Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO1720

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
03-853050-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van overtreding van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank overweegt dat verdachte alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die van hem als bestuurder verwacht mogen worden. De omstandigheid dat verdachte alcohol had genuttigd, doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/853050-10

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsvrouw is mr. A. Carli, advocate te Roermond.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 11 oktober 2009, in Geleen, gemeente Sittard-Geleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg Centrum, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,

- na gebruik van alcoholhoudende drank -

met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig achteruit over voornoemde Rijksweg Centrum te rijden teneinde zijn, verdachtes, personenauto in een parkeervak te parkeren, op het moment dat een voetganger, welke op een op voornoemde weg gelegen en voor hem, verdachte, duidelijk herkenbare voetgangersoversteekplaats, doende was de rijbaan van die Rijksweg centrum over te steken, tengevolge waarvan er een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voetganger,

door welk verkeersongeval [naam benadeelde partij], zijnde die voetganger, zwaar lichamelijk letsel (gebroken bekken), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn adem 160 microgram, in ieder geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht te zijn;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

a.

hij op of omstreeks 11 oktober 2009, in Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 160 [alcoholgehalte] microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

b.

hij op of omstreeks 11 oktober 2009, in Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg centrum,

- na gebruik van alcoholhoudende drank -

met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig achteruit over voornoemde Rijksweg Centrum heeft gereden teneinde zijn, verdachtes, personenauto in een parkeervak te parkeren, op het moment dat een voetganger, welke op een op voornoemde weg gelegen en voor hem, verdachte, duidelijk herkenbare voetgangersoversteekplaats, doende was de rijbaan van die Rijksweg centrum over te steken, tengevolge waarvan er een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voetganger,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot de vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte van het primair tenlastegelegde vrij, omdat verdachte, voordat hij met zijn auto achteruit ging rijden, alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die van hem als bestuurder verwacht mochten worden. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij in alle spiegels en over zijn schouder heeft gekeken, en dat hij vervolgens zijn gevaarslichten aan heeft gedaan alvorens achteruit te rijden. De omstandigheid dat verdachte alcohol had genuttigd, doet hier niet aan af. Weliswaar was het gemeten alcoholgehalte (160 ug/l) meer dan wettelijk is toegestaan voor een beginnend bestuurder als verdachte, maar naar het oordeel van de rechtbank was dit gehalte niet zodanig hoog dat zonder meer moet worden aangenomen dat verdachtes rijgedrag hierdoor zo nadelig werd beïnvloed dat als gevolg hiervan de aanrijding heeft plaatsgevonden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde onder a. en b. heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair onder a.

hij op 11 oktober 2009, in Geleen, als bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 160 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

subsidiair onder b.

hij op 11 oktober 2009, in Geleen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg Centrum,

met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig achteruit over voornoemde Rijksweg Centrum heeft gereden teneinde zijn, verdachtes, personenauto in een parkeervak te parkeren, op het moment dat een voetganger, welke op een op voornoemde weg gelegen en voor hem, verdachte, duidelijk herkenbare voetgangersoversteekplaats, doende was de rijbaan van die Rijksweg centrum over te steken, tengevolge waarvan er een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voetganger,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

PM

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

subsidiair onder a.

overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994;

subsidiair onder b.

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde en heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid niet nodig acht.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de raadsvrouw ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft in een auto gereden met te veel alcohol op. Bovendien is hij achteruit gereden met zijn auto, waarbij hij een voetganger heeft geraakt die op een voetgangersoversteekplaats liep. Deze voetganger is hierdoor gewond geraakt.

Blijkens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS is een geldboete van € 250,- op zijn plaats in geval van rijden onder invloed met een alcoholgehalte van 160 ug/l. De rechtbank acht deze straf passend en zal deze dan ook opleggen ten aanzien van het subsidiair onder a bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van het subsidiair onder b. bewezenverklaarde feit zal de rechtbank eveneens een geldboete van € 250,- opleggen. Ze heeft hierbij gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Nu verdachte een blanco strafblad heeft, de Reclassering in haar rapport van 20 mei 2010 geen problemen met betrekking tot de verdachte signaleert en het bewezenverklaarde omschrijft als een “incident” en verdachtes spijtbetuiging ter terechtzitting oprecht overkomt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, zoals door de officier van justitie gevorderd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde onder a. en b., zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde subsidiair onder a. tot een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis;

- veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde subsidiair onder b. tot een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. A.W. Oosterman en mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Drenth, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 24 augustus.

Buiten staat

Mr. Oosterman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/853050-10

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 24 augustus 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Deze zaak valt onder het verlofstelsel.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw mr. A. Carli, advocate te Roermond.