Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN5495

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
30-08-2010
Zaaknummer
0370024810
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘Unus testis nullus testis’- regel. Artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat verdachte een aan hem ten laste gelegd feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige, zoals in casu van het slachtoffer. Uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een tweede bewijsmiddel niet altijd voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Als een bewezenverklaring van het ten laste gelegde namelijk enkel kan volgen uit de verklaringen van het slachtoffer, dienen nadere bewijsmiddelen aan die verklaringen voldoende steun te geven om tot wettig en overtuigend bewijs te komen. Nu in de onderhavige strafzaak de enige bewijsmiddelen die op ontuchtige handelingen van verdachte zien, verklaringen zijn die gebaseerd zijn op dezelfde bron, te weten het slachtoffer, en er geen andere bewijsmiddelen zijn welke zien op de kern van het tenlastegelegde, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de verklaring van het slachtoffer voor wat betreft de beweerdelijk door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700248-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 augustus 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte ontucht heeft gepleegd met een aan zijn waakzaamheid toevertrouwd meisje in de periode dat zij vier tot zes jaar oud was.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, in die zin dat verdachte ontucht met de minderjarige [naam slachtoffer] heeft gepleegd terwijl zij aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte de vagina van [naam slachtoffer] heeft betast of erover heeft gestreeld of gewreven, zijn penis door [naam slachtoffer] heeft doen betasten en zich heeft doen aftrekken door [naam slachtoffer]. De officier van justitie verwijst hiervoor in de eerste plaats naar de spontane verklaring die [naam slachtoffer] eerst tegenover haar moeder en daarna tegenover haar vader heeft afgelegd. De verklaring die [naam slachtoffer] vervolgens tijdens het studioverhoor heeft afgelegd komt volgens de officier van justitie overeen met deze eerdere verklaringen. Uit het studioverhoor kan volgens de officier van justitie worden afgeleid dat de ontucht heeft plaatsgevonden vanaf de tijd dat [naam slachtoffer] bij meester Tom in de klas zat. Dit is dus vanaf september 2009. Naast de aangifte van moeder en de verklaring van vader zijn er volgens de officier van justitie in het procesdossier ondersteunende bewijsmiddelen te vinden. Zo komt de feitelijke situatie in de woonkamer van verdachte, en dan met name de plaats van de computer, overeen met de door [naam slachtoffer] geschetste situatie. Verdachte heeft bovendien zelf verklaard dat [naam slachtoffer] achter de computer wel eens op zijn schoot zat. De officier van justitie is van mening dat de verklaring van verdachte, dat [naam slachtoffer] hem opeens in zijn kruis greep, ongeloofwaardig is. Verdachte heeft ook met niemand over dit voorval gesproken. Bovendien weet [naam slachtoffer] een masturbeerbeweging na te doen en weet zij hoe de huid van een penis voelt. Dit kan volgens de officier van justitie niet verklaard worden door het voorval waarover verdachte heeft verklaard. De officier van justitie wijst er ook op dat verdachte, nadat hij hoorde dat de moeder van [naam slachtoffer] aan haar echtgenoot over [naam slachtoffer]’s spontane verklaring vertelde, met niemand hierover heeft gesproken. Ten slotte heeft [naam slachtoffer] volgens de officier van justitie geen enkele reden om haar buurman te beschuldigen, tenzij zij de waarheid vertelt.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is primair van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Er bestaat teveel twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam slachtoffer] om deze verklaring als bewijsmiddel te gebruiken. De verklaring van [naam slachtoffer] over de periode, de beschrijving van het seksueel misbruik en het verklappen van het geheim is namelijk aantoonbaar onjuist. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat [naam slachtoffer] is beïnvloed. De raadsman wijst erop dat er geen ander zelfstandig bewijs bestaat voor de aan verdachte ten laste gelegde ontucht. De verklaringen van moeder en vader zijn immers gestoeld op de verklaring van [naam slachtoffer]. Evenmin zijn er volgens de raadsman ingrijpende gedragsveranderingen bij [naam slachtoffer] zichtbaar die seksueel misbruik doen vermoeden. Ook zijn er geen getuigen van het vermeende misbruik. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat [naam slachtoffer] als getuige dient te worden gehoord, indien de rechtbank van oordeel is dat de verklaring van [naam slachtoffer] wel bruikbaar is voor het bewijs.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 30 april 2010 heeft [naam moeder slachtoffer] aangifte gedaan van ontucht door verdachte met haar dochter [naam slachtoffer], geboren op 2 april 2004. Volgens [naam moeder slachtoffer] heeft [naam slachtoffer] spontaan aan haar verteld dat de buurman, te weten verdachte, met zijn hand tussen haar benen heeft gekriebeld en dat zij met de plasser van verdachte mag spelen. [naam moeder slachtoffer] heeft verklaard dat [naam slachtoffer] hierbij met haar handje een aftrekbeweging maakte. De vader van [naam slachtoffer], [naam vader slachtoffer], heeft verklaard dat [naam slachtoffer] ook aan hem heeft verteld dat verdachte haar tussen haar benen heeft gekriebeld en dat zij de plasser van verdachte moest vastpakken. Volgens [naam vader slachtoffer] maakte [naam slachtoffer] hierbij eenzelfde handbeweging als waarover [naam moeder slachtoffer] heeft verklaard. Na de aangifte van [naam moeder slachtoffer] is [naam slachtoffer] vervolgens in een kindvriendelijke studio verhoord. Daar heeft zij een verklaring afgelegd die ten aanzien van de ontuchtige handelingen in grote lijnen gelijk is aan hetgeen haar ouders over haar spontane verklaring hebben verklaard. De politie heeft vervolgens diverse getuigen in deze strafzaak gehoord. Geen van hen heeft echter verklaard dat zij iets hebben gezien, gehoord of vermoed over ontucht door verdachte met [naam slachtoffer] of met een ander kind.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij ontuchtige handelingen met [naam slachtoffer] gepleegd heeft. Volgens verdachte heeft [naam slachtoffer] hem wel in zijn kruis gegrepen, toen zij bij hem op schoot zat achter zijn computer.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte ontuchtige handelingen met [naam slachtoffer] heeft gepleegd.

Artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs dat verdachte een aan hem ten laste gelegd feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige, bijvoorbeeld van het slachtoffer. Deze bepaling is bedoeld om de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt om tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige benoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een tweede bewijsmiddel niet altijd voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Als een bewezenverklaring van het ten laste gelegde enkel kan volgen uit de verklaringen van het slachtoffer, dienen nadere bewijsmiddelen aan die verklaringen voldoende steun te geven om tot wettig en overtuigend bewijs te komen. De vraag of aan het door de wet vereiste bewijsminimum is voldaan vergt een beoordeling van het concrete geval.

In onderhavige strafzaak constateert de rechtbank dat de enige bewijsmiddelen die op ontuchtige handelingen van verdachte zien - naast de verklaring van [naam slachtoffer] tijdens het studioverhoor - de verklaringen zijn van aangeefster [naam moeder slachtoffer] en getuige [naam vader slachtoffer]. Hun verklaringen zijn echter gebaseerd op een en dezelfde bron, te weten [naam slachtoffer]. Dat is niet voldoende. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad dienen nadere bewijsmiddelen dus voldoende steun te geven aan deze verklaringen. In het procesdossier treft de rechtbank dergelijke bewijsmiddelen, welke zien op de kern van het tenlastegelegde, niet aan. Er is geen andere getuige, geen huisartsenverslag of lerarenverslag dat rept over ontucht of over zorgelijke symptomen die duiden op ontucht met [naam slachtoffer]. Wat er verder dus ook zij van het verweer van de raadsman dat de verklaring van [naam slachtoffer] onjuist dan wel onbetrouwbaar is, de rechtbank kan in onderhavige strafzaak niet anders dan concluderen dat de verklaring van [naam slachtoffer] voor wat betreft de beweerdelijk door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Zij zal hem vrijspreken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, en mr. A.J. Hazen en

mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 augustus 2010, zijnde mr. M.C.A.E. buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 3 april 2008

tot en met 20 april 2010 te Hulsberg, gemeente Nuth, (telkens) ontucht heeft

gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde

minderjarige [naam slachtoffer], geboren op 2 april 2004, immers heeft hij,

verdachte

- de vagina van die [naam slachtoffer] betast en/of gestreeld en/of over gewreven en/of

- zijn penis door die [naam slachtoffer] doen betasten en/of doen vastpakken door die

[naam slachtoffer] en/of

- zich heeft doen aftrekken door die [naam slachtoffer];

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 3 april 2008

tot en met 20 april 2010 te Hulsberg, gemeente Nuth,(telkens) met [naam slachtoffer]

, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten

echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten en/of strelen en/of wrijven van/over de vagina van die [naam slachtoffer]

en/of

- het doen betasten en/of vastpakken van zijn, verdachte, penis door die

[naam slachtoffer] en/of

- het doen aftrekken van zijn, verdachte, penis door die [naam slachtoffer];

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700248-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 30 augustus 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. S.F.J. Bergmans, advocaat te Maastricht.