Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN2406

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
03/855056-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

‘Salduz’ bij niet-aangehouden verdachte. ‘Salduz’ ziet in beginsel niet op verdachten die alleen staande zijn gehouden of, nadat zij daartoe zijn ‘ontboden’, vrijwillig op het politiebureau verschijnen om een verklaring af te leggen. Toch kunnen bijzonderheden van het geval maken dat het ontbreken van adequate rechtsbijstand ertoe kan leiden dat het gebruik van de afgelegde verklaring toch een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Dat geldt in het bijzonder als het om minderjarige verdachten gaat. Uit de omstandigheid dat iemand is aangehouden kan volgen dat eerder aan de vrijwilligheid van de afgelegde verklaring moet worden getwijfeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/855056-10

vonnis van de kinderrechter d.d. 15 juli 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2010 en 1 juli 2010, waarbij de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De – gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte twaalf keer openlijk geweld heeft gepleegd tegen goederen dan wel die goederen heeft beschadigd, in die zin dat hij op die goederen graffiti heeft geplaatst.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte tegen de ad 5, 6, 7, 8, 10, 11, en 12 genoemde goederen openlijk geweld heeft gepleegd en dat de verdachte de ad 1, 2, 3, 4 en 9 genoemde goederen heeft vernield of beschadigd.

De raadsman heeft, met uitzondering van de openlijke geweldpleging ad 1, vrijspraak bepleit.

De kinderrechter zal de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw hierna onder 3.2 nader bespreken.

3.2 Het oordeel van de kinderrechter

3.2.1 In het licht van het door de raadsman gevoerde [S.]-verweer zal de kinderrechter eerst enkele algemene overwegingen wijden aan deze problematiek.

3.2.2 Volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), aangevangen met de arresten inzake [S.] tegen Turkije van 27 november 2008 en [P.] tegen [C.] van 11 december 2008, alsook het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009, moet een aangehouden verdachte, behoudens uitzonderingen, binnen redelijke grenzen gelegenheid worden geboden vóór het politieverhoor een advocaat te raadplegen en moet de verdachte op dat consultatierecht worden gewezen. Voor jeugdige verdachten geldt bovendien dat zij recht hebben op de aanwezigheid van een raadsman of een andere vertrouwenspersoon – doorgaans (een van) de ouders – tijdens het politieverhoor, het zogeheten aanwezigheidsrecht.

3.2.3 Uit genoemde arresten van het EHRM volgt tevens dat de verdachte binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid zal moeten worden geboden zijn recht te verwezenlijken, tenzij verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, maar in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht dan wel indien sprake is van dwingende redenen die ertoe nopen om hiervan af te wijken. In het arrest [P.] tegen [C.] heeft het EHRM bovendien nog overwogen dat gegeven de kwetsbaarheid van een minderjarige verdachte en diens ongelijkwaardige positie in het strafproces het afzien van een wezenlijk recht als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), zoals het consultatie- en aanwezigheidsrecht, alleen kan worden geaccepteerd, indien dit ondubbelzinnig is en de autoriteiten in redelijkheid alles hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de (minderjarige) verdachte zich volledig bewust is van zijn rechten en zoveel mogelijk de consequenties van het hiervan afstand doen kan overzien. In het arrest [P1.] tegen Rusland van 24 september 2009 heeft het EHRM voorts overwogen dat afstand niet alleen vrijwillig moet gebeuren, maar ook zodanig dat blijkt dat de (minderjarige) verdachte zich van het doen van afstand bewust is.

3.2.4 Onjuist is derhalve dat minderjarigen nimmer afstand kunnen doen van het consultatie- en aanwezigheidsrecht, zoals door enkele rechtbanken is aangenomen. Afstand van het consultatie- en aanwezigheidsrecht kan worden aanvaard, als dit ondubbelzinnig is gedaan en de autoriteiten in redelijkheid alles hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de minderjarige verdachte zich daarvan bewust is en de consequenties daarvan overziet. Of dat zo is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

3.2.5 Zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad heeft overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de uitspraken van het EHRM alleen betrekking hebben op verdachten die worden verhoord nadat zij zijn aangehouden. ‘[S.]’ ziet volgens de advocaat-generaal dus niet op verdachten die alleen staande zijn gehouden of, nadat zij daartoe zijn ‘ontboden’, vrijwillig op het politiebureau verschijnen om een verklaring af te leggen. Toch kunnen bijzonderheden van het geval maken dat, aldus de advocaat-generaal, het ontbreken van adequate rechtsbijstand ertoe kan leiden dat het gebruik van de afgelegde verklaring toch een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Dat geldt in het bijzonder als het om minderjarige verdachten gaat. Het lijkt dan raadzaam, zo voegt de advocaat-generaal nog toe, het verhoor dan steeds onder zodanige condities te laten plaatsvinden dat aan de vrijwilligheid van de afgelegde verklaring in redelijkheid niet kan worden getwijfeld. Immers, ook een (informeel) verhoor kan door een minderjarige gemakkelijk als onvrij worden beleefd en dreiging met arrestatie (als niet wordt meegewerkt aan een verhoor) kan een dwangpositie voor de minderjarige opleveren die slechts weinig verschilt van actuele vrijheidsbeneming. In het spoor van hetgeen hiervoor is overwogen in verband met het arrest [P1.] tegen Rusland van 24 september 2009 zou de kinderrechter hier nog aan willen toevoegen dat de minderjarige verdachte ook bewust moet zijn of moet worden gemaakt van de mogelijke gevolgen van het afleggen van een verklaring.

3.2.6 Gelet op het voorgaande is de kinderrechter kort gezegd van oordeel dat ‘[S.]’ in beginsel niet geldt voor een niet-aangehouden verdachte, maar dat de concrete feiten en omstandigheden van het geval kunnen maken dat dit anders is, vooral als het gaat om een minderjarige verdachte. Dit lijkt ook voor de hand te liggen, nu het consultatie- en aanwezigheidsrecht (evenals het recht om te zwijgen) eerder moet worden gekoppeld aan het feit of iemand als verdachte is aangemerkt en het verhoor van een verdachte – of deze nu is aangehouden of niet – dan aan het toepassen van het dwangmiddel van de aanhouding. Wel kan uit de omstandigheid dat iemand is aangehouden volgen dat eerder aan de vrijwilligheid van de afgelegde verklaring moet worden getwijfeld.

3.2.7 De kinderrechter zal nu teruggaan naar de onderhavige zaak en deze tegen het licht van de voorgaande overwegingen houden.

3.2.8 Zoals hiervoor in algemene zin is overwogen in 3.2.6 lijkt een door de officier van justitie bepleite strikte scheiding van regimes, waarbij voor een aangehouden verdachte een ander regime geldt dan voor een niet-aangehouden verdachte, niet goed verdedigbaar. In zoverre treft het door de verdediging gevoerde verweer dan ook doel. In dit licht dient dan toch de vraag te worden beantwoord of verdachte is gewezen op het consultatie- en aanwezigheidsrecht.

3.2.9 In het proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2009 heeft verbalisant [naam verbalisant 1]onder meer gerelateerd dat hij de ouders van verdachte heeft medegedeeld dat hij voornemens was om hun zoon naar aanleiding van de op de muur van de school van verdachte geplaatste graffiti “op vrijwillige basis” te horen. Daarbij heeft hij tegen de ouders gezegd dat zij het recht hadden om tijdens het verhoor van hun zoon aanwezig te zijn. De ouders wensten hier, aldus [naam verbalisant 1], geen gebruik van te maken. Verder zou [naam verbalisant 1]hebben gezegd dat verdachte en zijn ouders het recht hadden om voor het verhoor een advocaat te raadplegen. Maar zowel de verdachte als de ouders wensten daar volgens [naam verbalisant 1]geen gebruik van te maken. Ter terechtzitting heeft [naam verbalisant 1]dit als getuige onder ede bevestigd.

3.2.10 Tegenover het relaas van [naam verbalisant 1]staat het relaas van de ouders van verdachte en verdachte zelf. De ouders hebben ter terechtzitting als getuigen onder ede kort gezegd verklaard dat noch zijzelf noch hun zoon door [naam verbalisant 1]zijn gewezen op het consultatie- en aanwezigheidsrecht. Verdachte heeft dit bevestigd.

3.2.11 Nu [naam verbalisant 1]zijn versie van het gebeuren als opsporingsambtenaar heeft neergelegd in een proces-verbaal dat op ambtsbelofte is opgemaakt en op dit punt als getuige onder ede voet bij stuk heeft gehouden toen hij ter zitting werd geconfronteerd met de andersluidende verklaringen van de ouders, is voor de kinderrechter komen vast te staan dat [naam verbalisant 1]de verdachte in het bijzijn van zijn ouders heeft gewezen op het consultatie- en aanwezigheidsrecht. Dat hij in het proces-verbaal tot drie maal toe heeft vermeld dat een en ander “op vrijwillige basis” gebeurde, hetgeen de raadsman op zijn minst opmerkelijk acht en volgens hem wellicht achterdocht wekt, doet daar niet aan af. Ter terechtzitting heeft [naam verbalisant 1]hiervoor immers een plausibele verklaring gegeven, te weten dat hij omwille van de minderjarigheid van verdachte geen dwangmiddel wilde toepassen en niet wilde aansturen op een aanhouding buiten heterdaad.

3.2.12 Vervolgens moet worden beoordeeld of verdachte met zijn verklaring dat hij geen gebruik wenste te maken van het consultatie- en aanwezigheidsrecht afstand heeft gedaan van die rechten of daarvan afstand kón doen, in aanmerking genomen dat hij niet is aangehouden door de politie.

3.3.13 Op het moment dat verdachte door [naam verbalisant 1]werd gewezen op zijn consultatie- en aanwezigheidsrecht, waarbij [naam verbalisant 1]juist vanwege de jeugdige leeftijd van verdachte niet wilde aansturen op een aanhouding buiten heterdaad, maar een informelere aanpak verkoos, was verdachte thuis en vergezeld van (uiteindelijk) beide ouders. Verdachte wist waar het over ging – het plaatsen van de tag op de muur van de school dateerde alweer van enkele dagen daarvoor (4 december 2009) – en wist hij ook waarvoor [naam verbalisant 1]was gekomen, nadat de laatste ’s ochtens nog met moeder had gebeld, omdat hij met haar en verdachte over de zaak wilde praten. In de vertrouwelijke omgeving van de eigen woning van verdachte heeft [naam verbalisant 1]aan zowel de verdachte als de ouders uitgelegd wat de bedoeling was. Hij heeft gezegd dat hij van plan was verdachte mee te nemen om een kijkje te kunnen nemen in diens slaapkamer in de hoop de aangetroffen tag “SAB” en de door de verdachte gebruikte bivakmuts in zijn slaapkamer aan te treffen. Tevens heeft [naam verbalisant 1]gezegd dat hij verdachte wilde horen. Bij zijn verhoor is verdachte nog eens gevraagd of het klopt dat hij niet eerst met een advocaat wilt praten, waarop verdachte heeft geantwoord dat dat klopt. In die omstandigheden kan naar het oordeel van de kinderrechter niet worden gezegd dat het aan vrijwilligheid van de zijde van verdachte heeft ontbroken en dat verdachte zich niet bewust is geweest van de consequenties van een en ander. Dit klemt temeer, nu in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden voor enige aarzeling of terughoudendheid bij verdachte, toen hij met [naam verbalisant 1]meereed om hem verschillende tags te tonen die hij zou hebben geplaatst en hem zijn slaapkamer te tonen, waar uiteindelijk een aantal tekeningen waarop de tag “SAB” en de tag “TAZ” werden aangetroffen. Verdachte heeft in zijn verhoor daarentegen gezegd dat hij volledig wenst mee te werken en antwoord wilt geven op de vragen. Dat verdachte slechts 14 jaar was, doet daar niet aan af. Hoewel aan de raadsman moet worden toegegeven dat dat erg jong is en de leeftijd van de minderjarige verdachte in algemene zin een zwaarwegende factor is, wordt dit oordeel, zoals al gezegd, vooral ingegeven door het vrijwillige karakter van de afgelegde verklaring, waarbij onvoldoende gebleken is van zodanige bijzonderheden die maken dat het ontbreken van adequate rechtsbijstand en de afwezigheid van (een van de) ouders op dat moment dwingen tot de conclusie dat het gebruik van de afgelegde verklaring toch een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Ook de bewering van de ouders dat [naam verbalisant 1]op een bepaald moment tegen hen zou hebben gezegd dat zij “asociaal” waren, hetgeen [naam verbalisant 1]op zitting heeft erkend, maakt dat niet anders.

3.3.14 Gelet op al het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat verdachte is gewezen op zijn consultatie- en aanwezigheidsrecht en dat verdachte, toen hij verklaarde daar geen gebruik van te willen maken, daar afstand van heeft gedaan en dat ook kon doen. Dit impliceert dat de kinderrechter de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd voor het bewijs kan gebruiken. Dat verdachte met zijn verklaringen bij de politie de schuld op zich wilde nemen voor anderen, acht de kinderrechter onvoldoende aannemelijk, nu dit niet valt te rijmen met de omstandigheid dat verdachte het plaatsen van bepaalde graffiti heeft bekend en het aanbrengen van andere graffiti heeft ontkend.

3.3.15 Met de officier van justitie acht de kinderrechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de ad 5, 6, 7, 8, 10, 11, en 12 genoemde goederen, gelet op met name:

- ad 5: de aangifte door [naam woningstichting], de bekennende verklaring van verdachte, de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1]en de verklaring van [D.B.], die weliswaar zegt dat hij slechts erbij stond, maar waarvan verdachte heeft verklaard dat deze op de uitkijk stond;

- ad 6, 7 en 8: de aangifte door de gemeente Kerkrade, de bekennende verklaring van verdachte, de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1]en de verklaring van [D.B.] en [T.N.];

- ad 10: de aangifte door het Museum voor Industrie en Samenleving, de bekennende verklaring van verdachte, de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1]en de verklaring van [D.B.];

- ad 11: de aangifte door [P.P.], de bekennende verklaring van verdachte, de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1]en de verklaring van [D.B.];

- ad 12: de aangifte door [naam congrescentrum], de bekennende verklaring van verdachte, de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1]en de verklaring van [D.B.].

Met de officier van justitie acht de kinderrechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ad 1, 2, 3, 4 en 9 genoemde goederen heeft beschadigd, gelet op met name:

- ad 1: de aangifte door het [naam college] en de bekennende verklaring van verdachte;

- ad 2: de aangifte door [J.M.], de bekennende verklaring van verdachte en de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1];

- ad 3: de aangifte door [A.R.] en de bekennende verklaring van verdachte;

- ad 4: de aangifte door [M.] Maar en de bekennende verklaring van verdachte;

- ad 9: de aangifte door de gemeente Kerkrade, de bekennende verklaring van verdachte, de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1].

3.3 De bewezenverklaring

De kinderrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 10 december 2009 in de gemeente Kerkrade met een ander of anderen, op of aan de navolgende openbare wegen,

(ad 5) - de Wijngracht, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een ruit, welk geweld bestond uit het met inkt beschrijven van die ruit, en

(ad 6, 7 en 8) - openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen muren en bestrating, welk geweld bestond uit het met verf bespuiten van die muren en die bestrating aan de Orlandopassage, het Europaplein en de Klinkstraat, en

(ad 10) - het Museumplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een standbeeld, welk geweld bestond uit het met verf bespuiten van dat standbeeld, en

(ad 11) - de Einderstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het met verf bespuiten van die muur en

(ad 12) - de Graaf Saffenburgweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het met verf bespuiten van die muur;

en

op of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 10 december 2009 in de gemeente Kerkrade (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en wederrechtelijk

(ad 1) - een muur (Richterstraat), toebehorende aan [naam college] en

(ad 2) - een garagepoort (Mijnweg), toebehorende aan [G.B.] en

(ad 3) - een muur (Chaineuxstraat), toebehorende aan [A.R.] en

(ad 4) - een muur (Nummer II straat), toebehorende aan [naam woningstichting], en

(ad 9) - een verkeersbord (Graaf Saffenburgweg), toebehorende aan gemeente Kerkrade,

heeft beschadigd.

De kinderrechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen en opzettelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 70 uren, waarvan 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mocht de kinderrechter het gehele tenlastegelegde bewezen achten, zich ten aanzien van de hoogte van de op te leggen werkstraf gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter.

5.3 Het oordeel van de kinderrechter

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is ge¬komen.

Gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming tot oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, de omstandigheid dat verdachte pas veertien jaar was en een blanco strafblad heeft alsmede de schadevergoedingen die verdachte zal dienen te voldoen aan enkele benadeelde partijen, zoals hierna zal worden overwogen, acht de kinderrechter een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk, gepast.

6 De benadeelde partijen

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 458,67 terzake van het ad 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot een bedrag van € 230,00 moet worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 1 dag jeugddetentie, nu het 1 garagepoort betreft.

De raadsman is het met de officier van justitie eens dat het 1 garagepoort betreft en acht bij bewezenverklaring van het ad 2 tenlastegelegde toewijzing van de helft van het gevorderde bedrag redelijk.

De kinderrechter is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door hetgeen is bewezen verklaard rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Nu de schade is toegebracht aan 1 garagepoort wordt de hoogte van deze schade door de kinderrechter naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 229,33. Het overige deel van de vordering wordt afgewezen.

De benadeelde partij [naam congrescentrum] vordert een schadevergoeding van € 336,66 terzake van het ad 12 tenlastegelegde.

De officier van justitie is van mening dat deze vordering dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 1 dag jeugddetentie.

De raadsman acht bij bewezenverklaring van het ad 12 tenlastegelegde toewijsbaar een bedrag van € 318,50, nu er een telfout is gemaakt.

De kinderrechter is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij door hetgeen is bewezen verklaard rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Met de raadsman is de kinderrechter van oordeel dat een bedrag van € 318,50 dient te worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen [J.M.] en [naam congrescentrum] zal de kinderrechter tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, subsidiair 1 dag jeugddetentie.

Voor zover door de benadeelde partijen wettelijke rente is gevorderd, zal de kinderrechter die afwijzen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De kinderrechter:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat een deel van de straf, te weten 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [J.M.], Mijnweg 3, 6461 HT Kerkrade, van een bedrag van € 229,33;

- veroordeelt verdachte in de kosten van [J.M.] voornoemd, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [J.M.] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [J.M.] vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam congrescentrum], [adres congrescentrum], van een bedrag van € 318,50;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van [naam congrescentrum] voornoemd, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam congrescentrum] voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [J.M.] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A.J.M. Provaas, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D.C.H.B. Slenter, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 10 december 2009 in de gemeente Kerkrade met een ander of anderen, op of aan de navolgende openbare weg(en),

(aangifte 1, pg. 7 e.v., foto pg 11)

(ad 1) - de Richterstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die muur en/of

(aangifte 2, pg. 18 e.v., foto pg 21)

(ad 2) - de Mijnweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een garagepoort, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die garagepoort en/of

(aangifte 3, pg. 22 e.v., foto pg 25)

(ad 3) - de Chaineuxstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die muur en/of

(aangifte 4, pg. 26 e.v., foto pg 31)

(ad 4) - de Nummer II straat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die muur en/of

(aangifte 6, pg. 107 e.v., foto pg 113)

(ad 5) - de Wijngracht, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een ruit, welk geweld bestond uit het (met inkt) bekladden en/of (met inkt) beschrijven van die ruit en/of

(aangifte 7, pg. 117 e.v., foto pg 121 e.v.)

(ad 6) - de Orlandopassage, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer mu(u)r(en) en/of bestrating, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die mu(u)r(en) en/of die bestrating en/of

(ad 7) - het Europaplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer mu(u)r(en) en/of bestrating, welk geweld bestond uit het (met verf en/of inkt) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die mu(u)r(en) en/of die bestrating en/of

(ad 8) - de Klinkstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen bestrating en/of een muur, welk geweld bestond uit het (met verf en/of inkt) bekladden en/of (met verf) bespuiten en/of (met inkt) beschrijven van die bestrating en/of die muur en/of

(aangifte 8, pg. 132 e.v., foto pg 137)

(ad 9) - de Graaf Saffenburgweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een verkeersbord, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van dat verkeersbord en/of

(aangifte 9, pg. 138 e.v., foto pg 143)

(ad 10) - het Museumplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur en/of een standbeeld, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die muur en/of dat standbeeld en/of

(aangifte 10, pg. 144 e.v., foto pg 147)

(ad 11) - de Einderstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die muur en/of

(aangifte 13, pg. 194 e.v., foto pg 171, 172 en 173)

(ad 12) - de Graaf Saffenburgweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een muur, welk geweld bestond uit het (met verf) bekladden en/of (met verf) bespuiten van die muur;

en/of

hij op of omstreeks de periode van 1 augustus 2009 tot en met 10 december 2009 in de gemeente Kerkrade (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

(aangifte 1, pg. 7 e.v., foto pg 11)

(ad 1) - een muur (Richterstraat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam college], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 2, pg. 18 e.v., foto pg 21)

(ad 2) - een garagepoort (Mijnweg), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [G.B.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 3, pg. 22 e.v., foto pg 25)

(ad 3) - een muur (Chaineuxstraat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A.R.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 4, pg. 26 e.v., foto pg 31)

(ad 4) - een muur (Nummer II straat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam woningstichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 6, pg. 107 e.v., foto pg 113, 114 en 115)

(ad 5) - een of meer ruit(en) (Wijngracht), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam woningstichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 7, pg. 117 e.v., foto pg 121 e.v.)

(ad 6) - een of meer mu(u)r(en) en/of bestrating (Orlandopassage) en/of

(ad 7) - een of meer mu(u)r(en) en/of bestrating (Europaplein) en/of

(ad 8) - bestrating (Klinkstraat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan gemeente Kerkrade, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 8, pg. 132 e.v., foto pg 137)

(ad 9) - een verkeersbord (Graaf Saffenburgweg), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan gemeente Kerkrade, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 9, pg. 138 e.v., foto pg 143)

(ad 10) - een muur (Museumplein) en/of een standbeeld (Museumplein), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Museum voor Industrie en Samenleving, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 10, pg. 144 e.v., foto pg 147)

(ad 11) - een muur (Einderstraat), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [P.P.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

(aangifte 13, pg. 194 e.v., foto pg 171, 172 en 173)

(ad 12) - een muur (Graaf Saffenburgweg), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam congrescentrum], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/855056-10

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 15 juli 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht.