Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN6046

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
07-09-2010
Zaaknummer
03/630281-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6853, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis - Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander werd gedood, meermalen gepleegd.

Gelet op getuigenverklaringen en de conclusies uit de verkeersongevalanalyse acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het voor verdachte, als bestuurder van een vrachtwagen met oplegger, geldend verkeerslicht rood licht uitstraalde en dat verdachte dit verkeerslicht heeft genegeerd, ten gevolge waarvan een aanrijding met een personenauto heeft plaatsgevonden. De bestuurder van die personenauto en zijn echtgenote, als passagiere, zijn daarbij om het leven gekomen. Tevens acht de rechtbank op basis van onderzoek van de tachograafschijf bewezen dat de gemiddelde snelheid van de door verdachte bestuurde vrachtwagencombinatie op het desbetreffende baanvak 86 km per uur bedroeg, terwijl ter plaatse een snelheid van maximaal 80 km per uur was toegestaan. Daarmee heeft verdachte schuld aan dit ongeval, in die zin dat zijn verkeersgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend wordt bestempeld.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van roekeloos verkeersgedrag, nu verdachte bij nadering van de personenauto niet alleen heeft geclaxonneerd, maar ook een lichtsignaal heeft gegeven, met de kennelijke bedoeling de inzittenden te waarschuwen, en vervolgens getracht heeft een aanrijding te voorkomen door uit te wijken.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, en legt hem tevens een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/630281-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 juli 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr R.H.M. Wagemans, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15 mei 2009, 13 november 2009, 10 februari 2010 en 7 juli 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: met een vrachtauto met oplegger een ongeluk heeft veroorzaakt, waardoor [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] werden gedood dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op die weg heeft gehinderd;

Feit 2: met een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op die weg heeft gehinderd.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie volgt uit zowel het technische onderzoek als uit de getuigenverklaringen dat verdachte met de vrachtwagen een rood verkeerslicht heeft genegeerd. De mogelijkheid dat zowel verdachte als de slachtoffers gelijktijdig groen licht zouden hebben gehad moet daarbij worden uitgesloten. Uit het onderzoek aan de tachograaf blijkt voorts dat verdachte harder dan de ter plaatse toegestane 80 kilometer per uur heeft gereden. Bovendien blijkt uit onderzoek aan de tachograaf dat verdachte zijn rijtijden heeft overschreden. Gelet hierop acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich roekeloos heeft gedragen in het verkeer en door zijn schuld een ongeluk heeft veroorzaakt, waardoor twee mensen om het leven zijn gekomen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2.

Ten aanzien van feit 1, primair en subsidiair, heeft de raadsman de navolgende verweren gevoerd. Omdat er geen sectie op het stoffelijke overschot van [naam slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden, bestaat er volgens de raadsman grote twijfel over de vraag of Heuts niet al was overleden vlak voordat het ongeval plaatsvond. Deze twijfel moet in het voordeel van verdachte worden uitgelegd. Het overlijden van de medepassagiere [naam slachtoffer 2] is volgens de raadsman een (indirect) gevolg van het overlijden van [naam slachtoffer 1]. Haar overlijden is dus evenmin te wijten aan de schuld van de verdachte of aan een door zijn schuld ontstaan verkeersongeval.

Voorts voert de raadsman aan dat de verklaring van getuige [naam getuige 1] erop wijst dat verdacht groen licht had. De verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] zeggen volgens de raadsman niets over de vraag of verdachte rood dan wel groen licht had. De verklaring van getuige [naam getuige 4] is volgens de raadsman onbetrouwbaar, nu deze man, die al op leeftijd was, ten tijde van het afleggen van zijn verklaring kennelijk geëmotioneerd was. Tevens waren vanuit de positie van zijn auto de verkeerslichten helemaal niet zichtbaar. Volgens de raadsman was [naam getuige 4] door de tv-uitzending over het ongeval, naar aanleiding waarvan hij zich heeft gemeld, ‘psychisch voorgekookt’.

Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat het technische onderzoek door [naam onderzoeksbedrijf] niet kan worden gekwalificeerd als een onafhankelijk onderzoek door een deskundige. Nu dit technische onderzoek laakbaar is, zijn er grote twijfels over de werking van de verkeerslichteninstallatie blijven bestaan. Ook deze twijfels moeten in het voordeel van verdachte worden uitgelegd. Ten slotte voert de raadsman aan dat verdachte niet roekeloos heeft gereden, omdat hij als professioneel vrachtwagenchauffeur al het redelijke heeft gedaan om te trachten het ongeval te voorkomen.

Ten aanzien van feit 2 wijst de raadsman op de voor verdachte ontlastende verklaring van getuige [naam getuige 5]. Nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Inleiding

Op 12 maart 2008 heeft er omstreeks 13.30 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de T-kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen N276 en de Kennedylaan. Deze wegen zijn gelegen buiten de bebouwde kom in de gemeente Brunssum. De gehele kruising is voorzien van een driekleurige verkeersregelinstallatie in alle richtingen . Voor bestuurders van motorvoertuigen bedraagt de maximumsnelheid ter plaatse 80 kilometer per uur.

Verdachte reed als bestuurder van een vrachtwagen met oplegger met het kenteken [..-..-..] op de N276, waarbij hij kwam uit de richting van Brunssum. Het gewicht van deze combinatie bedroeg in totaal 44.800 kilogram. Verdachte wilde zijn weg rechtdoor richting Sittard over de T-kruising vervolgen. Toen verdachte de T-kruising met de Kennedylaan naderde, stond een personenauto van het type Honda Jazz met het kenteken [..-..-..], op de Kennedylaan voorgesorteerd om linksaf af te slaan naar de N276 richting Brunssum. In de personenauto bevonden zich de heer [naam slachtoffer 1] als bestuurder en mevrouw

[naam slachtoffer 2] als passagiere. Op enig moment bevond zowel de vrachtwagen van verdachte als de personenauto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zich op de T-kruising, waarna een aanrijding plaatsvond tussen beide voertuigen. De vrachtwagen had al voor de kruising een noodremming ingezet en is daarbij naar links uitgeweken . Hierbij kwam de voorzijde van de vrachtwagen in aanraking met de linkerflank van de personenauto. De personenauto werd zijdelings meegevoerd tot in de uiteindelijke eindpositie van de voertuigen. [naam slachtoffer 1] was reeds overleden, toen de politie ter plaatse kwam. [naam slachtoffer 2] overleed een uur later in het ziekenhuis aan haar verwondingen.

Lijkschouwing

Gelet op de resultaten van de lijkschouwing van [naam slachtoffer 1] concludeert de lijkschouwer,

[naam lijkschouwer], dat [naam slachtoffer 1] ter plekke is overleden ten gevolge van schedel- en hersenletsel. Bij de rechter-commissaris heeft [naam lijkschouwer] vervolgens verklaard dat er voor hem geen aanwijzing bestond om nader onderzoek te doen naar een andere doodsoorzaak dan die veroorzaakt door uitwendig geweld.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies die [naam lijkschouwer] als deskundige lijkschouwer heeft getrokken over de doodsoorzaak van [naam slachtoffer 1]. Zij acht het niet aannemelijk dat [naam slachtoffer 1] aan een andere doodsoorzaak is overleden dan die door [naam lijkschouwer] is benoemd en neemt aan dat [naam slachtoffer 1] niet vlak vóór het ongeval al overleden was. Hieraan draagt bij dat verdachte pas tijdens zijn tweede verhoor door de politie, afgenomen op 13 maart 2008, heeft verklaard dat [naam slachtoffer 1] een voorovergebogen houding in de auto had. Tijdens het eerste verhoor heeft verdachte hiervan geen gewag gemaakt. Integendeel, verdachte heeft in dit verhoor juist verklaard dat hij de indruk had dat [naam slachtoffer 1] met zijn passagiere in gesprek was.

Gelet op de conclusie van [naam lijkschouwer] en voornoemde tegenstrijdigheid in de verklaringen van verdachte, zal de rechtbank het verweer van de raadsman ter zake verwerpen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam slachtoffer 1] is overleden ten gevolge van zijn verwondingen, welke zijn veroorzaakt door de aanrijding. De rechtbank concludeert dat de aanrijding dus niet is veroorzaakt door het overlijden van [naam slachtoffer 1]. In het verlengde hiervan acht de rechtbank ten slotte wettig en overtuigend bewezen dat [naam slachtoffer 2] tevens is overleden tengevolge van de aanrijding met de vrachtwagen van verdachte.

Verkeerslichtinstallatie

Vervolgens rijst de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de aanrijding tussen de personenauto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en de vrachtwagen met oplegger van verdachte aan de schuld van verdachte te wijten is. In dit verband is van belang of verdachte al dan niet een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat het verkeerslicht geldend voor zijn rijstrook groen licht uitstraalde. Volgens de raadsman wordt de verklaring van verdachte gesteund door de getuigenverklaring van [naam getuige 1].

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De raadsman heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de bevindingen van het deskundigenonderzoek door [naam onderzoeksbedrijf]. Nu de rechtbank geen gebruik zal maken van dit rapport, heeft verdachte geen belang bij een bespreking van deze verweren.

De rechtbank zal bij haar overwegingen teruggrijpen op de bevindingen zoals die volgen uit het proces-verbaal verkeersongevalanalyse van de afdeling Forensische Opsporing van de Politie Limburg-Zuid.

Volgens deze verkeersongevalanalyse zijn er op 12 maart 2008 geen meldingen van storingen aan de verkeersregelinstallatie geweest. De rechtbank concludeert derhalve dat er geen defecten aan de verkeersregelinstallatie waren ten tijde van het ongeval.

Uit de verkeersongevalanalyse volgt voorts dat de verkeersregelinstallatie op de T-kruising een verkeersafhankelijke regeling kent, waarbij de nadering van verkeer door middel van detectielussen in het wegdek wordt geregistreerd. De rijrichtingen op de T-kruising worden van elkaar onderscheiden door zogeheten signaalgroepen. Sommige signaalgroepen kennen een ‘hard conflict’ met elkaar, hetgeen betekent dat het bij een correct werkende verkeersregelinstallatie onmogelijk is dat voor deze signaalgroepen gelijktijdig een groen licht uitstralend verkeerslicht geldt. Volgens de verkeersongevalanalyse kan signaalgroep 2 (rechtdoorgaand verkeer op de N276 richting Sittard) onder andere niet gelijktijdig groen licht uitstralen met de signaalgroepen 10 (rechtsafslaand verkeer van de Kennedylaan naar de N276 richting Sittard) en 12 (linksafslaand verkeer van de Kennedylaan naar de N276 richting Brunssum). Bovendien kent signaalgroep 12 een ‘hard conflict’ met signaalgroep 8 (rechtdoorgaand verkeer op de N276 uit Sittard richting Brunssum), zodat de verkeerslichten voor deze signaalgroepen evenmin gelijktijdig groen licht kunnen uitstralen.

In het kader van de op de T-kruising in gebruik zijnde signaalgroepen acht de rechtbank een viertal getuigenverklaringen relevant. Getuige [naam getuige 6] heeft verklaard dat hij op de N276 reed, terwijl hij uit de richting van Brunssum kwam en op weg was in de richting van Sittard. Vóór [naam getuige 6] reed een vrachtwagen. Aangekomen bij de T-kruising zag [naam getuige 6] dat de vrachtwagen het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht negeerde en de kruising opreed, waarna de aanrijding plaatsvond. Getuige [naam getuige 4] heeft verklaard dat hij kwam uit de richting van Brunssum en over de N276 richting Sittard reed. Vóór [naam getuige 4] reden een personenauto en een vrachtwagen. Toen [naam getuige 4] op ongeveer 30 meter van het voor hem geldende verkeerslicht op de T-kruising kwam, zag hij dat dit rood licht uitstraalde. De auto van [naam getuige 4] stond al stil, toen hij zag dat de vrachtwagen door het rode verkeerslicht reed. De rechtbank zal het verweer van de raadsman, inhoudende dat de verklaring van [naam getuige 4] onbetrouwbaar is, verwerpen. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat [naam getuige 4] reeds op leeftijd was en kennelijk geschrokken was van de aanrijding geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaring.

Uit de tegenovergestelde richting van [naam getuige 6], [naam getuige 4] en verdachte (komende over de N276 uit de richting van Sittard en rechtdoor gaand richting Brunssum) reed getuige [naam getuige 2]. Zij heeft verklaard dat zij afremde, omdat het verkeerslicht voor haar rijrichting rood licht uitstraalde. Volgens [naam getuige 2] trok links van haar de personenauto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] uit stilstand op en reed deze auto vervolgens het kruispunt op. [naam getuige 2] zag uit de voor haar tegenovergestelde richting een vrachtwagen aankomen die de kruising opreed. [naam getuige 2] heeft gezien dat de bestuurder van de vrachtwagen een lichtsignaal aan de personenauto heeft gegeven. Vervolgens vond de aanrijding tussen de vrachtwagen en de personenauto plaats.

Getuige [naam getuige 3] heeft ten slotte verklaard dat hij de T-kruising naderde vanaf de Kennedylaan, uitkomend op de N276, om zijn weg rechtsaf richting Sittard te vervolgen. Het voor hem geldende verkeerslicht straalde rood licht uit. Er stond toen een personenauto stil op de rijstrook naast die van [naam getuige 3] om linksaf, richting Brunssum, af te slaan. Op het moment dat [naam getuige 3] de T-kruising naderde, sprong het voor hem geldende verkeerslicht op groen. Op dat moment straalde het verkeerslicht voor de personenauto op de rijstrook naast [naam getuige 3] eveneens groen licht uit. Die personenauto reed de kruising op, waarna er een aanrijding met een voor [naam getuige 3] van links komende vrachtwagen plaatsvond. [naam getuige 3] heeft gehoord dat de vrachtwagen heeft geclaxonneerd.

Na vergelijking van de verklaringen van verdachte en de verklaringen van de getuigen [naam getuige 6], [naam getuige 4], [naam getuige 2] en [naam getuige 3] met de bevindingen uit de verkeersongevalanalyse door de Forensische Opsporing concludeert de rechtbank het volgende. Verdachte, getuige [naam getuige 6] en getuige [naam getuige 4] bevonden zich op de rijstrook met signaalgroep 2. Getuige [naam getuige 2] bevond zich op de rijstrook met signaalgroep 8, de slachtoffers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] bevonden zich op de rijstrook met signaalgroep 12. Getuige [naam getuige 3] ten slotte bevond zich op de rijstrook met signaalgroep 10.

De getuigen [naam getuige 6] en [naam getuige 4] hebben verklaard dat verdachte het voor hun rijstrook geldende rode verkeerslicht heeft genegeerd. De rechtbank constateert dat deze verklaringen, gelet op de verkeersongevalanalyse, stroken met de verklaringen van de getuigen [naam getuige 3] en [naam getuige 2]. Immers, [naam getuige 3] bevond zich op de rijstrook naast die waarop [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zich bevonden, terwijl voor hun beider rijstroken het verkeerslicht groen licht uitstraalde. Volgens de verkeersongevalanalyse is het inderdaad mogelijk dat de verkeerslichten in de signaalgroepen 10 (geldend voor [naam getuige 3]) en 12 (geldend voor [naam slachtoffer 1]) gelijktijdig groen licht uitstralen. Uit de verkeersanalyse volgt voorts dat signaalgroep 2 (geldend voor verdachte, [naam getuige 6] en [naam getuige 4]) niet gelijktijdig groen licht kan uitstralen met onder andere de signaalgroepen 10 en 12. Kortom, nu de verkeerslichten van zowel [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] als van [naam getuige 3] groen licht uitstraalden was het bij deze correct werkende installatie onmogelijk dat het verkeerslicht voor verdachte tegelijkertijd groen licht uitstraalde. Het kan derhalve niet anders dan dat dit verkeerslicht op rood heeft gestaan. Deze conclusie strookt met de verklaringen van de getuigen [naam getuige 6] en [naam getuige 4], dat het voor hen geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde. Ook het licht van signaalgroep 8 (geldend voor [naam getuige 2]) zou rood licht moeten uitstralen als het verkeerslicht geldend voor [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] groen licht uitstraalde. Volgens [naam getuige 2] was dit inderdaad zo.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verweer van de raadsman, inhoudende dat enkel de verklaring van [naam getuige 1] voor het bewijs gebezigd kan worden, passeren.

Gelet op de verklaringen van de getuigen [naam getuige 6], [naam getuige 4], [naam getuige 2] en [naam getuige 3], alsmede gelet op de conclusies uit de verkeersongevalanalyse door de Forensische Opsporing is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het voor verdachte geldende verkeerslicht rood licht uitstraalde en dat verdachte dit verkeerslicht heeft genegeerd, ten gevolge waarvan de aanrijding met de personenauto van [naam slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden.

Overige overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank dragen, naast het feit dat verdachte een voor hem rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd, twee omstandigheden bij aan de (mate van) schuld van verdachte aan de aanrijding met de personenauto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2].

Tijdens zijn politieverhoor heeft verdachte verklaard dat hij niet meer weet hoe hard hij precies op de T-kruising afreed. Volgens verdachte zal hij nog niet veel vaart hebben gehad, omdat hij net van een rotonde afkwam. Verdachte schatte zijn snelheid op 60 tot 70 kilometer per uur. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de voor hem voorgeschreven rijtijden niet heeft overschreden.

Tijdens de verkeersongevalanalyse is onderzoek verricht aan de tachograafschijf in de vrachtwagen van verdachte. Uit dit onderzoek volgt dat de gemiddelde snelheid van de vrachtwagen van verdachte 86 kilometer per uur bedroeg, gemeten tussen het optrekken van de vrachtwagen vanaf de aan begin van de N276 gelegen rotonde tot aan het inzetten van de noodremming vlak voor de T-kruising met de Kennedylaan. Nu de maximale toegestane snelheid op de N276 80 kilometer per uur bedraagt, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen een voor hem geldend rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd, maar dat hij ook de T-kruising met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur is genaderd en daarmee een snelheidsovertreding heeft begaan. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank extra zwaar, nu de vrachtwagen met oplegger van verdachte een totaalgewicht van 44.800 kilogram had. Juist van bestuurders van dergelijke voertuigen mag extra voorzichtig verkeersgedrag worden verlangd.

Gelet op het negeren van het voor hem rood licht uitstralende verkeerslicht en het overschrijden van de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, oordeelt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de aanrijding van de vrachtwagen met oplegger van verdachte met de personenauto van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] aan de schuld van verdachte te wijten is.

De raadsman heeft omtrent de mate van schuld nog het verweer gevoerd dat de handelingen van verdachte niet als roekeloos aangemerkt dienen te worden, nu verdachte alles heeft gedaan wat van een professioneel chauffeur verwacht mag worden om een ongeluk met de personenauto te voorkomen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Niettegenstaande de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte volgt zowel uit de verklaring van verdachte , als uit voornoemde verklaringen van [naam getuige 2] en [naam getuige 3] dat verdachte niet alleen heeft geclaxonneerd maar ook een lichtsignaal heeft gegeven aan [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2]. Een en ander kennelijk met de bedoeling hen te waarschuwen. Ook heeft verdachte nog getracht een aanrijding te voorkomen door uit te wijken. Uit een dergelijk rijgedrag spreekt a prima facie geen roekeloosheid.

Gelet op de verklaringen van de getuigen [naam getuige 6], [naam getuige 4], [naam getuige 2] en [naam getuige 3], alsmede de conclusies uit de verkeersongevalanalyse ter zake het negeren van een rood licht uitstralend verkeerslicht en de overschrijding van de maximumsnelheid, oordeelt de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte door zijn schuld een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt, door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer te gedragen.

Ten aanzien van feit 2

Op 13 september 2007 werd verdachte staande gehouden vanwege overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet door verbalisant [naam verbalisant 1] op de Kneijkuilerweg te Bingelrade, gemeente Onderbanken. Verdachte reed daar in een personenauto.

Volgens verbalisant [naam verbalisant 1] viel hem het rijgedrag van verdachte op de N276 te Brunssum al op. Verdachte reed met de rechterzijde van zijn voertuig over de rechter witte streep, welke de scheiding van rijbaan en berm vormde. Vervolgens reed verdachte meerdere keren met de linkerzijde van zijn auto over de doorgetrokken witte streep, zodat zijn auto zich meerdere keren circa een meter op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer bevond. Toen verdachte via Doenrade zijn weg vervolgde op de Steenakkerweg in de richting van Schinveld, zag verbalisant [naam verbalisant 1] dat verdachte zijn lichaam naar rechts bewoog en naar voren dan wel naar beneden, alsof hij iets uit het dashboardkastje haalde. Verbalisant [naam verbalisant 1] had gezien dat verdachte over een afstand van ten minste 1000 meter met een geschatte snelheid van 80 kilometer per uur niet voortdurend zijn aandacht bij het verkeer had. Verdachte vertoonde namelijk slingerend rijgedrag naar links en naar rechts. Volgens verbalisant [naam verbalisant 1] verklaarde de verdachte, na staande te zijn gehouden, dat hij een CD-hoes onder uit het dasboard pakte.

Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij slingerend heeft gereden of dat hij een CD-hoes uit het dashboard van zijn auto heeft gepakt. De raadsman heeft gewezen op de verklaring van getuige [naam getuige 5], welke zij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd.

De rechtbank overweegt dat de ontkenning van verdachte en de verklaring van getuige [naam getuige 5] onvoldoende aanleiding geven om aan de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van verbalisant [naam verbalisant 1] te twijfelen. Gelet op de processen-verbaal van verbalisant [naam verbalisant 1], beide opgemaakt op ambtseed, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte niet alleen op de N276 met zijn auto heeft geslingerd en daarbij verschillende keren de andere weghelft is opgereden, maar ook dat hij ook met een snelheid van 80 kilometer per uur naar rechts en naar voren dan wel naar beneden heeft bewogen om iets uit het dashboard te nemen en daarbij met zijn auto is gaan slingeren en de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft is opgereden. De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat door de gedragingen van verdachte gevaar op de weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 maart 2008, in de gemeente Brunssum, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de N276, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor anderen, te weten [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] werden gedood, welke bovenbedoelde gedraging aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, rijdende over die N276, de kruising van die weg en de weg, de Kennedylaan, met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur, is genaderd en vervolgens in strijd met een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden, zulks op het moment dat de bestuurder van een over die Kennedylaan rijdend motorrijtuig (personenauto) voornoemde kruising was opgereden, en hij, verdachte, de doorgang voor de bestuurder van dat zich op voornoemde kruising bevindend motorrijtuig (personenauto) heeft belemmerd,

waardoor een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig (vrachtauto met

oplegger) en de bestuurder van dat ander motorrijtuig (personenauto), te weten die [naam slachtoffer 1] voornoemd en dat ander motorrijtuig (personenauto), waarin die [naam slachtoffer 2] voornoemd als passagiere was gezeten;

2.

op 13 september 2007, in de gemeenten Brunssum en/of Onderbanken, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N276, op zodanige wijze heeft gereden, dat het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gaan slingeren en hij vervolgens met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) verschillende malen de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden, en vervolgens op de weg, de Steenakkerweg, met een snelheid van ongeveer

80 kilometer per uur, zijn, verdachtes, lichaam naar rechts en/of naar voren/naar beneden heeft bewogen teneinde iets uit het dashboard te nemen, op zodanige wijze heeft gereden,

dat het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gaan slingeren en hij vervolgens met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander werd gedood, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte ter zake feit 1 primair op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met oplegging van een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie de ontzegging van de rijbevoegdheid van verdachte gevorderd voor de duur van 2 jaren. De officier van justitie is van mening dat de door hem gevorderde straffen recht doen aan de zwaarte van het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit en aan het feit dat tengevolge van het ongeval twee dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Voorts is de officier van justitie van mening dat de verdachte zwaar mag worden aangerekend dat hij, als professionele vrachtwagenchauffeur, met een zwaar beladen vrachtwagen, met een te hoge snelheid door rood licht is gereden en zijn rijtijden heeft genegeerd. Voor wat betreft feit 2 heeft de officier van justitie de oplegging van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte van alle aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de door de officier van justitie gevorderde straf verdachte buitenproportioneel hard zal treffen, nu hij beroepschauffeur is. Een dergelijke straf zou betekenen dat verdachte zijn huidige dienstbetrekking zal verliezen. Indien de rechtbank tot oplegging van een straf zou toekomen, acht de verdediging de oplegging van een werkstraf de meest geëigende straf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt waardoor de heer [naam slachtoffer 1] en mevrouw [naam slachtoffer 2] zijn komen te overlijden. Dat is een zeer ernstig strafbaar feit. Daarnaast heeft verdachte door zijn rijgedrag gevaar op de weg veroorzaakt. Dit laatste feit is een overtreding en wordt doorgaans met een geldboete afgedaan.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van de voorzitters van de strafsectoren met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De categorie die de rechtbank in het onderhavige geval het meest vindt passen, is de categorie ‘aanmerkelijke verkeersfout’. Het strafadvies dat bij deze categorie wordt gegeven, bedraagt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van voor de duur van een jaar.

De rechtbank ziet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. In het nadeel van de verdachte dient te wegen dat ten gevolge van zijn schuld een ongeval is veroorzaakt waardoor niet één, maar twee mensen het leven hebben verloren. De rechtbank rekent het de verdachte ook zwaar aan dat hij, als professioneel vrachtwagenchauffeur, niet de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die nodig zijn bij het besturen van een vrachtwagen met oplegger van 44.800 kilogram. Naast de ernstige gevolgen van het ongeval, rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat uit zijn justitiële documentatie volgt dat hij al eerder de in Nederland geldende verkeersregels heeft overtreden.

In het voordeel van de verdachte moet rekening worden gehouden met het ruime tijdsverloop tussen het plaatsvinden van de feiten en het wijzen van onderhavig vonnis.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, op te leggen. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van een jaar.

Gelet op de zwaarte van de straftoemeting voor feit 1 en de consequenties daarvan voor verdachte ziet de rechtbank af van het opleggen van een afzonderlijke straf voor de onder feit 2 bewezenverklaarde overtreding, zodat ten aanzien van dit feit het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast.

De rechtbank heef tevens rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van strafrecht.

6 Het beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp kan worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren, te weten de erfgenamen van de heer [naam slachtoffer 1].

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- bepaalt dat aan verdachte terzake het bewezenverklaarde feit 2 geen straf of maatregel zal worden opgelegd;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf, naar rato van twee uur per dag.

Ontzegging van de rijbevoegdheid

- ontzegt de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar;

- bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet voor het voor tenuitvoerlegging vatbaar worden van deze uitspraak ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van voormelde ontzegging van de rijbevoegdheid geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

203-199587 3 1.00 STK Personenauto [..-..-..],

HONDA Jazz 2004 Kl:grijs,

aan de erfgenamen van [naam slachtoffer 1], Kennedylaan 20, 6441 JD Brunssum.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. M.B. Bax en

mr. I. Becker-Hartenhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juli 2010.

Mr. I. Becker-Hartenhof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 maart 2008,

in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de N276, zich

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en), te weten [naam slachtoffer 1] en/of

[naam slachtoffer 2] werd(en) gedood, welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans

(aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit

heeft/hebben bestaan dat

hij, verdachte, rijdende over die N276, de kruising althans splitsing van die

weg en de weg, de Kennedylaan, met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per

uur, althans met hoge snelheid, in elk geval met een (veel) te hoge snelheid

voor een veilig verkeer ter plaatse, is genaderd en/of (vervolgens) in strijd

met een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd

rood licht uitstralend verkeerslicht die kruising althans splitsing is

opgereden, zulks op het moment dat de bestuurder van een over die

Kennedylaan rijdend motorrijtuig (personenauto) voornoemde kruising althans

splitsing was opgereden, althans zich dicht vóór hem, verdachte, op

voornoemde kruising althans splitsing bevond en/althans hij, verdachte, de

doorgang voor de bestuurder van dat zich op voornoemde kruising althans

splitsing bevindend motorrijtuig (personenauto) heeft versperd en/of heeft

belemmerd,

waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is

ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig (vrachtauto met

opleggger) en de bestuurder van dat ander motorrijtuig (personenauto), te

weten die [naam slachtoffer 1] voornoemd en/of dat ander motorrijtuig (personenauto), waarin

die [naam slachtoffer 2] voornoemd als passagiere was gezeten;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2008,

in de gemeente Brunssum,

als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmee

rijdende over de weg, de N276, de kruising althans splitsing van die weg en de

weg, de Kennedylaan, met een snelheid van ongeveer 86 kilometer per uur,

althans met hoge snelheid, in elk geval met een (veel) te hoge snelheid voor

een veilig verkeer ter plaatse is genaderd en/of (vervolgens) zo

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/of in strijd met een

in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem, verdachte, bestemd rood

licht uitstralend verkeerslicht voornoemde kruising althans splitsing is

opgereden,

dat/waardoor hij met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig

(vrachtauto met oplegger) in botsing althans aanrijding is gekomen met een

over voornoemde kruising althans splitsing rijdend althans een zich op

voornoemde kruising althans splitsing bevindend motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 13 september 2007,

in de gemeente(n) Brunssum en/of Onderbanken,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de

weg, de N276, zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig

en/althans op zodanige wijze heeft gereden,

dat/waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto)

is gaan slingeren en/of hij (vervolgens) met het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig (personenauto) (verschillende malen) de weghelft

bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is opgereden althans op die weghelft

is terechtgekomen,

en/of (vervolgens) op de weg, de Steenakkerweg, met een snelheid van ongeveer

80 kilometer per uur, zijn, verdachtes, lichaam naar rechts en/of naar

voren/naar beneden heeft bewogen teneinde iets uit het dashboard te nemen,

en/althans zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig

en/althans op zodanige wijze heeft gereden,

dat/waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto)

is gaan slingeren en/of hij (vervolgens) met het door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig (personenauto) de weghelft bestemd voor het

tegemoetkomend verkeer is opgereden althans op die weghelft is terechtgekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/630281-08

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 21 juli 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr R.H.M. Wagemans, advocaat te Maastricht.