Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN1370

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
03/864002-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Madeleine’. Stemherkenning. Verdachte is veroordeeld voor invoer van hasjiesj

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/864002-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. J.W.E.M. Guzik, advocaat te Echt.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2009 en 24 maart 2010 en van 28, 29 en 30 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen 237 kg hasjiesj Nederland binnen heeft gebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden geacht dat [naam verdachte] samen met een ander daadwerkelijk hasjiesj heeft vervoerd. Direct bewijs daartoe ontbreekt, aldus de verdediging.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

3.3.1 Algemeen

Bruikbaarheid stemherkenningen

De zaak tegen verdachte maakt deel uit van het onderzoek Madeleine. In dit onderzoek, waarin bijna 8000 telefoongesprekken zijn afgeluisterd (tapgesprekken), nemen tapgesprekken een belangrijke plaats in.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de stemherkenningen.

De rechtbank merkt op dat zij in de vonnissen van [naam medeverdachte 12], [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] heeft geoordeeld dat de stemherkenningen van deze verdachten bruikbaar zijn voor het bewijs.

De identiteit van ‘[naam medeverdachte 3]’ en van ‘[naam medeverdachte 12]/[naam medeverdachte 12]’

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben belastend verklaard over twee personen die zij kennen onder de naam ‘[naam medeverdachte 3]’ en ‘[naam medeverdachte 12]’ of ‘[naam medeverdachte 12]’. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4] had gezegd dat er twee Marokkanen waren die een moeilijke naam hadden en dat [naam medeverdachte 4] ze voor het gemak [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 12] noemde. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij wist dat [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 12] niet de echte namen van de betreffende personen waren, omdat een Marokkaan niet zo heet.

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben ook verklaard dat zij [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 12] hebben gezien en contact met hen hebben gehad. Volgens [naam medeverdachte 1] zijn [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 12] afzonderlijk bij haar thuis geweest, heeft zij [naam medeverdachte 12] in Ceuta ontmoet en heeft zowel [naam medeverdachte 3]als [naam medeverdachte 12] meermaals ingebeld op haar telefoonnummer. Over een telefoongesprek van 24 december 2008 zegt [naam medeverdachte 1] dat zij zich het gesprek nog goed kan herinneren. Het is een gesprek gevoerd tussen [naam medeverdachte 4] en een andere man. [naam medeverdachte 1] verklaart ter zake: ‘Ik hoorde aan de stem van de beller dat dit [naam medeverdachte 12] van de organisatie was. Ik weet nog dat hij onduidelijk sprak. Ik heb de telefoon aan [naam medeverdachte 4] gegeven’. Het telefoongesprek vond plaats tussen het telefoonnummer 06-11399644, waarvan [naam medeverdachte 4] gebruiker was en het telefoonnummer 212-76939358, waarvan [naam medeverdachte 12] gebruiker was.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [naam medeverdachte 12] in Marokko heeft ontmoet. Onder meer zei hij: ‘Op een gegeven moment vertelde [naam medeverdachte 12] dat alles goed kwam. Hij stelde voor om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan. (…) Toen zijn we vertrokken naar Casablanca. (…) [naam medeverdachte 12] had een hotel gereserveerd. Hij had een vijf sterren hotel geboekt. Dit was super de luxe’.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] op 27 december 2008 zegt [naam medeverdachte 12]: ‘Ik heb tegen “hen” gezegd jullie gaan naar Marakesch om daar een hotel te pakken,(…)’. In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] op 28 december 2008 zegt [naam medeverdachte 12] dat hij precies zal uitleggen hoe ze moeten rijden en dat hij zal reserveren bij Hotel Ibis in Marakesch.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3] op 2 januari 2009 zegt [naam medeverdachte 12]: ‘(…) weet je Lambiek, weet je hoeveel kosten er zijn, ongelooflijk! (…) als ik alles in mijn handen had, dan doe ik de ene hier en de andere daar, dan weet ik wat er allemaal is, heel makkelijk. Ik doe ze in hotel, als er veel mensen zijn, doe ik ze allemaal in appartement. (…)’

Op 8 januari 2009 heeft [naam medeverdachte 2] onder meer verklaard dat hij op de terugweg van Marokko twee keer gebeld werd door [naam medeverdachte 12]. ‘Toen ik Maastricht door was belde [naam medeverdachte 3]mij op. (…) Ik heb toen met [naam medeverdachte 3]afgesproken bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp. Ik zag dat [naam medeverdachte 3]zijn auto achter de pomp had geparkeerd. Ik ben samen met [naam medeverdachte 3], in de Toledo, richting mijn woning gereden. [naam medeverdachte 3]heeft zich voorgesteld als een vriend van [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 12]’.

Uit een telefoongesprek blijkt dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] op 7 januari 2009, 17:02 uur, ‘bij dat tankstation bij hotel Born afspreken’.

[naam medeverdachte 2] herkent dit gesprek en zegt: ‘Dit was een gesprek tussen mij en [naam medeverdachte 3]’. Als gezegd wordt dat de andere persoon genaamd is: ‘ [naam medeverdachte 3]’, verklaart [naam medeverdachte 2], dat hem die naam niets zegt, waaraan hij toevoegt:‘[naam medeverdachte 4] heeft de persoon waar ik het voorgaande gesprek mee gevoerd heb de bijnaam [naam medeverdachte 3]gegeven’.

Op 7 januari 2009, omstreeks 15:59 uur wordt gezien dat een Seat Toledo met het Nederlandse kenteken [xx-xx-xx]vanuit België over de A2 reed in de richting van Maastricht. De observant herkende als chauffeur [naam medeverdachte 2]. Omstreeks 17:07 uur werd gezien dat de Seat met [naam medeverdachte 2] stopte op het Esso tankstation te Born. Omstreeks 17:14 uur werd gezien dat een Toyota Avensis met het kenteken [xx-xx-xx]achter de shop van dit tankstation parkeerde. De observant herkende de bestuurder van deze Toyota als [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] stapte in de Seat, waarna de Seat met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] wegreed.

Conclusie:

Op grond van het voorafgaande acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat wanneer in deze zaak over ‘[naam medeverdachte 3]’ wordt gesproken [naam medeverdachte 3] en wanneer over ‘[naam medeverdachte 12]/[naam medeverdachte 12]’ wordt gesproken [naam medeverdachte 12] is bedoeld en zal zij daar in het vervolg van uitgaan.

3.3.2 Het tenlastegelegde feit

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard twee maal tezamen met een andere persoon, wiens naam zij op dat moment niet wil noemen, een drugstransport te hebben uitgevoerd vanuit Marokko. Het tweede transport heeft plaatsgevonden vanaf 21 december 2008. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard samen met een andere persoon voorafgaand aan dit transport een gesprek te hebben gehad met [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 2]. [naam medeverdachte 1] en deze andere persoon gingen weer een transport doen en zij wisten dat de organisatie nog meer mensen zocht. Zij wisten dat [naam medeverdachte 2 en [naam echtgenote medeverdachte 2] diep in de schulden zaten en zij hadden [naam medeverdachte 2]en [naam echtgenote medeverdachte 2] benaderd of zij ook een drugstransport wilden doen vanuit Marokko naar Nederland. [naam medeverdachte 2 had meteen ingestemd vanwege de grote schulden die zij hadden. [naam echtgenote medeverdachte 2] had getwijfeld maar was snel overgehaald. Op 21 december 2008 zijn [naam medeverdachte 1] met haar zoontje en een derde persoon en [naam medeverdachte 2 met [naam echtgenote medeverdachte 2] met hun twee dochters met twee auto’s in de richting van Marokko vertrokken. Tevoren had elk van beide stellen een Seat Toledo ontvangen die op hun naam moest worden gesteld. In Marokko hadden [naam medeverdachte 2 en [naam echtgenote medeverdachte 2] hun Seat afgegeven aan iemand. Die had de auto volgestopt met drugs. Vervolgens waren [naam medeverdachte 2 en [naam echtgenote medeverdachte 2] op dinsdag 6 januari 2009 vertrokken naar Nederland met de auto vol met drugs.

In een ander verhoor heeft [naam medeverdachte 1] deze ‘andere persoon’ nader aangeduid als [naam medeverdachte 4].

[naam medeverdachte 1] heeft voorts op 14 januari 2009 verklaard twee personen van de organisatie van de drugshandel te kennen. Dat zijn [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 12]. Dit zijn Marokkanen. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 3]en [naam medeverdachte 12] afzonderlijk bij haar thuis op de [S.straat] te Susteren zijn geweest om uitleg te geven aan voornamelijk [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 1] was er altijd bij. De uitleg ging onder andere over de drugshandel, de route die gereden moest worden, hoe het op de boot ging en hoe het verliep in Marokko. Voorts heeft [naam medeverdachte 1] verklaard in december 2008 tijdens een ontmoeting met [naam medeverdachte 12] samen met [naam medeverdachte 2], [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] te hebben gesproken over het transport van de drugs. [naam medeverdachte 1] heeft verder in dit verhoor verklaard dat de organisatie, [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3], alle kosten betaalden van vervoer en verblijf. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard te hebben gezien dat [naam medeverdachte 12] in Marokko geld aan [naam medeverdachte 4] gaf.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4] hem begin november 2008 heeft gevraagd of hij een auto op zijn naam wilde laten zetten. De auto was eind november op een zaterdag overgeschreven en te naam gesteld. [naam medeverdachte 2] heeft op 19 december 2008 de Seat Toledo gekregen. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4] kwamen toen beiden in een Seat Toledo, een zwarte en een grijze. De zwarte Seat Toledo stond op naam van [naam medeverdachte 2] en de grijze Seat Toledo stond op naam van [naam medeverdachte 1]. Met deze twee voertuigen zijn ze op 21 december 2008 samen naar Marokko vertrokken. Tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo op naam van [naam medeverdachte 2] heeft [naam medeverdachte 4] verteld dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [naam medeverdachte 4] heeft verteld dat dit €10.000,- per rit opbracht. Met een ‘volle wagen’ heeft [naam medeverdachte 2] desgevraagd verklaard te bedoelen dat de auto volgestopt zou worden met materiaal. [naam medeverdachte 2] wist dat het om drugs zou gaan en vermoedde dat het om hasjiesj ging. [naam medeverdachte 4] heeft [naam medeverdachte 2] verteld dat de auto’s geprepareerd zouden worden. Er zouden loze ruimtes of kokers worden gemaakt in de auto’s.

Voorts heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat hij, [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte], [naam medeverdachte 12] in een theehuis in Marokko hebben ontmoet en met hem hebben gesproken over de financiën. [naam medeverdachte 4] kreeg steeds geld van [naam medeverdachte 12] voor de kosten.

[naam verdachte] heeft verklaard door [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] te zijn benaderd. Zij en [naam medeverdachte 2 [naam medeverdachte 2] moesten een auto op hun naam zetten en dan heen en weer rijden naar Marokko. In Marokko zou dan iets in de auto worden gedaan. [naam verdachte] had het sterke vermoeden dat het om drugs ging. Voor het transport zouden zij en [naam medeverdachte 2] € 10.000,- krijgen. Begin november 2008 kregen zij en [naam medeverdachte 2] van [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 1] de autopapieren van de auto die zij op hun naam moesten zetten. Het betrof een Seat, donker van kleur. Ze hebben de auto ontvangen 1 of 2 dagen voor vertrek. Op zondag 21 december 2008 zijn ze vertrokken samen met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1] in 2 auto’s van het merk Seat. Van Tarifa hebben ze de oversteek gemaakt naar Tanger, Marokko. Ze zijn van 23 tot ongeveer 28 december 2008 in een hotel in Tanger verbleven en toen zijn ze naar Casablanca gegaan en na een overnachting doorgegaan naar Marakesh. Op 31 december 2008 zijn ze weer terug gegaan naar het eerste hotel in Tanger. Op 6 januari 2009 kregen ze via [naam medeverdachte 4] het bericht dat ze binnen een kwartier moesten vertrekken. Vervolgens zijn ze vanuit Tanger met de boot naar Tarifa gegaan. Op 7 januari 2009 tussen 16:00 en 17:00 uur zijn ze met de Seat Nederland ingereden.

De verklaringen van [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte], zoals aangehaald, vinden steun in de volgende bewijsmiddelen.

Op 7 november 2008 heeft [naam medeverdachte 4] in een telefoongesprek aan [naam medeverdachte 3] medegedeeld: ‘ik ga straks naar hem toe dan laat ik die andere auto overschrijven’.

Volgens informatie van de RDW stond de Seat Toledo, kenteken [xx-xx-xx], met ingang van 8 november 2008 op naam van [naam medeverdachte 2], wonende [adres] te Born.

Tijdens observaties uitgevoerd in de periode tussen 8 november 2008 en 18 december 2008 werd deze auto echter geen enkele maal gezien in de omgeving van het adres [adres] te Born.

Op 10 december 2008 heeft [naam medeverdachte 3] met garagebedrijf [B] gebeld voor een kleine beurt van de [xx-xx-xx].

Op 14 december 2008 heeft [naam medeverdachte 4] telefonisch gevraagd wanneer [naam medeverdachte 3] tijd heeft om te komen. [naam medeverdachte 3] zei toe woensdag te zullen komen. [naam medeverdachte 4] zegt dan:

‘kijk maar of je alle twee die dingen hier krijgt. Wij willen zondag vertrekken’(..)

[naam medeverdachte 3] zegt: ‘de 21 e’

[naam medeverdachte 4] antwoordt: ‘ja’.

Tijdens een observatie op 21 december 2008 omstreeks 11:56 uur werd gezien dat twee voertuigen Seat Toledo over de Rijksweg A2 richting Maastricht rijden. Een auto betrof een zwarte Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], met daarin bestuurder [naam medeverdachte 2], bijrijdster [naam verdachte] en hun 2 kinderen. De andere auto betrof een lichtblauwe Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], met daarin bestuurder [naam medeverdachte 4], bijrijdster [naam medeverdachte 1] en een kind op de achterbank. Omstreeks 11:59 uur heeft verbalisant beide voertuigen zien rijden op de A2 bij Maastricht Aachen Airport in de richting België.

Op 24 december 2008 heeft [naam medeverdachte 12] gebeld naar [naam medeverdachte 4] en gevraagd wat het telefoonnummer was van het hotel waar [naam medeverdachte 4] verbleef. [naam medeverdachte 4] antwoordt dan: 212 xxxxx.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat 212 het landnummer van Marokko is.

Op 27 december 2008 heeft [naam medeverdachte 3] gebeld naar [naam medeverdachte 12], welke laatstgenoemde op dat moment gebruik maakt van een Marokkaans telefoonnummer. [naam medeverdachte 12] zegt dan:

‘Nu “verliezen”/onkosten we aan mensen in Tanger. Ik zei tegen “hem”er zijn hier 7 mensen in Tanger, wij “verliezen”/onkosten hotel en datgene. Ik zie tegen “hem”schiet op. Ik zei tegen “hem”die persoon wacht op jou dat je komt, zodat we kunnen werken. Ik zei tegen “hem”als jij niet komt dan, dan kan “hij”ons die auto’s niet “sturen”

(…)’

En verder zegt [naam medeverdachte 12] nog:

‘Ik heb tegen “hen”gezegd jullie gaan naar Marrakech om daar een hotel te pakken, “hij” zei tegen me kan niet, kinderen zijn bij ons, dat en dat, begrijp je?’

[naam medeverdachte 3] antwoordt:

‘”ze”hebben het gehad, vervelen zich’

[naam medeverdachte 12] zegt:

‘nee, die anderen willen gaan, snap je?’

[naam medeverdachte 3] zegt:

‘die nieuwe?’

[naam medeverdachte 12] antwoordt:

‘die nieuwe willen gaan ja. Die zijn Marokko niet gewend en willen gaan. Die twee kinderen hebben’

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 12] voorstelde om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan, naar [naam medeverdachte 2] verklaart: ‘voor zodat alles weer rustig was’. [naam medeverdachte 12] had daarvoor geld gegeven aan [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 12] had een hotel gereserveerd.

Op 28 december 2008 heeft [naam medeverdachte 12] telefonisch aan [naam medeverdachte 3] medegedeeld:

‘ik ben eruit/heb overlegd met die zeven personen, “ze”gaan naar Mark’ (fon)

Enkele minuten laten heeft [naam medeverdachte 12] wederom met [naam medeverdachte 3] gebeld.

Beiden bespreken dan:

[naam medeverdachte 3]: ‘als “ze”nou zijn gegaan en “ze”pakken “hen”daar met die plaats/plek (fon) hoe dan?’

[naam medeverdachte 12]: ‘waar moeten “ze” ”hem”pakken met die plaats/plek (fon)’

[naam medeverdachte 3]: ‘bij douane’

[naam medeverdachte 12]: ‘waar moeten “ze” ”hen”pakken?

[naam medeverdachte 3]: ‘daar in Tanger’

(…)

[naam medeverdachte 12]: ‘sowieso auto in beslag’

[naam medeverdachte 3]: ‘dan moeten “ze”zeker niet die auto meenemen, denk ik’

[naam medeverdachte 12]: ‘”ze”gaan naar Marrakkesch zei ik tegen je en niet naar…’

[naam medeverdachte 3]: ‘”ze”gaan naar Marrakkesch’

[naam medeverdachte 12]: ‘wat dacht jij dan?’

[naam medeverdachte 3]: ‘ik dacht Malaga, vriend’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, “ze”gaan naar Marrakkesch’

(…)

[naam medeverdachte 3]: ‘stuur [M of A] met “hen”, want “ze”kennen de weg niet. Als “hem”een probleem overkomt’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, nee, de weg is heel makkelijk, ik zal “hem”precies uitleggen hoe “hij”moet rijden. “Hij”heeft mijn nummer als er wat gebeurt.’

[naam medeverdachte 3]: ‘dit zijn westerlingen’

[naam medeverdachte 12]: ‘ze moeten Casablanca pakken en dan alsmaar rechtdoor tot Marrakkesch, eerste intree krijgt je hotel Ibis. Ik ga reserveren dan pakken “ze”hotel Ibis Marrakkesch daar’

[naam medeverdachte 3]: ‘dan moet je … reserveren’

[naam medeverdachte 12]: ‘ik ga nu reserveren. Ik geef “hem”een miljoen frank (…) dan kan “hij”daar omhoog om te leven’.

Op 7 januari 2009 om 15:59 uur is tijdens een observatie gezien dat de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx]rijdt over de A2 komende vanuit België en rijdend in de richting van Maastricht. Als chauffeur treedt op dat moment [naam medeverdachte 2] op en bijrijdster is [naam verdachte]. Omstreeks 16:43 uur stopt de Seat op de oprit van de woning [adres] te Born. Omstreeks 16:59 uur vertrekt [naam medeverdachte 2] wederom in voornoemde Seat als enige inzittende en rijdt naar het Esso tankstation te Born, alwaar hij omstreeks 17:07 uur arriveert.

Onderweg, om 17:02 uur, heeft [naam medeverdachte 2] gebeld naar [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] stelt dan voor bij ‘dat tankstation bij hotel Born’ af te spreken, hetgeen [naam medeverdachte 2] goed vindt.

Omstreeks 17:14 uur ziet een verbalisant vervolgens een personenauto Toyota Avensis met het kenteken [xx-xx-xx]achter de shop van voornoemd tankstation parkeren. De bestuurder, die ambtshalve wordt herkend als [naam medeverdachte 3], stapt uit en stapt als bijrijder in de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], waarna de Seat met [naam medeverdachte 2] als chauffeur en [naam medeverdachte 3] als bijrijder weg rijdt. Omstreeks 18:03 uur ziet een verbalisant dat de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx]zonder inzittenden geparkeerd staat op de [vP.straat] te Sittard. Dat de [vP.straat] te Sittard een straat is gelegen in de directe nabijheid van de [WvG.straat]te Sittard acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Een verbalisant ruikt op dat moment een sterke op wiet dan wel hasjiesj gelijkende lucht in de directe omgeving van het perceel [WvG.straat]te Sittard.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard, dat toen hij Maastricht gepasseerd was, hij gebeld werd door [naam medeverdachte 3], die zich voorstelde als een vriend van [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 12]. Hij heeft toen met [naam medeverdachte 3]bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp afgesproken en heeft [naam medeverdachte 3]aldaar ontmoet.

[naam medeverdachte 3]heeft [naam medeverdachte 2] toen € 10.000,- gegeven in briefjes van vijftig. [naam medeverdachte 2] wist dat het € 10.000,- was omdat [naam medeverdachte 4] hem in Marokko had verteld dat hij € 10.000,- zou krijgen.

Bij een doorzoeking in de woning van [naam medeverdachte 2] aan de [adres] te Born op 7 januari 2009 is onder meer een bedrag van € 10.000,- in contanten (gebundeld in briefjes van

€ 50,-) in beslag genomen.

Kort na binnenkomst van de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx]in Nederland, om 16:15 uur, heeft [naam medeverdachte 3] gebeld naar [medeverdachte 6]en gezegd: ‘kom naar me toe, ik heb je nodig’. Als [medeverdachte 6]vervolgens vraagt: ‘waar?’, antwoordt [naam medeverdachte 3]: ‘kom thuis naar me toe’.

Om 17:12 uur bellen beide weer met elkaar. [medeverdachte 6]vraagt dan: ‘kom je me ophalen?’, waarop [naam medeverdachte 3] vraagt: ‘kun je niet de taxi pakken of zo?’. [medeverdachte 6]zegt dan dat hij nog wat te doen heeft en [naam medeverdachte 3] zegt dat [medeverdachte 6]maar moet bellen als hij klaar is. [medeverdachte 6]zegt dan: ‘laat die spullen tot ik klaar ben, dan kom ik naar je toe’(..) ‘ik kijk wel hoe, taxi of zo’.

Om 17:48 uur belt [naam medeverdachte 3] wederom naar [medeverdachte 6]en vraagt hem te komen.

Verbalisanten hebben op 7 januari 2009 om 19.19 uur gezien dat er een taxi richting de woning [WvG.straat] te Sittard rijdt. De woning [WvG.straat] te Sittard betreft het GBA-adres van [naam medeverdachte 3]. Een persoon die later ambtshalve werd herkend als [medeverdachte 6]stapt als bijrijder uit voornoemde taxi en belt aan bij het perceel [WvG.straat], waarna hij wordt binnengelaten. Omstreeks 20:22 uur is gezien dat vanaf de oprit van het perceel [WvG.straat] een personenauto wegrijdt, de garagepoort van voornoemd perceel open staat en [medeverdachte 6]in de geopende garage staat. Omstreeks 20:24 uur is gezien dat de Seat Toledo met het kenteken [xx-xx-xx]de garage wordt binnengereden, waarna [medeverdachte 6]de garagepoort sluit.

Om 20:45 uur die dag heeft er in de woning aan de [WvG.straat] te Sittard een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking is in de garage, welke vanuit de keuken en de bijkeuken met een tussendeur te bereiken is, een Seat Toledo aangetroffen met kenteken [xx-xx-xx]. Aan de linkerzijde van de auto stond een krik onder de auto en het linker achterwiel was verwijderd. Bij dit achterwiel stond een boodschappentas met het opschrift ‘Plus’. In deze tas lagen 5 pakketten, vermoedelijk hasjiesj. De achterlichten van de Toledo waren gedemonteerd. Achter de Seat Toledo lag een kunststof wielbak welke afkomstig was vanaf de linkerachterzijde.

In de wielbak was een rechthoekige opening aangebracht en daarachter zag verbalisant diverse pakketten in een verborgen ruimte zitten. Op de vloer bij het achterwiel lag een zwart rechthoekig metalen plaatje met daarin twee schroeven. Dit plaatje paste in de rechthoekige opening in de wielbak.

Bij nader onderzoek van de Seat Toledo bleek dat er op de bestaande bodemplaat van de kofferruimte een nieuwe bodemplaat gemonteerd was, waardoor voornoemde verborgen ruimte ontstond welke ongeveer 10 tot 15 centimeter hoog was. In deze verborgen ruimte werden in totaal 112 pakketten aangetroffen met een totaal gewicht van ongeveer 56 kilogram. Een willekeurig pakket werd geopend en bleek te bestaan uit 5 plakken met een gezamenlijk gewicht van 500 gram. Deze willekeurige plak werd onderworpen aan de MMC Cannabis Test, welke positief reageerde op de aanwezigheid van marihuana, THC of hasjiesj. Op het aanrecht in de woning werd een autosleutel merk Seat aangetroffen, welke bleek te passen op de portiersloten en het stuurcontact slot van de zich in de garage bevindende Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx].

Naast de pakketten aangetroffen in de Seat Toledo en in de boodschappentas in de garage, werden ook overigens verspreid door de woning op verschillende plekken pakketten hasjiesj aangetroffen. Zo werd onder meer in de woonkamer een aantal sporttassen aangetroffen met daarin partijen hasjiesj en op de bank in de woonkamer werden 33 losse pakketten en 5 plakken hasjiesj aangetroffen. Een willekeurige plak uit een van de sporttassen in de woonkamer testte eveneens positief op marihuana, THC of hasjiesj tijdens een MMC Cannabis test.

In totaal werd in de woning [WvG.straat] te Sittard (inclusief de aangetroffen hoeveelheid in de Seat Toledo en in de garage) ongeveer 237,5 kg hasjiesj aangetroffen.

Tijdens de doorzoeking van de woning [WvG.straat] te Sittard werd in de keuken van de woning [medeverdachte 6]aangehouden. Bij zijn aanhouding werd door verbalisant [S] gezien dat diens handen vuil en met viezigheid besmeerd waren en er uit zagen ‘alsof hij automonteur van beroep zou kunnen zijn en zojuist aan het werk was geweest’. Op het aanrecht van de woning zag verbalisant diverse elektrische gereedschappen liggen met bijbehorende koffers en materialen.

Conclusie

Gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 12], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 4] in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 een hoeveelheid van ongeveer 56 kilogram hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De import heeft gelet op alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden middels een Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx], welke auto op 8 november 2008 naam van [naam medeverdachte 2] werd gesteld en door [naam medeverdachte 4] op 19 december 2008 aan [naam medeverdachte 2] werd overgedragen. [naam medeverdachte 2] trad, tezamen met [naam verdachte], op als koerier na daartoe begin november 2008 te zijn aangezocht door [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 1].

De organisatie betaalde de verblijfskosten van de koeriers [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] tijdens hun verblijf in Marokko. Ook werd ervoor gezorgd dat de auto in Marokko werd geladen met hasjiesj. Na de feitelijke invoer van de hasjiesj in Nederland op 7 januari 2009 nam [naam medeverdachte 3] de auto over van [naam medeverdachte 2], betaalde [naam medeverdachte 2] € 10.000,- voor bewezen diensten en bracht hij de auto naar zijn, [naam medeverdachte 3]s, woning. Aldaar werd [medeverdachte 6]opgeroepen om de hasjiesj uit de auto te bouwen, met welke werkzaamheden [medeverdachte 6]naar het oordeel van de rechtbank bezig was ten tijde van de doorzoeking in de woning op 7 januari 2009.

De raadsman heeft gesteld dat er enige tijd gelegen is tussen het binnenrijden van de Seat Toledo met kenteken [xx-xx-xx]door [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] in Nederland en de afgifte van de Seat Toledo door [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 3] enerzijds en de doorzoeking en het aantreffen van de hasjiesj in de Seat Toledo anderzijds. De raadsman heeft op basis van deze constatering het verweer gevoerd dat de hasjiesj mogelijk op een later moment in de auto is geladen en zich nog niet in de auto bevond op het moment van het binnenrijden door [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] in Nederland en de afgifte van de auto door [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 3].

De rechtbank zal dit verweer verwerpen. [naam verdachte] heeft immers zelf verklaard dat hij naar Marokko is gegaan in verband met het vervoer vanuit Marokko van drugs. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard voor dit transport € 10.000,- te hebben ontvangen. Reeds op basis van deze verklaringen is het verweer van [naam verdachte] onaannemelijk. In dit licht overweegt de rechtbank voorts nog dat de koeriersauto [xx-xx-xx]op 7 januari 2009 ergens tussen 17:14 uur en 18:03 uur werd overgedragen door [naam medeverdachte 2] aan [naam medeverdachte 3], op welk laatstgenoemd tijdstip de auto op de openbare weg in de directe nabijheid van de [WvG.straat]te Sittard werd geparkeerd. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het namens [naam verdachte] gevoerde verweer niet aannemelijk geworden en zal zij dit verwerpen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 te Born, gemeente Sittard-Geleen en Sittard, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht ongeveer 56 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A,

van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 185 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, mocht de rechtbank overgaan tot strafoplegging, verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstaf op te leggen gelijk aan het voorarrest met mogelijk nog een voorwaardelijk deel. Voor het overige heeft de verdediging verzocht te volstaan met een werkstraf.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van [naam verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[naam verdachte] heeft tezamen met haar echtgenoot [naam medeverdachte 2] ongeveer 56 kilogram hasjiesj Nederland ingevoerd. Hierdoor heeft zij als koerier een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Dat het hier “slechts” om hasjiesj ging, ziet de rechtbank niet als een omstandigheid die [naam verdachte] danig disculpeert. Ook hasjiesj brengt, gelijk als ieder andere drug, bij gebruik schade toe aan de gezondheid en met het gebruik van en de handel in hasjiesj gaan vaak allerlei vormen van criminaliteit gepaard.

Dit heeft [naam verdachte] er echter niet van weerhouden om haar echtgenoot te vergezellen in dit afkeurenswaardige traject.

De rechtbank acht het daarbij wel zo te zijn dat [naam medeverdachte 2] [naam verdachte] werkelijk over heeft moeten halen om het feit te plegen. In zoverre past het om aan haar een lagere straf op te leggen dan aan haar echtgenoot.

Gelet op het bovenstaande alsook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank de oplegging van een straf zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden. Zij zal dan ook conform de eis van de officier van justitie [naam verdachte] veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 185 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 185 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 te Born, gemeente Sittard-Geleen en/of Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (ongeveer) 237 kilogram hasjiesj, althans (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een

materiaal bevattende hasjiesj, (telkens) zijnde hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.