Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN1372

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
03/864003-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Madeleine’. Stemherkenning. Verdachte is veroordeeld voor invoer hasjiesj en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/864003-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [geboortegegevens],

wonende [adresgegevens].

Raadsman is mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te 's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2009, 25 augustus 2009, 13 november 2009, 24 maart 2010, 28, 29 en 30 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [verdachte].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1.1 samen met anderen 237 kilogram hasjiesj Nederland binnen heeft gebracht; (ZD1)

feit 1.2 samen met anderen 237 kilogram hasjiesj aanwezig heeft gehad; (ZD1)

feit 1.3 samen met anderen heeft geprobeerd om 80 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD2)

feit 1.4 samen met anderen heeft geprobeerd om 66 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD4)

feit 1.5 samen met anderen heeft geprobeerd om 51 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD5)

feit 2 deel heeft genomen aan een organisatie gericht op het plegen van

druggerelateerde delicten. (ZD6)

3 De voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt raadsman

De raadsman van [verdachte] acht de verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar vanwege haar mogelijk labiele staat ten tijde van het afleggen van haar verklaringen en de omstandigheden waaronder zij de verklaringen heeft afgelegd.

In verband daarmee heeft de raadsman primair een hernieuwd verzoek tot het horen van de verhorende ambtenaren [vW. en B.] gedaan.

Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat mocht de rechtbank het verzoek afwijzen het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, vanwege, zo begrijpt de rechtbank de raadsman, de ontoelaatbare druk die op [medeverdachte 1] is uitgeoefend.

Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie zijn emoties tijdens de verhoren in een dergelijk grote zaak logisch. [medeverdachte 1] heeft weloverwogen een keuze gemaakt om te gaan verklaren. Zij zegt dan de waarheid te gaan vertellen en noemt namen en details. En voordat zij uitgebreid gaat verklaren heeft ze ook gesproken met haar advocaat. Daar vertelt ze zelf over en ze merkt op dat de advocaat haar had aanbevolen om eerlijk te zijn. [medeverdachte 1] heeft aangegeven op die weg verder te willen. Er is ook geen aanwijzing aangetroffen dat er sprake was van ontoelaatbare druk. [medeverdachte 1] is op goede wijze gehoord en steeds op haar verschoningsrecht gewezen. Zij heeft bewust en consistent verklaard. Haar verklaringen zijn daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Standpunt rechtbank

De rechtbank zal eerst de gang van zaken van de verhoren schetsen en vervolgens inhoudelijk op het verweer van de raadsman ingaan.

[medeverdachte 1] is op 13 januari 2009 aangehouden en dezelfde dag, om 12.40 uur, in verzekering gesteld.

[medeverdachte 1] is door de politie zes keer verhoord. Haar eerste verhoor vond op 13 januari 2009 plaats, haar vierde, vijfde en zesde verhoor op 15 januari 2009. Op 15 januari 2009 is [medeverdachte 1] ook bezocht door haar raadsman.

Op verzoek van de verdediging is [medeverdachte 1] tevens op 26 januari 2010 bij de rechter-commissaris gehoord. Aldaar heeft zij zich op haar verschoningsrecht beroepen. Op vragen van de verdediging heeft zij verklaard: ‘Ik heb wel op enig moment druk gevoeld. Ik heb die druk gevoeld doordat mij werd verteld dat Marokko ook om uitlevering kon vragen. Men heeft tegen mij gezegd dat als men, de Nederlandse politie dus, met mij bezig was en een zaak tegen mij had, kon Marokko niet om uitlevering vragen’.

Op 23 februari 2010 hebben de verbalisanten [vW. en B.] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daarin relateren zij dat zij op 13 januari 2009, 13:30 uur, [medeverdachte 1] voor de eerste maal hebben verhoord. De verbalisanten vermelden dat zij toen het vermoeden hadden dat [medeverdachte 1] niet de waarheid sprak, omdat zij het kennelijk moeilijk vond om te liegen en daarom een gespannen indruk maakte. Op dezelfde dag om 17.00 uur is de tweede verklaring van [medeverdachte 1] opgenomen. [medeverdachte 1] heeft aan het begin van dit verhoor verklaard dat zij nu graag eerlijk wilde zijn. [medeverdachte 1] kwam op de verbalisanten thans ontspannen over en dat is ook zo gebleven tot het laatste, zesde, verhoor. Verder verklaren de verbalisanten dat de verklaringen in vrijheid werden afgelegd en er op geen enkele wijze sprake is geweest van enige druk in welke vorm dan ook. Er is niet gesproken over uitlevering aan Marokko of iets dergelijks. Evenmin is er gesproken over het feit dat de politie in Marokko [medeverdachte 1] zou willen horen. Verder is er niet gesproken over een gevangenisstraf van 6 jaar.

Naar aanleiding van het horen van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris en het proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2010 heeft de raadsman ter terechtzitting van 24 maart 2010 de rechtbank verzocht om de verhorende verbalisanten [vW. en B.] als getuigen op te roepen. Hij heeft dit verzoek als volgt toegelicht:

‘Dit verzoek geldt alleen als daar nog voorafgaande aan de geplande inhoudelijke behandeling aan kan worden voldaan. Verdachte heeft er namelijk groot belang bij dat de zaak wordt afgedaan. Ik wil graag de verbalisanten horen die verdachte [medeverdachte 1] hebben gehoord. Ik wil eigenhandig de verbalisanten nader bevragen omtrent de stelling, dat ze geen ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend in dat verhoor, waarvan zij in een proces-verbaal van bevindingen van 23 februari 2010 hebben gerelateerd. De verbalisanten komen in dat proces-verbaal met nieuwe feiten en omstandigheden’.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 maart 2010 het verzoek afgewezen en daartoe overwogen:

‘Ten aanzien van het horen van de verbalisanten [vW. en B.] overweegt de rechtbank dat zij noch uit de verhoren van [medeverdachte 1] bij de politie, het verhoor van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, alsmede het door verbalisanten opgemaakte procesverbaal van bevindingen daaromtrent, noch anderszins aanwijzingen heeft verkregen die erop zouden wijzen dat getuige vanwege ongeoorloofde druk anders heeft verklaard dan zij anders zou hebben verklaard. Het verzoek van de verdediging zal dan ook worden afgewezen’.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 30 juni 2010 het hernieuwde verzoek tot het horen van de verbalisanten [vW. en B.] met dezelfde overweging afgewezen.

Aan het begin van elke verklaring bij de politie geeft [medeverdachte 1] aan dat zij weet dat ze niet tot antwoorden verplicht is, dat zij is gewezen op haar verschoningsrecht en weet wat dit inhoudt en dat zij zich goed in staat voelt om een verklaring af te leggen. [medeverdachte 1] heeft al haar verklaringen bij de politie ondertekend.

In haar derde verklaring d.d. 14 januari 2009, verklaart [medeverdachte 1] dat zij met haar advocaat heeft gesproken en dat deze haar heeft verteld dat het goed was dat zij eerlijk is geweest en dit ook gewoon moet doen. Vanaf haar tweede verklaring heeft [medeverdachte 1] aan de strekking van die verklaring vastgehouden.

Conclusie

Het pressieverbod van artikel 27, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is in de wet opgenomen om te voorkomen dat verdachten zich vanwege ontoelaatbare druk zelf belasten. Een verklaring van een verdachte in de zaak van een andere verdachte is een verklaring van een getuige. Voor het horen van getuigen kent de wet geen met artikel 27, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vergelijkbare bepaling. Een verklaring van een getuige is daarom in beginsel ook bruikbaar voor het bewijs als op die getuige meer pressie wordt uitgeoefend dan bij een verdachte toelaatbaar is. Dat is alleen anders als op de getuige door verhorende ambtenaren een zodanige druk is uitgeoefend dat het aannemelijk is dat zijn of haar verklaring niet geloofwaardig is.

Aan het begin van elke verklaring bij de politie geeft [medeverdachte 1] aan dat zij weet dat ze niet tot antwoorden verplicht is, dat zij is gewezen op haar verschoningsrecht en weet wat dit inhoudt en dat zij zich goed in staat voelt om een verklaring af te leggen. [medeverdachte 1] heeft al haar verklaringen bij de politie ondertekend.

In haar derde verklaring d.d. 14 januari 2009 verklaarde [medeverdachte 1] dat zij met haar advocaat heeft gesproken en dat deze haar heeft verteld dat het goed was dat zij eerlijk is geweest en dit ook gewoon moet doen.

Verder is er niet gebleken dat door de verhorende verbalisanten op enig moment een zodanige druk is uitgeoefend op [medeverdachte 1], dat zij daardoor onjuist heeft verklaard. Evenmin is [medeverdachte 1] bij de politie, bij de rechter-commissaris en op de terechtzitting van de inhoud van haar verklaringen teruggekomen.

De rechtbank heeft, zoals vermeld, reeds het hernieuwde verzoek tot het horen van de verbalisanten [vW. en B.] afgewezen.

De rechtbank verwerpt ook het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Van niet-ontvankelijkheid kan pas sprake zijn bij ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarvan is hier geen sprake. Daarom – zo overweegt de rechtbank ambtshalve - is er ook geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren noch om de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs uit te sluiten.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.1

De officier van justitie acht bewezen dat [verdachte] samen met anderen 56 kg hasjiesj heeft ingevoerd.

Feit 1.2

Ook acht zij bewezen dat [verdachte] samen met anderen 181 kg hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 1.3

Mede vanwege de vaste modus operandus bij drugssmokkel door [verdachte] komt de officier van justitie tot de conclusie dat ook dit feit bewezen kan worden.

Feit 1.4

De officier van justitie acht dit deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen.

Feit 1.5

De officier van justitie acht dit feit bewezen. [medeverdachte 11] is in Spanje aangehouden met ongeveer 51 kg hasjiesj in zijn auto. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geven in hun verklaringen een verband aan tussen [medeverdachte 3], [verdachte] en het transport door [medeverdachte 11]. Uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] met de familie van [medeverdachte 11] bespreekt welke hulp hij kan bieden. Daaruit blijkt dat [medeverdachte 3] en [verdachte] de familie van [medeverdachte 11] verzorgen. Aan de familie van [medeverdachte 11] is een envelop overhandigd met geld. Op die envelop stond het telefoonnummer dat in gebruik was bij [medeverdachte 3]. Uit het voorgaande komt de officier van justitie tot de conclusie dat dit deel van de tenlastelegging bewezen kan worden.

Feit 2

De officier van justitie is van oordeel dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de kenmerken van een criminele organisatie en dat [verdachte] daar aan heeft deelgenomen. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1.1 & 1.2

De verdediging is van mening dat enkel bewezen kan worden dat [verdachte] bij de invoer van 56 kg hasjiesj betrokken was. Het overige is niet wettig en overtuigend bewijsbaar zodat [verdachte] daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 1.3

Ten aanzien van dit feit heeft de verdediging niets naar voren gebracht.

Feit 1.4

De verdediging is ten aanzien van dit feit van mening dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is zodat [verdachte] dient te worden vrijgesproken voor dit feit.

Feit 1.5

De verdediging is ten aanzien van dit feit eveneens van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is zodat [verdachte] dient te worden vrijgesproken voor dit feit.

Feit 2

De verdediging is van mening dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van dit feit omdat er geen sprake is van een duurzaam, gestructureerd samenwerkingsverband.(

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemeen

Bruikbaarheid stemherkenningen

De zaak tegen [verdachte] maakt deel uit van het onderzoek Madeleine. In dit onderzoek, waarin bijna 8000 telefoongesprekken zijn afgeluisterd (tapgesprekken), nemen tapgesprekken een belangrijke plaats in.

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen koppeling tussen [verdachte] en de aan hem toegeschreven tapgesprekken mogelijk is, omdat er een toevallige selectie is gemaakt uit duizenden tapgesprekken, de tolk beweerd heeft de stem van [verdachte] te herkennen van jaren terug en de verbalisanten wel zeggen de stem van [verdachte] te kennen, hoewel zij de Berberse taal niet machtig zijn. Bovendien zou, aldus de raadsman, zonder nadere controle een herkende stem met terugwerkende kracht aan een gesprek worden toegekend. Daarom kan niet worden gezegd dat de stem van [verdachte] in alle relevante gesprekken is herkend.

De rechtbank zal eerst enkele algemene opmerkingen over stemherkenningen in het strafrecht maken, vervolgens weergeven hoe in deze zaak de stemherkenning heeft plaatsgevonden en ten slotte aangeven waarom zij de stemherkenning betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs acht.

Algemeen

Vooropgesteld moet worden dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat (resultaten van) stemherkenningen door tolken en verbalisanten in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een categorische uitsluiting van deze stemherkenningen van het bewijs.

Dit neemt niet weg dat bij de waardering van de bewijskracht van deze stemherkenningen behoedzaamheid op haar plaats is, mede in het licht van de kanttekeningen die vanuit de wetenschap worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van dergelijke herkenningen in het algemeen, en de in het onderhavige geval aangevoerde bezwaren van de verdediging tegen de gevolgde werkwijze in het bijzonder.

In de jurisprudentie worden feiten en omstandigheden genoemd die aan de betrouwbaarheid van dergelijke stemherkenningen in zijn algemeenheid bijdragen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is ook in het onderhavige geval sprake:

- De tolk kende de stem van de verdachte van eerdere onderzoeken en herkende vervolgens de stem in tapgesprekken in het onderhavige onderzoek.

- Twee verbalisanten kenden de stem van de verdachte in die zin dat zij verdachte hebben verhoord en vervolgens zijn stem in een aantal tapgesprekken herkenden.

De stemherkenningen worden ondersteund door overige bewijsmiddelen.

Te noemen zijn:

- In tapgesprekken werden opmerkingen gemaakt die wijzen op de identiteit van de gebruiker.

- Verdachte en/of anderen hebben verklaard over de gebruikers van bepaalde telefoonnummers.

- Uit de combinatie van de inhoud van een tapgesprek in samenhang met andere opsporingsactiviteiten kan worden afgeleid dat verdachte deelnemer aan een bepaald gesprek was.

De wijze van stemherkenning van [verdachte]

Op 10 oktober 2008 zijn twee bevelen afgegeven tot het opnemen van telecommunicatie van de telecommunicatienummers [06-xxx] en [06-xxx], beide in gebruik bij [verdachte].

De tolk T463 heeft de stem van de gebruiker van de - Marokkaanse - telecommunicatienummers 212-[xxx...], 212-[xxx...], 212-[xxx...] en 212-[xxx...] herkend als die van [verdachte]. Deze tolk heeft in een eerder strafrechtelijk onderzoek telefoongesprekken vertaald waarin [verdachte] verdachte was en waarin hij als zodanig werd geïdentificeerd. Deze tolk heeft voor de stemherkenning in het onderhavige onderzoek de telefoongesprekken 7, 55, 58, 148, 182 en 187 gebruikt.

De verbalisanten [T. en vK.] vermelden dat de tolk T463 had vastgesteld dat [verdachte] gebruik maakte van de Marokkaanse telefoonnummers 212-[xxx...], 212-[xxx...], 212-[xxx...] en 212-[xxx...] en dat het vermoeden bestond dat [verdachte] ook gebruikte maakte van de telecommunicatienummers 212-[xxx...] en [06-xxx]. Zij hebben een willekeurige selectie gemaakt van gesprekken die gevoerd waren middels de laatstgenoemde twee telecommunicatienummers. Van elk van deze twee telecommunicatienummers hebben zij een tiental gesprekken beluisterd en vervolgens de stem van de gebruiker vergeleken met de stem van de gebruiker van de eerder genoemde vier Marokkaanse telecommunicatienummers. De verbalisanten verklaren dat de stem van de vergeleken telecommunicatienummers van één en dezelfde persoon was. Op grond hiervan hebben zij geconcludeerd dat de gebruiker van de telecommunicatienummers 212-[xxx...] en [06-xxx] [verdachte] was.

Bovendien hebben de verbalisanten op 1 april 2009 [verdachte] als verdachte verhoord. Daarover verklaren zij, dat zij hoorden dat de stem van de verdachte [verdachte] dezelfde stem was als de stem van de gebruiker van de vijf hierboven genoemde telecommunicatienummers.

De tolk T463 en de verbalisanten [T. en vK.] zijn bij de R-C over de stemherkenning gehoord.

De tolk T463 heeft aldaar verklaard dat hij in twee voorafgaande onderzoeken, in de periode 2004/2005 en in 2007, tapgesprekken heeft gehoord waaraan zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] deelnamen. In het lopende onderzoek heeft hij, toen hij de eerste tapgesprekken heeft beluisterd, de stem van [verdachte] meteen herkend. Hij heeft verder verklaard dat hij geen opleiding in auditieve confrontatie heeft gevolgd, maar wel in eerdere onderzoeken stemherkenningen heeft gedaan. Op de vraag: ‘Welke kenmerken liggen aan uw onderzoek ten grondslag?’ heeft de tolk geantwoord: ‘De kenmerken van de stem’. Op de vraag: ‘Wat is de foutmarge van uw onderzoek?’ heeft de tolk geantwoord: ‘Alleen als ik zeker weet dat ik een stem herken geef ik dat als zodanig aan’.

Verbalisant [T] heeft bij de R-C verklaard dat er geen procedure is voor stemherkenning en hij deze op eigen waarneming heeft gedaan. Hij heeft [verdachte] als verdachte verhoord en is daarna tapgesprekken gaan herbeluisteren. Toen heeft hij gehoord dat de stem van degene die hij had verhoord de stem was van degene die aan de telefoon was. [T.] heeft [verdachte] 2 of 3 keer gehoord. Daar waren, volgens hem, lange verhoren bij. Het eerste verhoor duurde ongeveer een dag. [verdachte] sprak over de telefoon zowel Nederlands als Arabisch. Tijdens de verhoren sprak [verdachte] Nederlands. In de gesprekken die [T.] heeft beluisterd, hoorde hij steeds de stem van [verdachte].

Verbalisant [vK.] heeft bij de R-C verklaard dat hij geen procedure voor stemherkenning kent. De stemherkenning van [verdachte] is volgens hem als volgt gebeurd. Hij had van de tolk gehoord dat de stem die hij hoorde, de stem van [verdachte] was. [vK.] heeft diverse tapgesprekken uitgeluisterd en steeds dezelfde stem gehoord. Later heeft hij [verdachte] als verdachte gehoord. En steeds heeft hij dezelfde stem als de stem van [verdachte] herkend. [vK.] heeft [verdachte] op 1 of 2 april 2009 de hele dag gehoord. Daarnaast heeft hij [verdachte] nog op een andere dag gehoord. [vK.] verklaarde dat hij de stemherkenning alleen voor zichzelf heeft gedaan. Daartoe had hij een willekeurige selectie gemaakt van de tapgesprekken. Volgens hem was de stem van [verdachte] goed herkenbaar. Hij heeft de stem op het eerste moment dat hij met [verdachte] sprak herkend. [vK.] weet niet meer hoeveel tapgesprekken van [verdachte] hij heeft uitgeluisterd. Hij heeft altijd de hele gesprekken uitgeluisterd.

In een tapgesprek, gevoerd vanuit het telecommunicatienummer [06-xxx](in gebruik bij [medeverdachte 3]), met het Marokkaanse telecommunicatienummer 212-9999-[xxx...] (in gebruik bij [verdachte]), zegt de beller: ‘Bel [S.] op, [verdachte]’.

In een ander tapgesprek, gevoerd vanuit het telecommunicatienummer [06-xxx] (in gebruik bij [medeverdachte 3]), met het Marokkaanse telecommunicatienummer 212-9999-[xxx...] (in gebruik bij [verdachte]), zegt de gebelde): ‘“hij” zei tegen me, als er daar een oplossing was, ik zweer je dan hadden we dat gedaan, …Ik heb tegen “hem” gezegd is het 100% dat we een of twee/een werken of niet? Ik zei tegen “hem” dat ik voor die mensen een retourtje vliegtuig pak, ik zei tegen “hem” dat is veel verlies/onkosten. We hebben nu hun kentekens gegeven, dat is de fout die weg hebben gemaakt. We hadden “hem” niet de kenteken van de auto moeten geven’.

In een derde tapgesprek vanuit het telecommunicatienummer 212-9999-[xxx...] naar het telecommunicatienummer [06-xxx] (in gebruik bij [medeverdachte 3]) zegt de beller: ‘Weet je wat ik nu ga doen?’.

Voor de combinatie van informatie die stemherkenning ondersteunt, verwijst de rechtbank naar de hierna volgende overwegingen over de vaststelling van de identiteit van [J.].

Conclusie

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en in verband met de overwegingen omtrent de vaststelling van de identiteit van [J.], is de rechtbank van oordeel dat de stemherkenningen van [verdachte] in voldoende mate ondersteund worden door andere feiten en omstandigheden/bewijsmiddelen en dat de tapgesprekken waaraan volgens de stemherkenning [verdachte] heeft deelgenomen derhalve bruikbaar zijn voor het bewijs.

Vanwege de meervoudige stemherkenning van [verdachte] doet daaraan niet af dat de tolk heeft verklaard de stem van [verdachte] van onderzoeken van twee respectievelijk vijf jaren geleden te herkennen. Daaraan kan evenmin afdoen dat telefoongesprekken veelal in het Berbers hebben plaatsgevonden en de verbalisanten het Berbers niet machtig zijn.

De raadsman heeft verder gesteld dat een herkende stem ten onrechte zonder nadere controle aan een gesprek wordt toegekend. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of bij gesprekken die voor het bewijs worden gebezigd de toekenning van een herkende stem ten onrechte is geschied. De rechtbank acht dit vanwege een aantal factoren - voor de in dit vonnis opgenomen telefoongesprekken - zeer onwaarschijnlijk. Als factoren noemt de rechtbank de wijze van communicatie tussen de gespreksdeelnemers, de al dan niet vanzelfsprekendheid waarmee over onderwerpen wordt gesproken, het gebruik van namen en het corresponderen van de inhoud van gesprekken met andere waarnemingen. De verdediging heeft in dit verband geen enkel specifiek telefoongesprek genoemd, waaraan de verdachte niet zou hebben deelgenomen, terwijl diens stem wel aan het gesprek was toegekend. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat de verdachte aan de gesprekken waaraan de herkende stem van de verdachte is toegekend, ook heeft deelgenomen.

De rechtbank merkt verder op dat zij in de vonnissen van de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] heeft geoordeeld dat ook de stemherkenningen van deze drie verdachten bruikbaar zijn voor het bewijs.

De identiteit van ‘[B]’ en van ‘[J.]’

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben belastend verklaard over twee personen die zij kennen onder de naam ‘[B]’ en ‘[J.]’. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] had gezegd dat er twee Marokkanen waren die een moeilijke naam hadden en dat [medeverdachte 4] ze voor het gemak [B] en [J.] noemde. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij wist dat [B] en [J.] niet de echte namen van de betreffende personen waren, omdat een Marokkaan niet zo heet.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben ook verklaard dat zij [B] en [J.] hebben gezien en contact met hen hebben gehad. Volgens [medeverdachte 1] zijn [B] en [J.] afzonderlijk bij haar thuis geweest, heeft zij [J.] in Ceuta ontmoet en heeft zowel [B] als [J.] meermaals ingebeld op haar telefoonnummer. Over een telefoongesprek van 24 december 2008 zegt [medeverdachte 1] dat zij zich het gesprek nog goed kan herinneren. Het is een gesprek gevoerd tussen [medeverdachte 4] en een andere man. [medeverdachte 1] verklaart ter zake: ‘Ik hoorde aan de stem van de beller dat dit [J.] van de organisatie was. Ik weet nog dat hij onduidelijk sprak. Ik heb de telefoon aan [medeverdachte 4] gegeven’. Het telefoongesprek vond plaats tussen het telefoonnummer [06-xxx], waarvan de partner van [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] gebruiker was en het telefoonnummer 212-[xxx...], waarvan [verdachte] gebruiker was.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [J.] in Marokko heeft ontmoet. Onder meer zei hij: ‘Op een gegeven moment vertelde [J.] dat alles goed kwam. Hij stelde voor om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan. (…) Toen zijn we vertrokken naar Casablanca. (…) [J.] had een hotel gereserveerd. Hij had een vijf sterren hotel geboekt. Dit was super de luxe’.

In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] op 27 december 2008 zegt [verdachte]: ‘Ik heb tegen “hen” gezegd jullie gaan naar Marakesch om daar een hotel te pakken, (…)’. In een telefoongesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] op 28 december 2008 zegt [verdachte] dat hij precies zal uitleggen hoe ze moeten rijden en dat hij zal reserveren bij Hotel Ibis in Marakesch.

In een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] op 2 januari 2009 zegt [verdachte]: ‘(…) weet je, weet je hoeveel kosten er zijn, ongelooflijk! (…) als ik alles in mijn handen had, dan doe ik de ene hier en de andere daar, dan weet ik wat er allemaal is, heel makkelijk. Ik doe ze in hotel, als er veel mensen zijn, doe ik ze allemaal in appartement. (…)’.

Op 8 januari 2009 heeft [medeverdachte 2] onder meer verklaard dat hij op de terugweg van Marokko twee keer gebeld werd door [J.]. ‘Toen ik Maastricht door was belde [B] mij op. (…) Ik heb toen met [B] afgesproken bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp. Ik zag dat [B] zijn auto achter de pomp had geparkeerd. Ik ben samen met [B], in de Toledo, richting mijn woning gereden. [B] heeft zich voorgesteld als een vriend van [medeverdachte 4] en [J.]’.

Uit een telefoongesprek blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 7 januari 2009, 17:02 uur, ‘bij dat tankstation bij hotel Born afspreken’.

[medeverdachte 2] herkent dit gesprek en zegt: ‘Dit was een gesprek tussen mij en [B]’. Als gezegd wordt dat de andere persoon genaamd is: ‘[medeverdachte 3]’, verklaart [medeverdachte 2], dat hem die naam niets zegt, waaraan hij toevoegt: ‘[medeverdachte 4] heeft de persoon waar ik het voorgaande gesprek mee gevoerd heb de bijnaam [B] gegeven’.

Op 7 januari 2009, omstreeks 15:59 uur wordt gezien dat een Seat Toledo met het Nederlandse kenteken [xx-xx-xx] vanuit België over de A2 reed in de richting van Maastricht. De observant herkende als chauffeur [medeverdachte 2]. Omstreeks 17:07 uur werd gezien dat de Seat met [medeverdachte 2] stopte op het Esso tankstation te Born. Omstreeks 17:14 uur werd gezien dat een Toyota Avensis met kenteken [xx-xx-xx] achter de shop van dit tankstation parkeerde. De observant herkende de bestuurder van deze Toyota als [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] stapte in de Seat, waarna de Seat met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wegreed.

Conclusie:

Op grond van het voorafgaande acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat wanneer in deze zaak over ‘[B]’ wordt gesproken [medeverdachte 3] en wanneer over ‘[J.]’ wordt gesproken [verdachte] is bedoeld en zal zij daar in het vervolg van uitgaan.

4.3.2 De tenlastegelegde feiten

Feit 1.1 & 1.2 (ZD1)

Als feit 1.1 wordt aan [verdachte] verweten dat hij tezamen met anderen 237 kilogram hasjiesj heeft ingevoerd en als feit 1.2 dat hij tezamen met anderen dezelfde hoeveelheid hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.

[medeverdachte 1] heeft verklaard twee maal tezamen met een andere persoon, wiens naam zij op dat moment niet wil noemen, een drugstransport te hebben uitgevoerd vanuit Marokko. Het tweede transport heeft plaatsgevonden vanaf 21 december 2008. [medeverdachte 1] heeft verklaard samen met een andere persoon voorafgaand aan dit transport een gesprek te hebben gehad met [echtgenote medeverdachte 2] en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] en deze andere persoon gingen weer een transport doen en zij wisten dat de organisatie nog meer mensen zocht. Zij wisten dat [medeverdachte 2] en [echtgenote medeverdachte 2] diep in de schulden zaten en zij hadden [medeverdachte 2] en [echtgenote medeverdachte 2] benaderd of zij ook een drugstransport wilden doen vanuit Marokko naar Nederland. [medeverdachte 2] had meteen ingestemd vanwege de grote schulden die zij hadden. [echtgenote medeverdachte 2] had getwijfeld maar was snel overgehaald. Op 21 december 2008 zijn [medeverdachte 1] met haar zoontje en een derde persoon en [medeverdachte 2] met [echtgenote medeverdachte 2] met hun twee dochters met twee auto’s in de richting van Marokko vertrokken. Tevoren had elk van beide stellen een Seat Toledo ontvangen die op hun naam moest worden gesteld. In Marokko hadden [medeverdachte 2] en [echtgenote medeverdachte 2] hun Seat afgegeven aan iemand. Die had de auto volgestopt met drugs. Vervolgens waren [medeverdachte 2] en [echtgenote medeverdachte 2] op dinsdag 6 januari 2009 vertrokken naar Nederland met de auto vol met drugs.

In een ander verhoor heeft [medeverdachte 1] deze ‘andere persoon’ nader aangeduid als [medeverdachte 4].

[medeverdachte 1] heeft voorts op 14 januari 2009 verklaard twee personen van de organisatie van de drugshandel te kennen. Dat zijn [B] en [J.]. Dit zijn Marokkanen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [B] en [J.] afzonderlijk bij haar thuis op de [S.straat] te Susteren zijn geweest om uitleg te geven aan voornamelijk [medeverdachte 4]. [medeverdachte 1] was er altijd bij. De uitleg ging onder andere over de drugshandel, de route die gereden moest worden, hoe het op de boot ging en hoe het verliep in Marokko. Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard in december 2008 tijdens een ontmoeting met [J.] samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] te hebben gesproken over het transport van de drugs. [medeverdachte 1] heeft verder in dit verhoor verklaard dat de organisatie, [J.] en [B], alle kosten betaalden van vervoer en verblijf. [medeverdachte 1] heeft verklaard te hebben gezien dat [J.] in Marokko geld aan [medeverdachte 4] gaf.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hem begin november 2008 heeft gevraagd of hij een auto op zijn naam wilde laten zetten. De auto was eind november op een zaterdag overgeschreven en te naam gesteld. [medeverdachte 2] heeft op 19 december 2008 de Seat Toledo gekregen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] kwamen toen beiden in een Seat Toledo, een zwarte en een grijze. De zwarte Seat Toledo stond op naam van [medeverdachte 2] en de grijze Seat Toledo stond op naam van [medeverdachte 1]. Met deze twee voertuigen zijn ze op 21 december 2008 samen naar Marokko vertrokken. Tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo op naam van [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 4] verteld dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [medeverdachte 4] heeft verteld dat dit €10.000,-- per rit opbracht. Met een ‘volle wagen’ heeft [medeverdachte 2] desgevraagd verklaard te bedoelen dat de auto volgestopt zou worden met materiaal. [medeverdachte 2] wist dat het om drugs zou gaan en vermoedde dat het om hasjiesj ging. [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 2] verteld dat de auto’s geprepareerd zouden worden. Er zouden loze ruimtes of kokers worden gemaakt in de auto’s.

Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij, [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5], [J.] in een theehuis in Marokko hebben ontmoet en met hem hebben gesproken over de financiën. [medeverdachte 4] kreeg steeds geld van [J.] voor de kosten.

[medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris op 27 januari 2010 (onder meer in de zaak [verdachte]) verklaard dat het doel van de reis naar Marokko tijdens het eerste gesprek al duidelijk was. Hij had van [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] gehoord dat hasjiesj in de auto verstopt zou worden.

Deze verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vinden steun in de volgende bewijsmiddelen.

Op 7 november 2008 heeft [medeverdachte 4] in een telefoongesprek aan [medeverdachte 3] medegedeeld: ‘ik ga straks naar hem toe dan laat ik die andere auto overschrijven’.

Volgens informatie van de RDW stond de Seat Toledo, kenteken [xx-xx-xx], met ingang van 8 november 2008 op naam van [medeverdachte 2], wonende [adres] te Born.

Tijdens observaties uitgevoerd in de periode tussen 8 november 2008 en 18 december 2008 werd deze auto echter geen enkele maal gezien in de omgeving van het adres [adres] te Born.

Op 10 december 2008 heeft [medeverdachte 3] met garagebedrijf [B.]gebeld voor een kleine beurt van de [xx-xx-xx].

Op 14 december 2008 heeft [medeverdachte 4] telefonisch gevraagd wanneer [medeverdachte 3] tijd heeft om te komen. [medeverdachte 3] zei toe woensdag te zullen komen. [medeverdachte 4] zegt dan:

‘kijk maar of je alle twee die dingen hier krijgt. Wij willen zondag vertrekken’(...)

[medeverdachte 3] zegt: ‘de 21 e’

[medeverdachte 4] antwoordt: ‘ja’.

Tijdens een observatie op 21 december 2008 omstreeks 11:56 uur werd gezien dat twee voertuigen Seat Toledo over de Rijksweg A2 richting Maastricht rijden. Een auto betrof een zwarte Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], met daarin bestuurder [medeverdachte 2], bijrijdster [medeverdachte 5] en hun 2 kinderen. De andere auto betrof een lichtblauwe Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], met daarin bestuurder [medeverdachte 4], bijrijdster [medeverdachte 1] en een kind op de achterbank. Omstreeks 11:59 uur heeft verbalisant beide voertuigen zien rijden op de A2 bij Maastricht Aachen Airport in de richting België.

Op 24 december 2008 heeft [verdachte] gebeld naar [medeverdachte 4] en gevraagd wat het telefoonnummer was van het hotel waar [medeverdachte 4] verbleef. [medeverdachte 4] antwoordt dan: 212-[xxx…].

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat 212 het landnummer van Marokko is.

Op 27 december 2008 heeft [medeverdachte 3] gebeld naar [verdachte], welke laatstgenoemde op dat moment gebruik maakt van een Marokkaans telefoonnummer. [verdachte] zegt dan:

‘Nu “verliezen”/onkosten we aan mensen in Tanger. Ik zei tegen “hem”er zijn hier 7 mensen in Tanger, wij “verliezen”/onkosten hotel en datgene. Ik zie tegen “hem”schiet op. Ik zei tegen “hem”die persoon wacht op jou dat je komt, zodat we kunnen werken. Ik zei tegen “hem”als jij niet komt dan, dan kan “hij”ons die auto’s niet “sturen”

(…)’

En verder zegt [verdachte] nog:

‘Ik heb tegen “hen”gezegd jullie gaan naar Marrakech om daar een hotel te pakken, “hij” zei tegen me kan niet, kinderen zijn bij ons, dat en dat, begrijp je?’

[medeverdachte 3] antwoordt:

‘”ze”hebben het gehad, vervelen zich’

[verdachte] zegt:

‘nee, die anderen willen gaan, snap je?’

[medeverdachte 3] zegt:

‘die nieuwe?’

[verdachte] antwoordt:

‘die nieuwe willen gaan ja. Die zijn Marokko niet gewend en willen gaan. Die twee kinderen hebben’

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [J.] voorstelde om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan, naar [medeverdachte 2] verklaart: ‘voor zodat alles weer rustig was’. [J.] had daarvoor geld gegeven aan [medeverdachte 4]. [J.] had een hotel gereserveerd.

Op 28 december 2008 heeft [verdachte] telefonisch aan [medeverdachte 3] medegedeeld:

‘ik ben eruit/heb overlegd met die zeven personen, “ze”gaan naar Mark’ (fon)

Enkele minuten laten heeft [verdachte] wederom met [medeverdachte 3] gebeld.

Beiden bespreken dan:

[medeverdachte 3]:

‘als “ze”nou zijn gegaan en “ze”pakken “hen”daar met die plaats/plek (fon) hoe dan?’

[verdachte]:

‘waar moeten “ze” ”hem”pakken met die plaats/plek (fon)’

[medeverdachte 3]:

‘bij douane’

[verdachte]:

‘waar moeten “ze” ”hen”pakken?

[medeverdachte 3]:

‘daar in Tanger’

(…)

[verdachte]:

‘sowieso auto in beslag’

[medeverdachte 3]:

‘dan moeten “ze”zeker niet die auto meenemen, denk ik’

[verdachte]:

‘”ze”gaan naar Marrakkesch zei ik tegen je en niet naar…’

[medeverdachte 3]:

‘”ze”gaan naar Marrakkesch’

[verdachte]:

‘wat dacht jij dan?’

[medeverdachte 3]:

‘ik dacht Malaga, vriend’

[verdachte]:

‘nee, “ze”gaan naar Marrakkesch’

(…)

[medeverdachte 3]:

‘stuur [M. of A.]met “hen”, want “ze”kennen de weg niet. Als “hem”een probleem overkomt’

[verdachte]:

‘nee, nee, de weg is heel makkelijk, ik zal “hem”precies uitleggen hoe “hij”moet rijden.

“Hij”heeft mijn nummer als er wat gebeurt.’

[medeverdachte 3]:

‘dit zijn westerlingen’

[verdachte]:

‘ze moeten Casablanca pakken en dan alsmaar rechtdoor tot Marrakkesch, eerste intree

krijgt je hotel Ibis. Ik ga reserveren dan pakken “ze”hotel Ibis Marrakkesch daar’

[medeverdachte 3]:

‘dan moet je … reserveren’

[verdachte]:

‘ik ga nu reserveren. Ik geef “hem”een miljoen frank (…) dan kan “hij”daar omhoog om te

leven’.

Op 7 januari 2009 om 15:59 uur is tijdens een observatie gezien dat de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx] rijdt over de A2 komende vanuit België en rijdend in de richting van Maastricht.

Als chauffeur treedt op dat moment [medeverdachte 2] op en bijrijdster is [medeverdachte 5]. Omstreeks 16:43 uur stopt de Seat op de oprit van de woning [adres] te Born. Omstreeks 16:59 uur vertrekt [medeverdachte 2] wederom in voornoemde Seat als enige inzittende en rijdt hij naar het Esso tankstation te Born, alwaar hij omstreeks 17:07 uur arriveert.

Onderweg, om 17:02 uur, heeft [medeverdachte 2] gebeld naar [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] stelt dan voor bij ‘dat tankstation bij hotel Born’ af te spreken, hetgeen [medeverdachte 2] goed vindt.

Omstreeks 17:14 uur ziet een verbalisant vervolgens een personenauto Toyota Avensis met kenteken [xx-xx-xx] achter de shop van voornoemd tankstation parkeren. De bestuurder, die ambtshalve wordt herkend als [medeverdachte 3], stapt uit en stapt als bijrijder in de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], waarna de Seat met [medeverdachte 2] als chauffeur en [medeverdachte 3] als bijrijder weg rijdt. Omstreeks 18:03 uur ziet een verbalisant dat de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx] zonder inzittenden geparkeerd staat op de [v.P.straat] te Sittard. Dat de [v.P.straat] te Sittard een straat is gelegen in de directe nabijheid van de [W.v.G.straat] te Sittard acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Een verbalisant ruikt op dat moment een sterke op wiet dan wel hasjiesj gelijkende lucht in de directe omgeving van het perceel [W.v.G.straat] te Sittard.

[medeverdachte 2] heeft verklaard, dat toen hij Maastricht gepasseerd was, hij gebeld werd door [B], die zich voorstelde als een vriend van [medeverdachte 4] en [J.]. Hij heeft toen met [B] bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp afgesproken en heeft [B] aldaar ontmoet.

[B] heeft [medeverdachte 2] toen € 10.000,- gegeven in briefjes van vijftig. [medeverdachte 2] wist dat het 10.000 euro was omdat [medeverdachte 4] hem in Marokko had verteld dat hij 10.000 euro zou krijgen.

Bij een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres] te Born op 7 januari 2009 is onder meer een bedrag van € 10.000,- in contanten (gebundeld in briefjes van € 50,-) in beslag genomen.

Kort na binnenkomst van de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx] in Nederland, om 16:15 uur, heeft [medeverdachte 3] gebeld naar [medeverdachte 6] en gezegd: ‘kom naar me toe, ik heb je nodig’. Als [medeverdachte 6] vervolgens vraagt: ‘waar?’, antwoordt [medeverdachte 3]: ‘kom thuis naar me toe’.

Om 17:12 uur bellen beide weer met elkaar. [medeverdachte 6] vraagt dan: ‘kom je me ophalen?’, waarop [medeverdachte 3] vraagt: ‘kun je niet de taxi pakken of zo?’. [medeverdachte 6] zegt dan dat hij nog wat te doen heeft en [medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 6] maar moet bellen als hij klaar is. [medeverdachte 6] zegt dan: ‘laat die spullen tot ik klaar ben, dan kom ik naar je toe’(...) ‘ik kijk wel hoe, taxi of zo’.

Om 17:48 uur belt [medeverdachte 3] wederom naar [medeverdachte 6] en vraagt hem te komen.

Verbalisanten hebben op 7 januari 2009 om 19.19 uur gezien dat er een taxi richting de woning [W.v.G.straat] te Sittard rijdt. De woning [W.v.G.straat] te Sittard betreft het GBA-adres van [medeverdachte 3]. Een persoon die later ambtshalve werd herkend als [medeverdachte 6] stapt als bijrijder uit voornoemde taxi en belt aan bij het perceel [W.v.G.straat] , waarna hij wordt binnengelaten. Omstreeks 20:22 uur is gezien dat vanaf de oprit van het perceel [W.v.G.straat] een personenauto wegrijdt, de garagepoort van voornoemd perceel open staat en [medeverdachte 6] in de geopende garage staat. Omstreeks 20:24 uur is gezien dat de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx] de garage wordt binnengereden, waarna [medeverdachte 6] de garagepoort sluit.

Om 20:45 uur die dag heeft er in de woning aan de [W.v.G.straat] te Sittard een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking is in de garage, welke vanuit de keuken en de bijkeuken met een tussendeur te bereiken is, een Seat Toledo aangetroffen met kenteken [xx-xx-xx]. Aan de linkerzijde van de auto stond een krik onder de auto en het linker achterwiel was verwijderd. Bij dit achterwiel stond een boodschappentas met het opschrift ‘Plus’. In deze tas lagen 5 pakketten, vermoedelijk hasjiesj. De achterlichten van de Toledo waren gedemonteerd. Achter de Seat Toledo lag een kunststof wielbak welke afkomstig was vanaf de linkerachterzijde.

In de wielbak was een rechthoekige opening aangebracht en daarachter zag verbalisant diverse pakketten in een verborgen ruimte zitten. Op de vloer bij het achterwiel lag een zwart rechthoekig metalen plaatje met daarin twee schroeven. Dit plaatje paste in de rechthoekige opening in de wielbak.

Bij nader onderzoek van de Seat Toledo bleek dat er op de bestaande bodemplaat van de kofferruimte een nieuwe bodemplaat gemonteerd was, waardoor voornoemde verborgen ruimte ontstond welke ongeveer 10 tot 15 centimeter hoog was. In deze verborgen ruimte werden in totaal 112 pakketten aangetroffen met een totaal gewicht van ongeveer 56 kilogram. Een willekeurig pakket werd geopend en bleek te bestaan uit 5 plakken met een gezamenlijk gewicht van 500 gram. Deze willekeurige plak werd onderworpen aan de MMC Cannabis Test, welke positief reageerde op de aanwezigheid van marihuana, THC of hasjiesj. Op het aanrecht in de woning werd een autosleutel merk Seat aangetroffen, welke bleek te passen op de portiersloten en het stuurcontact slot van de zich in de garage bevindende Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx].

Naast de pakketten aangetroffen in de Seat Toledo en in de boodschappentas in de garage, werden ook in de woning op verschillende plekken pakketten hasjiesj aangetroffen. Zo werd onder meer in de woonkamer een aantal sporttassen aangetroffen met daarin partijen hasjiesj en op de bank in de woonkamer werden 33 losse pakketten en 5 plakken hasjiesj aangetroffen. Een willekeurige plak uit een van de sporttassen in de woonkamer testte eveneens positief op marihuana, THC of hasjiesj tijdens een MMC Cannabis test.

In totaal werd in de woning [W.v.G.straat] te Sittard (inclusief de aangetroffen hoeveelheid in de Seat Toledo en in de garage) ongeveer 237,5 kg hasjiesj aangetroffen.

Tijdens de doorzoeking van de woning [W.v.G.straat] te Sittard werd in de keuken van de woning [medeverdachte 6] aangehouden. Bij zijn aanhouding werd door verbalisant [S.]gezien dat diens handen vuil en met viezigheid besmeerd waren en er uit zagen ‘alsof hij automonteur van beroep zou kunnen zijn en zojuist aan het werk was geweest’. Op het aanrecht van de woning zag verbalisant diverse elektrische gereedschappen liggen met bijbehorende koffers en materialen.

Conclusie

Gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 een hoeveelheid van ongeveer 56 kilogram hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De import heeft gelet op alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden middels een Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], welke auto op 8 november 2008 naam van [medeverdachte 2] werd gesteld en door [medeverdachte 4] op 19 december 2008 aan [medeverdachte 2] werd overgedragen. [medeverdachte 2] trad, tezamen met [medeverdachte 5], op als koerier na daartoe begin november 2008 te zijn aangezocht door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1]. De organisatie betaalde ook de verblijfskosten van de koeriers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] tijdens hun verblijf in Marokko. Ook werd ervoor gezorgd dat de auto in Marokko werd geladen met hasjiesj. Na de feitelijke invoer van de hasjiesj in Nederland op 7 januari 2009 nam [medeverdachte 3] de auto over van [medeverdachte 2], betaalde [medeverdachte 2] € 10.000,- voor bewezen diensten en bracht hij de auto naar zijn, [medeverdachte 3]s, woning

In de woning van [medeverdachte 3] werd op 7 januari 2009 in totaal ongeveer 237 kilogram hasjiesj aangetroffen, waarvan ongeveer 56 kilogram in een verborgen ruimte in de zich in de garage bevindende koeriersauto [xx-xx-xx]. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] werden op dat moment in de woning aangehouden. [medeverdachte 6] was ten tijde van de doorzoeking naar het oordeel van de rechtbank doende het met uitbouwen van de 56 kilogram hasjiesj uit de zich in de garage van de woning bevindende koeriersauto [xx-xx-xx]. Deze 56 kilogram was naar het oordeel van de rechtbank zojuist ingevoerd vanuit Marokko. De overige ongeveer 181 kilogram hasjiesj bevond zich ten tijde van de doorzoeking verspreid in de woning van [medeverdachte 3]. Een deel van de hasjiesj werd aangetroffen in een zestal zich in de woonkamer van [medeverdachte 3] bevindende sporttassen en een deel, te weten 33 pakketten en 5 losse plakken (zijnde in totaal 19,4 kilogram) open en bloot op het zich in de woonkamer bevindende bankstel.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] tezamen met anderen in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 ongeveer 56 kg hasjiesj heeft ingevoerd en dat hij op 7 januari 2009 in Sittard die 56 kg hasjiesj tezamen met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank vindt in het dossier echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de overige 181 kilogram hasjiesj die zich op 7 januari 2009 in de woning van [medeverdachte 3] bevond. Er is immers niet komen vast te staan dat [verdachte], die zich op 7 januari 2009 niet in de woning van [medeverdachte 3] bevond, wetenschap had van en beschikkingsmacht over die 181 kilogram hasjiesj.

Feit 1.3 (ZD2)

[medeverdachte 3] wordt verweten dat hij gepoogd heeft om tezamen met anderen 80 kg hasjiesj in te voeren. Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 9 januari 2009 is in Tanger, Marokko, een Duitser genaamd [medeverdachte 7] aangehouden. Op diens naam stond een Skoda Octavia met kenteken [XX-XXXXX]. De Skoda Octavia [XX-XXXXX] werd vervolgens geïnspecteerd en in de Skoda Octavia werd in de kofferbak een geheime bergplaats aangetroffen, waarin een hoeveelheid van 80 kilogram hasjiesj werd aangetroffen.

Aan [medeverdachte 3] en [verdachte] is in dit licht tenlastegelegd de poging tot invoer van hasjiesj door [medeverdachte 7]. Het verwijt komt er – kort gezegd – op neer dat [verdachte] en [medeverdachte 3] het voertuig hebben aangekocht en voorzien van een dubbele bodem, [medeverdachte 7] als koerier hebben aangezocht en hem aanwijzingen hebben gegeven, het voertuig aan [medeverdachte 7] hebben overgedragen, alsmede de aangetroffen hoeveelheid hasjiesj hebben aangekocht en/of gefinancierd.

Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Tijdens een observatie op 17 september 2008 heeft de politie op de oprit van de woning aan de [B.straat] te Beek een grijze Skoda Octavia zien staan met kenteken [X-XXXXXX]. De woning [B.straat] te Beek betreft het GBA adres van [verdachte]. Uit informatie van het Euregio-Pol-Info-Coop-Centrum bleek dat het kenteken een vermoedelijk tijdelijk kenteken betrof uit een Europees land.

Gezien werd voorts dat [verdachte] als bestuurder van de Skoda Octavia optrad.

Op 13 november 2008 werd een gesprek getapt tussen [verdachte] en ene [O.] waarin [verdachte] zegt ‘we hebben (...) een andere “blik”nodig’ en ‘die “blik”die ik in mijn tuin heb, die heeft hij nog niet gepakt’. Het woord ‘blik’ is bij het onderzoeksteam bekend als versluierd taalgebruik voor auto. [O.] zegt dan dat wanneer [verdachte] wil dat de papieren gemaakt worden, dat geen probleem is. [verdachte] zegt dan nog: ‘wij kunnen andere blikken maken, als hij weet dat hij met die niets kan doen’.

In week 48 van 2008 werd plaatsbepalingsapparatuur geplaatst onder de Skoda Octavia met kenteken [X-XXXXXX] die zich op dat moment bevond in de tuin van de woning van [verdachte] aan de [B.straat] te Beek. Uit deze plaatsbepalingsapparatuur bleek dat de Skoda in de periode van 26 november 2008 tot 17 december 2008 niet in beweging is geweest.

Op 23 november 2008 heeft [verdachte] weer met [O.] gebeld en hem gevraagd wat [O.] heeft gedaan met wat hij, [verdachte], in de tuin heeft. [O.] antwoordt: ‘hij zei dat hij mij vandaag gaat bellen, anders moet ik iemand anders zien om morgen daar naartoe te gaan en “de papieren” ophalen’. [verdachte] zegt dan: “je moet het niet iedere keer uitstellen, want dan is het feest”.

Een dag later, op 24 november 2008, om 16:48 uur belt [verdachte] wederom naar [O.] . [verdachte] vraagt dan: ‘dat telefoon(nummer) wat je mij had gestuurd is dat van Frankfurt of van die eh…’. [O.] antwoordt dat het nummer dat hij [verdachte] gaf van Mainz is, waar de papieren van de andere auto zijn. [verdachte] vraagt: ‘papieren van de auto, de auto die ik hier heb?’ [O.] antwoordt: ‘ja’.

[O.] geeft [verdachte] vervolgens het telefoonnummer [xxx…] en zegt ‘als je tijd hebt bel hem op en dan geeft ie je de papieren’. [verdachte] zegt op de achtergrond tegen [medeverdachte 3] dat hij het nummer moet noteren.

Enkele minuten later, om 16:51 uur, belt [verdachte] met het Duitse telefoonnummer [xxx…] en stelt zich voor als de vriend van ‘[O.]’. [verdachte] zegt dat hij belt in verband met de papieren van de ‘blik’ hier in Nederland. [verdachte] wil de papieren hebben en hij wil daarvoor een afspraak maken. De NN man zegt dat [verdachte] moet komen en dat hij in de omgeving van Frankfurt woont, maar momenteel in een kliniek ligt en vrijdag ontslagen wordt. [verdachte] wil niet wachten tot zaterdag of zondag en wil eerder. [verdachte] zal nog bellen voor het adres.

Weer enkele minuten later, om 16:55 uur, belt [medeverdachte 3] met een onbekende man en vraagt of de vriend van de onbekende man morgen of zo niet naar Frankfurt kan gaan voor het ophalen van papieren van een auto. De onbekende man zegt dat dit wel kan en [medeverdachte 3] zegt toe de onbekende man de volgende dag in de namiddag/avond te zullen bellen. [medeverdachte 3] zegt: ‘dan gaan wij het omzetten op die “leeuw”’.

Ze spreken af de volgende dag te zullen bellen. [medeverdachte 3] zegt dat de onbekende man “hem” 300 euro moet sturen en voegt dan toe: ‘dan kan hij hetgene op zijn naam zetten direct’. [medeverdachte 3] zegt vervolgens straks terug te zullen bellen en zegt: ‘ik moet met die ene overleggen, hij is in de kliniek van het ziekenhuis’.

Later die avond, om 20:37 uur belt [medeverdachte 3] naar [verdachte] en zegt tegen [verdachte] dat [verdachte] die vriend van [O.] in Frankfurt moet bellen. Hij zegt dan: ‘zeg hem dat ik morgen kom – om 6 uur of 7 uur’.

De volgende dag, 25 november 2008, om 15:44 uur belt een onbekende man met [medeverdachte 3]. Er volgt het navolgende gesprek:

[medeverdachte 3]: ‘de auto is in B’

NN man: ‘is het in Beek?’

[medeverdachte 3]: ‘ja hij moet het meteen op zijn naam zetten en verzekering doen. Het is een Duitse auto, direct’.

(…)

[medeverdachte 3]: ‘(…) de auto is bij mij’

(…)

[medeverdachte 3]: ‘heeft hij de papieren en alles gehaald?’

NN man: ‘hij is net bij “hem”aangekomen daar bij het ziekenhuis of wat het ook is (...)’

[medeverdachte 3]: ‘is goed, hij zal hem de papieren en sleutels geven en…’

Om 16:13 uur die dag belt deze onbekende man weer met [medeverdachte 3] en zegt:

NN man: ‘hij heeft hem de sleutels niet gegeven, hij heeft hem alleen de papieren gegeven?’

[medeverdachte 3]: ‘waar zijn de papieren?’

NN man: ‘dat weet ik niet, “hij”heeft hem alleen de papieren gegeven’

[medeverdachte 3]: ‘nee, nee’(en vraagt op de achtergrond): ‘de sleutels van die auto, heb jij ze of die andere?’

[verdachte]: ‘ze zijn bij mij’

[medeverdachte 3]: ‘die jij in de garage hebt?’

[verdachte]: ‘ja’

[medeverdachte 3]: ‘heb jij ze?’

[verdachte]: ‘ja’

(…)

[medeverdachte 3] (tegen NN man): ‘oke zeg hem dat hij alleen de papieren mee moet nemen’.’

Tijdens een observatie op 15 december 2008 heeft verbalisant achter een houten schutting op het erf c.q. de oprit behorende bij de woning [B.straat] te Beek de grijze Skoda Octavia zien staan. Het voertuig is dan voorzien van het Duitse kenteken [XX-XXXXX].

Uit informatie van EPICC blijkt dat deze Skoda Octavia met kenteken [XX-XXXXX] op dat moment op naam staat van [medeverdachte 7], woonachtig te Hilden, Duitsland.

Op 17 december 2008 wordt een gesprek getapt om 16:39 uur tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 3] zegt dan: ‘zeg tegen hem dat ie op mij moet wachten bij de Albert Heijn – zeg tegen hem hij is over 10 minuten daar’.

Tijdens een observatie die dag wordt vervolgens gezien dat de Skoda Octavia met het Duitse kenteken [XX-XXXXX] vanuit de richting Beek naar Geleen rijdt, alwaar de auto rond 17:00 uur de parkeerplaats bij Albert Heijn oprijdt. [medeverdachte 3] treedt op als bestuurder. Achter deze auto rijdt de VW Golf op naam van [S.B.], de vriendin van [medeverdachte 3], met daarin 2 personen. Omstreeks 17:12 uur rijdt de Skoda weg met daarin een persoon met een Marokkaans uiterlijk. [medeverdachte 3] stapt in de VW Golf als bijrijder en rijdt weg.

Uit de plaatsbepalingsapparatuur blijkt dat de Skoda Octavia met kenteken [XX-XXXXX] op 17 december 2008 om 18:28 uur de Rijksweg A76 op rijdt en vervolgens de A2, waarna deze auto omstreeks 19:04 uur de Nederlands/Belgische grens passeert. Op 19 december 2008 omstreeks 16:25 uur (lokale tijd) is deze auto in Tanger, Marokko en verblijft aldaar tot het moment van inbeslagname van de auto door de Marokkaanse autoriteiten.

Op 5 december 2009 belt [verdachte] naar [medeverdachte 3]. [verdachte] maakt dan gebruik van een Marokkaans telefoonnummer.

[verdachte] zegt dan: ‘die vrouw is gevlucht, heeft de autopapieren meegenomen en is weggelopen’

(…)

[verdachte]: ‘ik zweer het, “ze”heeft het eerder tegen hem gezegd. Ik ga weglopen naar Duitse ambassade’

(…)

[medeverdachte 3]: ‘en de papieren?’

[verdachte]: ‘de autopapieren niks, maar die van de douane heeft “zij”/”hij”’

(…)

[verdachte]: ‘wat moet ik nu doen?’

[verdachte]: ‘moet ik die auto leegmaken?’

[medeverdachte 3]: ‘nee, wacht maar tot “ze”terugkomt’

(…)

[medeverdachte 3]: ‘moet ik “hem”zo sturen of niet?’

[verdachte]: ‘nee, vriend, sowieso, “hij”is alleen en zonder autopapieren kan toch niet’

[verdachte]: ‘heb het vandaag de garage binnen gebracht, vriend. Gisteren heb ik twee auto’s naar buiten gebracht. De auto van [C] en mijn auto, nu moet ik weer de Duitse naar binnen brengen, stront’

(…)

[verdachte]: ‘of zal ik [M] (fon) zeggen om een andere vrouw te sturen die met “hem”meegaat

[medeverdachte 3]: ‘de papieren zijn nodig’

(…)

[medeverdachte 3]: ‘laat de auto niet in zijn buurt…’

[verdachte]: ‘de auto is in de garage’

[medeverdachte 3]: ‘kan dat jet het eruit haalt en het verstopt, … maar niemand kent jouw garage’

[verdachte]: ‘ik heb de auto in de garage’

[medeverdachte 3]: ‘oke, dan wacht je maar(...).’

[medeverdachte 5] heeft verklaard:

‘Toen wij ons in Marokko bevonden was er sprake van een Duitse man met een vreemde vrouw. Dit had [medeverdachte 4] tegen ons gezegd. Ik neem aan dat [medeverdachte 4] met vreemde vrouw bedoelde dat dit niet de eigen vrouw was van de Duitse man. Deze vreemde vrouw had de autopapieren meegenomen van de auto van de Duitse man en nu kon de Duitse man niet over. [medeverdachte 4] vertelde later dat de Duitse man toch over was en dat de vreemde vrouw met het vliegtuig naar huis is gegaan. Deze Duitse man en vreemde vrouw hebben wij niet gezien of gesproken’.

Onderzoek door de Marokkaanse autoriteiten heeft uitgewezen dat [medeverdachte 7] op 2 januari 2009 in Hotel Sheherazade in Tanger heeft verbleven samen met [medeverdachte 8]. [medeverdachte 8] is Marokko binnengekomen op 19 december 2008 via de haven van Tanger en heeft Marokko verlaten via het internationale vliegveld Ibn Batouta te Tanger op 6 januari 2009.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] hem tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx] op naam van [medeverdachte 2] heeft verteld, dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [medeverdachte 4] had verteld dat dit € 10.000,-- per rit opbracht. [medeverdachte 4] had verteld dat hij al zes keer naar Marokko was geweest. [medeverdachte 2] heeft voorts verklaard: ‘[medeverdachte 4] vertelde mij dat hij niet alleen mocht gaan maar dat er altijd een vrouw bij moest zijn.’

[medeverdachte 2] heeft daarnaast verklaard tijdens zijn verblijf in Marokko van [medeverdachte 4] te hebben gehoord dat er twaalf wagens klaar stonden om over te steken. Volgens [medeverdachte 4] waren de chauffeurs afkomstig uit Nederland, Duitsland en Scandinavische landen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard van [medeverdachte 4] te hebben gehoord dat er ook een Duitser was die drugs zou transporteren.

[medeverdachte 7] is een aantal malen gehoord in Marokko. Hij heeft ter zake wisselende verklaringen afgelegd.

Tijdens een ongedateerd verhoor in de gevangenis in Tanger heeft [medeverdachte 7] aanvankelijk verklaard de Skoda te hebben gekocht van een Marokkaan in Frankfurt voor ongeveer € 5.000,-. [medeverdachte 7] had deze auto op zijn naam laten zetten, terwijl de verkoper de papieren en de technische keuring afhandelde. [medeverdachte 7] had met de verkoper afgesproken dat [medeverdachte 7] hem na de reis zou betalen. Van een derde persoon had [medeverdachte 7] toen een telefoontje gekregen die het voorstel deed om vanuit Marokko naar Duitsland kruidenproducten mee te nemen en als tegenprestatie te helpen met de financiering van de auto. [medeverdachte 7] heeft toen verklaard 2 à 3 dagen voor zijn vertrek telefonisch te zijn overeengekomen om kruiden te vervoeren van Marokko naar Nederland met als tegenprestatie het voor de helft betalen van de door hem, [medeverdachte 7], gekochte auto. Later in dit verhoor heeft [medeverdachte 7] verklaard de auto in Nederland te hebben gekocht. Als foto’s worden getoond van [medeverdachte 3] en [verdachte] verklaart [medeverdachte 7] beiden niet te kennen.

Tijdens zijn verhoor op 10 januari 2009 heeft [medeverdachte 7] verklaard tegen betaling met de uitvoering van de smokkel bezig te zijn geweest voor een Marokkaanse persoon met de Duitse nationaliteit, genaamd ‘[A.]’. [medeverdachte 7] heeft verklaard een auto van het merk Octavia met kenteken (…)705 in november 2008 te hebben gekocht van deze [A.], welke Ali [medeverdachte 7] omschrijft als: ongeveer 28 jaar, gemiddeld postuur, tenger gebouwd, blank, vloeiend Duits sprekend. [medeverdachte 7] had de auto gekocht voor een bedrag van € 5.200,-, waarvan hij € 2.000,- aanbetaalde. De overige € 3.200,- hield [medeverdachte 7] onder zich in afwachting van de afronding van de verkoop. De volgende dag had deze [O.] hem gebeld en had [A.] hem voorgesteld te helpen bij de smokkel van een zeer kleine hoeveelheid hasjiesj in ruil voor kwijtschelding van de restant koopsom, met welk aanbod [medeverdachte 7] had ingestemd. [medeverdachte 7] heeft verklaard op 19 december 2008 met zijn Duitse vriendin [medeverdachte 8] te zijn binnengereisd in Marokko via de haven van Tanger. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat [A.] hem van tijd tot tijd belde om te vernemen waar [medeverdachte 7] zich bevond. [A.] belde dan met de telefoonnummers: [xxx…], [06-xx], [xxx…] en [06-xx].

Tijdens zijn verhoor op 22 januari 2010 heeft [medeverdachte 7] wederom verklaard noch [medeverdachte 3] noch [verdachte] te kennen. [medeverdachte 7] heeft verklaard de Skoda te hebben gekocht nadat die via internet te koop was aangeboden en hij deze auto in Duitsland had geïnspecteerd. Na 5 à 7 dagen heeft [medeverdachte 7] de auto opgehaald in Geleen, Nederland, alwaar de auto op een openbare parkeerplaats geparkeerd stond met de sleutel in een wiel verborgen. De auto is verkocht door een persoon van Marokkaanse afkomst. Deze man had verteld dat indien [medeverdachte 7] kruiden van Tanger, Marokko, zou meenemen naar Geleen, hij korting zou geven op de prijs van de auto. De man had verteld dat de kruiden niets met verdovende middelen van doen hadden. [medeverdachte 7] was akkoord gegaan en naar Marokko afgereisd. Van de personen die in Marokko telefonisch contact met [medeverdachte 7] hebben opgenomen, staan de telefoonnummers geregistreerd in zijn door de politie in Tanger in beslag genomen mobiele telefoon, aldus [medeverdachte 7].

Op 7 januari 2009 werd tijdens de doorzoeking van de woning aan de [W.v.G.straat] in Sittard, zijnde het GBA adres van [medeverdachte 3], een Skoda Octavia met kenteken [xx-xx-xx] in beslag genomen. Dit voertuig is vergeleken met de Skoda Octavia met kenteken [XX-XXXXX]. Beide voertuigen waren op dezelfde wijze geprepareerd, in die zin dat een verborgen ruimte in de kofferbak was gecreëerd. Beide voertuigen waren daartoe voorzien van een dubbele bodemplaat. De opening die was gecreëerd om bij de verborgen ruimte te komen (achter de achterbumper) was bij beide auto’s gemaakt op dezelfde locatie, namelijk in het midden van de achterkant van het voertuig, achter de bumper.

Conclusie

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank zonder twijfel een zekere betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte 3] bij de Skoda Octavia met kenteken [XX-XXXXX] worden vastgesteld. Immers, naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de geschetste feiten en omstandigheden vast:

- dat de auto op zich op 17 september 2008 (dan nog voorzien van een ander, tijdelijk, kenteken) en in de periode van in de periode van 26 november 2008 tot 17 december 2008 op het erf bij de woning van [verdachte] heeft bevonden;

- dat er op 23, 24 en 25 november 2008 door [verdachte] en [medeverdachte 3] is gesproken over papieren van die auto en het op naam zetten daarvan;

- dat de auto op 15 december 2008 op naam stond van [medeverdachte 7] en de auto zich op dat moment nog op het erf bij de woning van [verdachte] bevond;

- dat de auto op 17 december 2008 door [medeverdachte 3] vanaf de woning van [verdachte] naar de parkeerplaats bij de Albert Heijn te Geleen werd gebracht, alwaar [medeverdachte 3] rond 17:00 uur arriveerde, waarna de auto door een Marokkaanse man werd meegenomen;

- dat de auto op 17 december 2008 om 19:04 uur Nederland heeft verlaten via de Nederlands/Belgische grens en dat [medeverdachte 7] met deze auto op 19 december 2008 is ingereisd in Tanger, Marokko;

- dat [medeverdachte 7] op 9 januari 2009 in Marokko is aangehouden in het bezit van deze auto, waarin zich op dat moment in een verborgen ruimte in de kofferbak 80 kilogram hasjiesj bevond.

Al deze feiten en omstandigheden tezamen genomen zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende voor het wettige en overtuigende bewijs van een bewuste en nauwe samenwerking van [verdachte] en [medeverdachte 3] bij de poging tot invoer van 80 kilogram hasjiesj, die aangetroffen is in de auto waarin [medeverdachte 7] is aangehouden.

De rechtbank overweegt daarbij dat er in het dossier geen enkel tapgesprek noch observatie is aangetroffen waaruit blijkt dat [verdachte] en/of [medeverdachte 3] direct contact heeft/hebben met [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] heeft verklaard [verdachte] noch [medeverdachte 3] te kennen en wijst als zijn opdrachtgever ene [O.] aan, welke [A.] gebruik maakt van telefoonnummers, door [medeverdachte 7] genoemd, die niet te linken zijn aan in het kader van het onderzoek ‘Madeleine’ aan [verdachte] en/of [medeverdachte 3] toegeschreven telefoonnummers.

Het tapgesprek d.d. 5 januari 2009 noopt de rechtbank niet tot een ander oordeel, aangezien naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid gezegd kan worden dat dit tapgesprek betrekking heeft op [medeverdachte 7]. Het enkele feit dat de geheime bergruimte, zoals aangetroffen in de Skoda Octavia met kenteken [XX-XXXXX], vergelijkbaar is met de geheime bergruimte in de Skoda Octavia met kenteken [xx-xx-xx], is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

[verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van het feit 1.3.

Feit 1.4 (ZD4)

[verdachte] wordt verweten dat hij gepoogd heeft om tezamen met anderen 66 kg hasjiesj in te voeren. Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op donderdag 16 oktober 2008 hebben agenten van de Guardia Civil de voertuigen die in de haven van Ceuta klaarstonden om ingescheept te worden op de veerboot naar het Iberische schiereiland aan een inspectie onderworpen. Bij die inspectie heeft een speurhond een melding gemaakt bij een Toyota Avensis met kenteken [XX-XX-XX]. Men heeft de bestuurder van die auto, [medeverdachte 9], verzocht de auto in de garage van de Guardia Civil te plaatsen en deze heeft aan dat verzoek voldaan.

De auto is vervolgens onderzocht en daarbij zijn in een verborgen ruimte in de kofferbak 190 blokken aangetroffen.

De agenten van de Guardia Civil hebben [medeverdachte 9] en zijn bijrijdster, [partner medeverdachte 9], daarop aangehouden. Bij die aanhouding zijn de aangetroffen blokken aan [medeverdachte 9] getoond. Deze is daarop beginnen te schreeuwen en heeft ook ruiten van de auto vernield.

De aangetroffen blokken zijn gewogen en onderzocht. Het bleek een hoeveelheid hasjiesj te betreffen met een brutogewicht van 66.650 gram en een nettogewicht van 58.208,20 gram. Het kenteken [XX-XX-XX] is op 8 oktober 2008 om 14:05 uur in Utrecht-Godebaldkwartier op naam van [medeverdachte 9] gesteld.

Bij zijn verhoor op 17 oktober 2008 door een Spaanse rechter heeft [medeverdachte 9] verklaard dat hij wist dat er in de auto drugs zaten en dat hij die drugs in Nederland aan iemand zou overhandigen. Hij heeft daarbij ook verklaard dat zijn partner van niets wist.

Zijn partner, de eerdergenoemde [partner medeverdachte 9], heeft bij haar verhoor op die zeventiende oktober 2008 verklaard van niets te weten. Ze is daarop ontslagen van rechtsvervolging en in vrijheid gesteld.

Op 11 november 2008 is de zaak tegen [medeverdachte 9] door de Rechtbank te Ceuta behandeld en is hij bij vonnis van die datum veroordeeld wegens een misdrijf tegen de volksgezondheid tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en tien maanden.

Voormelde onderzoeksbevindingen zijn verkregen naar aanleiding van een daartoe strekkend rechtshulpverzoek aan de Spaanse autoriteiten d.d. 28 januari 2009. Voorafgaand daaraan was aan de Liaison Officer te Madrid op 24 oktober 2008 de vraag gesteld of er rond de periode van 17 oktober 2008 een jongen en een meisje bij een controle aangehouden waren voor het smokkelen van verdovende middelen. De Liaison Officer antwoordde op 12 november 2008: ‘Op 16 oktober 2008 werden in Ceuta, met 66.4 kilogram hasjiesj, welke verborgen waren in de dubbele bodem van de kofferbak van een Toyota Avensis met kenteken [XX-XX-XX], aangehouden: [medeverdachte 9], houder van het paspoort [xxx..], geboren op [geboortegegevens], woonachtig op het adres [adresgegevens] te Utrecht. [partner medeverdachte 9], houdster van paspoort [xxx] en woonachtig op hetzelfde adres als [medeverdachte 9].’

Naar aanleiding van die informatie is een nader onderzoek ingesteld naar [medeverdachte 9]. Op de bevindingen uit dat onderzoek zal in het navolgende worden teruggekomen.

De vraag aan de Liaison Officer was ingegeven door hetgeen het onderzoeksteam heeft bevonden bij het afluisteren van telefoongesprekken waaraan onder andere [medeverdachte 3] en [verdachte] deelnamen.

Op 17 oktober 2008 heeft [verdachte] om 16:29 uur via een Marokkaans nummer met [medeverdachte 3] gebeld. [medeverdachte 3] vraagt of er al nieuws is over ‘kleine [A.]’. [verdachte] antwoordt dat hij voor hem een advocaat gaat regelen en zegt dat ‘ze’ dat meisje vandaag of maandag vrij laten en dat [A.] het zelf maar moet regelen.

Op 17 oktober 2008 is [medeverdachte 3] om 22:09 uur gebeld door iemand die hij [A.] noemt (NN man 7795). [A.] zegt dat hij in Tanger is. [A.] vertelt dat hij bij de vriendin van die jongen langs is geweest en haar uit ‘castigo’ heeft opgehaald. [A.] zal haar morgen met het vliegtuig sturen. [A.] zegt dat ze kijken welke advocaat hij neemt en ze sturen hem dan 250 euro per maand op. [medeverdachte 3] zegt daarop: ‘zeg tegen hem we zijn geen huichelaars we helpen hem.’ [medeverdachte 3] vraagt aan [A.] of hij enig idee heeft hoe het kan. [A.] zegt: ‘1000%, stank/reuk.’ Even daarna zegt hij nog: ‘Ze kwamen naar zijn auto, die hond ging harder lopen en in een keer naar achteren, begint die te blaffen’ en ‘Die meid ze dat hij er genoeg van had en dat hij de ramen kapot had gemaakt, hij had verwacht dat de hond niks zou ruiken.’

Op 19 oktober 2008 is [medeverdachte 3] om 10:57:04 uur gebeld door [verdachte]. In het gesprek zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 3] dat kleine [A.] gisteren zelf heeft ingepakt. De eerste hond was voorbij gelopen, ‘ze’ waren Algeciras binnen gegaan en we wisten het nog niet.

Na 24 oktober 2008, de dag dat naar aanleiding van tapgesprekken de Liaison Officer te Madrid werd benaderd, is er nog een aantal telefoongesprekken gevoerd. Een daarvan is op 10 november 2008 gevoerd. Op die dag is [medeverdachte 3] om 23:21 uur gebeld door ene [A.] ([A.]1262).

[A.]: ‘die jongen uit Spanje heeft me gebeld. Hij zei dat hij een advocaat heeft geregeld. Tot waar gaat de prijs van de advocaten daar? Heeft eentje geregeld van tweeënhalf duizend, zijn vader.’

[medeverdachte 3]: ‘ik zweer het, ik weet het niet [A.], wat je ook doet is goed, ik weet het niet.’

[A.]: ‘wat zeg jij?’

[medeverdachte 3]: ‘ze hebben daar geen pro deo, volgens mij.’

[A.]: ‘moet betalen, toch?’

[medeverdachte 3]: ‘dus moeten betalen, allemaal. Vanaf 1000, 1500.’

[A.]: ‘in die prijsklasse, zijn vader zei tegen me dat hij daar een voor 2500 heeft gevonden.’

[medeverdachte 3]: ‘ja.’

[medeverdachte 3]: ‘ik weet niet, …(niet te verstaan). Dat wordt wel…’

[medeverdachte 3]: ‘(lacht) een beetje veel eh? Begrijp je? Maar ja, kijk jij maar [A.]. Jij bent degene die die jongen kent. Als jij ja zegt, dan doen wij mee. Als jij nee zegt, dan ehhh… ja Zeg hem kijk of je iets goedkopers vindt, begrijp je?’

[A.]: ‘hij moet morgen voorkomen.’

[medeverdachte 3]: ‘ja.’

[A.]: ‘…(niet te verstaan) laatste moment, we helpen hem, jongens we moeten geld te voorschijn halen.’

[medeverdachte 3]: ‘oké.’

[A.]: ‘ik zie geen andere optie, als je een andere optie weet, dan kom.’

[medeverdachte 3]: ‘wat voor optie, of moet ik een tovenaar zijn, morgen moet hij voorkomen.’

[A.]: ‘ik ook niet, hij moet voorkomen.’

[medeverdachte 3]: ‘hoe gaat het verder met regelen dan, is zijn vader daar?’

[A.]: ‘zijn broertje is hier.’

(…)

[A.]: ‘hij stuurt het via Western Union.’

[medeverdachte 3]: ‘ja.’

[A.]: ‘voor 12 uur ’s middags.’

[medeverdachte 3]: ‘ah zo, [A.], als je het hebt, geeft het hem dan komen we er wel uit.’

[A.]: ‘dat is wat ik zie, is wel een beetje een prijzige, maar ik kan geen nee zeggen, hij moet morgen voorkomen.’

[medeverdachte 3]: ‘oké, [A.]. Je bent daar, men moet hem maar helpen.’

[A.]: ‘oké.’

[medeverdachte 3]: ‘je weet nooit waar het goed/goeds voor is.’

[A.]: ‘dat weet je niet, ja, ik zie, hij heeft er recht op’, begrijp je.’

[medeverdachte 3]: ‘we doen ons best.’

[A.]: ‘als hij de tijd had, dan konden we zoeken, naar een goedkoper advocaat, … (niet te verstaan) maar geen tijd.’

[medeverdachte 3]: ‘help hem daar.’

[A.]: ‘ik geef hem die dokoe, wanneer spreek ik jou?’

[medeverdachte 3]: ‘ik denk morgen, ik ga morgen vroeg naar beneden en dan kom ik terug, ik denk morgenavond.’

[A.]: ‘oké, ik spreek jou.’

Zoals hierboven al werd opgemerkt, is naar aanleiding van de van de Liaison Officer verkregen informatie een nader onderzoek ingesteld naar [medeverdachte 9]. Daarbij is uit informatie die is opgevraagd bij de RDW gebleken dat [medeverdachte 9] de navolgende voertuigen op zijn naam heeft staan:

• een Toyota Avensis 1.8, met kenteken [XX-XX-XX], aanvang tenaamstelling: 08/10/08,

• een Toyota Avensis 1.6, met kenteken [xx-xx-xx], aanvang tenaamstelling: 04/06/08 en

• een Fiat Brava 1.4, met kenteken [xx-xx-xx], aanvang tenaamstelling: 21/07/06.

Ten aanzien van het voertuig met kenteken [XX-XX-XX] is de historie van de kentekenhouders bij de RDW opgevraagd. Uit de bevraging is gebleken dat het voertuig vanaf 2 juli 2007 op naam heeft gestaan van Autobedrijf [L.] te Maasbree. Vanaf 12 maart 2008 tot en met 23 juni 2008 heeft het voertuig op naam gestaan van [medeverdachte 1], geboren [geboortegegevens] te Susteren en woonachtig in de [S.straat] te Susteren.

Bij een doorzoeking op 7 januari 2009 in een woning aan de [W.v.G.straat] te Sittard, zijnde het GBA-adres van [medeverdachte 3], is een autosleutel inbeslaggenomen waaraan een label hing met de tekst ‘Toyota Avensis [XX-XX-XX] Grijs’. Bij een doorzoeking diezelfde dag in een woning aan de [H.weg] in De Bilt, zijnde een verblijfsadres van [medeverdachte 3], is een Deel 1 van een kentekenbewijs voor het kenteken [XX-XX-XX] aangetroffen. Uit dit kentekenbewijs blijkt dat het kenteken [XX-XX-XX] op 27 augustus 2008 om 16:26 uur op naam is gesteld van [medeverdachte 10]. Voorts is dit kentekenbewijs voorzien van een groot kruis en voorzien van een datumstempel van TNT-post. Als datum is in die stempel vermeld ‘08 okt 2008’ en voorts vermeldt de stempel ‘Utrecht-Godebaldkwartier’. Ook is bij de doorzoeking op laatstgenoemd adres een vrijwaringsbewijs aangetroffen voor het kenteken [XX-XX-XX] waarbij op het vrijwaringsbewijs onder het kopje ‘Plaats/Transactiegegevens/Datum en Tijd’onder andere is vermeld: ‘Utrecht-Godebaldkwartier’ en ’08-10-2008 14:05.’

Bij haar verhoor op 14 januari 2009 heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zij twee personen kent van de organisatie van de drugshandel, te weten twee Marokkanen genaamd [B] en [J.]. Voorts heeft ze verklaard dat de organisatie, [B] en [J.], alle kosten van vervoer en verblijf betaalde. Letterlijk zegt ze nog: ‘[J.] en [B] hadden gezegd als iemand zou worden opgepakt dat er voor gezorgd werd. Dit in de vorm van bijstand van een advocaat en geld.’

Conclusie

De poging van [medeverdachte 9] om een hoeveelheid hasjiesj in te voeren in Nederland is als het medeplegen daarvan aan zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] tenlastegelegd. Om van medeplegen te kunnen spreken moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging.

Van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking is de rechtbank echter uit de onderzoeksbevindingen niet gebleken. Er is niet komen vast te staan dat beiden betrokken waren bij de poging van [medeverdachte 9] tot invoer. Wel is de rechtbank gebleken dat beiden enige betrokkenheid met het feit hadden, nadat het reeds door [medeverdachte 9] was gepleegd. Dit is echter onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken.

[verdachte] zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 1.5 (ZD5)

[verdachte] wordt verweten dat hij gepoogd heeft om tezamen met anderen 51 kg hasjiesj in te voeren. Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op zaterdag 12 juli 2008 hebben agenten van de Guardia Civil de voertuigen die in de haven van Ceuta klaar stonden om ingescheept te worden op de veerboot naar het Iberische schiereiland aan een inspectie onderworpen. Bij die inspectie heeft een speurhond een melding gemaakt bij een Toyota Camry met kenteken [xx-xx-xxx]. Men heeft de bestuurder van de auto, [medeverdachte 11], verzocht de auto in de garage van de Guardia Civil te plaatsen en deze heeft aan dat verzoek voldaan.

De auto is vervolgens onderzocht en daarbij zijn in een verborgen ruimte in de kofferbak 143 blokken aangetroffen.

De agenten van de Guardia Civil hebben [medeverdachte 11] daarop aangehouden.

De aangetroffen blokken zijn gewogen en onderzocht. Het bleek een hoeveelheid hasjiesj te betreffen met een brutogewicht van 51.450 gram en een nettogewicht van 46.247,95 gram.

Voormelde onderzoeksbevindingen zijn verkregen nadat door de Spaanse autoriteiten een verzoek was ingediend bij het Internationaal Rechtshulpcentrum. In dit verzoek werd gevraagd naar GBA- en kentekengegevens en het vermeldde dat [medeverdachte 11], geboren op 14 november 1962 te Sittard, in verband met het vervoeren van 51,45 kilogram hasjiesj in een Toyota Camry voorzien van het Duitse kenteken [xx-xx-xxx] op 12 juli 2008 in Ceuta werd aangehouden.

De gegevens uit het verzoek werden daarop geverifieerd bij de Liaison Officer te Madrid, waarna een op 28 januari 2009 gedateerd rechtshulpverzoek aan de Spaanse autoriteiten werd gezonden. In dit verzoek werd de Spaanse autoriteiten verzocht informatie te verschaffen omtrent de aanhouding van [medeverdachte 11] en de inbeslagname van de hasjiesj.

Het (Duitse) kenteken [xx-xx-xxx] is bevraagd bij het EPICC. Daarbij bleek dat het kenteken ten name is gesteld van [dochter medeverdachte 11], wonend aan de [A.straat]Selfkant (Duitsland).

[medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] en de vriendin van [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], kent. Hij heeft voorts verklaard dat hij in maart 2002 is vrijgekomen na een detentie die verband hield met verdovende middelen. Via gokken is hij toen in contact gekomen met andere mensen. Mensen van allochtone afkomst. Dat was in de gokhallen in Sittard en Geleen ergens in 2006/2007. Ettelijke maanden later werd hij door een Marokkaanse man aangesproken die zichzelf [R.] noemde. Hij kreeg geld van die man als hij bij het gokken geen geld meer had. Die [R.] vroeg hem om een klusje te doen. Het was de bedoeling dat hij met een auto naar Spanje reed. Er werd hem niet verteld waarom hij dat moest doen, maar het was hem meteen duidelijk dat het om hasjiesj ging. ‘Een Marokkaan en rijden naar de Marokkaanse grens leidt tot een logische conclusie, namelijk Hashish’ aldus letterlijk [medeverdachte 11].

Hij heeft in 2008 toegehapt, omdat hij geen andere uitweg meer zag. Hij is tot tweemaal toe vertrokken, maar met een lege auto teruggekomen, omdat hij niet durfde. Daar waren ‘ze’ niet blij mee. [medeverdachte 11] verklaart daarbij ‘ze’ te zeggen, omdat hij in de loop van de tijd verschillende personen heeft gezien. Zo kreeg hij van een ander dan [R.] geld en van weer een ander heeft hij sleutels van een auto gekregen. In Spanje werd hij ook weer door andere personen aangesproken.

Twee of drie dagen voor zijn aanhouding op 12 juli is hij vertrokken vanuit Nederland met een Toyota Camry. Hij moest de auto op zijn naam laten zetten, maar dat kon niet en daarom heeft hij zijn dochter gevraagd het kenteken op haar naam te zetten. Hij zou van [R.] € 5.000,- als beloning krijgen en zijn schuld van € 2.000,- à € 3.000,- zou hem worden kwijtgescholden. Hij is één nacht in een hotel in Ceuta verbleven. De dag erna is hij teruggereden. Bij de boot is hij toen aangehouden.

Zijn vrouw is nog wel lastiggevallen. ‘Ze kwamen haar vragen of ze nog iets wist van mij. Mijn vrouw heeft ook nog geld gekregen. Dat was een bedrag van € 1.000,00 naar ik meen. Ik weet niet van wie ze dat geld gekregen heeft. Ik weet wel dat mijn vrouw mijn hele vriendenkring en familie heeft gebeld om geld te krijgen om mij te bezoeken. Desgevraagd door de officier van justitie verklaart hij hieromtrent nog: “Mijn vrouw heeft mij in Spanje één keer bezocht. Dat was in november 2008. Ze was toen alleen. Het ticket werd betaald van de € 1.000,- die ze kreeg. Die € 1.000,- waren voor mij bestemd. Ik weet niet of de € 1.000,- het resultaat was van de belronde door mijn vrouw of dat die op een andere wijze tot haar zijn gekomen.’

De roepnaam van [medeverdachte 11] is [roepnaam medeverdachte 11] en de vrouw van [medeverdachte 11] betreft [echtgenote medeverdachte 11]. Zij hebben een dochter genaamd [dochter medeverdachte 11]. Zowel [echtgenote medeverdachte 11] als [dochter medeverdachte 11] heeft diverse telefoongesprekken met [medeverdachte 3] gevoerd. Ook zijn er gesprekken gevoerd tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

Op 21 oktober 2008 is [medeverdachte 3] om 19:51 uur gebeld door [echtgenote medeverdachte 11]. In dit gesprek vraagt [echtgenote medeverdachte 11] aan [medeverdachte 3] of deze deze week langs kan komen met [medeverdachte 4]. [medeverdachte 3] zegt daarop dat hij denkt, morgen of overmorgen, maar hij weet het nog niet zeker. [echtgenote medeverdachte 11] zegt daarop: ‘Ik moet iets, ik moet volgende maand naar [roepnaam medeverdachte 11] gaan’.

Die 21ste oktober 2008 is [medeverdachte 3] om 20:53 gebeld door [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] is weer gebeld door ‘J’ uit Holland. [medeverdachte 3] zegt dat zij hem ook heeft gebeld. [medeverdachte 4] zegt: ‘want we moeten morgen kijken voor een vijf en weet ik het allemaal’. [medeverdachte 3] merkt dan op dat hij daar morgen naar toe komt en hem opbelt zodra hij er is. [medeverdachte 4] geeft daarbij nog te kennen dat hij met [medeverdachte 3] meegaat. Ze kijken dan wel even hoe en wat.

Op 23 oktober 2008 is [medeverdachte 3] om 14:06 uur gebeld door [medeverdachte 4]. Deze vraagt hoe laat [medeverdachte 3] langs zou komen en of hij nog bij ‘dinges’ is geweest. [medeverdachte 3] is niet bij dinges geweest en komt binnen een uurtje of zo naar [medeverdachte 4] toe. [medeverdachte 4] zegt dan haar te bellen of zij iets weet en zegt voorts: ’Dat we even langs gaan ze willen nog praten over de vakantie van november of zoiets’. Er wordt bij haar afgesproken.

Diezelfde dag, 23 oktober 2008, is [medeverdachte 3] om 17:29 uur gebeld door [medeverdachte 4].

[medeverdachte 4] zegt dat de dochter van [roepnaam medeverdachte 11] had gekeken en dat de goedkoopste tot nu toe van 30 november, € 160,- per persoon was, € 170,- per persoon inclusief tax en alles. [medeverdachte 3] zegt dat dat wel goed is. [medeverdachte 4] zegt dat hij moet kijken of hij dat met de creditcard gaat doen, met [medeverdachte 1], want het moet via de creditcard betaald worden. [medeverdachte 3] zegt dat als dat kan, hij dat straks terugkrijgt. [medeverdachte 4] merkt op dat het van Brussel is. [medeverdachte 3] zegt dan dat een stuk goedkoper is. Er wordt dan nog gesproken over wegbrengen en afhalen van tickets. Aan het einde van gesprek zegt [medeverdachte 4] dat hij morgen even naar haar toegaat en dat hij dan even kijkt hoe het precies in elkaar zit en ‘dan regelen we dat wel’. [medeverdachte 3] sluit af met: ‘Is goed, dank je wel he, oke hoi hoi’.

Op 24 oktober om 16:46 uur heeft [medeverdachte 4] weer met [medeverdachte 3] gebeld. [medeverdachte 4] is daar even geweest. ‘Die tickets zijn altijd rond eehh… 800 euro dus we gaan woensdag even kijken in Brussel.’ [medeverdachte 4] zegt dan dat hij niet online via de creditcard en met [medeverdachte 1]s naam gaat bestellen, maar dat hij woensdag met hen naar Brussel rijdt en dat hij dan gaat kijken of ze daar de tickets rechtstreeks kunnen krijgen.

Op 31 oktober heeft [medeverdachte 3] om 17:31 uur naar [dochter medeverdachte 11] gebeld. [medeverdachte 3] geeft te kennen net gebeld te zijn op zijn nummer en vraagt wie hij nu spreekt. Na enig heen en weer gepraat, waarbij [medeverdachte 3] zegt dat [dochter medeverdachte 11] met [medeverdachte 3] spreekt, is het [medeverdachte 3] duidelijk met wie hij praat: de dochter van [echtgenote medeverdachte 11] en [roepnaam medeverdachte 11]. [dochter medeverdachte 11] vraagt hoe het zat met die auto. [medeverdachte 3] zegt dan dat hij dat niet is, maar een vriend van hem. Hij laat die vriend straks met [dochter medeverdachte 11] bellen. Hij, [medeverdachte 3], gaat hem bellen, het is ‘R’, dan belt hij straks op. [dochter medeverdachte 11] zegt dat dat goed is.

Op 5 november 2008 heeft [echtgenote medeverdachte 11] om 16:04 uur met [dochter medeverdachte 11] gebeld. [dochter medeverdachte 11] komt morgen en [echtgenote medeverdachte 11] zegt dat ze samen naar het reisbureau kunnen gaan om de tickets te halen. [echtgenote medeverdachte 11] geeft te kennen € 1.000,- te hebben gekregen voor de tickets.

Op 6 november 2008 heeft [medeverdachte 3] om 15:32 uur naar [echtgenote medeverdachte 11] gebeld. [echtgenote medeverdachte 11] zegt dat ze dat ticket net heeft gehaald. Ze gaat alleen. Een ticket kost € 450,- voor heen en terug en dan heeft ze voor € 200,- het hotel, daar waar ze moet zijn in “Logo”. [dochter medeverdachte 11] gaat niet mee. [echtgenote medeverdachte 11] weet niet hoe ze dat op moet brengen. [medeverdachte 3] komt vanavond of morgen even bij haar langs en dan geeft hij haar nog een beetje voor daar en voor [roepnaam medeverdachte 11]. [echtgenote medeverdachte 11] zegt dan: ‘Ok dan ben ik blij, ook voor [dochter medeverdachte 11] met die auto he’. [medeverdachte 3] vraagt of [dochter medeverdachte 11] bij [echtgenote medeverdachte 11] is, dat is ze en hij krijgt haar aan de lijn. [medeverdachte 3] vraagt of [dochter medeverdachte 11] morgen even tijd heeft. Morgenmiddag heeft [dochter medeverdachte 11] tijd. [medeverdachte 3] belt van tevoren en komt dan naar haar moeder.

[medeverdachte 3] heeft op 7 november 2008 om 16:12 uur naar [dochter medeverdachte 11] gebeld. Hij ziet haar over vijf minuten bij haar moeder.

[dochter medeverdachte 11] heeft op diezelfde dag, 7 november 2008, om 18:11 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 3] gestuurd: ‘ik heb een boete ontvangen van 75 e van die auto. Boete is van verkeerd parkeren op 4 juli. groetjes’

Om 18:13 uur heeft [medeverdachte 3] aan [dochter medeverdachte 11] gesms’t: ‘Ok komt goed bel je wel morgen ofzo dan geef ik je dat’

Om 18:14 heeft [dochter medeverdachte 11] aan [medeverdachte 3] gesms’t: ‘dank je’.

Op 26 november 2008, nadat [dochter medeverdachte 11] om 13:37 uur een sms-bericht naar hem heeft gestuurd met de tekst: ‘kan je me aub bellen?’, belt [medeverdachte 3] om 13.38 uur naar [dochter medeverdachte 11].

[dochter medeverdachte 11] heeft een probleem met een boete en het betalen van de verzekering. [medeverdachte 3] geeft daarop te kennen dat ze dat even moeten regelen. Vervolgens vraagt [medeverdachte 3] hoe het met haar moeder gegaan is. [dochter medeverdachte 11] antwoordt hierop dat het wel goed was. Haar vader zag er erg goed uit zei haar moeder en het was haar toch goed afgegaan. Haar vader stond er versteld van dat het haar was gelukt om in dat gehucht terecht te komen.

Diezelfde dag, 26 november 2008, heeft [medeverdachte 3] om 13:42 uur nog eens gebeld naar [dochter medeverdachte 11]. In dat gesprek vraagt hij haar hoeveel het is. Het is € 400,- en de boete is € 60,-. De € 15,- van de aanmaning van de boete wil [dochter medeverdachte 11] zelf wel betalen. Ze zit midden in een verhuizing en ze heeft het al heel erg krap. [medeverdachte 3] probeert een vriend van hem te bereiken die kan het dan straks bij haar langsbrengen en anders belt hij haar later nog even op. Het kan ook in de winkel waar ze werkt, gegeven worden.

Om 17.00 uur heeft [dochter medeverdachte 11] nog een sms-bericht aan [medeverdachte 3] gestuurd met de tekst: ‘weet je al iets?’

Bij haar verhoor op 1 september 2009 heeft [echtgenote medeverdachte 11] verklaard dat ze weet dat [roepnaam medeverdachte 11] [medeverdachte 11] in Spanje vast zit voor de smokkel van hasjiesj met de auto. Ze heeft hem 1 keer bezocht. Ze is op donderdag 14 of 15 november 2008 alleen naar Spanje gegaan. Ze is vanuit Brussel naar Madrid gevlogen. Vanuit Madrid is ze naar La Coruna gevlogen en vervolgens is ze met de bus van La Coruna naar Logo te Spanje gereden.

Bij haar verhoor op 3 september 2009 heeft [echtgenote medeverdachte 11] verklaard dat [medeverdachte 4] haar geld heeft gebracht in november 2008 zodat zij [roepnaam medeverdachte 11] kon opzoeken in Spanje. Toen hij dat geld bracht, kreeg ze ook een papiertje van de criminele organisatie dat [roepnaam medeverdachte 11] nog € 2.000,- schuld bij hen had, waarover zij zei: ‘en ik denk dat ze hiermee bedoelden dat ik niet meer om geld moest vragen’. [medeverdachte 4] had het papiertje en het geld voor de reis naar Spanje weer van iemand van de organisatie gekregen. Van wie [medeverdachte 4] het heeft gekregen, weet ze niet. Ze weet niet of de vriendin van [medeverdachte 4], ook wel eens drugstransporten uitvoerde. Als [echtgenote medeverdachte 11] het afgeluisterde telefoongesprek tussen haar en haar dochter van 5 november 2008 om 16:04 uur wordt voorgehouden, verklaart ze: ‘Ik kan hierover zeggen dat ik me herinner dat ik inderdaad dit gesprek gevoerd heb met [dochter medeverdachte 11]. Normaal heb ik geen beltegoed. Ik kan het me niet goed herinneren, maar volgens mij heeft hij, “[K.]”, [dochter medeverdachte 11] gebeld en heb ik het gesprek gevoerd met zijn telefoon omdat ik vermoedelijk geen beltegoed had. Deze telefoon was van de “[K.]” waarover ik eerder heb verklaard. Dit is de getinte Turkse of Marokkaanse jongen van 30 a 35 jaar oud. Deze “[K.]” is toen samen met [medeverdachte 4] bij mij geweest om onder andere geld te geven voor de reis naar [roepnaam medeverdachte 11] in Spanje. Ik kreeg 700 euro voor de reis en ik kreeg 300 euro om aan [roepnaam medeverdachte 11] te geven in de gevangenis omdat hij geen geld had. Van dat geld kon hij wat kopen. [medeverdachte 4] en “[K.]” waren samen bij mij maar ik weet niet mee van wie ik het geld kreeg. Ik kreeg het geld gewoon van hun. Ik heb het telefoonnummer van “[K.]” en van [medeverdachte 4] opgeschreven op de envelop. Deze envelop geef ik u mee ten behoeve van het onderzoek, ik heb deze niet meer nodig. Deze envelop is als bijlage 3 bij dit verhoor gevoegd. Deze “[K.]” kwam mij ook vertellen in juli 2008 dat [roepnaam medeverdachte 11] was aangehouden in Spanje/Marokko voor drugssmokkel. Hij vertelde dat hij [roepnaam medeverdachte 11] financieel zou helpen zodat [roepnaam medeverdachte 11] het een beetje goed heeft in de gevangenis. Dit heeft hij ook gedaan door later geld te geven voor de reis naar [roepnaam medeverdachte 11] en 300 euro om aan [roepnaam medeverdachte 11] te geven’.

Op de als bijlage 3 bijgevoegde envelop staat onder “[K.]” 06 43 600 552. Dit nummer is in gebruik (geweest) bij [medeverdachte 3].

[dochter medeverdachte 11] heeft bij haar verhoor op 2 september 2009 onder meer verklaard dat ze niet weet hoe de personen voor wie [roepnaam medeverdachte 11] [medeverdachte 11] het drugstransport waarvoor hij vastzit heeft gedaan heten. Ze weet wel dat het mannen waren en ze heeft er wel eens één van gezien. ‘Dit betrof een buitenlandse man met donker haar. Zijn huidskleur was getint. Ik schat hem ongeveer 30 a 35 jaar oud. Ik heb hem 1 keer gezien bij mijn moeder thuis. Dat was ongeveer een jaar geleden. Het was nadat mijn vader vast zat. Hij was daar omdat mijn moeder geld aan het verzamelen was zodat ze naar Spanje kon gaan op bezoek bij mijn vader. Ik was daar ook maar ik ben gewoon in de woonkamer gaan zitten. Mijn vader had ook een bijnaam voor hem namelijk “[K.]”.’

[medeverdachte 1] heeft bij haar verhoor op donderdag 15 januari 2009 op de vraag door wie zij en [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] in de drugssmokkel terecht zijn gekomen, geantwoord dat dit door een kennis van [medeverdachte 4] is gekomen. ‘Die had [medeverdachte 4] benaderd om drugs naar Nederland te brengen. Dit zou een makkelijke manier zijn om geld te verdienen. Deze kennis is [roepnaam medeverdachte 11] die zit in Spanje vast. [roepnaam medeverdachte 11] woont in Sittard maar [roepnaam medeverdachte 11] zit nu vast in Spanje voor drugssmokkel. Dit voor dezelfde organisatie van [J.] en [B]. Ik kan over [roepnaam medeverdachte 11] vertellen dat hij een Duitse vrouw heeft die gebrekkig Nederlands spreekt. Ze hebben ook nog een dochter. [medeverdachte 4] vertelde dat [roepnaam medeverdachte 11] veel schulden heeft en dat hij veel drinkt en gokt. [medeverdachte 4] vertelde dat [roepnaam medeverdachte 11] al een aantal keren had gereden voor [J.] en [B]. Volgens mij had [roepnaam medeverdachte 11] drugs gehaald vanuit Ceuta. Met welke auto weet ik niet. Hij is toen gepakt in Spanje.

U vraagt mij hoe [medeverdachte 4] en ik in contact zijn gekomen met [J.] en [B]. Ik kan u zeggen dat dit via [roepnaam medeverdachte 11] is gegaan. [medeverdachte 4] had veel interesse in de drugssmokkel. Meer dan een jaar geleden is [roepnaam medeverdachte 11] toen samen met [J.] en/of [B] bij mij thuis geweest in Susteren. Ik was ook daarbij. Er is gesproken over de drugshandel die uitgevoerd moest worden. [roepnaam medeverdachte 11] deed al drugstransporten voordat [medeverdachte 4] en ik dit hebben gedaan. Ik kan me nog herinneren dat dit door [roepnaam medeverdachte 11] als makkelijk werd voorgeschilderd. Het hele traject is in het gesprek besproken. Dat je een mooie auto zou krijgen, dat je onderweg naar Marokko gewoon hotels kon pakken. Dat alle kosten werden betaald van de reis en verblijf. Dat je daar in Marokko de auto aan [J.] moest geven. Dat daar dan de drugs in de auto werden gedaan en dat wanneer je bij groen licht kon vertrekken naar Nederland. Als je [in] Nederland aankwam moest je de auto vol met drugs afgeven. Dan kreeg je meteen het geld (10000 euro) of je kreeg de dag erna.

U vraagt mij wat ik bedoel met groen licht.

Ik kan u zeggen dat ik hiermee bedoel dat er dan douaniers bij de grens staan en die zijn omgekocht. Ze laten dan de auto met drugs ongecontroleerd door. Tijdens dit gesprek heeft [J.] dit tegen ons verteld’.

Eerder, bij haar verhoor op 14 januari 2009, had [medeverdachte 1] al verklaard: ‘[J.] en [B] hadden gezegd als iemand zou worden opgepakt dat er voor gezorgd werd. Dit in de vorm van bijstand van een advocaat en geld’.

Conclusie

De poging van [medeverdachte 11] om een hoeveelheid hasjiesj in te voeren in Nederland is als het medeplegen daarvan aan zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] tenlastegelegd. Om van medeplegen te kunnen spreken moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging.

Van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking is de rechtbank echter uit de onderzoeksbevindingen niet gebleken. Er is niet komen vast te staan dat beiden betrokken waren bij de poging tot invoer door [medeverdachte 11]. Wel is de rechtbank gebleken dat beiden enige betrokkenheid met het feit hadden, nadat het reeds door [medeverdachte 11] was gepleegd. Dit is echter onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken

[verdachte] zal derhalve worden vrij gesproken van dit feit.

Feit 2 (ZD6)

Aan [verdachte] wordt als feit 2 verweten dat hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 januari 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenoemde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’(de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, of sturing van de leden van de organisatie. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Voor het bewijs van dit feit is nodig dat bewezen kan worden dat een criminele organisatie zoals tenlastegelegd heeft bestaan en dat verdachte daaraan heeft deelgenomen.

Uit de door de rechtbank ten aanzien van [verdachte] hierboven bewezen geachte feiten kan worden afgeleid dat [verdachte] in ieder geval in de periode in 2008 tot en met 7 januari 2009 meermalen betrokken is geweest bij de invoer van hasjiesj.

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat er, in de eerste plaats gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] van kan worden uitgegaan dat de invoer van hasjiesj plaats vond vanaf ongeveer december 2007. [medeverdachte 1] heeft verklaard zij in die periode samen met [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] vijf keer drugs heeft geïmporteerd en dat [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] samen met [A.T.] één transport heeft gedaan. Voor elk transport werd € 10.000,- betaald.

Haar verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen. [medeverdachte 2] vertelde dat [medeverdachte 4] hem had verteld dat de rit in de december 2008 zijn zevende rit was en dat [medeverdachte 1] aan hem, [medeverdachte 2] en zijn vrouw had verteld, dat zij zelf vier keer met [medeverdachte 4] mee is geweest. [medeverdachte 4] had aan [medeverdachte 2] verteld dat hij drie keer met zijn zus is geweest. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [A.T.] de half zus is van [medeverdachte 4]. En zij heeft eraan toegevoegd: ‘Ik kan u zeggen dat [A.T.] 1 maal (…) meegegaan is. Zij heeft dit drugstransport gedaan samen met [medeverdachte 4]’.

Bij de R-C in de zaken [verdachte] en [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 2] verklaard dat [medeverdachte 4] hem verteld had dat de rit in december 2008 zijn zesde rit naar Marokko was in verband met verdovende middelen en dat de ritten plaatsvonden met [medeverdachte 1] [medeverdachte 1] of zijn stiefzus [A.T.].

De transporten werden uitgevoerd met auto’s, die op naam van koeriers werden geschreven. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij voor de organisatie in 2008 vier auto’s op haar naam had staan. [medeverdachte 2] had op 8 november 2008 een Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx] op zijn naam staan.

Ten behoeve van het drugstransport werden de auto’s van geheime bergruimtes voorzien. Meerdere keren werd gebruik gemaakt van dezelfde type auto’s: 2 Seats Toledo, 2 Skodas Octavia, 2 Toyotas Avensis.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben het meest over de organisatie verteld, waarbij [medeverdachte 1] informatie uit eerste hand verstrekte en de informatie van [medeverdachte 2] voor een deel afkomstig was van hetgeen [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] hem had verteld. Uit hun verklaringen hierboven in dit vonnis reeds gerelateerde verklaringen kan in verband met ander bewijs worden afgeleid dat behalve [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] in elk geval [medeverdachte 3] en [verdachte] bij de organisatie betrokken waren. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de namen [medeverdachte 3] en [verdachte] niet gebezigd, maar over [B] en [J.] gesproken. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat met de namen [B] en [J.] [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn bedoeld.

Uit met name de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in verband met een groot aantal telefoongesprekken valt af te leiden dat er sprake was van een terugkerende manier van werken. [medeverdachte 3] en [verdachte] organiseerden daarbij de aankoop van de auto’s, het prepareren van de auto’s, het op naam van een koerier schrijven van een auto, de drugstransporten, inclusief het verblijf van de koeriers ter plaatse en de aankoop van de hasjiesj en de betaling aan de koeriers. Zo nodig zorgde de organisatie kennelijk ook voor bijstand van een advocaat.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] waren koeriers, maar daarnaast ronselden ze ook andere koeriers. Daarvoor betaalde de organisatie extra.

Ten laste is gelegd dat [medeverdachte 3], [medeverdachte 6], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] deel hebben genomen aan de criminele organisatie. Op basis van al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 januari 2009 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Daar niet is komen vast te staan dat ook [medeverdachte 6] aan die organisatie heeft deelgenomen, zal de rechtbank van dat onderdeel partieel vrijspreken..

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1.1

in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht ongeveer 56 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 1.2

op 07 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 56 kilogram hasjiesj, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

in de periode van 01 december 2007 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en te Beek en te Utrecht en te Susteren heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1.1 en 1.2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, gepleegd in eendaadse samenloop

T.a.v. feit 2:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft grotendeels vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten bepleit. Daarnaast was volgens de verdediging de betrokkenheid van [verdachte] bij het te bewijzen feit minimaal.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van [verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[verdachte] heeft tezamen met anderen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de internationale handel in drugs. [verdachte] speelde daarbij tezamen met [medeverdachte 3] een wezenlijke, leidinggevende rol. Zij hielden zich onder meer bezig met de inkoop van de hasjiesj, de planning van de smokkeltransporten en de aankoop van vervoermiddelen. Daarbij hadden zij teneinde hun smokkeltransporten aan de grens ongemoeid te laten ook de beschikking over omgekochte douaniers.

Een en ander verontrust de rechtbank in hoge mate.

Dat het hier “slechts” om hasjiesj ging, ziet de rechtbank niet als een omstandigheid die [verdachte] danig disculpeert en die die verontrusting wegneemt. Ook hasjiesj brengt, gelijk als ieder andere drug, bij gebruik schade toe aan de gezondheid en met het gebruik van en de handel in hasjiesj gaan vaak allerlei vormen van criminaliteit gepaard, zoals hier het omkopen van ambtenaren.

Daarenboven heeft [verdachte] door zijn door de lust tot geldelijk gewin ingegeven misdrijven de nationale en internationale rechtsorde geschonden.

Dit alles rekent de rechtbank [verdachte] ernstig aan.

Gelet op het bovenstaande alsook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank het passend en geboden aan [verdachte] een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 40 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslaggenomen verbeurd te verklaren. De verdediging heeft zich ten aanzien van het beslag niet uitgelaten.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen goederen bewaard moeten worden ten behoeve van de rechthebbende.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11a van Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1.3, 1.4, 1.5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (ongeveer) 237 kilogram hasjiesj, althans (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hasjiesj, (telkens) zijnde hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en/of

hij op of omstreeks 07 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 237 kilogram hasjiesj, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het

Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 november 2008 tot en met 10 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 80 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een voertuig (Seat Octavia gekentekend [X-XXXXXX] en/of [XX-XXXXX]) gekocht en/of

- voornoemd voertuig voorzien van een dubbele bodem, althans van verborgen

ruimte(n) en/of

- een of meerdere koerier(s), zijnde onder meer [medeverdachte 7], aangezocht en/of

- voornoemde [medeverdachte 7], al dan niet telefonisch, aanwijzingen gegeven en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj aangekocht en/of gefinancierd en/of

- voornoemd voertuig overgedragen aan voornoemde [medeverdachte 7]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 16 oktober 2008 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek en/of te Utrecht, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko en/of te Ceuta, in

elk geval in Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 66 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een voertuig (Toyota Avensis gekentekend [XX-XX-XX]) gekocht en/of

- voornoemd voertuig voorzien van een dubbele bodem, althans van verborgen

ruimte(n) en/of

- een of meerdere koerier(s), zijnde onder meer [medeverdachte 9], aangezocht en/of

- voornoemde [medeverdachte 9], al dan niet telefonisch, aanwijzingen gegeven en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj aangekocht en/of gefinancierd en/of

- voornoemd voertuig overgedragen aan voornoemde [medeverdachte 9]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 juli 2008 tot en met 12 juli 2008 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko en/of te Ceuta, in elk geval in Spanje tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 51 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een voertuig (Toyota Camry gekentekend [xx-xxx]) gekocht en/of

- voornoemd voertuig voorzien van een dubbele bodem, althans van verborgen

ruimte(n) en/of

- een of meerdere koerier(s), zijnde onder meer [medeverdachte 11], aangezocht en/of

- voornoemde [medeverdachte 11], al dan niet telefonisch, aanwijzingen gegeven en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj aangekocht en/of gefinancierd en/of

- voornoemd voertuig overgedragen aan voornoemde [medeverdachte 11]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek en/of te Utrecht en/of te Susteren en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.