Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BO0326

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
152289 / FA RK 10-955
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijf minderjarige, alsmede vaststelling van een omgangsregeling ten behoeve van de niet-verzorgende ouder in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (artikel 1:253a BW).

De rechter kan het hoofdverblijf van de minderjarige wijzigen indien hem dit, in het belang van het kind, wenselijk voorkomt. Daaruit mag overigens niet worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. In dergelijke gevallen dient de rechtbank bij haar beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen (vgl. HR 25 april 2008, LJN: BC5901). Anders gezegd: het belang van het kind hoeft niet altijd, niet onder elke omstandigheid en zeker niet als vanzelfsprekend de doorslag te geven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/9 met annotatie van J.H. de GraafGraafdeJ.H

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 20 augustus 2010

Zaaknummer: 152289 / FA RK 10-955

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de vader],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L.J.G. de Haas,

en:

[de moeder],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. A.J. Crombag.

1. Het verloop van de procedure

De vader heeft op 30 juni 2010 een verzoekschrift tot wijziging van het hoofdverblijf ingediend.

Op 9 augustus 2010 heeft de vader nog een productie overgelegd.

De moeder heeft op 11 augustus 2010 een verweerschrift ingediend, dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2010 plaatsgevonden.

Op 16 augustus 2010 heeft de vrouw een schriftelijke reactie gegeven.

2. De feiten

[de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) is geboren te [geboortegegevens] uit het huwelijk van de moeder en de vader.

Bij beschikking van 18 juli 2003 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 14 augustus 2003 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade.

In het kader van de echtscheiding hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt, onder andere daarover dat de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] zullen blijven uitoefenen en dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben. Tevens is tussen partijen een omgangsregeling vastgesteld op grond waarvan [de minderjarige] een weekend per veertien dagen alsmede de helft van de vakanties, feestdagen en verjaardagen bij zijn vader verblijft. Aan deze regeling is consequent uitvoering gegeven, waarbij de ouders elkaar steeds halverwege treffen. Aldus brengt de moeder [de minderjarige] op vrijdag naar [adres], waar de vader hem ophaalt en die brengt hem vervolgens op zondagavond ook weer terug naar [adres], waar de moeder [de minderjarige] weer meeneemt naar [woonplaats].

[de minderjarige] heeft voor de vakantie groep 8 van de basisschool in [woonplaats] gevolgd, maar zal na de zomervakantie voor het eerst de middelbare school bezoeken, hetzij in [adres], hetzij in [adres]. Voor beide scholen is [de minderjarige] inmiddels aangemeld en ingeschreven.

3. Het verzoek en het verweer

De vader heeft verzocht het hoofdverblijf van [de minderjarige] te wijzigen, in die zin dat [de minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijf bij hem in [woonplaats] zal hebben. Tegelijkertijd heeft de vader verzocht een omgangsregeling ten behoeve van de moeder vast te stellen.

De vader heeft hiertoe aangevoerd dat [de minderjarige] sinds jaar en dag aangeeft dat hij liever in het gezin van zijn vader in [woonplaats] wil gaan wonen. Die wens heeft de vader niet met de moeder kunnen bespreken, ook niet na tussenkomst van RIAGG/GGZ Maastricht. Volgens de man gaat het hier niet om een opwelling maar spruit de wens van [de minderjarige] voort uit een "sterke innerlijke drang waar al lange tijd uitdrukking aan wordt gegeven". Het is de bestendige uitdrukking van de eigen wil van [de minderjarige].

De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor het geval de rechtbank zou beslissen dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] voortaan bij de vader is, heeft zij een even ruimhartige verblijfsregeling bepleit als de vader thans heeft. In de allereerste plaats echter stelt de moeder zich op het standpunt dat wijziging van de huidige verblijfsregeling niet in het belang is van [de minderjarige]. Zij beseft dat zij daarmee lijnrecht tegenover de vader staat.

De moeder betwist de wens van [de minderjarige] om bij zijn vader te gaan wonen weliswaar niet, maar anders dan de vader aanvoert gaat het hier niet zozeer om een diepgewortelde en oprechte wens van [de minderjarige] maar veeleer om een wens die in de loop der jaren tot stand is gekomen door structurele beïnvloeding en sturing van buitenaf. In dat verband voert de moeder aan dat zij voor het eerst een kentering in het gedrag van [de minderjarige] heeft bespeurd toen hij zeven jaar oud was. In die periode kwam [de minderjarige] vaak overstuur en verward thuis van omgangsweekenden bij zijn vader waarbij hij zich hardop afvroeg "hoe het toch allemaal moest gaan als hij twaalf jaar oud was". Sindsdien is [de minderjarige] blijven volhouden, zo stelt de moeder, dat het eerlijker zou zijn als hij de volgende zes jaren bij zijn vader zou gaan wonen.

Daar komt volgens de moeder bij dat [de minderjarige] bekend is met angsten en sociale gedragsproblemen, die de vader niet waarneemt maar waarvoor [de minderjarige] wel in behandeling is. Ook om die reden vindt de moeder het belang van [de minderjarige] meer en beter ermee gediend als hij voorlopig in zijn vertrouwde omgeving zou kunnen blijven.

De overgang naar de middelbare school zal bovendien al zwaar genoeg zijn voor hem. Weliswaar maakt [de minderjarige] vorderingen en kan hij steeds beter omgaan met zijn angsten, maar de stapjes die [de minderjarige] zet - de reis naar Engeland heeft zij als voorbeeld aangehaald - acht de moeder te klein om reeds nu op verantwoorde wijze een zo grote overstap als die naar [woonplaats] is, te kunnen maken. De moeder meent dat [de minderjarige] de consequenties van zijn keuze, op het sociale vlak vooral, in het geheel niet kan overzien.

Ten slotte wijst de moeder erop dat het ook haar niet is ontgaan dat [de minderjarige] ontzettend worstelt met de vraag waar hij zal gaan wonen en dat de kwestie als een zware last op zijn schouders drukt. Alleen al om die reden, en daar is zij het hardvochtig eens met de vader, moet er snel duidelijkheid komen.

4. De beoordeling

4.1 Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de omgangsregeling tussen de niet verzorgende ouder en [de minderjarige]. Op grond van artikel 1:253a BW kan een dergelijk geschil tussen de ouders, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, aan de rechter ter beslissing worden voorgelegd.

4.2. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daaruit mag overigens niet worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechtbank zal bij haar beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen (vgl. HR 25 april 2008, LJN: BC5901). Anders gezegd: het belang van het kind hoeft niet altijd, niet onder elke omstandigheid en zeker niet als vanzelfsprekend de doorslag te geven.

4.3. Sinds het uiteengaan van partijen heeft [de minderjarige] zijn hoofdverblijf gehad bij de moeder in [woonplaats]. De vader verzoekt thans voor de eerste maal het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem in [woonplaats] te bepalen. De vader stelt hiertoe dat [de minderjarige] sinds geruime tijd een uitgesproken wens heeft, voortkomend uit een sterke innerlijke drang om bij hem te komen wonen. De moeder bestrijdt niet dat [de minderjarige] de wens heeft om bij zijn vader te gaan wonen, maar trekt wel sterk in twijfel of die wens daadwerkelijk berust op de innerlijke overtuiging van [de minderjarige] of veeleer is gevoed door gevoelens van loyaliteit tegenover zijn vader. Bovendien acht de moeder [de minderjarige], kort samengevat, niet klaar voor een definitieve verhuizing naar [woonplaats].

4.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank, buiten aanwezigheid van alle betrokkenen, ook [de minderjarige] zelf gehoord. Bij die gelegenheid heeft [de minderjarige], op de rechtbank weinig doorleefd overkomend, onder woorden gebracht heel graag naar [woonplaats] te willen verhuizen en daarbij positieve verwachtingen te hebben. Inzicht in zijn beweegreden heeft [de minderjarige] niet echt verschaft. Hij zegt vooral zich in [woonplaats] meer thuis te voelen en daar meer rust te krijgen dan thuis bij de moeder in [woonplaats] en hoewel de rechtbank beseft dat dit moeilijk is, heeft [de minderjarige] niet goed kunnen uitleggen waarom. [de minderjarige] zegt bovendien niet op te zien tegen de grote verandering die een verhuizing naar [woonplaats] meebrengt. Dat hij zijn vriendjes in [woonplaats] achter moet laten, in [woonplaats] een nieuwe middelbare school en nieuwe voetbalclub moet zoeken, vindt hij ogenschijnlijk geen enkel probleem en de ongemakken daarvan is hij bereid op de koop toe te nemen. Dat zou kunnen betekenen dat [de minderjarige], zoals moeder vreest, de gevolgen van de verhuizing naar [woonplaats] onderschat maar met evenveel recht kan worden beweerd dat hij de gevolgen van zijn keuze wel overziet. Zekerheid daarover kan ook de rechtbank niet bieden.

4.5. Hoewel het lijdend voorwerp in dit geschil, [de minderjarige], zich - in woord - onvoorwaardelijk achter de vader heeft geschaard, is het niet [de minderjarige] die de keuze in dezen maakt. Van een jongen van 12 jaar oud mag een dergelijke beslissing ook niet worden verwacht.

4.5.1. Waar de beide ouders van [de minderjarige], ieder met valide argumenten, lijnrecht tegenover elkaar staan en een onderling vergelijk door middel van mediation tevergeefs is beproefd, ligt het omwille van de zorgvuldigheid in de rede de raad in te schakelen teneinde een onderzoek te doen naar de vraag waar [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zou behoren te hebben. De raad heeft dat aanvankelijk ook ondersteund, maar de bereidheid tot het doen van onderzoek naar de in het belang van [de minderjarige] meest wenselijke hoofdverblijfplaats heeft de raad naarmate de mondelinge behandeling vorderde laten varen. De raad heeft hierbij met name acht geslagen op het feit dat de verhuizing voor [de minderjarige] een groot thema is. Dat onderschrijft ook de moeder en ook uit het bij beide ouders bekende verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van 10 juni 2010 komt onomwonden naar voren dat het goed is voor [de minderjarige] dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt rondom zijn woonsituatie. De conclusie die de raad hieraan verbindt, komt erop neer dat de rechtbank de knoop maar moet doorhakken. Daarbij heeft de raad de beide ouders voorgehouden dat bij [de minderjarige] bovenal behoefte bestaat aan snelle duidelijkheid en dat een onderzoek door de raad daarmee niet valt te verenigen.

4.5.2. De raad heeft bij monde van zijn vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling de rechtbank voorgehouden dat zij in dit geschil in wezen geen foute beslissing kan nemen. De raad acht het wel van het grootste belang dat de beide ouders, hoe de beslissing van de rechtbank ook uitpakt, samen volledig achter de uitvoering daarvan gaan staan. Wat dat laatste betreft, ook de rechtbank is ervan overtuigd dat, als de ouders achter de beslissing blijven staan, [de minderjarige], of hij het nu met die beslissing eens is of niet, zijn weg naar verloop van tijd wel weer zal vinden. Door de ouders zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld die de rechtbank hieraan zouden moeten doen twijfelen.

Weliswaar heeft de moeder angsten en sociale gedragsproblemen bij [de minderjarige] benoemd, waarvoor hij ook in behandeling is geweest, maar die behandeling is met succes afgerond. Naar de moeder zelf zegt, en [de minderjarige] bevestigt, gaat het inmiddels veel beter met [de minderjarige], met de positieve ervaringen rondom de reis van [de minderjarige] naar Engeland als beste voorbeeld daarvan.

4.6. De tijdens de mondelinge behandeling door de raad voorgestane visie en met de woorden van de raad in het achterhoofd dat het nemen van een foute beslissing in deze zaak niet mogelijk is, heeft de rechtbank ertoe gebracht de ouders voor te stellen "het dan maar gewoon te proberen". De moeder heeft dat voorstel, na een weekend bedenktijd, niet aangedurfd. Op zichzelf is dat invoelbaar. De moeder heeft immers, terecht of niet, sterke twijfels aan de echte wil van [de minderjarige] en bovendien, naar zij zelf heeft toegegeven, is zij er zelf nog niet aan toe [de minderjarige] los te laten. Door in te stemmen met een verhuizing van [de minderjarige] naar [woonplaats] onder het motto "het dan maar gewoon te proberen" vraagt de rechtbank in feite van de moeder dat zij van vandaag op morgen, in ieder geval op heel korte termijn, de dagelijkse vertrouwdheid met haar enige zoon prijsgeeft. Aan dat idee, en ook dat acht de rechtbank voorstelbaar, is de moeder nu eenmaal (nog) niet gewend. Onder die omstandigheden verbaast het de rechtbank niet dat de moeder een dergelijke ook voor haar ingrijpende beslissing liever door een onafhankelijk en onpartijdige derde ziet worden genomen.

4.7. De consequentie hiervan is dat de rechtbank thans de knoop moet doorhakken.

4.8. Voorop staat dat de moeder en de vader beiden goede ouders zijn. Weliswaar hebben zij ieder een eigen, niet geheel met die van de ander overeenkomende opvoedingsstijl, maar dat op zichzelf maakt niet dat de een meer of minder geschikt zou zijn dan de ander om de dagelijkse verzorgings- en opvoedingstaken van [de minderjarige] op zich te nemen. Beide ouders menen ook oprecht in het belang van [de minderjarige] te handelen: de een door vast te houden aan het verblijf van [de minderjarige] in [woonplaats], de ander door de verhuizing van [de minderjarige] naar [woonplaats] te bepleiten.

4.8.1. Iedere verhuizing heeft voor- en nadelen voor kinderen. Voor ieder kind geldt bovendien dat de start op een middelbare school een belangrijke gebeurtenis is, waar niet zelden met de nodige spanning naar wordt uitgezien. [de minderjarige] vormt daarin beslist geen uitzondering.

4.8.2. [de minderjarige] heeft nu het hoofdverblijf bij zijn moeder en een uitgebreide omgangsregeling met zijn vader. Die verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen heeft tot nu toe niet tot onoverkomelijke problemen geleid. [de minderjarige] heeft met beide ouders (en de wederzijdse nieuwe partners) een goed en intensief contact en ook het contact tussen de ouders is behoorlijk. Naar [de minderjarige] zelf aangeeft voelt hij zich in [woonplaats] bij zijn vader wat meer op zijn gemak en komt hij daar wat meer tot rust. Echt goed uitleggen kan [de minderjarige] dat echter niet. Als een van de bezwaren van het wonen van [de minderjarige] bij de vader ziet de moeder het [stiefbroertje] van [de minderjarige]. [stiefbroertje] is autistisch en erg op [de minderjarige] betrokken. Volgens de moeder brengt het verantwoordelijkheidsgevoel van [de minderjarige] en zijn empatische gerichtheid mee dat hij zich te zeer op [stiefbroertje] zal gaan richten, wat zijn eigen ontwikkeling in de weg zou kunnen staan. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag of de ontwikkelingen van [de minderjarige] bedreigd worden door de aanwezigheid in het gezin van [stiefbroertje] zonder een daarop toegesneden onderzoek niet te beantwoorden en deels ook speculatief van aard. Objectieve aanknopingspunten daarvoor dat die vrees van de moeder gerechtvaardigd is, bieden de voorhanden gedingstukken in ieder geval niet. Daarmee kan aan dat argument geen doorslaggevende betekenis toekomen bij beantwoording van de vraag waar [de minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijf heeft.

4.8.3. Een heikel punt in de discussie tussen de moeder en de vader vormen de door de moeder openlijk uitgesproken twijfels aan de innerlijke overtuiging van [de minderjarige]. De vader bestrijdt dat [de minderjarige], al dan niet onder zijn invloed, anders zou willen dan hij verklaart. [de minderjarige] zelf blijft volhouden, ook nadat hem de minder aantrekkelijke kanten van een verhuizing naar [woonplaats] zijn voorgehouden, dat hij bij zijn vader wil gaan wonen. Daarin gaat hij zelfs zo ver dat hij zegt ook naar [woonplaats] te zullen gaan als dat pas halverwege het schooljaar kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de twijfels van de moeder niet de doorslag geven. Voor de gegrondheid van de twijfels namelijk is naar meer objectieve maatstaven gemeten geen steun te vinden in de overgelegde stukken. Daarom acht de rechtbank die twijfels van de moeder onvoldoende om [de minderjarige] niet toe te staan te verhuizen naar zijn vader in [woonplaats].

4.8.4. De vraag is of er door de moeder andere zwaarwegende bezwaren naar voren zijn gebracht die, bezien vanuit de belangen van het kind, een contra-indicatie opleveren voor een verhuizing van [de minderjarige] naar [woonplaats]. Die bezwaren ziet de rechtbank in ieder geval niet in de afstand. Een verhuizing binnen Nederland naar een plaats 127 kilometer (routeplanner ANWB) verderop is niet in strijd met de belangen van de thans 12-jarige [de minderjarige]. Het betreft een afstand die is te overzien, ook voor de moeder. Bovendien zijn de verbindingen met het openbaar vervoer tussen [woonplaats] en [woonplaats] betrekkelijk goed. Dat acht de rechtbank niet onbelangrijk omdat de leeftijd van [de minderjarige] meebrengt dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij in de nabije toekomst steeds meer zelfstandig zal kunnen reizen. Kortom als [de minderjarige] in [woonplaats] gaat wonen, verdwijnt hij niet uit beeld, wordt hij niet onbereikbaar en zelfs als het 'fout' zou gaan in [woonplaats] belet de afstand niet dat [de minderjarige] weer snel terug in [woonplaats] is. Aldus is in ieder geval gewaarborgd dat [de minderjarige] geen noemenswaardige schade oploopt in het geval dat hij in [woonplaats], tegen zijn eigen verwachtingen in, toch niet kan aarden.

4.8.5. Van groot belang acht de rechtbank bovendien dat de vader zich bereid heeft verklaard om de moeder voldoende ruimte te bieden om op adequate wijze invulling te geven aan haar ouderrol op afstand. Dat betekent dat de moeder aanspraak kan maken op, en buitendien ook belang heeft bij, een even ruimhartige omgangsregeling, met dezelfde haal- en brengfaciliteiten, als de vader nu heeft. Bovendien is het er het gemak van de nieuwe communicatiemiddelen zoals email, MSN, Skype etcetc. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat de verhuizing van [de minderjarige] naar [woonplaats] geen negatieve gevolgen hoeft te hebben voor de (kwaliteit van) de contacten tussen de moeder en [de minderjarige].

4.9. Bij die stand van zaken alle belangen tegen elkaar afwegend, waarbij het belang van [de minderjarige] centraal heeft gestaan, maar niet doorslaggevend is geacht, komt de rechtbank tot het oordeel dat in deze zaak niets, in het bijzonder niet de belangen van [de minderjarige], zich ertegen verzet "om het dan maar gewoon te proberen". De door de moeder aangevoerde bezwaren zijn daarvoor van onvoldoende gewicht en de wens van [de minderjarige] daarvoor te stellig. Hoewel ook de rechtbank, net als de moeder, geen enkele zekerheid erover heeft of de langgekoesterde wens van [de minderjarige] echt overeenstemt met zijn wil, acht de rechtbank de eventuele twijfels daarover onvoldoende om [de minderjarige] in zijn vertrouwde woon- en leefomgeving met de daarbij behorende sociale contacten te doen blijven. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk in aanmerking genomen dat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard zonder meer te zullen meewerken aan terugkeer van [de minderjarige] naar de moeder in [woonplaats] als het in [woonplaats] niet zou gaan. De zekerheid dat [de minderjarige] alsdan betrekkelijk snel terug is in [woonplaats], is voor de rechtbank voldoende garantie dat de stabiliteit en continuïteit in de zorg- en opvoedingssituatie van [de minderjarige] gewaarborgd is. Hoewel ook de rechtbank alsdan de teleurstelling voor [de minderjarige] niet kan wegnemen, staat daarmee wel voldoende vast dat de schade voor [de minderjarige] binnen de perken blijft.

4.10. De rechtbank, doende wat haar gevraagd is, namelijk de knoop doorhakken, zal bepalen dat het [de minderjarige] moet worden toegestaan naar [woonplaats] te verhuizen om daar bij zijn vader te gaan wonen. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader om te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats voortaan bij hem zal hebben, zal honoreren.

4.11. De rechtbank beseft dat deze beslissing betekent dat de moeder op korte termijn afscheid moet nemen van [de minderjarige]. Dat de moeder daartoe de mogelijkheid moet krijgen, is voor de rechtbank niet vatbaar voor twijfel. Een moment samen voordat [de minderjarige] naar [woonplaats] vertrekt acht de rechtbank ook in het belang van [de minderjarige] en als dat betekent dat de vader een gedeelte van de zomervakantie die hij met [de minderjarige] zou doorbrengen daarvoor ter beschikking moet stellen, gaat de rechtbank ervan uit dat hij daartoe zonder meer bereid is.

4.12. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de moeder recht heeft op en belang bij een even ruimhartige verblijfsregeling als de vader tot dusver heeft gehad, zal de rechtbank die vaststellen op de wijze als hierna onder 5. bepaald.

5. Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het hoofdverblijf van het minderjarig kind [de minderjarige], geboren te [geboortegegevens], bij de vader zal zijn;

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige [de minderjarige] bij zijn moeder zal verblijven een keer per veertien dagen van vrijdagavond 17.00 uur tot zondagavond 20.00 uur alsmede de helft van de schoolvakanties, feestdagen en verjaardagen, waarbij [de minderjarige] in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij de moeder verblijft en oud en nieuw bij de vader en in de oneven jaren andersom;

bepaalt dat het halen en brengen van [de minderjarige] in het kader van deze zorgregeling als vanouds dient plaats te vinden, dat wil zeggen dat [de minderjarige] in [adres] 'wisselt', zodat ieder van partijen de helft van de reisafstand voor zijn of haar rekening neemt.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.