Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN4821

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
03/700032-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige staandehouding. Onrechtmatig onderzoek aan de kleding. Bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/700032-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 27 april 2010 en 28 juli 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander 162 gram heroïne heeft vervoerd danwel aanwezig heeft gehad.

Feit 2: samen met een ander 1162 gram heroïne en 65 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op het volgende.

Verdachte is op verdenking van een woninginbraak op basis van een dadersignalement samen met medeverdachte [naam medeverdachte] staande gehouden in de buurt van de plaats waar de woninginbraak gepleegd werd. Vervolgens zijn zij aangehouden en op grond van artikel 56, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, aan de kleding onderzocht. Bij verdachte vond dit onderzoek tevens en gelijktijdig plaats op grond van artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering.

De voor de toepassing van de bevoegdheid uit artikel 56, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering vereiste ernstige bezwaren, mochten worden aangenomen, omdat de aanhouding op heterdaad plaatsvond. Uit de jurisprudentie, waaronder een arrest van de Hoge Raad van 14 januari 1975 (NJ 1975, 207), blijkt daarbij dat het bestaan van ernstige bezwaren op relatief lichte gronden mag worden aangenomen.

Bij verdachte zijn bij diens fouillering omwikkelde rolletjes aangetroffen met daarin een stof die bij de uitvoering van een ODV-test positief reageerde op de aanwezigheid van heroïne.

Ten aanzien van feit 2

De resultaten van de fouillering leidden vervolgens, in samenhang met de verklaring van een buurtbewoner, tot de doorzoeking van een woning aan de [S-straat] te Kerkrade. Bij die doorzoeking is de aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen, voor het bezit waarvan verdachte thans terecht dient te staan, aangetroffen. Blijkens het huurcontact stond de woning op naam van medeverdachte [naam medeverdachte]. De woning was echter naar eigen zeggen in gebruik bij verdachte.

Ook dit feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak voor dit feit. Hij voert daartoe aan dat er onvoldoende grond bestond voor het bij verdachte verrichte onderzoek aan de kleding, hetzij op basis van artikel 55b, hetzij op basis van artikel 56, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het signalement op basis waarvan verdachte staande is gehouden was immers erg vaag. Het verschil in lengte van de daders en de donkere kleding die zij zouden hebben gedragen komt in de oorspronkelijke melding niet terug. Die informatie is pas nadien bekend geworden. Bovendien ligt de plek waar verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] zich ten tijde van de staandehouding en aanhouding bevonden, niet op de weg van de plaats delict naar het Esso-tankstation, terwijl de daders volgens de melding in de richting van het Esso-tankstation zouden zijn gevlucht.

De raadsman wijst er in dit verband op dat de door de officier van justitie aangehaalde jurisprudentie volstrekt onvergelijkbaar is met de onderhavige casus. Gelet op de afwezigheid van ernstige bezwaren tegen verdachte [naam verdachte] ten tijde van het onderzoek aan zijn kleding, dienen de resultaten van die fouillering van het bewijs te worden uitgesloten.

Bij gebreke aan voldoende wettig bewijs dient verdachte van het eerste hem tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.

In het geval dat de rechtbank bovenstaande verweren passeert wijst de raadsman erop dat de hoeveelheden verdovende middelen in de tenlastelegging onjuist zijn vermeld. Ze komen niet overeen met de hoeveelheden in de NFI-stukken en de kennisgevingen van inbeslagneming.

Ten aanzien van feit 2

Ook ten aanzien van dit feit bepleit de raadsman vrijspraak.

Hij voert daartoe aan dat de doorzoeking van de woning aan de [S-straat] enkel naar aanleiding van de bij het onrechtmatig onderzoek aan de kleding aangetroffen spullen heeft plaatsgevonden. Daarmee staat die doorzoeking in een zodanig direct verband met dat onrechtmatige onderzoek, dat ook het daarbij aangetroffen bewijsmateriaal van het bewijs dient te worden uitgesloten.

In het geval dat de rechtbank dit verweer mocht passeren, wijst de raadsman erop dat de hoeveelheden verdovende middelen in de tenlastelegging onjuist zijn vermeld. Ze komen niet overeen met de hoeveelheden vermeld in de NFI stukken en de kennisgevingen van inbeslagneming.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Op 12 januari 2010, omstreeks 13.27 uur, wordt bij het service-centrum van de politie Limburg-Zuid een woninginbraak gemeld. Deze inbraak vond plaats op het adres [K-straat] te Kerkrade. De meldster, zijnde de buurvrouw van de bewoonster van voormeld adres, wordt doorverbonden met de centralist van de meldkamer en geeft tegenover de centralist te kennen dat zij de inbrekers gezien heeft. Op de vraag van de centralist of zij een signalement kan geven, antwoordt zij letterlijk: “Ja donker, negers.” De vraag van de centralist hoe zij gekleed zijn, wordt, na kennelijke ruggespraak met de bewoonster, door de meldster beantwoord met: “Ze rende langs haar door, ze weet het niet meer.”

Meldster geeft desgevraagd nog te kennen dat de daders vanuit de flat richting het Esso-tankstation zijn gerend. De daders zouden sieraden en een zwarte telefoon van het merk Samsung hebben gestolen.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2010 (proces-verbaalnummer: PL2420 2010004013-76) waaruit het voorgaande volgt, wordt vervolgens door de centralist van de meldkamer aan twee patrouilles doorgegeven dat er een heterdaad melding is ontvangen van een woninginbraak aan de [K-straat]. Als signalement van de daders wordt dan doorgegeven: “negroïde types dus negroïde types richting Esso-tankstation. Hebben sieraden en een Samsung telefoon kleur zwart gestolen.”

Blijkens voormeld proces-verbaal in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen van 12 januari 2010 (proces-verbaalnummer: 2010004013-9) en de verhoren van elk van de desbetreffende verbalisanten als getuige ter terechtzitting, wordt dan korte tijd later in de wijk achter de betrokken woning aan de [K-straat] door de verbalisanten een persoon met een donker tot negroïde uiterlijk aangetroffen. Deze staat aan de bijrijderszijde van een auto en stapt in. Als de verbalisanten langsrijden, zien zij in de auto op de bestuurdersplaats een negroïde persoon zitten. Deze personen zijn vervolgens staande gehouden. Dit bleken verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] te zijn.

De vraag die de rechtbank in dit kader dient te beantwoorden is of dit staande houden wettelijk was toegestaan. Hiertoe overweegt zij het volgende.

Op grond van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering is iedere opsporingsambtenaar bevoegd een verdachte staande te houden en naar zijn identiteit te vragen.

Uit artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat hierbij als verdachte kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.

Of de opsporingsambtenaar een dergelijk “redelijk vermoeden” mocht koesteren, behoort, blijkens vaste jurisprudentie, door de zittingsrechter slechts marginaal te worden getoetst.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegen aan het staande houden van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] die marginale toets niet doorstaan. Het signalement dat aan de politiepatrouilles werd verstrekt was dermate algemeen en zodanig weinig onderscheidend dat hierop in redelijkheid geen redelijk vermoeden van schuld kon en mocht worden gebaseerd. Ook niet in combinatie met de omstandigheid dat verdachte en diens medeverdachte zich in een straat bevonden die in de nabijheid van de [K-straat] lag.

Daarbij heeft de rechtbank ter zitting geconstateerd dat verdachtes medeverdachte [naam medeverdachte] weliswaar getint maar niet negroïde is, zodat hij niet volledig aan het signalement voldoet, terwijl hij kennelijk degene is geweest die als eerste werd waargenomen door de betrokken verbalisanten.

De rechtbank acht de staandehouding van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] derhalve onrechtmatig. Deze normschending in het vooronderzoek is een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en is onherstelbaar.

Blijkens het eerdergenoemde proces-verbaal van bevindingen van 12 januari 2010 zoekt volgende op deze staandehouding een van de verbalisanten telefonisch contact met de meldster/aangeefster van de woninginbraak. Deze deelt dan aan de verbalisant mede dat de daders donker waren en dat de ene dader een kop groter was dan de andere. Zij deelt verder mede dat met name sieraden zijn weggenomen. De verbalisant deelt dit vervolgens mede aan de overige verbalisanten en het eerdergenoemde proces-verbaal vermeldt dan dat tot aanhouding van verdachte en diens medeverdachte wordt overgegaan, gelet op het feit dat:

• deze personen aan het opgeven signalement voldeden,

• zij werden aangetroffen op een plaats die is gelegen op de vluchtweg en

• deze personen geen duidelijke verklaring konden geven voor hun aanwezigheid op die locatie.

Vervolgens zijn verdachte en diens medeverdachte op straat aan een onderzoek aan de kleding onderworpen. Bij verdachte is daarbij een aantal met cellofaanfolie omwikkelde rolletjes en een plastic zakje aangetroffen. In zowel elk van de rolletjes als in het plastic zakje werd een qua kleur op heroïne gelijkende stof aangetroffen.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of dit onderzoek aan de kleding dat blijkens de verklaringen die de verbalisanten terzake als getuige ter zitting hebben afgelegd eerst en vooral plaatshad op grond van artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering, wettelijk was toegestaan.

Op grond van voornoemd artikel is een dergelijk onderzoek slechts toegelaten bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen de verdachte en mag een dergelijk onderzoek slechts op een besloten plaats worden verricht.

Vast staat dat het onderzoek niet op een besloten plaats is verricht. Het is immers op straat verricht. Voorts is de rechtbank, marginaal toetsend, van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake was van ernstige bezwaren tegen de verdachte en diens medeverdachte. De feiten en/of omstandigheden die tot de aanhouding hebben geleid zijn daarvoor, eveneens wanneer deze in onderlinge samenhang worden bezien met de feiten en/of omstandigheden die geleid hebben tot de staandehouding, onvoldoende. Het onderzoek aan de kleding van verdachte en aan de kleding van diens medeverdachte is daarmee onrechtmatig. Ook deze normschending in het vooronderzoek is een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en is onherstelbaar.

Kort na het aantreffen bij verdachte van de op heroïne gelijkende stof worden de verbalisanten aangesproken door een buurtbewoner. Deze buurtbewoner, die verder onbekend blijft, meldt dat hij de aangehouden verdachten vaker in de buurt heeft gezien van een pand alwaar volgens die buurtbewoner in verdovende middelen wordt gedeald.

Hierop wordt er een doorzoeking verricht in het desbetreffende pand. In dit pand aan de [S-straat], dat gehuurd wordt door medeverdachte [naam medeverdachte] maar in gebruik is bij verdachte, worden diverse hoeveelheden op verdovende middelen gelijkende stoffen aangetroffen.

Al de op verdovende middelen gelijkende stoffen blijken, na onderzoek door het NFI, ook daadwerkelijk verdovende middelen te zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is het doorzoeken van het pand aan de [S-straat] en het vervolgens daarin aantreffen van verdovende middelen het voornamelijke gevolg van het eerder aantreffen van de verdovende middelen bij de het onderzoek aan de kleding van verdachte. Zo er immers bij hem bij gelegenheid van dat onderzoek geen verdovende middelen zouden zijn aangetroffen, dan zou naar alle waarschijnlijkheid de enkele opmerking van een buurtbewoner niet geleid hebben tot een doorzoeking.

Gelijk eerder vastgesteld vormt het onderzoek aan de kleding van verdachte en dat aan de kleding van zijn medeverdachte een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat in het vooronderzoek is begaan en onherstelbaar is

Nu de rechtsgevolgen van dat vormverzuim niet uit de wet blijken, zal de rechtbank dienen te beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”, bij de beoordeling waarvan de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang zijn. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Het recht eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer is een van de belangrijkste rechten die een burger geniet. Dit recht kan in het kader van de opsporing van strafbare feiten slechts terzijde worden gesteld als voldaan is aan daaraan in de wet vastgelegde vereisten, welke immers (rechts)waarborgen tegen ongeoorloofde opsporingsmethoden inhouden. Aan die vereisten dient strak de hand te worden gehouden. Rekening houdende met het hiervoor beschreven belang dat het geschonden voorschrift van artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering dient en de ernst van het verzuim, hetwelk mede daaruit bestaan heeft dat verdachte in strijd met het bepaalde in laatstgenoemd artikel in het openbaar is gefouilleerd, en de omstandigheid dat verdachte daadwerkelijk en rechtstreeks door het verzuim in zijn verdediging is geschaad, zal de rechtbank de bij het onderzoek aan de kleding aangetroffen verdovende middelen uitsluiten voor het bewijs.

Nu, zoals overwogen, de resultaten van de daarna gevolgde doorzoeking het voornamelijke gevolg zijn van het onrechtmatige onderzoek aan verdachtes kleding, zullen ook deze resultaten als fruits of the poisonous tree worden uitgesloten voor het bewijs.

Enige andere reactie acht de rechtbank niet passend.

Nu door de bewijsuitsluiting van de resultaten van het onderzoek aan de kleding en de doorzoeking van de woning, onvoldoende bewijsmateriaal meer voorhanden is ter zake de ten laste gelegde feiten, oordeelt de rechtbank deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken.

4 Beslag

De officier van justitie en de raadsman hebben zich niet uitgelaten over het beslag.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

Beslag

- verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 8 en 41 t/m 50;

- gelast de teruggave aan [naam verdachte] van de volgende, nog niet teruggeven voorwerpen, die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 6, 7 en 21.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. R.H.J.G. Borger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Janssen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 augustus 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 januari 2010 in de gemeente Kerkrade, althans in het

arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig

heeft gehad (ongeveer) 162 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 13 januari 2010 in de gemeente Kerkrade tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig

heeft gehad (ongeveer) 1162 gram, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne en/of (ongeveer) 65 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/700032-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 11 augustus 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte],

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig. Ter terechtzitting van 28 juli 2010 heeft hij geen afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.