Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN4480

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
20-08-2010
Zaaknummer
10/393
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BV6838, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

RSI. Na ontslag wegens ziekte wordt Defensie aansprakelijk gesteld voor geleden en te lijden schade als gevolg van de tijdens het dienstverband opgelopen beroepsziekte RSI. Beroep gegrond verklaard. Al in de ontslagbrief stond ondubbelzinnig dat arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vond in de aard van de opgedragen arbeid of de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Daarbij is ook een aanvullende uitkering toegekend. Nu verder meerdere bedrijfsartsen een arbeidsgerelateerde aandoening hebben vastgesteld is een beroepsziekte voldoende aannemelijk gemaakt.

Voldoende is onderbouwd dat verweerder niet (tijdig) zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden zodanig in te richten, maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken om schade voor de werknemer te voorkomen. Argumentatie van huidige medisch adviseur van Defensie, die voorgaande medische verklaringen in twijfel trekt, wordt geheel verworpen. Dat er geen onafhankelijk verslag van de werkinhoud en werksituatie aanwezig is kan niet in het nadeel van eiseres worden uitgelegd. Invloed van mogelijk bijdragende factoren is niet onderbouwd. Verweerders stelling dat volstrekt onduidelijk is welke maatregelen effectief zijn ter voorkoming van RSI kan de rechtbank in het geheel niet plaatsen.

Voor een nieuw te nemen besluit op bezwaar geldt als uitgangspunt dat verweerder aansprakelijkheid neemt voor de schade die eiseres heeft geleden en zal lijden. Gelet op de trage afhandeling van de aansprakelijkheidstelling door verweerder wordt een tijdslimiet gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10 / 393

Uitspraak

in het geding tussen

[betrokkene],

wonend te Eynatten (België), eiseres,

en

de Staatssecretaris van Defensie,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 februari 2010

Kenmerk: 2005-0441 JDV/10/1550

1. Procesverloop

Eiseres heeft tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 augustus 2010. Ter zitting is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde W.A. van Veen, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E.P. van Zandbergen, werkzaam bij verweerder.

2. Overwegingen

Eiseres werkte vanaf 1995 tot 1 december 2003 als utilities rates clerk bij de afdeling Operations and Maintenance Division, Directorate of Public Works, U.S. Army Garrison te Schinnen.

Bij brief van 21 januari 2004 is gemeld dat ontslag is verleend vanwege ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid wegens ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen arbeid of de bijzondere omstandigheden waarin deze moesten worden verricht. Om die reden is een aanvullende uitkering toegekend.

Bij brief van 3 maart 2005 heeft eiseres verweerder aansprakelijk gesteld voor het tijdens het dienstverband oplopen van de beroepsziekte RSI. Verweerder wordt aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade, zowel materieel als immaterieel.

Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft verweerder de aansprakelijkheid voor de gezondheidsklachten van eiseres afgewezen. De schade wordt niet vergoed.

Overwogen wordt dat voor erkenning van de aansprakelijkheid een causaal verband tussen de klachten en de werkzaamheden alléén niet voldoende is. Enig causaal verband wordt uit coulance wel aangenomen, maar niet alle klachten zijn toe te rekenen aan de werkzaamheden. Verweerder heeft aan zijn zorgplicht voldaan door de werkzaamheden op zodanige wijze in te richten, maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven, om daarmee te voorkomen dat eiseres schade zou leiden.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij is op het bezwaar gehoord.

Verweerder heeft bij het nu bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

Verweerder overweegt hiertoe dat voor toekenning van schadevergoeding een causaal verband dient te bestaan tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden. Bij dit causale verband is de maatstaf dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden met een voldoende mate van waarschijnlijkheid de ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. Deze norm vormt echter geen absolute waarborg waardoor de enkele omstandigheid van het schade lijden niet tot de conclusie leidt dat het bestuursorgaan zijn zorgplicht heeft veronachtzaamd. Bewijskracht voor de effectiviteit van preventieve maatregelen ontbreekt vrijwel volledig en evenmin is duidelijk welke vormen van therapie effectief zijn. Daarom kan verweerder niet tekortgeschoten zijn vanwege het niet nemen van preventieve maatregelen. Op de bezwaargronden over de medische causaliteit gaat verweerder daarom niet meer in. Eisers hebben gesteld dat de werkplek ten tijde van de eerste uitval niet voldeed, dat de werkplek onvoldoende was aangepast en dat de aanwijzingen van de bedrijfsarts niet (volledig) zijn uitgevoerd. Verweerder is echter van mening dat deze stellingen niet kunnen dienen ter ondersteuning van het bezwaar, omdat bewijskracht voor de effectiviteit van preventieve maatregelen vrijwel volledig ontbreekt en niet duidelijk is welke vormen van therapie effectief zijn. De verwijzingen van eiseres naar bevindingen van de Arbeidsinspectie, het Besluit Beeldschermwerk en andere publicaties faalt eveneens, omdat de oorzaak van RSI nog altijd niet vaststaat en onbekend is welke maatregelen preventief werken. Als al sprake zou zijn ven enige overtreding, dan is daarmee nog niet gezegd dat het gevaar van RSI-schade zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.

Eiseres heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat verweerder heeft erkend dat de klachten in het kader van de dienstbetrekking zijn ontstaan en met andere woorden werkgerelateerd zijn. Volgens de behandelend medici en deskundigen is er terdege sprake van een relatie van de arbeid met de gezondheidsklachten. De werkgever heeft niet voldaan aan de zorgplicht tegenover eiseres, nu de werkzaamheden onvoldoende dan wel helemaal niet zijn aangepast en de aanwijzingen van de bedrijfsarts niet of in ieder geval niet volledig zijn uitgevoerd.

Vast staat dat dan geoordeeld moet worden dat de arbeidsgerelateerdheid van de klachten ertoe leidt dat de werkgever moet bewijzen dat hij zijn zorgverplichtingen is nagekomen.

Verweerder beargumenteert zijn afwijzing van de aansprakelijkheid echter niet met de stelling dat hij zijn zorgverplichtingen is nagekomen, maar hij beroept zich op het vrijwel volledig ontbreken van bewijskracht over de effectiviteit van preventieve maatregelen.

Volgens de jurisprudentie berust op de werkgever de bewijslast dat de werknemer ook bij het wel nemen van de bekende preventieve maatregelen de beroepsziekte zou hebben opgelopen.

De arbeidsomstandigheden waren jarenlang niet optimaal en risicovol. Na verandering van werkplek met daarna een te hoog bureau ontstonden de klachten. Verweerder heeft op geen enkele wijze aangegeven welke preventieve maatregelen zijn genomen. Deze zijn ook niet genomen, er is in het geheel geen uitvoering gegeven aan de wettelijke bepalingen waarop eiseres tijdens de bezwarenprocedure heeft gewezen. Defensie bleef ook tijdens de re-integratie van eiseres in gebreke. Werkplek én werkinhoud werden onvoldoende aangepast en de werkbelasting nam daarbij toe, óók in de arbeidstherapeutische werktijd. De aanvankelijk relatief gunstige prognose van RSI werd na de re-integratie, waarin verweerder flink tekort schoot, tot een zeer therapieresistente vorm van RSI. Verweerders overweging, dat overtreding van regelgeving nog niet zegt dat het gevaar van RSI-schade zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, is onjuist. Verder staat het verweerder niet vrij om alsnog van oordeel te veranderen over de werkgerelateerdheid van de gezondheidsklachten door een verwijzing naar het latere volstrekt onjuiste - advies van zijn medisch adviseur. Uit de medische stukken van de verzekeringsarts en de medisch adviseur van FNV blijkt de klachten in het kader van de dienstbetrekking zijn ontstaan. Eiseres verzoekt tot slot verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar en beroep.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of eiseres zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verweerder aansprakelijk is voor het tijdens het dienstverband oplopen van de beroepsziekte RSI.

Allereerst stelt de rechtbank vast - en dat is tussen partijen ook niet in geschil - dat eiseres haar werkzaamheden heeft moeten staken vanwege fysieke klachten. Dit betekent dat moet worden bezien of en in welke mate, objectief bezien, een oorzakelijk verband aanwezig is tussen de klachten van eiseres en haar werk of werkomstandigheden. Daarbij geldt niet de eis zoals volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep het geval is bij klachten van psychische aard - dat sprake moet zijn van factoren die in verhouding tot het werk of de werkomstandigheden objectief bezien een abnormaal of excessief karakter dragen.

De rechtbank stelt vast dat de Bevelhebber der Landstrijdkrachten zich in zijn brief van 21 januari 2004 ondubbelzinnig heeft uitgelaten over de vraag of de ziekte van eiseres dient te worden aangemerkt als een beroepsziekte. Hij schrijft dat het ontslag per 1 december 2003 is verleend vanwege ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid wegens ziekte. Omdat de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de opgedragen arbeid of de bijzondere omstandigheden waarin deze moesten worden verricht, is op grond van artikel 65 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard) een aanvullende uitkering toegekend.

De door het Bureau Beroepsziekten van de FNV op 3 maart 2005 gedane mededeling, dat de bedrijfsarts heeft aangegeven dat het RSI ziektebeeld in medische zin kan worden aangemerkt als een beroepsziekte, komt de rechtbank in het licht van het vorenstaande dan ook alleszins aannemelijk voor. Aan de latere mededeling van verweerder, dat in de brief van 21 januari 2004 “coulancehalve” enig causaal verband tussen RSI-klachten en werkzaamheden werd aangenomen, kan de rechtbank geen betekenis toekennen.

Ook de (eerste) medisch adviseur van Defensie, R. Zaat, heeft in zijn advies van 14 augustus 2006 vermeld dat meerdere bedrijfsartsen hebben vastgelegd dat er sprake is van een beroepsziekte. Op 14 juli 2003 heeft de bedrijfsarts genoteerd dat de revalidatiearts de diagnose RSI fase II heeft vastgesteld en heeft opgemerkt dat een en ander mogelijk samenhangt met een overbelasting (surmenage) in het verleden tijdens werkzaamheden. De bedrijfsarts noteert hierbij dat het een duidelijk arbeidsgerelateerde aandoening betreft.

Voor de rechtbank staat dan ook voldoende vast dat sprake is van een beroepsziekte.

De andersluidende opvatting van de hierna optredende medisch adviseur van verweerder, J. Derks van Veduma, kan hier voor de rechtbank niet meer aan afdoen. Hij trekt de voordien door meerdere medici vastgelegde medische verklaringen en van de verzekeringsarts van UWV in twijfel, dat sprake is van een werkgerelateerde RSI. Zijn argumentatie hiertoe kan de rechtbank allerminst overtuigen.

Over de aan het werk gedane aanpassingen in verband met de klachten merkt de adviseur Derks voornoemd op, dat het werk sinds 2000 zou zijn aangepast, maar dat er geen onafhankelijk verslag van de werkinhoud en werksituatie aanwezig is in het dossier. De rechtbank oordeelt dat deze omissie verweerders verantwoordelijkheid is en niet aan eiseres kan worden verweten. Over de mogelijkheid van buiten het werk gelegen bijdragende factoren merkt hij op dat nergens blijkt dat hier überhaupt naar gezocht is. Hierover oordeelt de rechtbank dat verweerder niet heeft kunnen onderbouwen welke andere factoren de ziekte van eiseres zouden hebben kunnen veroorzaken, zodat er van dient te worden uitgegaan dat er geen bijdragende factoren zijn. De door verweerder gemaakte opmerkingen over een eerdere golf-elbow en de gevolgen van een auto-ongeval missen een verdere medische onderbouwing.

De rechtbank komt met name op grond van het zich onder de gedingstukken bevindende advies van 14 augustus 2006 van de bedrijfsarts Zaat, waarin de medische historie is opgenomen, tot de conclusie dat verweerder niet (tijdig) zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden zodanig in te richten, maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken, als nodig om schade voor de werknemer te voorkomen. Zo blijkt uit het genoemde rapport dat medio 2001 adviezen over het aanpassen/vermijden van zwaar tilwerk niet werden opgevolgd, dat in mei 2002 niets gedaan is met een advies over het aanschaffen van een joystick en dat in maart 2003 nog altijd sprake is van onvoldoende ergonomische voorzieningen op de werkplek.

De stelling van verweerder, dat bij overschrijding van Arbo normen over beeldschermwerk bedacht moet worden dat volstrekt onduidelijk is welke maatregelen effectief zijn ter voorkoming van de klachten, kan de rechtbank in het geheel niet plaatsen. Dit mede gelet op de omvangrijke literatuur en jurisprudentie die verschenen is over dit onderwerp ná het in 2000 verschenen rapport van de Gezondheidsraad, waarop verweerder zich in de loop der jaren blijft beroepen.

De rechtbank komt op grond van deze overwegingen tot de conclusie dat sprake is van een beroepsziekte, waarbij verweerder niet aan zijn verplichtingen met betrekking tot het voorkomen van schade voor de werknemer heeft voldaan. Het bestreden besluit wordt dan ook vernietigd.

Voor het nieuw te nemen besluit op bezwaar heeft als uitgangspunt te gelden dat verweerder aansprakelijkheid neemt voor de schade die eiseres heeft geleden en zal lijden. Hierna dient in overleg tussen partijen de omvang van deze schade te worden vastgesteld.

Het beroep is gegrond.

Gelet op de trage afhandeling van de aansprakelijkheidstelling door verweerder ziet de rechtbank aanleiding om een tijdslimiet te stellen voor het nemen van een nieuw besluit.

De rechtbank ziet tot slot aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De proceskosten wegens in bezwaar verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-. De proceskosten wegens in beroep verleende rechtsbijstand worden eveneens vastgesteld op € 644,-. Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens het bijwonen van de zitting wordt vastgesteld op € 16,80.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure tot een bedrag van € 644,-, te vergoeden aan eiseres,

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure tot een bedrag van € 660,80, te vergoeden aan eiseres,

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels, rechter, in tegenwoordigheid van F.A.W. van Gils, griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2010.

w.g. F.A.W. van Gils

w.g. P.J.M. Bruijnzeels

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:20-08-2010

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.