Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN5145

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
139356 / S RK
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vrouw heeft tijdens huwelijk met man X een relatie gehad met man Y waaruit twee kinderen werden geboren. X is derhalve de juridische vader van de kinderen. Na scheiding van man X huwde de vrouw met de biologische vader Y. De vrouw en Y gaan vervolgens scheiden en partijen stellen zich beiden op het standpunt dat een ouderschapsplan niet overgelegd hoeft te worden. De rechtbank denkt hier anders over en oordeelt dat gezien de bijzondere omstandigheden de bepalingen van artikel 815 Rv analoog dienen te worden toegepast. Bedoeld is in dit artikel weliswaar dat ouders afspraken maken bij echtscheiding over hun kinderen - hetgeen betekent dat strikt genomen geen ouderschapsplan hoeft te worden overgelegd tussen de ouder en de andere echtgenoot die niet de (juridisch) ouder is - maar de kinderen hebben vanaf de geboorte met Y in gezinsverband geleefd en hebben nimmer contact met X gehad en het is niet te verwachten dat dit in de toekomst nog zal gebeuren. Er is dus sprake van family life met Y en daarover kan moeilijk gesproken worden tussen het kind en X.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 815
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/712
RFR 2010/131
EB 2010, 82

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 18 augustus 2010

Zaaknummer: 139356 / S RK 09-376

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[naam verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. R.H.L. van de Laar,

en:

[naam wederpartij],

wederpartij, verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. W.G.M.M. van Montfort.

1. Verloop van de procedure

De vrouw heeft op 7 april 2009 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend.

Het verzoekschrift is op 9 april 2009 betekend aan de man.

De vrouw heeft nog gereageerd bij faxen van 29 april 2009, 12 september 2009, 12 november 2009, 27 november 2009 en

5 maart 2010.

De man heeft nog gereageerd bij fax van 26 mei 2010.

De zaak is behandeld ter zitting van 27 mei 2010, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Door de vrouw is ter zitting van 27 mei 2010 een aanvullend verzoek ingediend.

Het minderjarig kind dat de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt is bij brief van 31 mei 2010 in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Het minderjarig kind heeft haar mening kenbaar gemaakt ter zitting van 8 juni 2010.

De vrouw heeft nog gereageerd bij fax van 8 juli 2010.

De man heeft nog gereageerd bij fax van 28 juli 2010.

Door de man is geen verweerschrift ingediend.

2. Beoordeling

Uit de stukken blijkt hetgeen de vrouw heeft gesteld omtrent de plaats en de dag van de voltrekking van het huwelijk, de voornamen en de geboortedag van de thans nog minderjarige kinderen en de nationaliteit van partijen.

De vrouw heeft bij fax van 8 juli 2010 gemotiveerd verzocht om de echtscheiding reeds op voorhand, zonder nadere mondelinge behandeling, uit te spreken, onder aanhouding van de beslissing ten aanzien van de nevenvoorzieningen. De man heeft bij fax van 28 juli 2010 laten weten dat hij dit verzoek ondersteunt.

De rechtbank overweegt als volgt:

De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een groot belang heeft bij het uitspreken van de echtscheiding op voorhand.

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 815 tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient bij een echtscheidingsverzoek een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan overgelegd te worden ten aanzien van:

a. de gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen;

b. de minderjarige kinderen over wie de echtgenoten ingevolge artikel 253sa of 253t het gezag gezamenlijk uitoefenen.

Op grond van het zesde lid van het voornoemde artikel kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of op andere wijze daarin worden voorzien, indien het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd.

Uit de stukken blijkt dat - gedurende het op 19 februari 1998 ontbonden huwelijk van de vrouw en [man y] - uit de relatie tussen de vrouw en de man is geboren het thans [nog minderjarige] kind:

- [dochter Z] (roepnaam: [dochter Z]), te Heerlen op 6 maart 1995.

[dochter Z] is opgegroeid in het gezin van de vrouw en de man, die sedert 18 februari 2000 met elkaar gehuwd zijn. De vrouw heeft alleen het ouderlijk gezag over [dochter Z].

De vrouw heeft de rechtbank bij fax van 5 maart 2010 te kennen gegeven dat zij geen ouderschapsplan wenst op te stellen met de man, hoewel een ouderschapsplan in concept reeds was opgesteld en door de man was goedgekeurd. De vrouw stelt in dit kader dat de man niet de juridische vader is, dat hij geen gezag heeft, dat hij geen contact meer met [dochter Z] en de inmiddels meerderjarige zoon heeft en dat de verstandhouding tussen partijen zodanig slecht is dat partijen er niet in slagen om afspraken met elkaar te maken over de kinderen. Ter zitting van 27 mei 2010 heeft de vrouw dit standpunt herhaald en hieraan toegevoegd dat zij een ouderschapsplan niet zinvol acht omdat zij weet dat de man zich er toch niet aan zal houden.

De wetgever heeft bij de totstandkoming van het huidige artikel 815 Rv – met daarin de bepaling dat in een echtscheidingsverzoek een ouderschapsplan dient te worden overgelegd – beoogd te bevorderen dat ouders in een vroegtijdig stadium nadenken over de invulling van het ouderschap na de scheiding over hun kinderen en dat zij hierover goede afspraken maken ter voorkoming van onnodige conflicten nadien. De ouder die alleen het gezag uitoefent over zijn of haar kind van wie de andere echtgenoot niet de (juridisch) ouder is, behoeft volgens de letter van de wet geen afspraken vast te leggen in een ouderschapsplan.

[dochter Z] heeft een juridisch ouder met wie zij, volgens de uitlatingen van de vrouw ter zitting, vanaf haar geboorte geen contact heeft gehad. Ook is niet te verwachten dat [dochter Z] van haar juridisch vader in de toekomst nog iets kan verwachten. Er kan strikt genomen dan ook moeilijk nog gesproken worden van family lify in de zin van artikel 8 EVRM tussen [dochter Z] en haar juridisch vader. Dit is anders met de man, die haar biologische vader is en met wie zij sinds haar geboorte in gezinsverband heeft geleefd. Er is zeker wel sprake van family life tussen [dochter Z] en de man zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank is daarom van oordeel dat gezien deze bijzondere omstandigheden de bepalingen van artikel 815 Rv met betrekking tot het ouderschapsplan analoog dienen te worden toegepast en dat de man en de vrouw, hoewel de man niet de juridisch ouder is van [dochter Z], desondanks alsnog een ouderschapsplan dienen over te leggen dan wel gemotiveerd dienen aan te geven waarom dit wellicht thans niet mogelijk zou zijn.

Partijen hebben de rechtbank overigens reeds verscheidene malen bericht dat zij in concept tot een ouderschapsplan zijn gekomen dat ter ondertekening gereed ligt.

De rechtbank zal daarom iedere beslissing aanhouden voor de duur van vier weken, teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen aan bovenstaande te voldoen.

3. Beslissing

De rechtbank:

houdt iedere beslissing aan voor de duur van vier weken.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.A.E. Cornuit, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.