Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN7900

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
375105 CV EXPL 10-1442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CAO Metalektro. Verschillende ingangsdata van verjaringstermijnen en rechtsverwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0765
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

locatie Sittard-Geleen

vonnis d.d. 26 mei 2010

zaak/rolnr.: 375105 CV EXPL 10-1442

typ.: AP

De kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: M.J.J. Smeets

tegen

de besloten vennootschap TREK AIR B.V.

gevestigd te Bloemendaal, tevens werkzaam te Beek (Limburg),

gedaagde,

gemachtigde: A.C.S. Gregoire.

Partijen worden hierna genoemd: [eiser] en TA.

1. Het verloop van de procedure

Er wordt recht gedaan op de volgende stukken:

- het verwijzingsvonnis van 11 november 2009 met de daarin genoemde stukken;

- het oproepingsexploit van 30 maart 2010;

Daarna heeft de kantonrechter vonnis bepaald en de uitspraak daarvan nader bepaald op heden.

De inhoud van alle stukken geldt als hier ingelast.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gaat de kantonrechter uit van de navolgende vaststaande feiten.

2.1 [eiser] is van 1 maart 1999 tot 1 maart 2005 in dienst geweest bij TA waarbij hij zijn werkzaamheden verrichtte te Maastricht-Aachen Airport, Beek.

2.2 Bij brief van 23 augustus 1999 heeft de Stichting Cesmetel TA ervan in kennis gesteld dat TA was ingedeeld in de bedrijfstak Metalektro. Tegen deze indeling is bezwaar gemaakt naar aanleiding waarvan op 22 april 2003 door de Raad van Overleg Metalektro dat TA onterecht in de bedrijfstak was ingedeeld. Per 1 april 2003 is TA gestopt met pensioenafdracht overeenkomstig de CAO Metalektro (hierna: de CAO) en heeft de vakantiedagen verlaagd van 25 (overeenkomstig CAO) naar 20 (overeenkomstig de individuele arbeidsovereenkomst).

3. De vordering en de stellingen

3.1 Voor de vordering verwijst de rechter naar pagina 9 en 10 van de inleidende dagvaarding. Voor de stellingen en onderbouwing ervan naar de processtukken.

3.2 TA betwist de stellingen en vorderingen van [eiser] en concludeert tot afwijzing van het gevorderde. Voor de weren en onderbouwing daarvan verwijst de rechter naar de processtukken.

4. De beoordeling

Met betrekking tot de vorderingen beroept TA zich op het verjaard zijn van (een deel van) de vorderingen van [eiser] alsmede op rechtsverwerking.

De kantonrechter zal deze verstrekkende verweren het eerst behandelen.

Verjaring

De vorderingen van [eiser] kennen de navolgende componenten:

(a) niet betaalde loon(sverhogingen);

(b) de over (a) berekende vakantietoeslag alsmede de vakantietoeslag van 8% vanaf 1 juli 2004 tot en met 1 maart 2005;

(c) vergoeding voor de vanaf 2000 niet genoten vakantiedagen;

(d) de in januari 2005 niet betaalde gratificatie;

(e) betalingen aan de pensioenfondsen vanaf 1 juli 2001.

De verjaringstermijn voor het gevorderde onder (a, d en e) bedraagt 5 jaar ingaande op het moment waarop het loon verschuldigd is danwel het gevorderde opeisbaar was.

De verjaringstermijn voor het gevorderde onder (b) bedraagt 2 jaar vanaf het moment van opeisbaarheid (de maand mei van het betreffende jaar).

De verjaringstermijn voor het gevorderde onder (c) bedraagt 5 jaar. Voor het opnemen van vakantiedagen loopt deze termijn vanaf 31 december van het jaar waarin de aanspraak is opgebouwd, waarbij oudste vakantierechten het eerst opgenomen worden. Daarbij geldt tevens dat het recht tot uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen verjaard na ommekomst van 5 jaar nadat dit recht tot uitbetaling is ontstaan.

De vorderingen onder (a), (b) en (e) zouden gedeeltelijk verjaard kunnen zijn, behoudens een tijdige stuitingshandeling. Het gevorderde onder (c) is niet verjaard maar kan onjuist becijferd zijn. Immers kan, naast de discussie aangaande de toepasselijkheid van de CAO, het tevens zo zijn dat het recht op het opnemen van vakantiedagen aangaande enkele vakantiedagen verjaard was, zodat aangaande deze dagen op 1 maart 2005 ook geen recht tot uitbetaling meer bestond.

Het gevorderde onder (d) is gelet op het vorenstaande niet verjaard..

Door [eiser] is een sommatiebrief van 29 mei 2008 in geding gebracht. In deze brief worden de vorderingen uitdrukkelijk genoemd, behoudens de loonvordering. Verjaring van vorderingen de pensioenvorderingen zijn hiermee gestuit voorzover het vorderingen betreft van ná 29 mei 2003. De vorderingen aangaande vakantietoeslag waren behoudens een andere stuitingshandeling reeds verjaard ten tijde van deze brief zodat er geen lopende verjaringstermijn bestond die gestuit kon worden.

In de dagvaarding van 28 april 2009 is vervolgens wel –voor het eerst- een beroep gedaan op de loonvordering. Daarmee wordt de verjaring van de loonvordering gestuit voorzover dit vorderingen betreft van ná 28 april 2004.

Andere stuitingshandelingen zijn door [eiser] niet gesteld en deze zijn evenmin gebleken.

Rechtsverwerking

De kantonrechter overweegt dat van rechtsverwerking pas sprake kan zijn, indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708). Een beroep op rechtsverwerking komt neer op een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond geoordeeld (HR 20 mei 2005, RvdW 2005, 75). Het enkel tijdsverloop of enkele stilzitten van de wederpartij is onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij appellant het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij schuldenaar in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval geïntimeerde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 24 april 1998, NJ1998, 621).

De kantonrechter oordeelt dat in de onderhavige zaak bijzondere omstandigheden aan de orde zijn.

Als gesteld en niet betwist staat vast dat [eiser] in de laatste periode van zijn dienstverband geklaagd heeft over de gratificatie, de vakantiedagen, de ATV dagen en het pensioen alsmede is er gediscussieerd over de toepasselijkheid van de CAO. De kantonrechter acht van belang dat [eiser] in deze discussie werd bijgestaan door een rechtskundig gemachtigde en dat dit gegeven bij TA ook bekend was.

Het dienstverband is vervolgens beëindigd waarbij er door de werkgever een eindafrekening is op gesteld en overeenkomstig deze is afgewikkeld. De eindafrekening behoort in beginsel het sluitstuk te zijn van de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst en beide partijen mogen er in beginsel op rekeningen dat daarmee alle verplichtingen over en weer eindigen. Niet gesteld of gebleken is dat bij deze eindafrekening door [eiser], al dan niet via zijn gemachtigde, een voorbehoud is gemaakt. Daar waar er eerder al discussie bestond tussen partijen had dit wel op de weg van [eiser] gelegen.

Verder blijkt uit de stellingen van partijen eerst meer dan drie jaar later van het hervatten van de discussie tussen hen. Daarbij geldt dit dan slechts voor een deel van het gevorderde, nu aangaande de loonvordering niet gesteld of gebleken is dat [eiser] reeds voorafgaand aan de eindafrekening hierover geklaagd heeft terwijl deze vordering in de sommatiebrief ontbreekt en eerst bij dagvaarding, derhalve meer dan vier jaar na einde van het dienstverband, ingesteld wordt.

Deze omstandigheden in onderling verband beschouwd leiden tot de conclusie dat bij TA het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken.

Nu de vordering deels verjaard is en overigens het beroep op rechtsverwerking slaagt dient het gevorderde te worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Wijst het gevorderde af;

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van TA welke tot op heden worden begroot op EUR 400,00 aan salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte, kantonrechter en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting, in tegenwoordigheid van de griffier.