Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN1376

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
03/864001-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Madeleine’. Stemherkenning. Verdachte is veroordeeld voor invoer van hasjiesj.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/864001-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens].

Raadsman is J.W.E.M. Guzik, advocaat te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2009, 24 maart 2010 en van 28, 29 en 30 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen 237 kg hasjiesj Nederland binnen heeft gebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] samen met een ander daadwerkelijk hasjiesj heeft vervoerd. Direct bewijs daartoe ontbreekt, aldus de verdediging.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

3.3.1 Algemeen

Bruikbaarheid van de stemherkenningen

De zaak tegen verdachte maakt deel uit van het onderzoek Madeleine. In dit onderzoek, waarin bijna 8000 telefoongesprekken zijn afgeluisterd (tapgesprekken), nemen de tapgesprekken een belangrijke plaats in.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de stemherkenningen.

De rechtbank merkt op dat zij in de vonnissen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft geoordeeld dat de stemherkenningen van deze verdachten bruikbaar zijn voor het bewijs.

De identiteit van ‘[B]’ en van ‘[J]’

[medeverdachte 4] en [verdachte] hebben belastend verklaard over twee personen die zij kennen onder de naam ‘[B]’ en ‘[J]’. [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] had gezegd dat er twee Marokkanen waren die een moeilijke naam hadden en dat [medeverdachte 3] ze voor het gemak [B] en [J] noemde. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat zij wist dat [B] en [J] niet de echte namen van de betreffende personen waren, omdat een Marokkaan niet zo heet.

[medeverdachte 4] en [verdachte] hebben ook verklaard dat zij [B] en [J] hebben gezien en contact met hen hebben gehad. Volgens [medeverdachte 4] zijn [B] en [J] afzonderlijk bij haar thuis geweest, heeft zij [J] in Ceuta ontmoet en heeft zowel [B] als [J] meermaals ingebeld op haar telefoonnummer. Over een telefoongesprek van 24 december 2008 zegt [medeverdachte 4] dat zij zich het gesprek nog goed kan herinneren. Het is een gesprek gevoerd tussen [medeverdachte 3] en een andere man. [medeverdachte 4] verklaart ter zake: ‘Ik hoorde aan de stem van de beller dat dit [J] van de organisatie was. Ik weet nog dat hij onduidelijk sprak. Ik heb de telefoon aan [medeverdachte 3] gegeven’. Het telefoongesprek vond plaats tussen het telefoonnummer 06-xxx, waarvan de partner van [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] [medeverdachte 3] gebruiker was en het telefoonnummer 212-xxx, waarvan [medeverdachte 1] gebruiker was.

[verdachte] heeft verklaard dat hij [J] in Marokko heeft ontmoet. Onder meer zei hij: ‘Op een gegeven moment vertelde [J] dat alles goed kwam. Hij stelde voor om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan. (…) Toen zijn we vertrokken naar Casablanca. (…) [J] had een hotel gereserveerd. Hij had een vijf sterren hotel geboekt. Dit was super de luxe.’

In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 27 december 2008 zegt [medeverdachte 1]: ‘Ik heb tegen “hen” gezegd jullie gaan naar Marakesch om daar een hotel te pakken,(…)’. In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 28 december 2008 zegt [medeverdachte 1] dat hij precies zal uitleggen hoe ze moeten rijden en dat hij zal reserveren bij Hotel Ibis in Marakesch.

In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 2 januari 2009 zegt [medeverdachte 1]: ‘(…) weet je, weet je hoeveel kosten er zijn, ongelooflijk! (…) als ik alles in mijn handen had, dan doe ik de ene hier en de andere daar, dan weet ik wat er allemaal is, heel makkelijk. Ik doe ze in hotel, als er veel mensen zijn, doe ik ze allemaal in appartement. (…)’

Op 8 januari 2009 heeft [verdachte] onder meer verklaard dat hij op de terugweg van Marokko twee keer gebeld werd door [J]. ‘Toen ik Maastricht door was belde [B] mij op. (…) Ik heb toen met [B] afgesproken bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp. Ik zag dat [B] zijn auto achter de pomp had geparkeerd. Ik ben samen met [B], in de Toledo, richting mijn woning gereden. [B] heeft zich voorgesteld als een vriend van [medeverdachte 3] en [J]’.

Uit een telefoongesprek blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op 7 januari 2009, 17:02 uur, ‘bij dat tankstation bij hotel Born afspreken’.

[verdachte] herkent dit gesprek en zegt: ‘Dit was een gesprek tussen mij en [B]’. Als gezegd wordt dat de andere persoon genaamd is: ‘[medeverdachte 2]’, verklaart [verdachte], dat hem die naam niets zegt, waaraan hij toevoegt: ‘[medeverdachte 3] heeft de persoon waar ik het voorgaande gesprek mee gevoerd heb de bijnaam [B] gegeven.’

Op 7 januari 2009, omstreeks 15:59 uur wordt gezien dat een Seat Toledo met het Nederlandse kenteken [xx-xx-xx] vanuit België over de A2 reed in de richting van Maastricht. De observant herkende als chauffeur [verdachte]. Omstreeks 17:07 uur werd gezien dat de Seat met [verdachte] stopte op het Esso tankstation te Born. Omstreeks 17:14 uur werd gezien dat een Toyota Avensis met het kenteken [xx-xx-xx]achter de shop van dit tankstation parkeerde. De observant herkende de bestuurder van deze Toyota als [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] stapte in de Seat, waarna de Seat met [verdachte] en [medeverdachte 2] wegreed.

Conclusie:

Op grond van het voorafgaande acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat wanneer in deze zaak over ‘[B]’ wordt gesproken [medeverdachte 2] en wanneer over ‘[J]’ wordt gesproken [medeverdachte 1] is bedoeld en zal zij daar in het vervolg van uitgaan.

3.3.2 Het tenlastegelegde feit

[medeverdachte 4] heeft verklaard twee maal tezamen met een andere persoon, wiens naam zij op dat moment niet wil noemen, een drugstransport te hebben uitgevoerd vanuit Marokko. Het tweede transport heeft plaatsgevonden vanaf 21 december 2008. [medeverdachte 4] heeft verklaard samen met een andere persoon voorafgaand aan dit transport een gesprek te hebben gehad met [echtgenote verdachte] en [verdachte]. [medeverdachte 4] en deze andere persoon gingen weer een transport doen en zij wisten dat de organisatie nog meer mensen zocht. Zij wisten dat [verdachte] en [echtgenote verdachte] diep in de schulden zaten en zij hadden [verdachte] en [echtgenote verdachte] benaderd of zij ook een drugstransport wilden doen vanuit Marokko naar Nederland. [verdachte] had meteen ingestemd vanwege de grote schulden die zij hadden. [echtgenote verdachte] had getwijfeld maar was snel overgehaald. Op 21 december 2008 zijn [medeverdachte 4] met haar zoontje en een derde persoon en [verdachte] met [echtgenote verdachte] met hun twee dochters met twee auto’s in de richting van Marokko vertrokken. Tevoren had elk van beide stellen een Seat Toledo ontvangen die op hun naam moest worden gesteld. In Marokko hadden [verdachte] en [echtgenote verdachte] hun Seat afgegeven aan iemand. Die had de auto volgestopt met drugs. Vervolgens waren [verdachte] en [echtgenote verdachte] op dinsdag 6 januari 2009 vertrokken naar Nederland met de auto vol met drugs.

In een ander verhoor heeft [medeverdachte 4] deze ‘andere persoon’ nader aangeduid als [medeverdachte 3].

[medeverdachte 4] heeft voorts op 14 januari 2009 verklaard twee personen van de organisatie van de drugshandel te kennen. Dat zijn [B] en [J]. Dit zijn Marokkanen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [B] en [J] afzonderlijk bij haar thuis op de [S.straat] te Susteren zijn geweest om uitleg te geven aan voornamelijk [medeverdachte 3] [medeverdachte 3]. [medeverdachte 4] was er altijd bij. De uitleg ging onder andere over de drugshandel, de route die gereden moest worden, hoe het op de boot ging en hoe het verliep in Marokko. Voorts heeft [medeverdachte 4] verklaard in december 2008 tijdens een ontmoeting met [J] samen met [verdachte], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] te hebben gesproken over het transport van de drugs. [medeverdachte 4] heeft verder in dit verhoor verklaard dat de organisatie, [J] en [B], alle kosten betaalden van vervoer en verblijf. [medeverdachte 4] heeft verklaard te hebben gezien dat [J] in Marokko geld aan [medeverdachte 3] gaf.

[verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem begin november 2008 heeft gevraagd of hij een auto op zijn naam wilde laten zetten. De auto was eind november op een zaterdag overgeschreven en te naam gesteld. [verdachte] heeft op 19 december 2008 de Seat Toledo gekregen. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] kwamen toen beiden in een Seat Toledo, een zwarte en een grijze. De zwarte Seat Toledo stond op naam van [verdachte] en de grijze Seat Toledo stond op naam van [medever