Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN4855

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
03/700114-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaard is het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. Er is sprake van voorwaardelijk opzet. Gelet op de zichtbare aanwezigheid van verdovende middelen, staat voor de rechtbank vast dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van harddrugs in de woning. Nu het hoeveelheden betrof die mede gezien de verpakkingswijze (bolletjes) duidden op de handel in verdovende middelen, moet verdachte er ernstig rekening mee hebben gehouden en heeft hij in die zin willens en wetens het risico aanvaard dat zich ook elders in de woning verdovende middelen als voorraad bevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700114-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Kerkrade.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 juni 2010, waarbij de officier van justitie, de verdachte en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met (een) ander(en) harddrugs aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen ongeveer 158 gram heroïne en 184 gram cocaïne aanwezig heeft gehad in een pand aan de [D-straat]te Heerlen. Verdachte verbleef, ten tijde van het ten laste gelegde feit, in de woonkamer van dat pand, alwaar op de salontafel direct zichtbare verdovende middelen werden aangetroffen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van harddrugs in het pand en voorts redelijkerwijs had kunnen of moeten vermoeden dat zich ook elders in de woning verdovende middelen bevonden. Het (voorwaardelijk) opzet op het aanwezig hebben van harddrugs kan daarmee worden bewezen. In tegenstelling tot de verdediging is hij van mening dat er geen sprake is van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, voor wat betreft de uitgevoerde doorzoeking van het pand. Mocht de rechtbank de verdediging toch in dat verweer volgen, dan merkt hij op dat dit zonder gevolg moet blijven, aangezien de alsdan geschonden norm niet tot bescherming van belangen van verdachte strekt nu deze niet de bewoner van het doorzochte pand is.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. De observatie van het pand aan de [D-straat]te Heerlen levert zijns inziens geen bevestiging op van de informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid, zodat bij afwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld danwel ernstige bezwaren jegens verdachte, de machtiging tot binnentreden van de woning op dat moment niet had mogen worden afgegeven. Voorts betwist hij dat de bewoonster van het pand, medeverdachte [naam medeverdachte 1], uitdrukkelijk schriftelijke toestemming heeft gegeven om haar woning te doorzoeken. Al het bewijs dat verkregen is tengevolge van het onrechtmatig binnentreden en doorzoeken van de woning dient dan ook op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden uitgesloten van het bewijs. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het door justitie vergaarde bewijsmateriaal wel ten volle gebruikt mag worden, dan nog dient er ten aanzien van verdachte geen veroordeling te volgen, nu verdachte geen wetenschap en beschikkingsmacht heeft gehad over de aangetroffen cocaïne en heroïne. Gelet op het feit dat verdachte in het uur voorafgaande aan het binnentreden niet in de woning aanwezig is geweest, kan niet worden uitgesloten dat in deze periode de verdovende middelen tevoorschijn zijn gehaald. Bovendien worden er ook op verborgen plekken in de slaapkamer van de kleindochter van de medeverdachte, op de overloop en trap verdovende middelen aangetroffen. Nu verdachte geen verborgen plekken in de woning kent en ook niet op de slaapkamer komt van de kleindochter, kan er ook geen sprake zijn van wetenschap en beschikkingsmacht over deze hoeveelheden harddrugs.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van door de Criminele Inlichtingen Eenheid ontvangen en op betrouwbaarheid gecontroleerde informatie, dat er vanuit een woning aan de [D-straat]te Heerlen dagelijks zeer veel heroïne en cocaïne wordt verkocht, dat de voorraadkast in de woonkamer staat en dat ook harddrugs worden verstopt in pakken spaghetti e.d., wordt op 22 februari 2010 een onderzoek ingesteld naar voornoemd pand. In het kader van dat onderzoek wordt, na observatie, een persoon met een junkachtig uiterlijk op verdenking van overtreding van de Opiumwet aangehouden. In de jas van deze persoon, genaamd [I.], worden twee bolletjes aangetroffen, inhoudende respectievelijk een witte op cocaïne gelijkende substantie en een bruine op heroïne gelijkende substantie. Gelet hierop wordt op 22 februari 2010, krachtens een machtiging van de hulpofficier van justitie [C.], binnengetreden in de woning aan de [D-straat]te Heerlen. In de woning worden verdachte en medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aangehouden en vervolgens worden verdovende middelen aangetroffen en inbeslaggenomen. Het NFI heeft gerapporteerd dat de onderzochte monsters heroïne respectievelijk cocaïne bevatten. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat bewezenverklaard moet worden dat in de woning circa 158 gram heroïne en 184 gram cocaïne aanwezig was.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat onrechtmatig is binnengetreden in de woning en dat deze vervolgens ook onrechtmatig is doorzocht. Mocht er al sprake zijn van een vormverzuim, dan dient bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van opsporingshandelingen te worden vastgesteld dat verdachte door dat handelen is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de vorm van het huisrecht is in dezen het te beschermen belang.

Gelet op verdachtes verklaring dat hij een eigen woning heeft en niet op de [D-straat]in Heerlen woont, is hij noch door het binnentreden noch door de doorzoeking in dat belang geschaad. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van verdovende middelen in het pand, nu hij direct voorafgaand aan het binnentreden een uur weg was geweest uit het pand en hij zich ten tijde van het binnentreden in de keuken bevond, waar geen verdovende middelen zijn aangetroffen.

Opsporingsambtenaar Van Dam heeft ter terechtzitting onder ede verklaard dat verdachte zich ten tijde van het binnentreden in de woonkamer op de bank voor de salontafel bevond. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring en gaat hier dan ook vanuit. Gezien het proces-verbaal onderzoek woning (p. 39) en de rapportage van het NFI is op deze salontafel een zak met bolletjes heroïne en cocaïne aangetroffen. Op die tafel lag wit poeder dat ook als cocaïne testte. Gelet op de zichtbare aanwezigheid van verdovende middelen, staat voor de rechtbank vast dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van harddrugs in de woning. Nu het hoeveelheden betrof die mede gezien de verpakkingswijze (bolletjes) duidden op de handel in verdovende middelen, moet verdachte er ernstig rekening mee hebben gehouden en heeft hij in die zin willens en wetens het risico aanvaard dat zich ook elders in de woning verdovende middelen als voorraad bevonden. Dit geldt ook voor de in de kast op de slaapkamer van de kleindochter verstopte hoeveelheden cocaïne en heroïne. Het opzet op het aanwezig hebben van de heroïne en de cocaïne is daarmee bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 februari 2010 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [D-straat]ongeveer 158 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 184 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat, mede gelet op de hoeveelheden aangetroffen verdovende middelen op verborgen plekken in het pand, de situatie zoals omschreven in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering van toepassing is.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 22 februari 2010 in een pand aan de [D-straat]te Heerlen 342 gram harddrugs aanwezig gehad.

Het is een feit van algemene bekendheid dat met name harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd en dat rekent de rechtbank verdachte aan.

Verder is het strafbare feit gepleegd in een pand waar ook een minderjarige woont en die derhalve direct aan de geschetste gevaren en aan de van een en ander uitgaande verkeerde invloeden is blootgesteld. Dat verdachte zo handelt, duidt op een gebrek aan normbesef en dat rekent de rechtbank verdachte aan.

In deze zaak zijn harddrugs in een woning aangetroffen, waarvan de hoeveelheid, de verpakkingswijze in bolletjes en de vondstomstandigheden (deels open en bloot liggend in de woning en deels verborgen in een geheime ruimte) duiden op dealeractiviteiten. Gelet op deze omstandigheden en het gegeven dat de drugs gerelateerde criminaliteit in het arrondissement Maastricht een enorme omvang heeft en lokaal voor veel overlast zorgt, hanteert de rechtbank het oriëntatiepunt van het LOVS voor de in- en uitvoer van harddrugs als uitgangspunt. Bepalend voor de omvang van de gevangenisstraf, want daar gaat het in dit oriëntatiepunt om, zijn de hoeveelheid harddrugs en de gedragingen van de dader.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad reeds eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor een soortgelijk feit. Verdachte is bij vonnis van 9 augustus 2006, gewezen in de zaak met parketnummer 03/700226-06, immers veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf voor de duur van 240 uur. Dat verdachte binnen vijf jaren opnieuw de Opiumwet heeft overtreden, merkt de rechtbank aan als een strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte van zijn eerdere straf kennelijk niets heeft geleerd, althans deze straf hem er niet van heeft weerhouden om nogmaals een soortgelijk feit te plegen.

Alles overwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

-verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

-spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

-verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

-verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

-veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

-bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. M.J.M. Goessen en mr. R.H.J.G. Borger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.T. Latour, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 juli 2010.

Buiten staat

mr. M.J.M. Goessen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 22 februari 2010 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Delfstofweg 24) ongeveer 252 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 184 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700114-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 2 juli 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiair Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 18 juni 2010 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Kerkrade.