig hield met de handel in heroïne en cocaïne, waarbij met name de handel in heroïne aanzienlijke handelshoeveelheden betrof.

[naam verdachte] had naar het oordeel van de rechtbank een niet onbelangrijke rol binnen de organisatie, mede omdat hij kennelijk het beste Frans sprak, hetgeen voor de contacten met de voornamelijk Franse kopers, en dus voor het in stand houden van het grensoverschrijdende klantennetwerk, van groot belang was.

Daarnaast heeft hij ook zelf met grote regelmaat kopers begeleid en verrichte hij allerlei andere werkzaamheden gericht op die verkoop. Daarmee heeft [naam verdachte] zich tevens schuldig gemaakt aan het samen met anderen uitvoeren van harddrugs en voorbereidingshandelingen ten aanzien van die uitvoer.

Tot slot heeft [naam verdachte] samen met een ander in de woning waar hij verbleef een handelshoeveelheid heroïne en een aanzienlijk geldbedrag, afkomstig van de drugsverkoop, aanwezig gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. Dat geldt in het bijzonder voor de regio

Zuid-Limburg/Maastricht. Als gevolg van de geografische ligging tussen België en Duitsland, is deze regio gemakkelijk bereikbaar voor afnemers van (hard)drugs uit het buitenland die hun verdovende middelen in groten getale in Nederland voor een lagere prijs kunnen krijgen dan in eigen land. Die ontwikkeling dient met kracht te worden bestreden. Tegen deze achtergrond is de rechtbank dan ook van oordeel dat bij de op te leggen straf rekening mag worden gehouden met de specifieke problematiek die de georganiseerde harddrugshandel in de regio Zuid-Limburg/Maastricht met zich brengt. De algemeen preventieve werking van een straf is immers ook een doel dat met een strafoplegging gediend kan worden.

Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf wordt in dit soort zaken doorgaans aansluiting gezocht bij de zogeheten landelijke oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Gelet op het feit dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel drugs door [naam verdachte] en zijn mededaders zijn uitgevoerd in de bewezen verklaarde periode, zijn deze oriëntatiepunten in dit geval niet 1-op-1 bruikbaar. Gelet op de aangetroffen hoeveelheden drugs bij de verschillende Franse kopers die in het dossier figureren, de hoeveelheden drugs die standaard per schijf geperst werden, de intensieve telefonische contacten met Franse kopers, alleen al in de maanden januari en februari 2009, en de verklaringen van onder meer [naam medeverdachte 7] en [naam verdachte] zelf over de verhandelde hoeveelheden, gaat de rechtbank er evenwel vanuit dat in de bewezenverklaarde periode in ieder geval meer dan 20 kilo heroïne en/of cocaïne is verhandeld, zijnde de hoogste categorie in de oriëntatiepunten voor in- en uitvoer van harddrugs. Het oriëntatiepunt voor uitvoer van (meer dan) 20 kilo harddrugs is in de organisatievariant, waarvan hier sprake is, een gevangenisstraf van 72 maanden (6 jaar) en hoger.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op min of meer vergelijkbare zaken, waarin sprake was van uitvoer van harddrugs, gedurende een langere periode door een criminele organisatie, gepleegd in de regio Zuid-Limburg/Maastricht, waarin doorgaans gevangenisstraffen tot vijf jaar worden opgelegd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf die in de buurt komt van de eis van de officier van justitie op zijn plaats zou zijn, temeer nu

[naam verdachte], anders dan bijvoorbeeld de medeverdachte [naam medeverdachte 7], naast de uitvoer, voorbereidingshandelingen en deelname aan de criminele organisatie, ook een forse hoeveelheid heroïne aanwezig heeft gehad. Een feit waarvoor alleen al volgens de landelijke oriëntatiepunten (LOVS) een gevangenisstraf van 12 tot 15 maanden (categorie ‘standaard’) of zelfs 15-18 maanden (categorie ‘organisatie’) kan worden opgelegd. De rechtbank heeft zich voor de vraag gesteld gezien of hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van [naam verdachte] aanleiding zou moeten zijn om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, dan wel of het feit dat de voorlopige hechtenis van [naam verdachte] thans is geschorst en hij zijn leven weer op orde probeert te krijgen, reden zou moeten zijn om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij deze afweging heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de inhoud van het Reclasseringsrapport dat over [naam verdachte] is opgemaakt en op de omstandigheid dat hij niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, en in het bijzonder de niet onbelangrijke rol die [naam verdachte] binnen de criminele organisatie gespeeld heeft, is de rechtbank evenwel van oordeel dat beide vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen de toekomstplannen van [naam verdachte], die ter zitting ter sprake zijn gekomen – hij is kennelijk voornemens om, zodra het hem gelukt is een stageplaats te regelen, een opleiding tot lasser te volgen -, maar de rechtbank moet tevens constateren dat het vooralsnog bij intenties is gebleven. Op dit moment heeft [naam verdachte] geen werk en volgt hij geen opleiding.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht onvoldoende recht zou doen aan de ernst en aard van de bewezenverklaarde feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar passend is.

De rechtbank zal in verband hiermee de schorsing van de voorlopige hechtenis niet opheffen, noch een wijziging aanbrengen in de gestelde voorwaarden. Zij tekent hierbij aan dat de geschorste voorlopige hechtenis vanzelf eindigt als het vonnis onherroepelijk wordt. Vanaf dat moment vervallen ook de voorwaarden.

7 Het beslag

De beslaglijst is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft gevorderd alle in beslag genomen items verbeurd te verklaren omdat deze gebruikt zijn bij de handel in drugs.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

Van de in beslag genomen sleutels (nr.55), telefoons (nrs. 51, 52, 53, 146, 147, 148) en het geld (nr. 54) kan, anders dan van de officier van justitie van oordeel is, niet worden vastgesteld dat met deze voorwerpen het bewezen verklaarde is begaan of is voorbereid. De officier van justitie heeft ter terechtzitting geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of de, en zo ja, welke, inbeslaggenomen telefoons gebruikt zijn voor de bewezenverklaarde feiten. Ook van de overige in beslag genomen goederen kan niet worden vastgesteld dat ze gebruikt zijn voor de bewezenverklaarde feiten.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat de telefoons niet aan hem toebehoren. Hij heeft overigens aangegeven dat een rode telefoon van hem was. Er staat echter geen rode telefoon op de beslaglijst.

De beschikbare informatie stelt de rechtbank niet in staat te bepalen wie de rechthebbende (en daarmee in de eerste plaats de beslagene) op de voorwerpen is.

Daarom zal de rechtbank gelasten dat de genoemde voorwerpen zullen worden bewaard ten

ten behoeve van de rechthebbende.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding

- Verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 6;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, en 5 ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [naam verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart [naam verdachte] strafbaar;

Straffen

- veroordeelt [naam verdachte] tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen onder nummers 51, 52, 53, 54, 55, 146, 147, 148 op de aan dit vonnis onder bijlage II gehechte beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. J.S. Holthuis en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 oktober 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, op of omstreeks 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2.477,3 gram, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine (diacetylmorfine), zijnde heroine (diacetylmorfine) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld (in totaal ongeveer 21.390,- Euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat voormeld(e) (hoeveelhe(i)d(en)) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld (in totaal ongeveer 21.390,- Euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld(e) (hoeveelhe(i)d(en)) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 2 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 2 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk

aanwezig heeft gehad, hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) M. [naam medeverdachte 2] en/of f. [naam medeverdachte 1] en/of K. [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 7] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde

en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, te weten het meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen, in elk geval het (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden of een hoeveelheid MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of het meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk

voorbereiden en/of bevorderen van voornoemd(e) feit(en);

5.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of buiten het grondgebied van

Nederland brengen van hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of heroine (diacetylmorfine) en/of cocaine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander heeft getracht te bewegen om voornoemd(e) feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen

en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van voornoemd(e) feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of voorwerpen en/of stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van voornoemd(e) feit(en) immers heeft hij, verdachte,

- (telkens) opzettelijk (potentiële) kopers van voornoemd(e) middel(en) benaderd en/of begeleid en/of vervoerd/doen vervoeren en/of

- (telkens) opzettelijk telefonisch(e) contact(en) onderhouden en/of

- (telkens) opzettelijk een of meer ruimte(n) geregeld/gereserveerd voor de verkoop van/handel in voornoemd(e) middel(en) en/of

- (telkens) opzettelijk prijsafspraken gemaakt ten behoeve van de verkoop van voornoemd(e) middel(en) en/of

- (telkens) opzettelijk voornoemd(e) middel(en) gemengd en/of vermengd en/of geperst en/of versneden en/of geprepareerd en/of

- (telkens) opzettelijk (een) metalen (hydraulische) pers(en) en/of mal(len) voorhanden gehad en/of

- (telkens) opzettelijk geld afkomstig van de verkoop van voornoemd(e) middel(en) en/of bestemd voor de aankoop van voornoemd(e) middel(en) voorhanden gehad;

6.

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009, in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte toen aldaar meermalen (telkens) opzettelijk ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van ((een) hoeveelhei(i)d(en)) geld gebruik gemaakt, terwijl

hij, verdachte, (telkens) wist dat dat/die hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld,

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat die hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 3 februari 2009 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van ((een) hoeveelhe(i)d(en)) geld,

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, (telkens) redelijkerwijs moest vermoeden dat die hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

BIJLAGE II: De beslaglijst

51 2009013527

1.00 STK GSM Kl:grijs

NOKIA 5800

6.1.0

52 2009013527

1.00 STK GSM Kl:zwart

NOKIA 06-22839213

53 2009013527

1.00 STK GSM Kl:zwart

NOKIA

54 2009013527

Geld Nederlands

610,- euro (IBG 3-2-09)

55 2009013527

1.00 STK Sleutelbos Kl:chroom

met 7 sleutels

146 20300206439

1.00 STK GSM Kl:grijs

NOKIA 5800

emei 354196022645772

147 20300206439

1.00 STK GSM Kl:zwart

NOKIA

registratienr. 06-22839213

148 20300206439

1.00 STK GSM Kl:zwart

NOKIA

emei 356835022097116

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700075-09

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 8 oktober 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

verblijvende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. J. Wöretshofer, voorzitter,

mr. J.S. Holthuis en mr. W.F.J. Aalderink, rechters,

mr. officier van justitie,

mr. S. Schmeets, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 24 september 2010 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.