Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN4833

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-06-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
03-703331-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding was gestopt. De noodzaak tot verdediging was daarmee afwezig.

Het bestaan van (tardief) extensief noodweerexces is niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/703331-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 juni 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juni 2010, waarbij de officier van justitie, de raadsman en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [naam benadeelde partij] te doden dan wel dat verdachte die [naam benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd die [naam benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit in de primaire vorm wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat hoogstens de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij op 9 augustus 2009, toen hij samen met zijn vriend [naam vriend verdachte] in de auto aankwam bij zijn huis in Maastricht, zag dat zijn vriendin werd mishandeld door het latere slachtoffer [naam benadeelde partij]. Verdachte heeft verklaard dat hij toen uit de auto van zijn vriend is gestapt met een mes in zijn handen en naar [naam benadeelde partij] is toegegaan, omdat hij hem wilde slaan. Dat mes lag in de auto van [naam vriend verdachte]. Het was een mes dat hij moest openklappen. Verdachte heeft verklaard dat [naam benadeelde partij] hem meteen aanviel, dat hij zich heeft afgeweerd met het mes in zijn handen en dat hij heeft geprobeerd [naam benadeelde partij] te slaan. [naam benadeelde partij] is op een gegeven moment weggerend en verdachte is hem achterna gerend. Verdachte heeft verklaard dat het allemaal heel snel ging, dat hij heel erg kwaad was, dat hij een waas voor zijn ogen had en dat hij niet precies weet hoe het is gegaan, maar dat het zou kunnen dat hij [naam benadeelde partij] met dat mes heeft geraakt.

In een later verhoor heeft verdachte herhaald dat hij het allemaal niet meer precies weet, maar dat hij denkt dat hij [naam benadeelde partij] in de straat voor zijn huis, waar hij is begonnen met hem te slaan, met het mes heeft geraakt. Verderop op de [P-weg], de straat waar de achtervolging eindigde en waar verdachte ontdekte dat hij zelf een wond aan zijn been had, denkt verdachte niet te hebben gestoken.

[naam benadeelde partij] heeft verklaard dat hij aan het bekvechten was met zijn buurvrouw, de vriendin van verdachte, dat zij begon te duwen en dat hij haar heeft teruggeduwd, op welk moment verdachte kwam aanrijden. Verdachte stapte uit, kwam naar hem toegelopen en gaf hem een klap met zijn vuist. [naam benadeelde partij] heeft verklaard dat hij het mes toen nog niet had gezien. Hij heeft verder verklaard dat hij verdachte toen een klap teruggaf, waarna verdachte zijn hond achter hem aan stuurde. [naam benadeelde partij] is toen weggerend naar de [P-weg]. Hij wilde daar over een hek klimmen, maar dat lukte niet. Verdachte kwam naar hem toegelopen en hij zag toen pas dat verdachte een mes in zijn handen had. Hij zag dat verdachte dit mes omhoog bracht en richting zijn hartstreek stak. Hij weerde af met zijn linkerarm. [naam benadeelde partij] zag dat zijn shirt gescheurd was van boven naar beneden en dat hij een grote wond aan zijn linkerpols had.

Een verbalisant heeft in het ziekenhuis waargenomen dat [naam benadeelde partij] een snijwond van ongeveer 20 centimeter lang in de lengterichting over zijn borstbeen had en dat de huid ongeveer twee à drie centimeter uit elkaar was en flink bebloed. In de geneeskundige verklaring staat dat er sprake was van ernstig uitwendig bloedverlies en dat er een vermoeden bestond van niet-uitwendig waarneembaar letsel en inwendig bloedverlies. De echo van de buik en de CT scan van de thorax/abdomen toonden echter geen inwendige verwondingen. De wonden zijn op de OK gesloten.

[naam vriend verdachte] heeft verklaard dat hij samen met verdachte in zijn auto kwam aanrijden bij de woning van verdachte, toen hij zag dat [naam benadeelde partij] de vriendin van verdachte tegen het raam van het huis duwde en vervolgens op de grond gooide. Verdachte vroeg hem iets om mee te slaan en [naam vriend verdachte] heeft verklaard dat hij toen heeft gezegd, “aan jouw kant ligt ergens een mes”. Verdachte is toen uit de auto gestapt. [naam vriend verdachte] heeft niet gezien dat verdachte op dat moment een mes in zijn handen had. [naam vriend verdachte] heeft evenmin een mes of messen bij anderen gezien. [naam vriend verdachte] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte en [naam benadeelde partij] slaande bewegingen naar elkaar maakten, waarna ze zijn weggerend. [naam vriend verdachte] heeft verklaard dat hij toen naar de [P-straat] is gelopen, alwaar hij verdachte gewond aan zijn linkerbeen op de grond aantrof. Vlakbij hem lag een mes en verdachte zei “pak dat mes weg”. [naam vriend verdachte] heeft verklaard dat hij dat heeft gedaan en dat hij toen zag dat het zijn werkmes was.

Bij de stukken zit een foto en een beschrijving van het mes. Het gaat om een mes met een totale lengte van 19 centimeter, waarvan het lemmet ongeveer 9 centimeter lang is.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat het bij het hierboven beschreven handgemeen enkel verdachte is geweest die een mes in zijn handen heeft gehad. Verdachtes verklaring dat hij vanuit de auto had gezien dat [naam benadeelde partij] een mes in zijn handen had, en dat het dus mogelijk is dat bij het handgemeen [naam benadeelde partij] zich met zijn mes heeft verwond, wordt door geen enkele andere verklaring ondersteund.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door met een mes met een lemmet van 9 centimeter in zijn handen [naam benadeelde partij] te lijf te gaan en te slaan, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [naam benadeelde partij] met dit mes zodanig zou raken dat [naam benadeelde partij] hierbij het leven zou kunnen laten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het hem, toen hij uit de auto stapte, zwart werd voor de ogen en dat hij pas weer is bijgekomen toen hij op de [P-weg] op de stoep zat. Voor zover verdachte hiermee heeft bedoeld dat hij ten tijde van het feit in een dissociatieve toestand verkeerde waardoor eventuele handelingen niet-opzettelijk zouden zijn geschied, merkt de rechtbank op dat zij dit niet aannemelijk acht, nu verdachte wel verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van hetgeen is voorgevallen, zowel bij de politie als ter terechtzitting.

De rechtbank zal het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen verklaren.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 9 augustus 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes die [naam benadeelde partij] heeft gesneden over de borststreek, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

De raadsman heeft in zijn pleidooi aangevoerd dat er sprake was van noodweer of noodweerexces. Verdachtes vriendin werd aangevallen en verdachte wilde haar ontzetten. Er was in de periode voorafgaand aan dit incident al heel veel voorgevallen tussen verdachte en zijn buren en deze aanval maakte dat het verdachte zwart werd voor de ogen waardoor hij mogelijk verder is gegaan dan nodig was.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor een geslaagd beroep op noodweer vast moet komen te staan dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes vriendin, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daartoe, waarbij het noodzakelijk was dat verdachte haar verdedigde en waarbij de wijze van verdediging geboden was en in verhouding stond tot de ernst van de dreiging.

De rechtbank stelt vast dat de vriendin van verdachte werd aangevallen door [naam benadeelde partij] op het moment dat verdachte kwam aanrijden. De rechtbank stelt eveneens vast dat die aanval stopte op het moment dat verdachte uit de auto stapte. Zowel de vriendin van verdachte als getuige [naam getuige] verklaren namelijk dat [naam benadeelde partij] op dat moment ophield en losliet. De vriendin van verdachte heeft verklaard dat zij, op het moment dat verdachte woedend de auto uitkwam en op [naam benadeelde partij] afrende, tegen verdachte heeft gezegd: “kom hier, ik bel de politie”.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de vriendin van verdachte door [naam benadeelde partij], maar dat die aanranding ophield op het moment dat verdachte kwam aanrijden en uit de auto stapte. Daarmee was op dat moment naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake meer van een noodweersituatie. Het was met andere woorden op dat moment niet meer noodzakelijk dat verdachte zijn vriendin verdedigde. Een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces is dan niet meer mogelijk.

In de jurisprudentie wordt daarop een beperkte uitzondering gemaakt in geval van het (tardieve) extensieve noodweerexces (HR 18 mei 1993, NJ 1993, 691 m.nt. ‘tH). Van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging kan sprake zijn indien op het tijdstip van de aan verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin de gedraging van verdachte toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Het eventuele bestaan van een dergelijke hevige gemoedsbeweging zal over het algemeen worden vastgesteld op basis van de verklaringen van een verdachte, die immers uit de doeken kan doen hoe het hem ten tijde van het feit te moede is geweest. De verklaringen die verdachte in de onderhavige zaak heeft afgelegd, wisselen echter sterk van inhoud. Dusdanig sterk dat het zich voorgedaan hebben van een dergelijke gemoedsbeweging daaruit niet aannemelijk is geworden. Nu ook anderszins een dergelijke hevige gemoedsbeweging niet aannemelijk is geworden, oordeelt de rechtbank dat van een extensief noodweerexces eveneens geen sprake is geweest.

Er zijn daarmee geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit en/of de dader uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis met aftrek.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte een eigen woning heeft en een vaste baan. De raadsman heeft opgemerkt zich te kunnen vinden in een voorwaardelijke gevangenisstraf, maar wel korter dan negen maanden en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van een eventuele werkstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een zwaardere straf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. Het gaat in de onderhavige zaak om een zeer ernstig feit, namelijk een poging doodslag. Verdachte is het slachtoffer op klaarlichte dag op de openbare weg met een mes in zijn handen te lijf gegaan en heeft het slachtoffer met dat mes in zijn handen in ieder geval geslagen waarbij het slachtoffer een flinke snee over zijn borstkast heeft opgelopen die in de OK moest worden gesloten. Dat hieraan van alles is voorafgegaan en dat het slachtoffer een bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van het handgemeen met verdachte, maakt het feit zelf niet minder ernstig. Verdachte had geen mes uit de auto moeten meenemen en het feit dat hij dat wel heeft gedaan, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Enkel een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf vindt de rechtbank dan ook niet passend. Dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk gevolgen kan hebben voor de woonsituatie en vaste baan van verdachte, kan niet tot een andere conclusie leiden. Het gaat zoals gezegd om een zeer ernstig feit en de rechtbank dient aansluiting te zoeken bij straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken en tevens een signaal af te geven naar de samenleving en het slachtoffer.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal deze straf dan ook opleggen.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 260 ter zake van materiële schade en vordert € 98 ter zake van kosten voor rechtsbijstand.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen.

De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit, omdat [naam benadeelde partij] geen bonnen of aankoopnota’s heeft overlegd en er onduidelijkheid bestaat over de kosten voor rechtsbijstand.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht, de rechtbank het gevorderde bedrag ten aanzien van de materiële schade aannemelijk acht en aan verdachte ter zake van het feit een straf zal worden opgelegd, zal de vordering voor wat betreft de materiële schade geheel worden toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast zal verdachte worden veroordeeld tot betaling van de kosten die de benadeelde partij tot nu toe heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde partij] van € 260 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van genoemde benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 98,00;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij], € 260 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis en mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Drenth, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 juni 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 09 augustus 2009 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, die [naam benadeelde partij] heeft gesneden over de (gehele) borststreek, in elk geval over het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 augustus 2009 in de gemeente Maastricht aan een persoon genaamd [naam benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, over de (gehele) borststreek, in elk geval het lichaam, te snijden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 09 augustus 2009 in gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, die [naam benadeelde partij] heeft gesneden over de (gehele) borststreek, in elk geval over het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/703331-09

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 18 juni 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.