Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN9981

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
381785 CV EXPL 10-5339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een op zichzelf wat alledaagse zaak, maar wel een waarin ongelooflijk slordig geprocedeerd is. Aan beide zijden, maar voor de gedaagde partij zonder al te veel schade.

Een vordering tot betaling van een koopsom voor bestelde maar niet afgenomen brilmonturen plus glazen is denkbaar. Maar dan moet wel gesteld worden dat en waarom voor de koper een verplichting tot betaling in de plaats treedt van een daaraan voorafgaande verplichting tot medewerking aan de levering, omdat de hoofdregel is dat de consument pas tot betaling van de koopprijs gehouden is ten tijde en ter plaatse van de aflevering (artikel 7:26 BW).

Er is zelfs niet gesteld dat verzuim ingetreden is door weigering van de koper om de monturen op te halen of in ontvangst te nemen (artikel 7:32 BW), doch van de kant van de opticien wordt betoogd dat 'verzuim van rechtswege' intrad in verband met 'een krediettermijn van 14 dagen' die zou hebben 'gegolden'.

Weliswaar wordt de ten verwere aangedragen stelling verworpen dat sprake was van een aan de verkoop gekoppelde 'garantie' of voorwaarde, maar de gebreken in de stelplicht en in de keuze van het petitum leiden - wegens een gebrek aan grondslag - toch tot integrale afwijzing van de vordering(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

zaaknummer: 381785 CV EXPL 10-5339

vonnis van 13 oktober 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LANDGRAAF VISION@VISORS B.V., voorheen handelend onder de naam PEARLE OPTICIENS,

gevestigd te Landgraaf,

verder ook te noemen: V@V,

eisende partij,

gemachtigde: een ongenoemd gelaten persoon ten kantore van Graydon Nederland B.V. te Amsterdam en/of ten kantore van LAVG (deurwaarders) te Roosendaal

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.J.H.C. Glenz, advocaat te Landgraaf (toev. [nummer]).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

V@V heeft bij dagvaarding van 11 mei 2010 [gedaagde] in rechte betrokken in verband met (een) tegen haar gerichte vordering(en) zoals in het exploot van dagvaarding omschreven.

Met het exploot zijn enige ongenummerde producties betekend.

[gedaagde] heeft, na gevraagd en verkregen uitstel, schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft vervolgens bij tussenvonnis van 21 juli 2010 een persoonlijke verschijning van partijen gelast.

Van de comparitie van partijen ter zitting van 5 augustus 2010 is proces-verbaal opgemaakt. Zowel V@V als [gedaagde] is op de oproep verschenen. [gedaagde] was vergezeld van haar gemachtigde en V@V heeft zich doen vertegenwoordigen en het woord laten voeren door mr. D.W.M.H. Schreurs, die niet voorzien was van een schriftelijke machtiging, maar wiens uitlatingen wel aan V@V toegerekend worden.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

Het vonnis zal door omstandigheden gewezen worden door een andere kantonrechter dan degene tegenover wie gecompareerd is.

MOTIVERING

a. het geschil

V@V vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 566,50, nog te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 427,00 ‘sedert’ 11 mei 2010 (de datum van dagvaarding), alles onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

V@V grondt haar vorderingen - samengevat - op de verkoop van een brilmontuur met glazen aan [gedaagde], die echter op een herhaald aanbod tot levering ‘weigerachtig, althans nalatig gebleven’ is het gekochte af te nemen en te betalen. Volgens V@V ‘gold’ tussen partijen ‘een krediettermijn van 14 dagen’ en V@V trekt daaruit de conclusie dat [gedaagde] na ‘ommekomst’ van die termijn ‘van rechtswege’ in verzuim verkeerde. Zij acht [gedaagde] derhalve gehouden om naast facturen tot een totaalbedrag van € 427,00 de wettelijke rente

aan haar te voldoen, tot de datum van dagvaarding gesteld op een bedrag van € 64,50, alsmede een bedrag van € 75,00 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten naar de normering van “Voor-werk II”.

Het verweer strekt ertoe te betogen dat het bedoelde montuur met glazen weliswaar gekocht is, doch onder een ‘garantievoorwaarde’. Omdat [gedaagde] voor haar inkomen en levensonderhoud afhankelijk is van een gemeentelijke uitkering ingevolge de Wwb, kon zij slechts tot aankoop overgaan als de kosten in de vorm van een uitkering bijzondere bijstand door de gemeente gedragen zouden worden. In verband daarmee is (voorafgaand aan de levering) een door V@V verstrekt aanvraagformulier (ingevuld en) bij de sociale dienst van de gemeente Landgraaf ingediend. Nadat de gemeente de aanvraag afgewezen had, heeft [gedaagde] V@V gehouden aan de ‘garantie’ en het product niet afgenomen. Zij acht zich tot betaling niet gehouden. De vorderingen dienen volgens haar afgewezen te worden.

Ter zitting van 5 augustus 2010 is gebleken dat het in werkelijkheid om twee monturen ging (gewone bril plus zonnebril, beide met glazen op sterkte). V@V heeft bij die gelegenheid (door middel van degene die haar toen vertegenwoordigde) niet betwist met [gedaagde] over de mogelijkheid van bijzondere bijstand gesproken te hebben of haar zelfs iets in de vorm van een formulier verstrekt te hebben met het oog op een bijstandsaanvraag. Wel tegengesproken is dat zulks moet worden uitgelegd als een ‘garantie’.V@V liet weten ‘geen zaken te doen met de sociale dienst van de gemeente, alleen met zorgverzekeraars’.

b. de beoordeling

Anders dan [gedaagde] verdedigt, kan uit de relevante stellingen en stukken niet afgeleid worden dat de verkoop van twee brilmonturen met glazen op sterkte onder enige opschortende of ontbindende voorwaarde aangegaan is (want dat bedoelt zij kennelijk met haar stelling over een ‘garantievoorwaarde’ die V@V zou moeten nakomen). Het namens [gedaagde] ter zitting van 5 augustus 2010 in zeer vage termen aangeboden getuigenbewijs moet gepasseerd worden. Haar stellingname op dit onderdeel is immers voor de toelating tot bewijslevering te weinig specifiek en te ongeloofwaardig. Te weinig specifiek, omdat zij slechts zegt ‘gesproken’ te hebben met [naam], maar zonder dit gesprek te concretiseren naar inhoud, strekking, plaats, datum (geen van beide partijen noemt de koopdatum immers), begeleidende omstandigheden, vorm en inhoud van het beweerdelijk verstrekte ‘formulier’, formulering van de beweerdelijk gegeven ‘garantie’, (verder nog) bij het gesprek aanwezige personen en wat dies meer zij. Te ongeloofwaardig, omdat [gedaagde] op geen enkele manier de tegenwerping van de zijde van V@V ter zitting van 5 augustus 2010 tegengesproken heeft dat zij tot de datum van haar antwoord in deze procedure (14 juli 2010) nooit een beroep op de vermeende ‘garantie’ gedaan heeft, doch wel gesproken heeft over een betalingsregeling (hetgeen in de overgelegde correspondentie ook valt te lezen). Dat V@V aan zo’n regeling niet heeft willen meewerken, - naar uit dezelfde correspondentie valt af te leiden omdat [gedaagde] te weinig inzicht bood in haar financiële situatie -, doet er niet aan af dat [gedaagde] de koopovereenkomst, waaraan een onvoorwaardelijk karakter niet ontzegd kan worden, in beginsel zal hebben na te leven. Tegen betaling (of onder betalingsgarantie) heeft zij dan uiteraard recht op beschikbaarstelling van de twee gekochte brilmonturen met glas op sterkte.

[gedaagde] moet dan ook geacht worden gehouden te zijn tot medewerking aan de levering. Probleem is alleen dat V@V dat niet vordert, zodat [gedaagde] daartoe ook niet veroordeeld kan worden, hoewel de koop als zodanig en de daarbij in het geding zijnde hoofdsom naar het beloop onbetwist gebleven zijn. Zelfs die hoofdsom van € 427,00 is echter niet (laat staan zonder meer) toe te wijzen. Dat [gedaagde] al zou moeten betalen voordat de levering plaatsgevonden heeft, is van de zijde van V@V niet betoogd, laat staan beargumenteerd, zodat aan die mogelijkheid voorbijgegaan moet worden. De nevenvorderingen zijn al helemaal niet toewijsbaar, omdat V@V nalaat met zoveel woorden en voldoende specifiek en controleerbaar te stellen dat en waarom op een concrete datum (eerder dan de datum van dagvaarding) afname- én betalingsverzuim ingetreden is. De bewering dat zulk verzuim - kennelijk in de gecombineerde vorm - ‘van rechtswege’ ingetreden is door een ‘geldende krediettermijn’ (veertien dagen volgens V@V), is daartoe ten enenmale onvoldoende. V@V concretiseert allereerst niet welke voorwaarden tussen partijen bedongen zijn en hoe dit gebeurd is, laat staan dat zij deze ook in het geding gebracht heeft. Noch in de stellingen van het exploot van dagvaarding noch ter zitting legt V@V - die zelfs de koopdatum niet genoemd heeft - bovendien uit dat, wanneer precies en waarom het moment ingetreden is dat [gedaagde] (uiterlijk) de brillen had moeten afnemen. Dat moment moet immers bepalend geacht worden voor het vervolgens aanvangen van een termijn van betaling. Een termijn die al dan niet blijkens de gekozen formulering of krachtens specifiek beding fataal van karakter zou kunnen zijn, of die van rechtswege dan wel door ingebrekestelling op enig moment betalingsverzuim kan doen intreden (maar ook daarover is niets gesteld).

Het voorgaande impliceert dat de vorderingen van V@V in totaliteit bij gebrek aan grondslag afgewezen moeten worden, met verwijzing van V@V tevens in de proceskosten.

Betaling van de aan [gedaagde] toe te scheiden bijdrage in het salaris van haar gemachtigde zal in verband met de verleende toevoeging moeten verlopen via de Griffier van de Rechtbank.

(uitvoerbaarheid bij voorraad op dit kostenonderdeel is door [gedaagde] niet gevorderd).

BESLISSING

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt V@V tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op een bedrag van € 200,00 aan salaris gemachtigde,

welk bedrag betaalbaar dient te worden gesteld door tussenkomst van

de Griffier van de Rechtbank Maastricht .

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht / Heerlen,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.