Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO1950

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
142675 - FA RK 09-1053 en 131688 - S RK 08-866
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vader verzoekt de moeder te verbieden met de kinderen naar het buitenland, althans naar een plaats buiten een straal van 50 kilometer van haar huidige woonplaats te verhuizen. De moeder voert verweer en verzoekt juist vervangende toestemming om met de kinderen naar een bepaalde plaats in Duitsland te mogen verhuizen. De vader verzet zich daartegen. De rechtbank verleent geen toestemming voor deze verhuizing, en bepaalt dat de moeder met de kinderen niet naar een plaats buiten een straal van 50 kilometer van haar huidige woonplaats mag verhuizen. Een algemeen verbod te verhuizen naar het buitenland wordt te beperkend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/24
FJR 2011, 6 met annotatie van mr. P. Dorhout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

Zaaknummers: 142675 / FA RK 09-1053

131688 / S RK 08-866

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. R.P.F. Rober,

en:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.H.W. Clijsen.

1. Het (verdere) verloop van de procedure

Zaaknummer 131688 / S RK 08-866

Bij beschikking van deze rechtbank van 21 oktober 2009 is de echtscheidingsprocedure met zaaknummer 131688 / S RK 08-866, met betrekking tot een beslissing op het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen van partijen, de co-ouderschapsregeling, de partneralimentatie en kinderalimentatie, aangehouden in afwachting van een door de raad uit te brengen advies ter zake van het hoofdverblijf van de kinderen en de mogelijkheden voor het bestaan van een co-ouderschapsregeling in dezen.

De raad heeft op 14 januari 2010 een rapport uitgebracht.

Zaaknummer 142675 / FA RK 09-1053

De vader heeft op 18 juli 2009 een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De moeder heeft op 13 oktober 2009 een verweerschrift ingediend, dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

De moeder heeft nog gereageerd bij brieven, met bijlagen, van 24 november 2009 en 14 april 2010.

Zaaknummer 131688 / S RK 08-866 en 142675 / FA RK 09-1053

De zaken met bovengenoemde zaaknummers zijn op grond van het bepaalde in artikel 285 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gevoegd, en ter zitting van 19 april 2010 behandeld, waarbij de procedure is aangehouden voor de duur van acht weken, in afwachting van een door de raad te geven advies ter zake van de door de moeder voorgenomen verhuizing naar [P] (Duitsland).

De raad heeft op 28 juni 2010 een aanvullend rapport uitgebracht.

De moeder heeft nog gereageerd bij brief met bijlagen van 13 september 2010, alsmede bij brief van 15 september 2010.

De zaken zijn vervolgens ter zitting van 24 september 2010 nogmaals behandeld.

2. (Verdere) beoordeling

zaaknummer 131688 / S RK 08-866

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking van 21 oktober 2009 is overwogen en beslist.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de echtscheidingsprocedure aangehouden, in afwachting van een door de raad af te geven advies omtrent het hoofdverblijf van de minderjarigen:

- [kind A], geboren te [geboortegegevens] (verder: [A]);

- [kind B], geboren te [geboortegegevens] (verder: [B]);

en wenselijkheid van het bestaan van een co-ouderschapsregeling.

De raad heeft zijn visie ten aanzien van bovengenoemde geschilpunten verwoord in zijn rapport van 14 januari 2010 en geadviseerd het hoofdverblijf van genoemde minderjarigen te bepalen bij de moeder. De minderjarigen hebben altijd bij de moeder gewoond en functioneren daar, gezien de omstandigheden, goed. Uit voornoemd raadsonderzoek blijkt voorts dat de minderjarigen duidelijk last hebben van de scheidingsproblematiek van partijen en dat de minderjarigen kampen met loyaliteitsgevoelens. Daardoor bestaat bij de minderjarigen de dringende behoefte aan duidelijkheid, structuur en rust. Gezien het vorenstaande zijn de minderjarigen niet gebaat bij een verandering in hun thuissituatie. Bovendien zou [kind C], de dochter van de moeder uit een eerdere relatie met de heer [J], gescheiden worden van [A] en [B] indien het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vader zou worden bepaald. De kinderen zijn met elkaar opgegroeid in gezinsverband, waardoor een gescheiden hoofdverblijf van hen schadelijke gevolgen kan hebben voor hun verdere ontwikkeling.

Met betrekking tot de vaststelling van een verblijfsregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, adviseert de raad om een uitgebreide verblijfsregeling vast te stellen ten behoeve van de vader en de minderjarigen. Gebleken is dat de minderjarigen een sterke band hebben met de vader. Daarnaast heeft [A] aangegeven dat zij de situatie het liefst gehandhaafd ziet zoals die nu is. De raad adviseert dan ook een verblijfsregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen éénmaal in de veertien dagen gedurende het weekend van vrijdag na school tot maandag voor schooltijd, alsmede in de tussenliggende weken op woensdag na school tot donderdag voor schooltijd, bij de vader kunnen verblijven, waarbij de vader de kinderen van school ophaalt en ze daar ook weer terugbrengt. Daarnaast adviseert de raad dat de minderjarigen gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader kunnen verblijven, waaraan partijen in onderling overleg nader invulling dienen te geven.

zaaknummer 142675 / FA RK 09-1053

De vader stelt te hebben begrepen dat de moeder voornemens is samen met de minderjarigen naar Duitsland te verhuizen, om aldaar een nieuw bestaan op te bouwen. Een dergelijke verhuizing heeft drastische gevolgen voor de bestaande verblijfsregeling ten behoeve van de vader en de minderjarigen, temeer nu de vader een zwakke gezondheid heeft. Bij verzoekschrift van 28 juli 2009 verzoekt de vader derhalve om de moeder te verbieden met de minderjarigen naar het buitenland te verhuizen, althans te verhuizen naar een plaats gelegen buiten een straal van 50 kilometer van de huidige woonplaats van de moeder, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de moeder zich niet houdt aan het aan haar opgelegde verbod.

De moeder heeft naar aanleiding van het verzoek van de vader op 13 oktober 2009 een verweerschrift ingediend, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek. De moeder erkent dat zij het voornemen heeft met de minderjarigen te verhuizen naar [P] en verzoekt de rechtbank daartoe aan haar vervangende toestemming te verlenen. Daarnaast verzoekt de moeder om een verklaring voor recht, dat de minderjarigen, ook na de verhuizing naar [P], het hoofdverblijf bij haar zullen hebben.

In het kader van de vaststelling van een verblijfsregeling verzoekt de moeder te bepalen dat de minderjarigen éénmaal in de vier weken, in de woonomgeving van de minderjarigen, van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor schooltijd, alsmede gedurende de helft van de vakanties bij de vader kunnen verblijven, waarbij de minderjarigen gedurende de zomervakantie ten minste vier aaneengesloten weken bij de vader kunnen verblijven. Daarnaast kunnen de minderjarigen via e-mail dan wel Skype contact behouden met de vader. De moeder geeft aan dat zij de vader zal helpen bij het verkrijgen van een accommodatie voor zijn verblijf in Duitsland en is bereid om haar aandeel in het halen en brengen van de minderjarigen op zich te nemen.

De moeder stelt dat zij zich genoodzaakt ziet om te verhuizen naar [P], nu zij in haar huidige woonomgeving geen mogelijkheden ziet om op geheel zelfstandige wijze in haar eigen levensonderhoud en dat van de minderjarigen te voorzien. De moeder heeft aan de vader herhaaldelijk maar tevergeefs verzocht om haar financieel te ondersteunen, opdat zij in de voormalige echtelijke woning kon blijven wonen en daar haar beroep als hoefverzorgende uit kon voeren. Na het nodige onderzoek te hebben verricht heeft de moeder de mogelijkheid geboden gekregen om in Duitsland een onderneming over te nemen, alwaar zij onder andere haar beroep als hoefverzorgende kan gaan uitoefenen. Mogelijkheden dichter bij haar huidige woonplaats stelt de moeder niet te hebben gevonden. Daarnaast is zij als Duitse naar Nederland gekomen voor de relatie met de vader. Nu die relatie beëindigd is, wil zij terugkeren naar Duitsland.

Bovendien stelt de moeder dat zij, indien zij de desbetreffende onderneming in [P] zal voortzetten, haar werkzaamheden goed kan combineren met de zorg voor de minderjarigen. Naar mening van de moeder zijn de kinderen zelf ook gebaat bij de beoogde verhuizing, omdat die garandeert dat hun moeder in het levensonderhoud kan voorzien en zij zoveel mogelijk hun huidige levensstijl rond paarden kunnen continueren. De rust die een verhuizing naar [P] voor de moeder zou brengen, zou naar haar mening een positief effect op de kinderen en de onderlinge verstandhouding van de ouders hebben. Ook de zorg voor en de scholing van de kinderen zou in [P] gewaarborgd zijn.

Tevens zou de verhuizing in het belang zijn van [kind C], omdat zij dan meer contact met haar Duitse vader zou kunnen hebben.

Ter zitting van 19 april 2010 heeft de vader tegen het zelfstandige verzoek van de moeder gemotiveerd verweer gevoerd.

In de visie van de vader heeft de moeder zich onvoldoende ingespannen om in haar eigen woonomgeving, althans binnen een straal van 50 kilometer van haar huidige woonplaats, een passende baan te vinden. De moeder heeft alleen de mogelijkheden onderzocht om werkzaamheden te verrichten als hoefverzorgende, echter andere beroepsmogelijkheden heeft zij onbelicht gelaten. Dit terwijl zij tijdens haar werkzaam leven bijvoorbeeld ook in de horeca heeft gewerkt. De vader kan de noodzaak van een verhuizing naar [P] niet inzien.

Bovendien heeft de raad in zijn rapport van 14 januari 2010 geadviseerd een uitgebreide verblijfsregeling ten behoeve van de vader en de minderjarigen vast te stellen. Indien de moeder met de minderjarigen naar Duitsland verhuist, is de verblijfsregeling conform het advies van de raad niet meer uitvoerbaar, hetgeen de vader niet in het belang van de minderjarigen acht.

zaaknummers 131688 / S RK 08-866 en 142675 / FA RK 09-1053

De raad heeft, op verzoek van de rechtbank, op 28 juni 2010 advies uitgebracht ten aanzien van de door de moeder voorgenomen verhuizing naar Duitsland. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een verhuizing naar Duitsland niet in het belang is te achten van de minderjarigen. Gebleken is dat de minderjarigen zichtbaar last hebben van de toenemende ruzies tussen partijen. De raad achtte de situatie rondom [A] en [kind C] dermate zorgwekkend, dat ten behoeve van genoemde minderjarigen een verzoek tot ondertoezichtstelling is gedaan. Deze verzoeken zijn weliswaar afgewezen, echter van een zorgelijke situatie is volgens de raad wel degelijk sprake. De raad heeft in zijn eerdere rapport van 14 januari 2010 reeds geadviseerd dat een wijziging van woonplaats c.q. hoofdverblijf van de minderjarigen, niet in hun belang kan worden geacht, nu de minderjarigen behoefte hebben aan duidelijkheid, rust en regelmaat. Daarnaast heeft de raad geadviseerd een uitgebreide verblijfsregeling vast te stellen ten behoeve van de vader en de minderjarigen. Door een verhuizing naar Duitsland kan aan een uitgebreide verblijfsregeling geen uitvoering gegeven worden, hetgeen, gelet op de hechte band die bestaat tussen de vader en de minderjarigen, niet in het belang is van de minderjarigen. Een verhuizing naar Duitsland zal de sociaal-emotionele problematiek die de minderjarigen thans ervaren, alleen maar doen toenemen. De raad waarschuwt daarnaast voor identiteitsproblemen die bij de minderjarigen kunnen ontstaan, indien zij slechts beperkt contact kunnen hebben met de vader. Daarbij komt nog dat de communicatie tussen partijen in de loop van de procedure aanzienlijk verslechterd is. Een verhuizing naar Duitsland zal de verhouding tussen partijen, aldus de raad, alleen maar verder op scherp stellen. Het is nu juist in het belang van de minderjarigen dat partijen hun onderlinge communicatie verbeteren.

De moeder heeft bij brief van 15 september 2010 haar aanvankelijke verzoek strekkende tot de vaststelling van een omgangsregeling ten behoeve van de vader en [kind C] ingetrokken, nu [kind C] moeite heeft om uitvoering te geven aan die verblijfsregeling. Het feit dat [kind C] samen met [A] en [B] bij de vader verblijft, ervaart [kind C] als te belastend. [kind C] wil de vader wel graag bezoeken, maar dan in een vrijwillig kader. Ten behoeve van [kind C] bestaat ook nog een verblijfsregeling met haar eigen vader. Ter zitting heeft de moeder nog toegelicht dat de vader van [kind C] ook weer in beeld is bij de moeder. Hij verblijft bij de moeder, en heeft via zijn werkgever [X] geregeld dat hij voor de vestiging in [S] kan werken. Indien de moeder naar Duitsland kan verhuizen, zal de vader van [kind C] meegaan en ook daar voor zijn werkgever werkzaamheden kunnen verrichten.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen [A] en [B] hun hoofdverblijf bij de moeder te krijgen. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het advies van de raad, waarin de raad stelt dat de kinderen altijd bij de moeder hebben verbleven, en daar -gezien de omstandigheden- goed functioneren. Weliswaar stelt de vader dat hij liever een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken had gezien, maar de rechtbank is van oordeel dat het gebrek aan onderling vertrouwen en communicatie tussen de ouders hiervoor te grote risico's met zich brengt. Een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vergt in het algemeen een goede afstemming tussen de ouders, en dat acht de rechtbank tussen partijen nu niet mogelijk. Daarvoor is hun onderlinge verstandhouding op dit moment te slecht.

Wel onderschrijft de rechtbank het standpunt van de raad dat er een uitgebreide verblijfsregeling moet bestaan tussen de kinderen en de vader, met wie zij een goede band hebben. De raad heeft een voorstel gedaan met betrekking tot de invulling van die regeling, met in de ene week een verblijf van een lang weekend, en in de andere week op een doordeweekse dag met overnachting. Of een dergelijke regeling mogelijk is, hangt mede af van het al dan niet verlenen van toestemming aan de moeder om met de kinderen naar [P] te verhuizen. Immers vast staat dat indien de moeder met de kinderen daarheen verhuist, de grote afstand van ruim 600 kilometer de voorgestelde regeling onmogelijk maakt.

Bij de beantwoording van de vraag of het de moeder zal zijn toegestaan met de kinderen naar [P] te verhuizen, dienen alle betrokken belangen in acht genomen te worden. De belangen van de kinderen staan daarbij voorop, zonder dat dit wegneemt dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414).

De rechtbank stelt voorop dat partijen als ex-echtelieden na de echtscheiding een nieuwe start moeten kunnen maken, en zo min mogelijk beperkt dienen te worden in het vinden van een nieuwe leef- en werkomgeving. Echter zeker wanneer er sprake is van een verdeling van zorg- en opvoedingstaken voor kinderen, dienen partijen zich bij het maken van die nieuwe start elkaars belangen, en vooral ook die van de kinderen, aan te trekken.

De raad heeft gesteld dat de kinderen door een verhuizing naar [P] verder onder druk zouden komen te staan. Er zou minder gelegenheid zijn om de huidige hechte band tussen de vader en de kinderen te onderhouden. Daarnaast is er thans sprake van een instabiele opvoedingssituatie, en zijn de kinderen gebaat bij een rustige, veilige en stabiele situatie, waarin zij zich vrij kunnen bewegen in hun relatie met hun beide ouders. Een verhuizing naar [P] zou hieraan niet bijdragen. De ouders zijn door hun gebrekkige communicatie onvoldoende in staat om de moeilijkheden die een grote afstand tussen de kinderen en een van hen kan veroorzaken het hoofd te kunnen bieden.

De rechtbank deelt de door de raad geuite zorg dat door een verhuizing naar [P], en de daarmee gecreëerde geografische afstand tussen de vader en de kinderen, de verstandhouding tussen de vader en de kinderen, en tussen de ouders onderling onder druk kan komen te staan. De huidige verstandhouding tussen de ouders is dermate slecht, dat de rechtbank de door de raad geschetste risico's reëel acht. Daarnaast zou een dergelijke verhuizing de vader beperken in zijn mogelijkheden om invulling te geven aan zijn zorg- en opvoedingstaken. Mogelijk zou een dergelijke beperking te rechtvaardigen zijn, indien kan worden geconcludeerd dat er voor de moeder, bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben, zwaarwegende redenen zijn om zich in [P] te vestigen.

De rechtbank is echter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat dergelijke zwaarwegende redenen aanwezig zijn. De moeder heeft niet aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om middels passende arbeid in de buurt van haar huidige woonplaats in haar levensonderhoud te voorzien. Indien het in de paardenwereld minder goed mogelijk is om dichtbij alternatieven te vinden, zoals de moeder stelt, ligt het op de weg van de moeder om ook andere carrièremogelijkheden te onderzoeken. Dit te meer nu de vader onweersproken heeft gesteld dat de moeder eerder ook een andere werkkring had. De verplichting die op de moeder rust om te bevorderen dat ook de vader zoveel mogelijk deel kan uitmaken van het leven van de kinderen weegt naar het oordeel van de rechtbank dan zwaarder dan haar wens om met name in de paardenwereld beroepsmatig actief te zijn. Dat de kinderen zelf baat hebben bij contact met paarden acht de rechtbank geen doorslaggevend argument, daar het daartoe niet vereist is dat de moeder werkzaam is in de paardenwereld. Dat de moeder geen andere mogelijkheden heeft dan die in de paardenwereld is de rechtbank verder niet gebleken.

Voor de wens van de moeder om naar Duitsland terug te keren, is het niet noodzakelijk dat zij naar [P] verhuist. [P] ligt in een ver van Nederland verwijderde regio in Duitsland, met welke regio de moeder nog geen band heeft. Het zou voor de moeder ook mogelijk zijn om in Duitsland te wonen, zonder dat sprake is van een ten aanzien van de verblijfsregeling belemmerende reisafstand.

Verder constateert de rechtbank dat weliswaar de heer [J] weer in beeld is bij de moeder, maar dat hij zijn werkzaamheden naar de regio van de moeder heeft kunnen verplaatsen en daar inmiddels ook woont. Ook de band tussen de moeder, de heer [J] en [kind C] maakt daarmee niet dat een verhuizing naar [P] noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen het belang van de kinderen bij het in stand houden van hun intensieve band met hun vader en het belang van de vader bij het zo veel mogelijk invulling kunnen geven aan de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen daarmee zwaarder te wegen dan het belang van de moeder bij een verhuizing naar [P] om daar een onderneming over te kunnen nemen. Het verzoek van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [P] te verhuizen zal dan ook worden afgewezen. Daarmee zal ook het verzoek om ten behoeve van de verhuizing naar [P] een verklaring voor recht te geven worden afgewezen.

Het verzoek van de vader om de moeder te verbieden naar het buitenland te verhuizen zal in zijn algemeenheid eveneens worden afgewezen. Dit verzoek van de vader is ingegeven door zijn wens een frequent contact tussen hem en de kinderen mogelijk te laten zijn. De geografische ligging van de woonplaats van de vader maakt dat een dergelijk frequent contact ook mogelijk kan zijn indien de moeder in bepaalde delen van Duitsland of België woont. De verzochte maatregel zou de moeder dan ook onnodig beperken in haar bewegingsvrijheid.

Tegen het verzoek van de vader om een straal van 50 kilometer vanaf de huidige woonplaats van de moeder aan te houden als grens van het gebied waarbinnen de moeder mag verhuizen heeft de moeder geen ander verweer gevoerd dan dat zij zich in [P] wenst te vestigen. Nu dat niet zal worden toegestaan, zal het verzoek van de vader om de genoemde straal aan te houden worden toegewezen. De rechtbank betrekt daar ook bij dat met die afstand de moeder niet te zeer beperkt wordt in haar mogelijkheden een nieuwe start te maken, terwijl de mogelijkheid van een frequent contact tussen de vader en de kinderen voldoende gewaarborgd is.

Gebleken is dat de moeder tot op heden de uitkomst van deze procedure heeft afgewacht. Ook verder is niet aannemelijk geworden dat de moeder een rechterlijk oordeel naast zich neer zal leggen. Om die reden zal de rechtbank het verzoek om aan het verbod een dwangsom te verbinden afwijzen.

Ervan uitgaande dat de moeder binnen een straal van 50 kilometer van haar huidige woonplaats zal blijven wonen, is de door de raad voorgestelde verblijfsregeling feitelijk realiseerbaar. Nu anders dan de hiervoor besproken opties van een co-ouderschapsregeling (door de vader) en van de verhuizing naar [P] (door de moeder) niets is aangevoerd op grond waarvan de door de raad voorgestelde regeling niet wenselijk zou zijn, en deze voorgestelde regeling ook naar het oordeel van de rechtbank recht doet aan de gebleken goede band tussen de vader en de kinderen, zal de verblijfsregeling conform het advies van de raad worden vastgelegd.

zaaknummer 131688 / S RK 08-866

In de beschikking van 21 oktober 2009 is het verzoek omtrent verdeling afgesplitst (zaaknummer 145871 / S RK 09-1153) en zijn niet alleen de beslissingen omtrent het co-ouderschap, het hoofdverblijf en de omgangsregeling (de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken), maar ook de beslissingen omtrent de kinder- en partneralimentatie aangehouden. Nu met de huidige beschikking duidelijkheid ontstaat over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, wordt het ook mogelijk om over de kinder- en partneralimentatie te beslissen. Het laatste inhoudelijke debat is tussen partijen reeds ruim een jaar geleden gevoerd, waarmee thans onvoldoende zicht bestaat op de actuele financiële situatie van partijen.

Beide partijen zullen om die reden in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken na heden de rechtbank te informeren omtrent hun eigen financiële positie, waarna zij binnen vier weken daarna op elkaars stellingen kunnen reageren, onder opgave van verhinderdata zodat opnieuw een mondelinge behandeling kan worden bepaald.

3. Beslissing

De rechtbank:

zaaknummer 131688 / S RK 08-866

bepaalt dat het hoofdverblijf van [A] en [B] bij de moeder zal zijn;

bepaalt dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken [A] en [B] bij de vader zullen verblijven:

- éénmaal in de veertien dagen gedurende het weekend van vrijdag na school tot maandag voor schooltijd, alsmede in de tussenliggende weken op woensdag na school tot donderdag voor schooltijd, waarbij de vader de kinderen van school ophaalt en ze daar ook weer terugbrengt;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader in te vullen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer anders of anders verzochte ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

houdt iedere verdere beslissing op de verzoeken met betrekking tot partner- en kinderalimentatie aan voor de duur van vier weken, in afwachting van bericht van beide partijen.

zaaknummer 142675 / FA RK 09-1053

verbiedt de moeder met de minderjarigen te verhuizen naar een plaats gelegen buiten een straal van 50 kilometer van de huidige woonplaats van de moeder ([woonplaats]);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover het geen tussenbeschikking betreft en uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

ten aanzien van zaaknummer 131688 / S RK 08-866

door de echtgenoten; een in eerste aanleg niet verschenen echtgenoot kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

ten aanzien van zaaknummer 142675 / FA RK 09-1053

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.