Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN1323

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
03/864002-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Madeleine’. Stemherkenning. Verdachte is veroordeeld voor invoer hasjiesj en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/864002-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Raadsman is mr. L de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2009, 25 augustus 2009, 13 november 2009, 24 maart 2010, 28, 29 en 30 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [naam verdachte].

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1.1 samen met anderen 237 kilogram hasjiesj Nederland binnen heeft gebracht; (ZD1)

feit 1.2 samen met anderen 237 kilogram hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad; (ZD1)

feit 1.3 samen met anderen heeft geprobeerd om 80 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD2)

feit 1.4 samen met anderen heeft geprobeerd om 66 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD4)

feit 1.5 samen met anderen heeft geprobeerd om 51 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD5)

feit 2 deelgenomen heeft aan een organisatie gericht op het plegen van druggerelateerde delicten. (ZD6)

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.1

De officier van justitie acht bewezen dat [naam verdachte] samen met anderen 56 kg hasjiesj heeft ingevoerd.

Feit 1.2

Ook acht zij bewezen dat [naam verdachte] samen met anderen 181 kg hasjiesj opzettelijk aanwezig had.

Feit 1.3

Mede vanwege de vaste modus operandus bij drugssmokkel door [naam verdachte] komt de officier van justitie tot de conclusie dat ook dit feit bewezen kan worden.

Feit 1.4

De officier van justitie acht dit deel van de tenlastelegging niet bewezen.

Feit 1.5

De officier van justitie acht dit feit bewezen. [naammedeverdachte 11] is in Spanje aangehouden met ongeveer 51 kg hasjiesj in zijn auto. [naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] geven in hun verklaringen een verband aan tussen [naam verdachte], [naam medeverdachte 12] en het transport door [naammedeverdachte 11]. Uit tapgesprekken blijkt dat [naam verdachte] met de familie [naam medeverdachte 11] bespreekt welke hulp hij en [naam medeverdachte 12] kunnen bieden. Aan de familie [naam medeverdachte 11] is een envelop overhandigd met geld. Op die envelop stond het telefoonnummer dat in gebruik was bij [naam verdachte].

Feit 2

De officier van justitie is van oordeel dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de kenmerken van een criminele organisatie en dat [naam verdachte] daar aan heeft deelgenomen. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1.1 & 1.2

De verdediging is van mening dat deze feiten bewezen kunnen worden.

Feit 1.3

De verdediging is van mening dat dit feit bewezen kan worden omdat [naam verdachte] steun heeft verleend aan het transport en daarbij facilitair is geweest. [naam verdachte] heeft zich derhalve als medepleger aan dit feit schuldig gemaakt, zodat dit feit bewezen kan worden.

Feit 1.4

De verdediging is ten aanzien van dit feit van mening dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is, zodat [naam verdachte] dient te worden vrijgesproken voor dit feit.

Feit 1.5

De verdediging is ten aanzien van dit feit eveneens van mening dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is, zodat [naam verdachte] dient te worden vrijgesproken voor dit feit.

Feit 2

De verdediging is van mening dat er geen sprake was van enige organisatie bij de onderhavige feiten, zodat [naam verdachte] dient te worden vrijgesproken voor dit feit.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

3.3.1 Algemeen

Bruikbaarheid stemherkenningen

De zaak tegen verdachte maakt deel uit van het onderzoek Madeleine. In dit onderzoek, waarin bijna 8000 telefoongesprekken zijn afgeluisterd (tapgesprekken), nemen tapgesprekken een belangrijke plaats in.

De raadsman heeft aangevoerd dat de tolk en de verbalisanten die de stemherkenningen hebben verricht onvoldoende deskundig waren, maar dat hij er geen punt van wil maken.

Vanwege het belang van de stemherkenningen in het onderzoek Madeleine zal de rechtbank desondanks de wijze waarop de stemherkenning van [naam verdachte] heeft plaatsgevonden bespreken. Zij zal eerst enkele algemene opmerkingen over stemherkenningen in het strafrecht maken, vervolgens weergeven hoe in de zaak van [naam verdachte] de stemherkenning heeft plaatsgevonden en ten slotte aangeven waarom zij de stemherkenning betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs acht.

Algemeen

Vooropgesteld moet worden dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat (resultaten van) stemherkenningen door tolken en verbalisanten in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een categorische uitsluiting van deze stemherkenningen van het bewijs.

Dit neemt niet weg dat bij de waardering van de bewijskracht van deze stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats is, mede in het licht van de kanttekeningen die vanuit de wetenschap worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van dergelijke herkenningen.

In de jurisprudentie worden feiten en omstandigheden genoemd die aan de betrouwbaarheid van dergelijke stemherkenningen in zijn algemeenheid bijdragen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is ook in het onderhavige geval sprake:

- De tolk kende de stem van de verdachte van eerdere onderzoeken en herkende vervolgens de stem in tapgesprekken in het onderhavige onderzoek.

- Twee verbalisanten kenden de stem van de verdachte in die zin dat zij hem hebben verhoord en vervolgens zijn stem in een aantal tapgesprekken herkenden.

De stemherkenningen worden ondersteund door overige bewijsmiddelen.

Te noemen zijn:

- In tapgesprekken werden opmerkingen gemaakt die wijzen op de identiteit van de gebruiker.

- Verdachte en/of anderen hebben verklaard over de gebruikers van bepaalde telefoonnummers.

- Uit de combinatie van de inhoud van een tapgesprek in samenhang met andere opsporingsactiviteiten kan worden afgeleid dat verdachte deelnemer aan een bepaald gesprek was.

De wijze van stemherkenning van [naam verdachte]

Op 10 oktober 2008 werd een bevel afgegeven voor het opnemen van telecommunicatie (verkort gezegd het tappen) van het telecommunicatienummer [telefoonnummer], in gebruik bij [naam verdachte].

In tapgesprek 21, lijn [telefoonnummer], wordt een van de beide gespreksdeelnemers ‘[naam medeverdachte 3]’ genoemd. Het gesprek werd in het Berbers gevoerd en door tolk T463 vertaald. De tolk herkende de stem van deze gebruiker als de stem van [naam verdachte], die hij kende uit een eerder strafrechtelijk onderzoek, waarin hij telefoongesprekken had vertaald waaraan [naam verdachte] deelnam en als zodanig werd geïdentificeerd. Door deze tolk werden de telefoongesprekken 7, 21, 58, 72 en 83 gebruikt om in het onderzoek Madeleine tot een stemherkenning te komen van [naam verdachte].

De verbalisanten [W.] en [B.] vermelden dat hen uit onderzoek is gebleken dat de gebruiker van de telecommunicatienummers [telefoonnummer], [gsm nummer], [gsm nummer], [gsm nummer], [gsm nummer], telkens een man betrof. Voorts merken de verbalisanten op dat [naam medeverdachte 12] en Naam medeverdachte 4 de gebruiker van deze telecommunicatienummers aan zijn stem herkenden. De man sprak zowel de Arabische als de Nederlandse taal. Voor zover de gesprekken in de Nederlandse taal werden gevoerd, hoorden de verbalisanten in de gesprekken telkens dezelfde stem. Verder verklaren de verbalisanten dat de stem van de persoon die gebruik maakt van de genoemde telecommunicatienummers en de stem van verdachte [naam verdachte] die zij op zaterdag 10 januari 2008 hebben gehoord, één en dezelfde man betreffen.

In een tapgesprek, gevoerd vanuit het telecommunicatienummer 06-4599010 (in gebruik bij [naam verdachte]) met het Marokkaanse telecommunicatienummer 212-9999-76939358 (in gebruik bij [naam medeverdachte 12]), zegt de beller: ‘Bel [naam medeverdachte 13] op, [naam medeverdachte 13]’.

In een ander tapgesprek, gevoerd vanuit het telecommunicatienummer 06-4599010 (in gebruik bij [naam verdachte]) met het Marokkaanse telecommunicatienummer 212-9999-76939358 (in gebruik bij [naam medeverdachte 12]), zegt de gebelde: ‘“hij” zei tegen me, [naam medeverdachte 13] als er daar een oplossing was, ik zweer je dan hadden we dat gedaan, …Ik heb tegen “hem” gezegd is het 100% dat we een of twee/een werken of niet? Ik zei tegen “hem” dat ik voor die mensen een retourtje vliegtuig pak, ik zei tegen “hem” dat is veel verlies/onkosten. We hebben nu hun kentekens gegeven, [naam medeverdachte 3], dat is de fout die weg hebben gemaakt. We hadden “hem” niet de kenteken van de auto moeten geven’.

In een derde tapgesprek naar het telecommunicatienummer [gsm nummer] (in gebruik bij [naam verdachte]) zegt de beller: ‘Weet je [naam medeverdachte 3] wat ik nu ga doen?’.

Voor de combinatie van informatie die de stemherkenning ondersteunt diene het volgende voorbeeld.

Op 10 november 2008 wordt vanuit het telecommunicatienummer 06-45969010 (in gebruik bij [naam verdachte]) met NNman2048 gebeld. Er wordt gesproken over een chassisnummer voor een Toledo. Het nummer zou van belang zijn in verband met het bestellen van een onderdeel.

Op 25 november 2008 wordt vanuit het telecommunicatienummer 06-45969010 (in gebruik bij [naam verdachte]) met het Autobedrijf Euro Cars gebeld. De beller informeert naar de prijs van een blauwe Seat Toledo.

Volgens verbalisanten blijkt uit de bedrijfsvoorraad van dit bedrijf dat er toen een blauwe Seat Toledo met het kenteken [kentekennummer] te koop was. Verder blijkt uit gegevens van de RDW dat een Seat Toledo met het kenteken [kentekennummer] op 26 november 2008 is overgeschreven op de naam van [naam medeverdachte 1].

In de middag van die 26 november 2008 wordt vanuit het telecommunicatienummer [gsm nummer] (in gebruik bij [naam medeverdachte 4]) naar het telecommunicatienummer [telefoonnummer] (in gebruik bij [naam verdachte]) gebeld. De beller zegt: ‘Hij is verzekerd he joh’. (…) Ja hij is al verzekerd en overgeschreven he’.

Op 29 november 2008, om 19.50 uur wordt een blauwe Seat Toledo met het kenteken [kentekennummer] in Utrecht gezien, met als bestuurder [naam medeverdachte 12] en als bijrijder [naam verdachte].

Conclusie

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen en in verband met de hierna te noemen overwegingen omtrent de vaststelling van de identiteit van ‘[naam medeverdachte 3]’, is de rechtbank van oordeel dat de stemherkenningen van [naam verdachte] in voldoende mate ondersteund worden door andere feiten en omstandigheden/bewijsmiddelen en derhalve bruikbaar zijn voor het bewijs.

De rechtbank merkt verder op dat zij in de vonnissen van de medeverdachten [naam medeverdachte 12], [naam medeverdachte 4]en [naam medeverdachte 1] heeft geoordeeld dat ook de stemherkenningen van deze verdachten bruikbaar zijn voor het bewijs.

De identiteit van ‘[naam medeverdachte 3]’ en van ‘[naam medeverdachte 12]/[naam medeverdachte 12]’

[naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] hebben belastend verklaard over twee personen die zij kennen onder de naam ‘[naam medeverdachte 3]’ en ‘[naam medeverdachte 12]’ of ‘[naam medeverdachte 12]’. [naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4] had gezegd dat er twee Marokkanen waren die een moeilijke naam hadden en dat [naam medeverdachte 4] ze voor het gemak [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] noemde. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij wist dat [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] niet de echte namen van de betreffende personen waren, omdat een Marokkaan niet zo heet.

[naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] hebben ook verklaard dat zij [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] hebben gezien en contact met hen hebben gehad. Volgens [naam medeverdachte 1] zijn [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] afzonderlijk bij haar thuis geweest, heeft zij [naam medeverdachte 12] in Ceuta ontmoet en heeft zowel [naam medeverdachte 3] als [naam medeverdachte 12] meermaals ingebeld op haar telefoonnummer. Over een telefoongesprek van 24 december 2008 zegt [naam medeverdachte 1] dat zij zich het gesprek nog goed kan herinneren. Het is een gesprek gevoerd tussen [naam medeverdachte 4] en een andere man. [naam medeverdachte 1] verklaarde ter zake: ‘Ik hoorde aan de stem van de beller dat dit [naam medeverdachte 12] van de organisatie was. Ik weet nog dat hij onduidelijk sprak. Ik heb de telefoon aan [naam medeverdachte 4] gegeven’. Het telefoongesprek vond plaats tussen het telefoonnummer [gsm nummer], waarvan de partner van [naam medeverdachte 1], Naam medeverdachte 4 gebruiker was en het telefoonnummer [ nummer], waarvan [naam medeverdachte 12] gebruiker was.

[naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [naam medeverdachte 12] in Marokko heeft ontmoet. Onder meer zei hij: ‘Op een gegeven moment vertelde [naam medeverdachte 12] dat alles goed kwam. Hij stelde voor om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan. (…) Toen zijn we vertrokken naar Casablanca. (…) [naam medeverdachte 12] had een hotel gereserveerd. Hij had een vijf sterren hotel geboekt. Dit was super de luxe.’

In een telefoongesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] op 27 december 2008 zegt [naam medeverdachte 12]: ‘Ik heb tegen “hen” gezegd jullie gaan naar Marakesch om daar een hotel te pakken, …’. In een telefoongesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] op 28 december 2008 zegt [naam medeverdachte 12] dat hij precies zal uitleggen hoe ze moeten rijden en dat hij zal reserveren bij Hotel Ibis in Marakesch.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 12] en [naam verdachte] op 2 januari 2009 zegt [naam medeverdachte 12]: ‘(…) weet je [naam medeverdachte 3], weet je hoeveel kosten er zijn, ongelooflijk! (…) als ik alles in mijn handen had, dan doe ik de ene hier en de andere daar, dan weet ik wat er allemaal is, heel makkelijk. Ik doe ze in hotel, als er veel mensen zijn, doe ik ze allemaal in appartement. (…)’.

Op 8 januari 2009 heeft [naam echtgenote medeverdachte 2] onder meer verklaard dat hij op de terugweg van Marokko twee keer gebeld werd door [naam medeverdachte 12], en: ‘Toen ik Maastricht door was belde [naam medeverdachte 3] mij op. (…) Ik heb toen met [naam medeverdachte 3] afgesproken bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp. Ik zag dat [naam medeverdachte 3] zijn auto achter de pomp had geparkeerd. Ik ben samen met [naam medeverdachte 3], in de Toledo, richting mijn woning gereden. [naam medeverdachte 3] heeft zich voorgesteld als een vriend van [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 12]’.

Uit een telefoongesprek blijkt dat [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam verdachte] op 7 januari 2009, 17:02 uur, ‘bij dat tankstation bij hotel Born afspreken’.

[naam echtgenote medeverdachte 2] herkent dit gesprek en zegt: ‘Dit was een gesprek tussen mij en [naam medeverdachte 3]’. Als gezegd wordt dat de andere persoon genaamd is: ‘[naam verdachte]’, verklaart [naam echtgenote medeverdachte 2], dat hem die naam niets zegt; ‘[naam medeverdachte 4] heeft de persoon waar ik het voorgaande gesprek mee gevoerd heb de bijnaam [naam medeverdachte 3] gegeven’.

Op 7 januari 2009, omstreeks 15:59 uur wordt gezien dat een Seat Toledo met het Nederlandse kenteken [kentekennummer] vanuit België over de A2 reed in de richting van Maastricht. De observant herkende als chauffeur [naam echtgenote medeverdachte 2]. Omstreeks 17:07 uur werd gezien dat de Seat met [naam echtgenote medeverdachte 2] stopte op het Esso tankstation te Born. Omstreeks 17:14 uur werd gezien dat een Toyota Avensis met het kenteken [kentekennummer] achter de shop van dit tankstation parkeerde. De observant herkende de bestuurder van deze Toyota als [naam verdachte]. [naam verdachte] stapte in de Seat, waarna de Seat met [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam verdachte] wegreed.

Conclusie:

Op grond van het voorafgaande acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat wanneer in deze zaak over ‘[naam medeverdachte 3]’ wordt gesproken [naam verdachte] en wanneer over ‘[naam medeverdachte 12]/[naam medeverdachte 12]’ wordt gesproken [naam medeverdachte 12] is bedoeld en zal zij daar in het vervolg van uitgaan.

3.3.2 De tenlastegelegde feiten

Feit 1.1 & 1.2

Als feit 1.1 wordt aan [naam verdachte] verweten dat hij tezamen met anderen 237 kilogram hasjiesj heeft ingevoerd en als feit 1.2 dat hij tezamen met anderen dezelfde hoeveelheid hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard twee maal tezamen met een andere persoon, wiens naam zij op dat moment niet wil noemen, een drugstransport te hebben uitgevoerd vanuit Marokko. Het tweede transport heeft plaatsgevonden vanaf 21 december 2008. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard samen met een andere persoon voorafgaand aan dit transport een gesprek te hebben gehad met [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] [naam echtgenote medeverdachte 2]. [naam medeverdachte 1] en deze andere persoon gingen weer een transport doen en zij wisten dat de organisatie nog meer mensen zocht. Zij wisten dat [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] diep in de schulden zaten en zij hadden [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] benaderd of zij ook een drugstransport wilden doen vanuit Marokko naar Nederland. [naam echtgenote medeverdachte 2] had meteen ingestemd vanwege de grote schulden die zij hadden. [naam echtgenote medeverdachte 2] had getwijfeld maar was snel overgehaald. Op 21 december 2008 zijn [naam medeverdachte 1] met haar zoontje en een derde persoon en [naam echtgenote medeverdachte 2] met [naam echtgenote medeverdachte 2] met hun twee dochters met twee auto’s in de richting van Marokko vertrokken. Tevoren had elk van beide stellen een Seat Toledo ontvangen die op hun naam moest worden gesteld. In Marokko hadden [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] hun Seat afgegeven aan iemand. Die had de auto volgestopt met drugs. Vervolgens waren [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] op dinsdag 6 januari 2009 vertrokken naar Nederland met de auto vol met drugs.

In een ander verhoor heeft [naam medeverdachte 1] deze ‘andere persoon’ nader aangeduid als Naam medeverdachte 4.

[naam medeverdachte 1] heeft voorts op 14 januari 2009 verklaard twee personen van de organisatie van de drugshandel te kennen. Dat zijn [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12]. Dit zijn Marokkanen. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] afzonderlijk bij haar thuis op de Stiftstraat te Susteren zijn geweest om uitleg te geven aan voornamelijk Naam medeverdachte 4. [naam medeverdachte 1] was er altijd bij. De uitleg ging onder andere over de drugshandel, de route die gereden moest worden, hoe het op de boot ging en hoe het verliep in Marokko. Voorts heeft [naam medeverdachte 1] verklaard in december 2008 tijdens een ontmoeting met [naam medeverdachte 12] samen met [naam echtgenote medeverdachte 2], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4]te hebben gesproken over het transport van de drugs. [naam medeverdachte 1] heeft verder in dit verhoor verklaard dat de organisatie, [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3], alle kosten betaalden van vervoer en verblijf. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard te hebben gezien dat [naam medeverdachte 12] in Marokko geld aan [naam medeverdachte 4]gaf.

[naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4]hem begin november 2008 heeft gevraagd of hij een auto op zijn naam wilde laten zetten. De auto was eind november op een zaterdag overgeschreven en te naam gesteld. [naam echtgenote medeverdachte 2] heeft op 19 december 2008 de Seat Toledo gekregen. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4]kwamen toen beiden in een Seat Toledo, een zwarte en een grijze. De zwarte Seat Toledo stond op naam van [naam echtgenote medeverdachte 2] en de grijze Seat Toledo stond op naam van [naam medeverdachte 1]. Met deze twee voertuigen zijn ze op 21 december 2008 samen naar Marokko vertrokken. Tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo op naam van [naam echtgenote medeverdachte 2] heeft [naam medeverdachte 4]verteld dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [naam medeverdachte 4]heeft verteld dat dit €10.000,-- per rit opbracht. Met een ‘volle wagen’ heeft [naam echtgenote medeverdachte 2] desgevraagd verklaard te bedoelen dat de auto volgestopt zou worden met materiaal. [naam echtgenote medeverdachte 2] wist dat het om drugs zou gaan en vermoedde dat het om hasjiesj ging. [naam medeverdachte 4]heeft [naam echtgenote medeverdachte 2] verteld dat de auto’s geprepareerd zouden worden. Er zouden loze ruimtes of kokers worden gemaakt in de auto’s.

Voorts heeft [naam echtgenote medeverdachte 2] verklaard dat hij, [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 12] in een theehuis in Marokko hebben ontmoet en met hem hebben gesproken over de financiën. [naam medeverdachte 4]kreeg steeds geld van [naam medeverdachte 12] voor de kosten.

Deze verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] vinden steun in de volgende bewijsmiddelen.

Op 7 november 2008 heeft [naam medeverdachte 4]in een telefoongesprek aan [naam verdachte] medegedeeld: ‘ik ga straks naar hem toe dan laat ik die andere auto overschrijven’.

Volgens informatie van de RDW stond de Seat Toledo, kenteken [kentekennummer], met ingang van 8 november 2008 op naam van [naam echtgenote medeverdachte 2], wonende [adres] te Born.

Tijdens observaties uitgevoerd in de periode tussen 8 november 2008 en 18 december 2008 werd deze auto echter geen enkele maal gezien in de omgeving van het adres [adres] te Born.

Op 10 december 2008 heeft [naam verdachte] met garagebedrijf Bas gebeld voor een kleine beurt van de [kentekennummer].

Op 14 december 2008 heeft [naam medeverdachte 4]telefonisch gevraagd wanneer [naam verdachte] tijd heeft om te komen. [naam verdachte] zei toe woensdag te zullen komen. [naam medeverdachte 4]zegt dan:

‘kijk maar of je alle twee die dingen hier krijgt. Wij willen zondag vertrekken’(...)

[naam verdachte] zegt: ‘de 21 e’

[naam medeverdachte 4]antwoordt: ‘ja’.

Tijdens een observatie op 21 december 2008 omstreeks 11:56 uur werd gezien dat twee voertuigen Seat Toledo over de Rijksweg A2 richting Maastricht rijden. Een auto betrof een zwarte Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], met daarin bestuurder [naam echtgenote medeverdachte 2], bijrijdster [naam medeverdachte 5] en hun 2 kinderen. De andere auto betrof een lichtblauwe Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], met daarin bestuurder [naam medeverdachte 4], bijrijdster [naam medeverdachte 1] en een kind op de achterbank. Omstreeks 11:59 uur heeft verbalisant beide voertuigen zien rijden op de A2 bij Maastricht Aachen Airport in de richting België.

Op 24 december 2008 heeft [naam medeverdachte 12] gebeld naar [naam medeverdachte 4]en gevraagd wat het telefoonnummer was van het hotel waar [naam medeverdachte 4]verbleef. [naam medeverdachte 4]antwoordt dan: [telefoonnummer].

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat 212 het landnummer van Marokko is.

Op 27 december 2008 heeft [naam verdachte] gebeld naar [naam medeverdachte 12], welke laatstgenoemde op dat moment gebruik maakt van een Marokkaans telefoonnummer. [naam medeverdachte 12] zegt dan:

‘Nu “verliezen”/onkosten we aan mensen in Tanger. Ik zei tegen “hem”er zijn hier 7 mensen in Tanger, wij “verliezen”/onkosten hotel en datgene. Ik zie tegen “hem”schiet op. Ik zei tegen “hem”die persoon wacht op jou dat je komt, zodat we kunnen werken. Ik zei tegen “hem”als jij niet komt dan, dan kan “hij”ons die auto’s niet “sturen”

(…)’.

En verder zegt [naam medeverdachte 12] nog:

‘Ik heb tegen “hen”gezegd jullie gaan naar Marrakech om daar een hotel te pakken, “hij” zei tegen me kan niet, kinderen zijn bij ons, dat en dat, begrijp je?’

[naam verdachte] antwoordt:

‘”ze”hebben het gehad, vervelen zich’

[naam medeverdachte 12] zegt:

‘nee, die anderen willen gaan, snap je?’

[naam verdachte] zegt:

‘die nieuwe?’

[naam medeverdachte 12] antwoordt:

‘die nieuwe willen gaan ja. Die zijn Marokko niet gewend en willen gaan. Die twee kinderen hebben’ .

[naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 12] voorstelde om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan, naar [naam echtgenote medeverdachte 2] verklaart: ‘voor zodat alles weer rustig was’. [naam medeverdachte 12] had daarvoor geld gegeven aan [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 12] had een hotel gereserveerd.

Op 28 december 2008 heeft [naam medeverdachte 12] telefonisch aan [naam verdachte] medegedeeld:

‘ik ben eruit/heb overlegd met die zeven personen, “ze”gaan naar Mark’ (fon).

Enkele minuten laten heeft [naam medeverdachte 12] wederom met [naam verdachte] gebeld.

Beiden bespreken dan:

[naam verdachte]: ‘als “ze”nou zijn gegaan en “ze”pakken “hen”daar met die plaats/plek (fon) hoe dan?’

[naam medeverdachte 12]: ‘waar moeten “ze” ”hem”pakken met die plaats/plek (fon)’

[naam verdachte]: ‘bij douane’

[naam medeverdachte 12]: ‘waar moeten “ze” ”hen”pakken?

[naam verdachte]: ‘daar in Tanger’

(…)

[naam medeverdachte 12]: ‘sowieso auto in beslag’

[naam verdachte]: ‘dan moeten “ze”zeker niet die auto meenemen, denk ik’

[naam medeverdachte 12]: ‘”ze”gaan naar Marrakkesch zei ik tegen je en niet naar…’

[naam verdachte]: ‘”ze”gaan naar Marrakkesch’

[naam medeverdachte 12]: ‘wat dacht jij dan?’

[naam verdachte]: ‘ik dacht Malaga, vriend’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, “ze”gaan naar Marrakkesch’

(…)

[naam verdachte]: ‘stuur Momo of Afrika met “hen”, want “ze”kennen de weg niet. Als “hem”een probleem overkomt’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, nee, de weg is heel makkelijk, ik zal “hem”precies uitleggen hoe “hij”moet rijden. “Hij”heeft mijn nummer als er wat gebeurt.’

[naam verdachte]: ‘dit zijn westerlingen’

[naam medeverdachte 12]: ‘ze moeten Casablanca pakken en dan alsmaar rechtdoor tot Marrakkesch, eerste intree krijgt je hotel Ibis. Ik ga reserveren dan pakken “ze”hotel Ibis Marrakkesch daar’

[naam verdachte]: ‘dan moet je … reserveren’

[naam medeverdachte 12]: ‘ik ga nu reserveren. Ik geef “hem”een miljoen frank (…) dan kan “hij”daar omhoog om te leven’.

Op 7 januari 2009 om 15:59 uur is tijdens een observatie gezien dat de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] rijdt over de A2 komende vanuit België en rijdend in de richting van Maastricht.

Als chauffeur treedt op dat moment [naam echtgenote medeverdachte 2] op en bijrijdster is [naam medeverdachte 5]. Omstreeks 16:43 uur stopt de Seat op de oprit van de woning [adres] te Born. Omstreeks 16:59 uur vertrekt [naam echtgenote medeverdachte 2] wederom in voornoemde Seat als enige inzittende en rijdt hij naar het Esso tankstation te Born, alwaar hij omstreeks 17:07 uur arriveert.

Onderweg, om 17:02 uur, heeft [naam echtgenote medeverdachte 2] gebeld naar [naam verdachte]. [naam verdachte] stelt dan voor bij ‘dat tankstation bij hotel Born’ af te spreken, hetgeen [naam echtgenote medeverdachte 2] goed vindt.

Omstreeks 17:14 uur ziet een verbalisant vervolgens een personenauto Toyota Avensis met kenteken [kentekennummer] achter de shop van voornoemd tankstation parkeren. De bestuurder, die ambtshalve wordt herkend als [naam verdachte], stapt uit en stapt als bijrijder in de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], waarna de Seat met [naam echtgenote medeverdachte 2] als chauffeur en [naam verdachte] als bijrijder weg rijdt. Omstreeks 18:03 uur ziet een verbalisant dat de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] zonder inzittenden geparkeerd staat op de Van Pallandtstraat te Sittard. Dat de Van Pallandtstraat te Sittard een straat is gelegen in de directe nabijheid van de [adres] te Sittard acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Een verbalisant ruikt op dat moment een sterke op wiet dan wel hasjiesj gelijkende lucht in de directe omgeving van het perceel [adres] te Sittard.

[naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verklaard, dat toen hij Maastricht gepasseerd was, hij gebeld werd door [naam medeverdachte 3], die zich voorstelde als een vriend van [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 12]. Hij heeft toen met [naam medeverdachte 3] bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp afgesproken en heeft [naam medeverdachte 3] aldaar ontmoet.

[naam medeverdachte 3] heeft [naam echtgenote medeverdachte 2] toen € 10.000,- gegeven in briefjes van vijftig. [naam echtgenote medeverdachte 2] wist dat het € 10.000,- was omdat [naam medeverdachte 4] hem in Marokko had verteld dat hij € 10.000,- zou krijgen.

Bij een doorzoeking in de woning van [naam echtgenote medeverdachte 2] aan de [adres] te Born op 7 januari 2009 is onder meer een bedrag van € 10.000,-- in contanten (gebundeld in briefjes van

€ 50,-) inbeslaggenomen.

Kort na binnenkomst van de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] in Nederland, om 16:15 uur, heeft [naam verdachte] gebeld naar [naam medeverdachte 6] en gezegd: ‘kom naar me toe, ik heb je nodig’. Als [naam medeverdachte 6] vervolgens vraagt: ‘waar?’, antwoordt [naam verdachte]: ‘kom thuis naar me toe’.

Om 17:12 uur bellen beide weer met elkaar. [naam medeverdachte 6] vraagt dan: ‘kom je me ophalen?’, waarop [naam verdachte] vraagt: ‘kun je niet de taxi pakken of zo?’. [naam medeverdachte 6] zegt dan dat hij nog wat te doen heeft en [naam verdachte] zegt dat [naam medeverdachte 6] maar moet bellen als hij klaar is. [naam medeverdachte 6] zegt dan: ‘laat die spullen tot ik klaar ben, dan kom ik naar je toe’(...) ‘ik kijk wel hoe, taxi of zo’.

Om 17:48 uur belt [naam verdachte] wederom naar [naam medeverdachte 6] en vraagt hem te komen.

Verbalisanten hebben op 7 januari 2009 om 19.19 uur gezien dat er een taxi richting de woning Willem van [adres] te Sittard rijdt. De woning Willem van [adres] te Sittard betreft het GBA-adres van [naam verdachte]. Een persoon die later ambtshalve werd herkend als [naam medeverdachte 6] stapt als bijrijder uit voornoemde taxi en belt aan bij het perceel Willem van [adres], waarna hij wordt binnengelaten. Omstreeks 20:22 uur is gezien dat vanaf de oprit van het perceel Willem van [adres] een personenauto wegrijdt, de garagepoort van voornoemd perceel open staat en [naam medeverdachte 6] in de geopende garage staat. Omstreeks 20:24 uur is gezien dat de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] de garage wordt binnengereden, waarna [naam medeverdachte 6] de garagepoort sluit.

Om 20:45 uur die dag heeft er in de woning aan de Willem van [adres] te Sittard een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking is in de garage, welke vanuit de keuken en de bijkeuken met een tussendeur te bereiken is, een Seat Toledo aangetroffen met kenteken [kentekennummer]. Aan de linkerzijde van de auto stond een krik onder de auto en het linker achterwiel was verwijderd. Bij dit achterwiel stond een boodschappentas met het opschrift ‘Plus’. In deze tas lagen 5 pakketten, vermoedelijk hasjiesj. De achterlichten van de Toledo waren gedemonteerd. Achter de Seat Toledo lag een kunststof wielbak welke afkomstig was vanaf de linkerachterzijde.

In de wielbak was een rechthoekige opening aangebracht en daarachter zag verbalisant diverse pakketten in een verborgen ruimte zitten. Op de vloer bij het achterwiel lag een zwart rechthoekig metalen plaatje met daarin twee schroeven. Dit plaatje paste in de rechthoekige opening in de wielbak.

Bij nader onderzoek van de Seat Toledo bleek dat er op de bestaande bodemplaat van de kofferruimte een nieuwe bodemplaat gemonteerd was, waardoor voornoemde verborgen ruimte ontstond welke ongeveer 10 tot 15 centimeter hoog was. In deze verborgen ruimte werden in totaal 112 pakketten aangetroffen met een totaal gewicht van ongeveer 56 kilogram. Een willekeurig pakket werd geopend en bleek te bestaan uit 5 plakken met een gezamenlijk gewicht van 500 gram. Deze willekeurige plak werd onderworpen aan de MMC Cannabis Test, welke positief reageerde op de aanwezigheid van marihuana, THC of hasjiesj. Op het aanrecht in de woning werd een autosleutel merk Seat aangetroffen, welke bleek te passen op de portiersloten en het stuurcontact slot van de zich in de garage bevindende Seat Toledo met kenteken [kentekennummer].

Naast de pakketten aangetroffen in de Seat Toledo en in de boodschappentas in de garage, werden ook in de woning op verschillende plekken pakketten hasjiesj aangetroffen. Zo werd onder meer in de woonkamer een aantal sporttassen aangetroffen met daarin partijen hasjiesj en op de bank in de woonkamer werden 33 losse pakketten en 5 plakken hasjiesj aangetroffen. Een willekeurige plak uit een van de sporttassen in de woonkamer testte eveneens positief op marihuana, THC of hasjiesj tijdens een MMC Cannabis test.

In totaal werd in de woning Willem van [adres] te Sittard (inclusief de aangetroffen hoeveelheid in de Seat Toledo en in de garage) ongeveer 237,5 kg hasjiesj aangetroffen.

Tijdens de doorzoeking van de woning Willem van [adres] te Sittard werd in de keuken van de woning [naam medeverdachte 6] aangehouden. Bij zijn aanhouding werd door verbalisant [S.]gezien dat de handen van [naam medeverdachte 6] vuil en met viezigheid besmeerd waren en er uit zagen ‘alsof hij automonteur van beroep zou kunnen zijn en zojuist aan het werk was geweest’. Op het aanrecht van de woning zag verbalisant diverse elektrische gereedschappen liggen met bijbehorende koffers en materialen.

Conclusie

Gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 12], [naam echtgenote medeverdachte 2], [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4]in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 een hoeveelheid van ongeveer 56 kilogram hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De import heeft gelet op deze bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden middels een Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], welke auto op 8 november 2008 naam van [naam echtgenote medeverdachte 2] werd gesteld en door [naam medeverdachte 4]op 19 december 2008 aan [naam echtgenote medeverdachte 2] werd overgedragen. [naam echtgenote medeverdachte 2] trad, tezamen met [naam medeverdachte 5], op als koerier na daartoe begin november 2008 te zijn aangezocht door [naam medeverdachte 4]en [naam medeverdachte 1]. De organisatie betaalde de verblijfskosten van de koeriers [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] tijdens hun verblijf in Marokko. Ook werd ervoor gezorgd dat de auto in Marokko werd geladen met hasjiesj. Na de feitelijke invoer van de hasjiesj in Nederland op 7 januari 2009 nam [naam verdachte] de auto over van [naam echtgenote medeverdachte 2], betaalde [naam echtgenote medeverdachte 2] € 10.000,-- voor bewezen diensten en bracht hij de auto naar zijn, [naam verdachte]s, woning.

In de woning van [naam verdachte] werd op 7 januari 2009 in totaal ongeveer 237 kilogram hasjiesj aangetroffen, waarvan ongeveer 56 kilogram in een verborgen ruimte in de zich in de garage bevindende koeriersauto [kentekennummer]. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 6] werden op dat moment in de woning aangehouden. [naam medeverdachte 6] was ten tijde van de doorzoeking naar het oordeel van de rechtbank doende het met uitbouwen van de 56 kilogram hasjiesj uit de zich in de garage van de woning bevindende koeriersauto [kentekennummer]. Deze 56 kilogram was naar het oordeel van de rechtbank zojuist ingevoerd vanuit Marokko. De overige ongeveer 181 kilogram hasjiesj bevond zich ten tijde van de doorzoeking verspreid in de woning van [naam verdachte]. Een deel van de hasjiesj werd aangetroffen in een zestal zich in de woonkamer van [naam verdachte] bevindende sporttassen en een deel, te weten 33 pakketten en 5 losse plakken (zijnde in totaal 19,4 kilogram) open en bloot op het zich in de woonkamer bevindende bankstel.

Op basis van al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 ongeveer 56 kg hasjiesj heeft ingevoerd in Nederland. Voorts acht de rechtbank bewezen dat hij tezamen met anderen op 7 januari 2009 in Sittard die 56 kg hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht verder wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] de overige zich op 7 januari 2009 in zijn woning aan de [adres] aangetroffen 181 kilogram hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 1.3 (ZD2)

[naam verdachte] wordt verweten dat hij gepoogd heeft om tezamen met anderen 80 kg hasjiesj in te voeren. Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 9 januari 2009 is in Tanger, Marokko, een Duitser genaamd [naam medeverdachte 7] aangehouden. Op diens naam stond een Skoda Octavia met kenteken [KENTEKENNUMMER]. De Skoda Octavia [KENTEKENNUMMER]werd vervolgens geïnspecteerd. In de Skoda Octavia werd in de kofferbak een geheime bergplaats aangetroffen, waarin een hoeveelheid van 80 kilogram hasjiesj werd aangetroffen.

Aan [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] is in dit licht ten laste gelegd de poging tot invoer van hasjiesj door [naam medeverdachte 7]. Het verwijt komt er – kort gezegd – op neer dat [naam medeverdachte 12] en [naam verdachte] het voertuig hebben aangekocht en voorzien van een dubbele bodem, [naam medeverdachte 7] als koerier hebben aangezocht en hem aanwijzingen hebben gegeven, het voertuig aan [naam medeverdachte 7] hebben overgedragen, alsmede de aangetroffen hoeveelheid hasjiesj hebben aangekocht en/of gefinancierd.

Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Tijdens een observatie op 17 september 2008 heeft de politie op de oprit van de woning aan de [adres]te Beek een grijze Skoda Octavia zien staan met kenteken E-032697. De woning [adres]te Beek betreft het GBA adres van [naam medeverdachte 12]. Uit informatie van het Euregio-Pol-Info-Coop-Centrum bleek dat het kenteken een vermoedelijk tijdelijk kenteken betrof uit een Europees land.

Gezien werd voorts dat [naam medeverdachte 12] als bestuurder van de Skoda Octavia optrad.

Op 13 november 2008 werd een gesprek getapt tussen [naam medeverdachte 12] en ene [A.] waarin [naam medeverdachte 12] zegt: ‘we hebben (...) een andere “blik”nodig’ en ‘die “blik”die ik in mijn tuin heb, die heeft hij nog niet gepakt’. Het woord ‘blik’ is bij het onderzoeksteam bekend als versluierd taalgebruik voor auto. [A.] zegt dan dat wanneer [naam medeverdachte 12] wil dat de papieren gemaakt worden, dat geen probleem is. [naam medeverdachte 12] zegt dan nog: ‘wij kunnen andere blikken maken, als hij weet dat hij met die niets kan doen’.

In week 48 van 2008 werd plaatsbepalingsapparatuur geplaatst onder de Skoda Octavia met kenteken [KENTEKENNUMMER]die zich op dat moment bevond in de tuin van de woning van [naam medeverdachte 12] aan de [adres]te Beek. Uit deze plaatsbepalingsapparatuur bleek dat de Skoda in de periode van 26 november 2008 tot 17 december 2008 niet in beweging is geweest.

Op 23 november 2008 heeft [naam medeverdachte 12] weer met [A.] gebeld en hem gevraagd wat [A.] heeft gedaan met wat hij, [naam medeverdachte 12], in de tuin heeft. [A.] antwoordt: ‘hij zei dat hij mij vandaag gaat bellen, anders moet ik iemand anders zien om morgen daar naartoe te gaan en “de papieren” ophalen’. [naam medeverdachte 12] zegt dan: “je moet het niet iedere keer uitstellen, want dan is het feest”.

Een dag later, op 24 november 2008, om 16:48 uur belt [naam medeverdachte 12] wederom naar [A.] . [naam medeverdachte 12] vraagt dan: ‘dat telefoon(nummer) wat je mij had gestuurd is dat van Frankfurt of van die eh…’. [A.] antwoordt dat het nummer dat hij [naam medeverdachte 12] gaf van Mainz is, waar de papieren van de andere auto zijn. [naam medeverdachte 13] vraagt: ‘papieren van de auto, de auto die ik hier heb?’ [A.] antwoordt: ‘ja’.

[A.] geeft [naam medeverdachte 12] vervolgens het telefoonnummer [telefoonnr] en zegt: ‘als je tijd hebt bel hem op en dan geeft ie je de papieren’. [naam medeverdachte 12] zegt op de achtergrond tegen [naam medeverdachte 3] dat hij het nummer moet noteren.

Enkele minuten later, om 16:51 uur, belt [naam medeverdachte 12] met het Duitse telefoonnummer [telefoonnummer] en stelt zich voor als de vriend van ‘[A.]’. [naam medeverdachte 12] zegt dat hij belt in verband met de papieren van de “blik” (auto) hier in Nederland. [naam medeverdachte 12] wil de papieren hebben en hij wil daarvoor een afspraak maken. De NN man zegt dat [naam medeverdachte 12] moet komen en dat hij in de omgeving van Frankfurt woont, maar momenteel in een kliniek ligt en vrijdag ontslagen wordt. [naam medeverdachte 12] wil niet wachten tot zaterdag of zondag en wil eerder. [naam medeverdachte 12] zal nog bellen voor het adres.

Weer enkele minuten later, om 16:55 uur, belt [naam verdachte] met een onbekende man en vraagt of de vriend van de onbekende man morgen of zo niet naar Frankfurt kan gaan voor het ophalen van papieren van een auto. De onbekende man zegt dat dit wel kan en [naam verdachte] zegt toe de onbekende man de volgende dag in de namiddag/avond te zullen bellen. [naam verdachte] zegt: ‘dan gaan wij het omzetten op die “leeuw”’.

Ze spreken af de volgende dag te zullen bellen. [naam verdachte] zegt dat de onbekende man “hem” 300 euro moet sturen en voegt dan toe: ‘dan kan hij hetgene op zijn naam zetten direct’. [naam verdachte] zegt vervolgens straks terug te zullen bellen en zegt: ‘ik moet met die ene overleggen, hij is in de kliniek van het ziekenhuis’.

Later die avond, om 20:37 uur belt [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 12] en zegt tegen [naam medeverdachte 12] dat [naam medeverdachte 12] die vriend van [A.] in Frankfurt moet bellen. Hij zegt dan: ‘zeg hem dat ik morgen kom – om 6 uur of 7 uur’.

De volgende dag, 25 november 2008, om 15:44 uur belt een onbekende man met [naam verdachte]. Er volgt het navolgende gesprek:

[naam verdachte]: ‘de auto is in B’

NN man: ‘is het in Beek?’

[naam verdachte]: ‘ja hij moet het meteen op zijn naam zetten en verzekering doen. Het is een Duitse auto, direct’.

(…)

[naam verdachte]: ‘(…) de auto is bij mij’

(…)

[naam verdachte]: ‘heeft hij de papieren en alles gehaald?’

NN man: ‘hij is net bij “hem”aangekomen daar bij het ziekenhuis of wat het ook is (...)’

[naam verdachte]: ‘is goed, hij zal hem de papieren en sleutels geven en…’

Om 16:13 uur die dag belt deze onbekende man weer met [naam verdachte] en zegt:

NN man: ‘hij heeft hem de sleutels niet gegeven, hij heeft hem alleen de papieren gegeven?’

[naam verdachte]: ‘waar zijn de papieren?’

NN man: ‘dat weet ik niet, “hij”heeft hem alleen de papieren gegeven’

[naam verdachte]: ‘nee, nee’(en vraagt op de achtergrond): ‘de sleutels van die auto, heb jij ze of die andere?’

[naam medeverdachte 12]: ‘ze zijn bij mij’

[naam verdachte]: ‘die jij in de garage hebt?’

[naam medeverdachte 12]: ‘ja’

[naam verdachte]: ‘heb jij ze?’

[naam medeverdachte 12]: ‘ja’

(…)

[naam verdachte] (tegen NN man): ‘oke zeg hem dat hij alleen de papieren mee moet nemen’.

Tijdens een observatie op 15 december 2008 heeft verbalisant achter een houten schutting op het erf c.q. de oprit behorende bij de woning [adres]te Beek de grijze Skoda Octavia zien staan. Het voertuig is voorzien van het Duitse kenteken [KENTEKENNUMMER].

Uit informatie van EPICC blijkt dat deze Skoda Octavia met kenteken [KENTEKENNUMMER]op dat moment op naam staat van [naam medeverdachte 7], woonachtig te Hilden, Duitsland.

Op 17 december 2008 wordt een gesprek getapt om 16:39 uur tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 6]. [naam verdachte] zegt dan: ‘zeg tegen hem dat ie op mij moet wachten bij de Albert Heijn – zeg tegen hem hij is over 10 minuten daar’.

Tijdens een observatie die dag wordt vervolgens gezien dat de Skoda Octavia met het Duitse kenteken [KENTEKENNUMMER] vanuit de richting Beek naar Geleen rijdt, alwaar de auto rond 17:00 uur de parkeerplaats bij Albert Heijn oprijdt. [naam verdachte] treedt op als bestuurder. Achter deze auto rijdt de VW Golf op naam van [naam vriendin verdachte], de vriendin van [naam verdachte], met daarin 2 personen. Omstreeks 17:12 uur rijdt de Skoda weg met daarin een persoon met een Marokkaans uiterlijk. [naam verdachte] stapt in de VW Golf als bijrijder en rijdt weg.

Uit de plaatsbepalingsapparatuur blijkt dat de Skoda Octavia met kenteken [KENTEKENNUMMER] op 17 december 2008 om 18:28 uur de Rijksweg A76 op rijdt en vervolgens de A2, waarna deze auto omstreeks 19:04 uur de Nederlands/Belgische grens passeert. Op 19 december 2008 omstreeks 16:25 uur (lokale tijd) is deze auto in Tanger, Marokko en verblijft aldaar tot het moment van inbeslagname van de auto door de Marokkaanse autoriteiten.

Op 5 december 2009 belt [naam medeverdachte 12] naar [naam verdachte]. [naam medeverdachte 12] maakt dan gebruik van een Marokkaans telefoonnummer.

[naam medeverdachte 12] zegt dan: ‘die vrouw is gevlucht, heeft de autopapieren meegenomen en is weggelopen’

(…)

[naam medeverdachte 12]: ‘ik zweer het, “ze”heeft het eerder tegen hem gezegd. Ik ga weglopen naar Duitse ambassade’

(…)

[naam verdachte]: ‘en de papieren?’

[naam medeverdachte 12]: ‘de autopapieren niks, maar die van de douane heeft “zij”/”hij”’

(…)

[naam medeverdachte 12]: ‘wat moet ik nu doen?’

[naam medeverdachte 12]: ‘moet ik die auto leegmaken?’

[naam verdachte]: ‘nee, wacht maar tot “ze”terugkomt’

(…)

[naam verdachte]: ‘moet ik “hem”zo sturen of niet?’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, vriend, sowieso, “hij”is alleen en zonder autopapieren kan toch niet’

[naam medeverdachte 12]: ‘heb het vandaag de garage binnen gebracht, vriend. Gisteren heb ik twee auto’s naar buiten gebracht. De auto van Charlie en mijn auto, nu moet ik weer de Duitse naar binnen brengen, stront’

(…)

[naam medeverdachte 12]: ‘of zal ik Monsieur (fon) zeggen om een andere vrouw te sturen die met “hem”meegaat

[naam verdachte]: ‘de papieren zijn nodig [naam medeverdachte 13]’

(…)

[naam verdachte]: ‘laat de auto niet in zijn buurt…’

[naam medeverdachte 12]: ‘de auto is in de garage’

[naam verdachte]: ‘kan dat jet het eruit haalt en het verstopt, … maar niemand kent jouw garage’

[naam medeverdachte 12]: ‘ik heb de auto in de garage’

[naam verdachte]: ‘oke, dan wacht je maar(...).’

[naam medeverdachte 5] heeft verklaard:

‘Toen wij ons in Marokko bevonden was er sprake van een Duitse man met een vreemde vrouw. Dit had [naam medeverdachte 4] tegen ons gezegd. Ik neem aan dat [naam medeverdachte 4] met vreemde vrouw bedoelde dat dit niet de eigen vrouw was van de Duitse man. Deze vreemde vrouw had de autopapieren meegenomen van de auto van de Duitse man en nu kon de Duitse man niet over. [naam medeverdachte 4] vertelde later dat de Duitse man toch over was en dat de vreemde vrouw met het vliegtuig naar huis is gegaan. Deze Duitse man en vreemde vrouw hebben wij niet gezien of gesproken’.

Onderzoek door de Marokkaanse autoriteiten heeft uitgewezen dat [naam medeverdachte 7] op 2 januari 2009 in Hotel Sheherazade in Tanger heeft verbleven samen met [naam medeverdachte 8] ([naam medeverdachte 8]). [naam medeverdachte 8] is Marokko binnengekomen op 19 december 2008 via de haven van Tanger en heeft Marokko verlaten via het internationale vliegveld Ibn Batouta te Tanger op 6 januari 2009.

[naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 4]hem tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] op naam van [naam echtgenote medeverdachte 2] heeft verteld, dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [naam medeverdachte 4] had verteld dat dit € 10.000,-- per rit opbracht. [naam medeverdachte 4] had verteld dat hij al zes keer naar Marokko was geweest. [naam echtgenote medeverdachte 2] heeft voorts verklaard: ‘[naam medeverdachte 4] vertelde mij dat hij niet alleen mocht gaan maar dat er altijd een vrouw bij moest zijn’.

[naam echtgenote medeverdachte 2] heeft daarnaast verklaard tijdens zijn verblijf in Marokko van [naam medeverdachte 4]te hebben gehoord dat er twaalf wagens klaar stonden om over te steken. Volgens [naam medeverdachte 4]waren de chauffeurs afkomstig uit Nederland, Duitsland en Scandinavische landen.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard van [naam medeverdachte 4]te hebben gehoord dat er ook een Duitser was die drugs zou transporteren.

[naam medeverdachte 7] is een aantal malen gehoord in Marokko. Hij heeft ter zake wisselende verklaringen afgelegd.

Tijdens een ongedateerd verhoor in de gevangenis in Tanger heeft [naam medeverdachte 7] aanvankelijk verklaard de Skoda te hebben gekocht van een Marokkaan in Frankfurt voor ongeveer € 5.000,-. [naam medeverdachte 7] had deze auto op zijn naam laten zetten, terwijl de verkoper de papieren en de technische keuring afhandelde. [naam medeverdachte 7] had met de verkoper afgesproken dat [naam medeverdachte 7] hem na de reis zou betalen. Van een derde persoon had [naam medeverdachte 7] toen een telefoontje gekregen die het voorstel deed om vanuit Marokko naar Duitsland kruidenproducten mee te nemen en als tegenprestatie te helpen met de financiering van de auto. [naam medeverdachte 7] heeft toen verklaard 2 à 3 dagen voor zijn vertrek telefonisch te zijn overeengekomen om kruiden te vervoeren van Marokko naar Nederland met als tegenprestatie het voor de helft betalen van de door hem, [naam medeverdachte 7], gekochte auto. Later in dit verhoor heeft [naam medeverdachte 7] verklaard de auto in Nederland te hebben gekocht. Als foto’s worden getoond van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] verklaart [naam medeverdachte 7] beiden niet te kennen.

Tijdens zijn verhoor op 10 januari 2009 heeft [naam medeverdachte 7] verklaard tegen betaling met de uitvoering van de smokkel bezig te zijn geweest voor een Marokkaanse persoon met de Duitse nationaliteit, genaamd ‘A.’. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard een auto van het merk Octavia met het kenteken (…)705 in november 2008 te hebben gekocht van deze A., welke A. [naam medeverdachte 7] omschrijft als: ongeveer 28 jaar, gemiddeld postuur, tenger gebouwd, blank, vloeiend Duits sprekend. [naam medeverdachte 7] had de auto gekocht voor een bedrag van € 5.200,-, waarvan hij € 2000,- aanbetaalde. De overige 3.200 hield [naam medeverdachte 7] onder zich in afwachting van de afronding van de verkoop. De volgende dag had deze A. hem gebeld en had A. hem voorgesteld te helpen bij de smokkel van een zeer kleine hoeveelheid hasjiesj in ruil voor kwijtschelding van de restant koopsom, met welk aanbod [naam medeverdachte 7] had ingestemd. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard op 19 december 2008 met zijn Duitse vriendin [naam medeverdachte 8] te zijn binnengereisd in Marokko via de haven van Tanger. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat A. hem van tijd tot tijd belde om te vernemen waar [naam medeverdachte 7] zich bevond. A. belde dan met de telefoonnummers: [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer]en [telefoonnummer].

Tijdens zijn verhoor op 22 januari 2010 heeft [naam medeverdachte 7] wederom verklaard noch [naam verdachte] noch [naam medeverdachte 12] te kennen. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard de Skoda te hebben gekocht nadat die via internet te koop was aangeboden en hij deze auto in Duitsland had geïnspecteerd. Na 5 à 7 dagen heeft [naam medeverdachte 7] de auto opgehaald in Geleen, Nederland, alwaar de auto op een openbare parkeerplaats geparkeerd stond met de sleutel in een wiel verborgen. De auto is verkocht door een persoon van Marokkaanse afkomst. Deze man had verteld dat indien [naam medeverdachte 7] kruiden van Tanger, Marokko, zou meenemen naar Geleen, hij korting zou geven op de prijs van de auto. De man had verteld dat de kruiden niets met verdovende middelen van doen hadden. [naam medeverdachte 7] was akkoord gegaan en naar Marokko afgereisd. Van de personen die in Marokko telefonisch contact met [naam medeverdachte 7] hebben opgenomen, staan de telefoonnummers geregistreerd in zijn door de politie in Tanger in beslag genomen mobiele telefoon, aldus [naam medeverdachte 7].

Op 7 januari 2009 werd tijdens de doorzoeking van de woning aan de Willem van [adres] in Sittard, zijnde het GBA adres van [naam verdachte], een Skoda Octavia met kenteken [kentekennummer] in beslag genomen. Dit voertuig is vergeleken met de Skoda Octavia met kenteken [KENTEKENNUMMER]. Beide voertuigen waren op dezelfde wijze geprepareerd, in die zin dat een verborgen ruimte in de kofferbak was gecreëerd. Beide voertuigen waren daartoe voorzien van een dubbele bodemplaat. De opening die was gecreëerd om bij de verborgen ruimte te komen (achter de achterbumper) was bij beide auto’s gemaakt op dezelfde locatie, namelijk in het midden van de achterkant van het voertuig, achter de bumper.

Conclusie

Uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank zonder twijfel een zekere betrokkenheid van [naam medeverdachte 12] en [naam verdachte] bij de Skoda Octavia met het kenteken [KENTEKENNUMMER]worden vastgesteld. Immers, naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de geschetste feiten en omstandigheden vast:

- dat de auto op zich op 17 september 2008 (dan nog voorzien van een ander, tijdelijk, kenteken) en in de periode van in de periode van 26 november 2008 tot 17 december 2008 op het erf bij de woning van [naam medeverdachte 12] heeft bevonden;

- dat er op 23, 24 en 25 november 2008 door [naam medeverdachte 12] en [naam verdachte] is gesproken over papieren van die auto en het op naam zetten daarvan;

- dat de auto op 15 december 2008 op naam stond van [naam medeverdachte 7] en de auto zich op dat moment nog op het erf bij de woning van [naam medeverdachte 12] bevond;

- dat de auto op 17 december 2008 door [naam verdachte] vanaf de woning van [naam medeverdachte 12] naar de parkeerplaats bij de Albert Heijn te Geleen werd gebracht, alwaar [naam verdachte] rond 17:00 uur arriveerde, waarna de auto door een Marokkaanse man werd meegenomen;

- dat de auto op 17 december 2008 om 19:04 uur Nederland heeft verlaten via de Nederlands/Belgische grens en dat [naam medeverdachte 7] met deze auto op 19 december 2008 is ingereisd in Tanger, Marokko;

- dat [naam medeverdachte 7] op 9 januari 2009 in Marokko is aangehouden in het bezit van deze auto, waarin zich op dat moment in een verborgen ruimte in de kofferbak 80 kilogram hasjiesj bevond.

Al deze feiten en omstandigheden tezamen genomen zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende voor het wettige en overtuigende bewijs van een bewuste en nauwe samenwerking van [naam medeverdachte 12] en [naam verdachte] bij de poging tot invoer van 80 kilogram hasj, die aangetroffen is in de auto waarin [naam medeverdachte 7] is aangehouden.

De rechtbank overweegt daarbij dat er in het dossier geen enkel tapgesprek noch observatie is aangetroffen waaruit blijkt dat [naam medeverdachte 12] en/of [naam verdachte] direct contact heeft/hebben met [naam medeverdachte 7]. [naam medeverdachte 7] heeft verklaard [naam medeverdachte 12] noch [naam verdachte] te kennen en wijst als zijn opdrachtgever ene A. aan, welke A. gebruik maakt van telefoonnummers, door [naam medeverdachte 7] genoemd, die niet te linken zijn aan in het kader van het onderzoek ‘Madeleine’ aan [naam medeverdachte 12] en/of [naam verdachte] toegeschreven telefoonnummers.

Het tapgesprek d.d. 5 januari 2009 noopt de rechtbank niet tot een ander oordeel, aangezien naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid gezegd kan worden dat dit tapgesprek betrekking heeft op [naam medeverdachte 7]. Het enkele feit dat de geheime bergruimte, zoals aangetroffen in de Skoda Octavia met kenteken [KENTEKENNUMMER], vergelijkbaar is met de geheime bergruimte in de Skoda Octavia met kenteken [kentekennummer], is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

[naam verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van het feit 1.3.

Feit 1.4 (ZD4)

[naam verdachte] wordt verweten dat hij gepoogd heeft om tezamen met anderen 66 kg hasjiesj in te voeren. Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op donderdag 16 oktober 2008 hebben agenten van de Guardia Civil de voertuigen die in de haven van Ceuta klaarstonden om ingescheept te worden op de veerboot naar het Iberische schiereiland aan een inspectie onderworpen. Bij die inspectie heeft een speurhond een melding gemaakt bij een Toyota Avensis met kenteken [KENTEKENNUMMER]. Men heeft de bestuurder van die auto, [naam medeverdachte 9], verzocht de auto in de garage van de Guardia Civil te plaatsen en deze heeft aan dat verzoek voldaan.

De auto is vervolgens onderzocht en daarbij zijn in een verborgen ruimte in de kofferbak 190 blokken aangetroffen.

De agenten van de Guardia Civil hebben [naam medeverdachte 9] en zijn bijrijdster, [partner medeverdachte 9], daarop aangehouden. Bij die aanhouding zijn de aangetroffen blokken aan [naam medeverdachte 9] getoond. Deze is daarop beginnen te schreeuwen en heeft ook ruiten van de auto vernield.

De aangetroffen blokken zijn gewogen en onderzocht. Het bleek een hoeveelheid hasjiesj te betreffen met een brutogewicht van 66.650 gram en een nettogewicht van 58.208,20 gram. Het kenteken [KENTEKENNUMMER] is op 8 oktober 2008 om 14:05 uur in Utrecht-Godebaldkwartier op naam van [naam medeverdachte 9] gesteld.

Bij zijn verhoor op 17 oktober 2008 door een Spaanse rechter heeft [naam medeverdachte 9] verklaard dat hij wist dat er in de auto drugs zaten en dat hij die drugs in Nederland aan iemand zou overhandigen. Hij heeft daarbij ook verklaard dat zijn partner van niets wist.

Zijn partner, de eerdergenoemde [partner medeverdachte 9], heeft bij haar verhoor op die zeventiende oktober 2008 verklaard van niets te weten. Ze is daarop ontslagen van rechtsvervolging en in vrijheid gesteld.

Op 11 november 2008 is de zaak tegen [naam medeverdachte 9] door de Rechtbank te Ceuta behandeld en is hij bij vonnis van die datum veroordeeld wegens een misdrijf tegen de volksgezondheid tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en tien maanden.

Voormelde onderzoeksbevindingen zijn verkregen naar aanleiding van een daartoe strekkend rechtshulpverzoek aan de Spaanse autoriteiten d.d. 28 januari 2009. Voorafgaand daaraan was aan de Liaison Officer te Madrid op 24 oktober 2008 de vraag gesteld of er rond de periode van 17 oktober 2008 een jongen en een meisje bij een controle aangehouden waren voor het smokkelen van verdovende middelen. De Liaison Officer antwoordde op 12 november 2008: ‘Op 16 oktober 2008 werden in Ceuta, met 66.4 kilogram hasjiesj, welke verborgen waren in de dubbele bodem van de kofferbak van een Toyota Avensis met het kenteken [KENTEKENNUMMER], aangehouden: [naam medeverdachte 9], houder van het paspoort .., geboren op 03-03-1984 te Utrecht, woonachtig op het adres [adres]. [partner medeverdachte 9], houdster van paspoort [..] en woonachtig op hetzelfde adres als [naam medeverdachte 9]’.

Naar aanleiding van die informatie is een nader onderzoek ingesteld naar [naam medeverdachte 9]. Op de bevindingen uit dat onderzoek zal in het navolgende worden teruggekomen.

De vraag aan de Liaison Officer was ingegeven door hetgeen het onderzoeksteam heeft bevonden bij het afluisteren van telefoongesprekken waaraan onder andere [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] deelnamen.

Op 17 oktober 2008 heeft [naam medeverdachte 12] om 16:29 uur via een Marokkaans nummer met [naam verdachte] gebeld. [naam verdachte] vraagt of er al nieuws is over ‘kleine A.’. [naam medeverdachte 12] antwoordt dat hij voor hem een advocaat gaat regelen en zegt dat ‘ze’ dat meisje vandaag of maandag vrij laten en dat A. het zelf maar moet regelen.

Op 17 oktober 2008 is [naam verdachte] om 22:09 uur gebeld door iemand die hij A. noemt (NN man 7795). A. zegt dat hij in Tanger is. A. vertelt dat hij bij de vriendin van die jongen langs is geweest en haar uit ‘castigo’ heeft opgehaald. A. zal haar morgen met het vliegtuig sturen. A. zegt dat ze kijken welke advocaat hij neemt en ze sturen hem dan 250 euro per maand op. [naam verdachte] zegt daarop: ‘zeg tegen hem we zijn geen huichelaars we helpen hem.’ [naam verdachte] vraagt aan A. of hij enig idee heeft hoe het kan. A. zegt: ‘1000%, stank/reuk.’ Even daarna zegt hij nog: ‘Ze kwamen naar zijn auto, die hond ging harder lopen en in een keer naar achteren, begint die te blaffen’ en ‘Die meid ze dat hij er genoeg van had en dat hij de ramen kapot had gemaakt, hij had verwacht dat de hond niks zou ruiken.’

Op 19 oktober 2008 is [naam verdachte] om 10:57:04 uur gebeld door [naam medeverdachte 12]. In het gesprek zegt [naam medeverdachte 12] tegen [naam verdachte] dat kleine A. gisteren zelf heeft ingepakt. De eerste hond was voorbij gelopen, ‘ze’ waren Algeciras binnen gegaan en we wisten het nog niet.

Na 24 oktober 2008, de dag dat naar aanleiding van tapgesprekken de Liaison Officer te Madrid werd benaderd, is er nog een aantal telefoongesprekken gevoerd. Een daarvan is op 10 november 2008 gevoerd. Op die dag is [naam verdachte] om 23:21 uur gebeld door ene A. (Ali1262).

A.: ‘die jongen uit Spanje heeft me gebeld. Hij zei dat hij een advocaat heeft geregeld. Tot waar gaat de prijs van de advocaten daar? Heeft eentje geregeld van tweeënhalf duizend, zijn vader.’

[naam verdachte]: ‘ik zweer het, ik weet het niet A., wat je ook doet is goed, ik weet het niet.’

A.: ‘wat zeg jij?’

[naam verdachte]: ‘ze hebben daar geen pro deo, volgens mij.’

A.: ‘moet betalen, toch?’

[naam verdachte]: ‘dus moeten betalen, allemaal. Vanaf 1000, 1500.’

A.: ‘in die prijsklasse, zijn vader zei tegen me dat hij daar een voor 2500 heeft gevonden.’

[naam verdachte]: ‘ja.’

[naam verdachte]: ‘ik weet niet, …(niet te verstaan). Dat wordt wel…’

[naam verdachte]: ‘(lacht) een beetje veel eh? Begrijp je? Maar ja, kijk jij maar A.. Jij bent degene die die jongen kent. Als jij ja zegt, dan doen wij mee. Als jij nee zegt, dan ehhh… ja Zeg hem kijk of je iets goedkopers vindt, begrijp je?’

A.: ‘hij moet morgen voorkomen.’

[naam verdachte]: ‘ja.’

A.: ‘…(niet te verstaan) laatste moment, we helpen hem, jongens we moeten geld te voorschijn halen.’

[naam verdachte]: ‘oké.’

A.: ‘ik zie geen andere optie, als je een andere optie weet, dan kom.’

[naam verdachte]: ‘wat voor optie, of moet ik een tovenaar zijn, morgen moet hij voorkomen.’

A.: ‘ik ook niet, hij moet voorkomen.’

[naam verdachte]: ‘hoe gaat het verder met regelen dan, is zijn vader daar?’

A.: ‘zijn broertje is hier.’

(…)

A.: ‘hij stuurt het via Western Union.’

[naam verdachte]: ‘ja.’

A.: ‘voor 12 uur ’s middags.’

[naam verdachte]: ‘ah zo, A., als je het hebt, geeft het hem dan komen we er wel uit.’

A.: ‘dat is wat ik zie, is wel een beetje een prijzige, maar ik kan geen nee zeggen, hij moet morgen voorkomen.’

[naam verdachte]: ‘oké, A.. Je bent daar, men moet hem maar helpen.’

A.: ‘oké.’

[naam verdachte]: ‘je weet nooit waar het goed/goeds voor is.’

A.: ‘dat weet je niet, ja, ik zie, hij heeft er recht op’, begrijp je.’

[naam verdachte]: ‘we doen ons best.’

A.: ‘als hij de tijd had, dan konden we zoeken, naar een goedkoper advocaat, … (niet te verstaan) maar geen tijd.’

[naam verdachte]: ‘help hem daar.’

A.: ‘ik geef hem die dokoe, wanneer spreek ik jou?’

[naam verdachte]: ‘ik denk morgen, ik ga morgen vroeg naar beneden en dan kom ik terug, ik denk morgenavond.’

A.: ‘oké, ik spreek jou.’

Zoals hierboven al werd opgemerkt, is naar aanleiding van de van de Liaison Officer verkregen informatie een nader onderzoek ingesteld naar [naam medeverdachte 9]. Daarbij is uit informatie die is opgevraagd bij de RDW gebleken dat [naam medeverdachte 9] de navolgende voertuigen op zijn naam heeft staan:

• een Toyota Avensis 1.8, met het kenteken [KENTEKENNUMMER], aanvang tenaamstelling: 08/10/08,

• een Toyota Avensis 1.6, met het kenteken [kentekennummer], aanvang tenaamstelling: 04/06/08 en

• een Fiat Brava 1.4, met het kenteken [KENTEKENNUMMER], aanvang tenaamstelling: 21/07/06.

Ten aanzien van het voertuig met het kenteken [KENTEKENNUMMER] is de historie van de kentekenhouders bij de RDW opgevraagd. Uit de bevraging is gebleken dat het voertuig vanaf 2 juli 2007 op naam heeft gestaan van Autobedrijf [naam autobedrijf]te Maasbree. Vanaf 12 maart 2008 tot en met 23 juni 2008 heeft het voertuig op naam gestaan van [naam medeverdachte 1], geboren op 27 februari 1964 te Susteren en woonachtig in de Stiftstraat 13 te Susteren.

Bij een doorzoeking op 7 januari 2009 in een woning aan de Willem van [adres] te Sittard, zijnde het GBA-adres van [naam verdachte], is een autosleutel inbeslaggenomen waaraan een label hing met de tekst ‘Toyota Avensis [KENTEKENNUMMER] Grijs’. Bij een doorzoeking diezelfde dag in een woning aan de Hessenweg 164-A in De Bilt, zijnde een verblijfsadres van [naam verdachte], is een Deel 1 van een kentekenbewijs voor het kenteken [KENTEKENNUMMER] aangetroffen. Uit dit kentekenbewijs blijkt dat het kenteken [KENTEKENNUMMER] op 27 augustus 2008 om 16:26 uur op naam is gesteld van [naam medeverdachte 10]. Voorts is dit kentekenbewijs voorzien van een groot kruis en voorzien van een datumstempel van TNT-post. Als datum is in die stempel vermeld ‘08 okt 2008’ en voorts vermeldt de stempel ‘Utrecht-Godebaldkwartier’. Ook is bij de doorzoeking op laatstgenoemd adres een vrijwaringsbewijs aangetroffen voor het kenteken [KENTEKENNUMMER] waarbij op het vrijwaringsbewijs onder het kopje ‘Plaats/Transactiegegevens/Datum en Tijd’onder andere is vermeld: ‘Utrecht-Godebaldkwartier’ en ’08-10-2008 14:05.’

Bij haar verhoor op 14 januari 2009 heeft [naam medeverdachte 1] verklaard dat zij twee personen kent van de organisatie van de drugshandel, te weten twee Marokkanen genaamd [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12]. Voorts heeft ze verklaard dat de organisatie, [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12], alle kosten van vervoer en verblijf betaalde. Letterlijk zegt ze nog: ‘[naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3] hadden gezegd als iemand zou worden opgepakt dat er voor gezorgd werd. Dit in de vorm van bijstand van een advocaat en geld.’

Conclusie

De poging van [naam medeverdachte 9] om een hoeveelheid hasjiesj in te voeren in Nederland is als het medeplegen daarvan aan zowel [naam verdachte] als [naam medeverdachte 12] tenlastegelegd. Om van medeplegen te kunnen spreken moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging.

Van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking is de rechtbank echter uit de onderzoeksbevindingen niet gebleken. Er is niet komen vast te staan dat beiden betrokken waren bij de poging van [naam medeverdachte 9] tot invoer. Wel is de rechtbank gebleken dat beiden enige betrokkenheid met het feit hadden, nadat het reeds door [naam medeverdachte 9] was gepleegd. Dit is echter onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken.

[naam verdachte] zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 1.5 (ZD5)

[naam verdachte] wordt verweten dat hij gepoogd heeft om tezamen met anderen 51 kg hasjiesj in te voeren. Uit het dossier blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op zaterdag 12 juli 2008 hebben agenten van de Guardia Civil de voertuigen die in de haven van Ceuta klaar stonden om ingescheept te worden op de veerboot naar het Iberische schiereiland aan een inspectie onderworpen. Bij die inspectie heeft een speurhond een melding gemaakt bij een Toyota Camry met het kenteken HS-FQ-340. Men heeft de bestuurder van de auto, [naam medeverdachte 11], verzocht de auto in de garage van de Guardia Civil te plaatsen en deze heeft aan dat verzoek voldaan.

De auto is vervolgens onderzocht en daarbij zijn in een verborgen ruimte in de kofferbak 143 blokken aangetroffen.

De agenten van de Guardia Civil hebben [naammedeverdachte 11] daarop aangehouden.

De aangetroffen blokken zijn gewogen en onderzocht. Het bleek een hoeveelheid hasjiesj te betreffen met een brutogewicht van 51.450 gram en een nettogewicht van 46.247,95 gram.

Voormelde onderzoeksbevindingen zijn verkregen nadat door de Spaanse autoriteiten een verzoek was ingediend bij het Internationaal Rechtshulpcentrum. In dit verzoek werd gevraagd naar GBA- en kentekengegevens en het vermeldde dat [naammedeverdachte 11], geboren op 14 november 1962 te Sittard, in verband met het vervoeren van 51,45 kilogram hasjiesj in een Toyota Camry voorzien van het Duitse kenteken [KENTEKENNUMMER]op 12 juli 2008 in Ceuta werd aangehouden.

De gegevens uit het verzoek werden daarop geverifieerd bij de Liaison Officer te Madrid, waarna een op 28 januari 2009 gedateerd rechtshulpverzoek aan de Spaanse autoriteiten werd gezonden. In dit verzoek werd de Spaanse autoriteiten verzocht informatie te verschaffen omtrent de aanhouding [naam medeverdachte 11] en de inbeslagname van de hasjiesj.

Het (Duitse) kenteken [KENTEKENNUMMER]is bevraagd bij het EPICC. Daarbij bleek dat het kenteken ten name is gesteld van [dochter medeverdachte 11], wonend aan de [adres] te Selfkant (Duitsland).

[naammedeverdachte 11] heeft verklaard dat hij Naam medeverdachte 4 en de vriendin van [naam medeverdachte 4], [naam medeverdachte 1], kent. Hij heeft voorts verklaard dat hij in maart 2002 is vrijgekomen na een detentie die verband hield met verdovende middelen. Via gokken is hij toen in contact gekomen met andere mensen. Mensen van allochtone afkomst. Dat was in de gokhallen in Sittard en Geleen ergens in 2006/2007. Ettelijke maanden later werd hij door een Marokkaanse man aangesproken die zichzelf [R.]noemde. Hij kreeg geld van die man als hij bij het gokken geen geld meer had. Die [R.]vroeg hem om een klusje te doen. Het was de bedoeling dat hij met een auto naar Spanje reed. Er werd hem niet verteld waarom hij dat moest doen, maar het was hem meteen duidelijk dat het om hasjiesj ging. ‘Een Marokkaan en rijden naar de Marokkaanse grens leidt tot een logische conclusie, namelijk Hashish’ aldus letterlijk [naammedeverdachte 11].

Hij heeft in 2008 toegehapt, omdat hij geen andere uitweg meer zag. Hij is tot tweemaal toe vertrokken, maar met een lege auto teruggekomen, omdat hij niet durfde. Daar waren ‘ze’ niet blij mee. [naammedeverdachte 11] verklaart daarbij ‘ze’ te zeggen, omdat hij in de loop van de tijd verschillende personen heeft gezien. Zo kreeg hij van een ander dan [R.]geld en van weer een ander heeft hij sleutels van een auto gekregen. In Spanje werd hij ook weer door andere personen aangesproken.

Twee of drie dagen voor zijn aanhouding op 12 juli is hij vertrokken vanuit Nederland met een Toyota Camry. Hij moest de auto op zijn naam laten zetten, maar dat kon niet en daarom heeft hij zijn dochter gevraagd het kenteken op haar naam te zetten. Hij zou van [R.]€ 5.000,- als beloning krijgen en zijn schuld van € 2.000,- à € 3.000,- zou hem worden kwijtgescholden. Hij is één nacht in een hotel in Ceuta verbleven. De dag erna is hij teruggereden. Bij de boot is hij toen aangehouden.

Zijn vrouw is nog wel lastiggevallen. ‘Ze kwamen haar vragen of ze nog iets wist van mij. Mijn vrouw heeft ook nog geld gekregen. Dat was een bedrag van € 1.000,00 naar ik meen. Ik weet niet van wie ze dat geld gekregen heeft. Ik weet wel dat mijn vrouw mijn hele vriendenkring en familie heeft gebeld om geld te krijgen om mij te bezoeken. Desgevraagd door de officier van justitie verklaart hij hieromtrent nog: “Mijn vrouw heeft mij in Spanje één keer bezocht. Dat was in november 2008. Ze was toen alleen. Het ticket werd betaald van de € 1.000,- die ze kreeg. Die € 1.000,- waren voor mij bestemd. Ik weet niet of de € 1.000,- het resultaat was van de belronde door mijn vrouw of dat die op een andere wijze tot haar zijn gekomen.’

De roepnaam [naam medeverdachte 11] is [B] en de vrouw [naam medeverdachte 11] betreft [naam echtgenote medeverdachte 11]. Zij hebben een dochter genaamd [dochter medeverdachte 11]. Zowel [naam echtgenote medeverdachte 11] als [dochter medeverdachte 11] heeft diverse telefoongesprekken met [naam verdachte] gevoerd. Ook zijn er gesprekken gevoerd tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4].

Op 21 oktober 2008 is [naam verdachte] om 19:51 uur gebeld door [naam echtgenote medeverdachte 11]. In dit gesprek vraagt [naam echtgenote medeverdachte 11] aan [naam verdachte] of deze deze week langs kan komen met [naam medeverdachte 4]. [naam verdachte] zegt daarop dat hij denkt, morgen of overmorgen, maar hij weet het nog niet zeker. [naam echtgenote medeverdachte 11] zegt daarop: ‘Ik moet iets, ik moet volgende maand naar [naam medeverdachte 11] gaan’.

Die 21ste oktober 2008 is [naam verdachte] om 20:53 gebeld door [naam medeverdachte 4]. [naam medeverdachte 4]is weer gebeld door ‘[J.]’ uit Holland. [naam verdachte] zegt dat zij hem ook heeft gebeld. [naam medeverdachte 4]zegt: ‘want we moeten morgen kijken voor een vijf en weet ik het allemaal’. [naam verdachte] merkt dan op dat hij daar morgen naar toe komt en hem opbelt zodra hij er is. [naam medeverdachte 4]geeft daarbij nog te kennen dat hij met [naam verdachte] meegaat. Ze kijken dan wel even hoe en wat.

Op 23 oktober 2008 is [naam verdachte] om 14:06 uur gebeld door [naam medeverdachte 4]. Deze vraagt hoe laat [naam verdachte] langs zou komen en of hij nog bij ‘dinges’ is geweest. [naam verdachte] is niet bij dinges geweest en komt binnen een uurtje of zo naar [naam medeverdachte 4]toe. [naam medeverdachte 4]zegt dan haar te bellen of zij iets weet en zegt voorts: ’Dat we even langs gaan ze willen nog praten over de vakantie van november of zoiets’. Er wordt bij haar afgesproken.

Diezelfde dag, 23 oktober 2008, is [naam verdachte] om 17:29 uur gebeld door [naam medeverdachte 4].

[naam medeverdachte 4]zegt dat de dochter van [naam medeverdachte 11] had gekeken en dat de goedkoopste tot nu toe van 30 november, € 160,- per persoon was, € 170,- per persoon inclusief tax en alles. [naam verdachte] zegt dat dat wel goed is. [naam medeverdachte 4]zegt dat hij moet kijken of hij dat met de creditcard gaat doen, met [naam medeverdachte 1], want het moet via de creditcard betaald worden. [naam verdachte] zegt dat als dat kan, hij dat straks terugkrijgt. [naam medeverdachte 4]merkt op dat het van Brussel is. [naam verdachte] zegt dan dat een stuk goedkoper is. Er wordt nog gesproken over wegbrengen en afhalen van tickets. Aan het einde van gesprek zegt [naam medeverdachte 4]dat hij morgen even naar haar toegaat en dat hij dan even kijkt hoe het precies in elkaar zit en ‘dan regelen we dat wel’. [naam verdachte] sluit af met: ‘Is goed, dank je wel he, oke hoi hoi’.

Op 24 oktober om 16:46 uur heeft [naam medeverdachte 4]weer met [naam verdachte] gebeld. [naam medeverdachte 4]is daar even geweest. ‘Die tickets zijn altijd rond eehh… 800 euro dus we gaan woensdag even kijken in Brussel.’ [naam medeverdachte 4]zegt dan dat hij niet online via de creditcard en met [naam medeverdachte 1]s naam gaat bestellen, maar dat hij woensdag met hen naar Brussel rijdt en dat hij dan gaat kijken of ze daar de tickets rechtstreeks kunnen krijgen.

Op 31 oktober heeft [naam verdachte] om 17:31 uur naar [dochter medeverdachte 11] gebeld. [naam verdachte] geeft te kennen net gebeld te zijn op zijn nummer en vraagt wie hij nu spreekt. Na enig heen en weer gepraat, waarbij [naam verdachte] zegt dat [naam dochter medeverdachte 11] met [naam medeverdachte 3] spreekt, is het [naam verdachte] duidelijk met wie hij praat: de dochter van [naam echtgenote medeverdachte 11] en [naam medeverdachte 11]. [naam dochter medeverdachte 11] vraagt hoe het zat met die auto. [naam verdachte] zegt dan dat hij dat niet is, maar een vriend van hem. Hij laat die vriend straks met [naam dochter medeverdachte 11] bellen. Hij, [naam verdachte], gaat hem bellen, het is ‘[R]’, dan belt hij straks op. [naam dochter medeverdachte 11] zegt dat dat goed is.

Op 5 november 2008 heeft [naam echtgenote medeverdachte 11] om 16:04 uur met [dochter medeverdachte 11] gebeld. [naam dochter medeverdachte 11] komt morgen en [naam echtgenote medeverdachte 11] zegt dat ze samen naar het reisbureau kunnen gaan om de tickets te halen. [naam echtgenote medeverdachte 11] geeft te kennen € 1.000,- te hebben gekregen voor de tickets.

Op 6 november 2008 heeft [naam verdachte] om 15:32 uur naar [naam echtgenote medeverdachte 11] gebeld. [naam echtgenote medeverdachte 11] zegt dat ze dat ticket net heeft gehaald. Ze gaat alleen. Een ticket kost € 450,- voor heen en terug en dan heeft ze voor € 200,- het hotel, daar waar ze moet zijn in “Logo”. [naam dochter medeverdachte 11] gaat niet mee. [naam echtgenote medeverdachte 11] weet niet hoe ze dat op moet brengen. [naam verdachte] komt vanavond of morgen even bij haar langs en dan geeft hij haar nog een beetje voor daar en voor [naam medeverdachte 11]. [naam echtgenote medeverdachte 11] zegt dan: ‘Ok dan ben ik blij, ook voor [naam dochter medeverdachte 11] met die auto he’. [naam verdachte] vraagt of [naam dochter medeverdachte 11] bij [naam echtgenote medeverdachte 11] is, dat is ze en hij krijgt haar aan de lijn. [naam verdachte] vraagt of [naam dochter medeverdachte 11] morgen even tijd heeft. Morgenmiddag heeft [naam dochter medeverdachte 11] tijd. [naam verdachte] belt van tevoren en komt dan naar haar moeder.

[naam verdachte] heeft op 7 november 2008 om 16:12 uur naar [dochter medeverdachte 11] gebeld. Hij ziet haar over vijf minuten bij haar moeder.

[dochter medeverdachte 11] heeft op diezelfde dag, 7 november 2008, om 18:11 uur een sms-bericht naar [naam verdachte] gestuurd: ‘ik heb een boete ontvangen van 75 e van die auto. Boete is van verkeerd parkeren op 4 juli. groetjes’.

Om 18:13 uur heeft [naam verdachte] aan [dochter medeverdachte 11] gesms’t: ‘Ok komt goed bel je wel morgen ofzo dan geef ik je dat’.

Om 18:14 heeft [dochter medeverdachte 11] aan [naam verdachte] gesms’t: ‘dank je’.

Op 26 november 2008, nadat [dochter medeverdachte 11] om 13:37 uur een sms-bericht naar hem heeft gestuurd met de tekst: ‘kan je me aub bellen?’, belt [naam verdachte] om 13.38 uur naar [naam dochter medeverdachte 11].

[dochter medeverdachte 11] heeft een probleem met een boete en het betalen van de verzekering. [naam verdachte] geeft daarop te kennen dat ze dat even moeten regelen. Vervolgens vraagt [naam verdachte] hoe het met haar moeder gegaan is. [dochter medeverdachte 11] antwoordt hierop dat het wel goed was. Haar vader zag er erg goed uit zei haar moeder en het was haar toch goed afgegaan. Haar vader stond er versteld van dat het haar was gelukt om in dat gehucht terecht te komen.

Diezelfde dag, 26 november 2008, heeft [naam verdachte] om 13:42 uur nog eens gebeld naar [dochter medeverdachte 11]. In dat gesprek vraagt hij haar hoeveel het is. Het is € 400,- en de boete is € 60,-. De

€ 15,- van de aanmaning van de boete wil [dochter medeverdachte 11] zelf wel betalen. Ze zit midden in een verhuizing en ze heeft het al heel erg krap. [naam verdachte] probeert een vriend van hem te bereiken die kan het dan straks bij haar langsbrengen en anders belt hij haar later nog even op. Het kan ook in de winkel waar ze werkt, het Pandjeshuis, gegeven worden.

Om 17.00 uur heeft [dochter medeverdachte 11] nog een sms-bericht aan [naam verdachte] gestuurd met de tekst: ‘weet je al iets?’.

Bij haar verhoor op 1 september 2009 heeft [naam echtgenote medeverdachte 11] verklaard dat ze weet dat [naam medeverdachte 11] [naammedeverdachte 11] in Spanje vast zit voor de smokkel van hasjiesj met de auto. Ze heeft hem één keer bezocht. Ze is op donderdag 14 of 15 november 2008 alleen naar Spanje gegaan. Ze is vanuit Brussel naar Madrid gevlogen. Vanuit Madrid is ze naar La Coruna gevlogen en vervolgens is ze met de bus van La Coruna naar Logo te Spanje gereden.

Bij haar verhoor op 3 september 2009 heeft [naam echtgenote medeverdachte 11] verklaard dat [naam medeverdachte 4] haar geld heeft gebracht in november 2008 zodat zij [naam medeverdachte 11] kon opzoeken in Spanje. Toen hij dat geld bracht, kreeg ze ook een papiertje van de criminele organisatie dat [naam medeverdachte 11] nog € 2.000,- schuld bij hen had, waarover zij zei: ‘en ik denk dat ze hiermee bedoelden dat ik niet meer om geld moest vragen’. [naam medeverdachte 4] had het papiertje en het geld voor de reis naar Spanje weer van iemand van de organisatie gekregen. Van wie [naam medeverdachte 4] het heeft gekregen, weet ze niet. Ze weet niet of de vriendin van [naam medeverdachte 4], [naam vriendin medeverdachte 4], ook wel eens drugstransporten uitvoerde. Als [naam echtgenote medeverdachte 11] het afgeluisterde telefoongesprek tussen haar en haar dochter van 5 november 2008 om 16:04 uur wordt voorgehouden, verklaart ze: ‘Ik kan hierover zeggen dat ik me herinner dat ik inderdaad dit gesprek gevoerd heb met [naam dochter medeverdachte 11]. Normaal heb ik geen beltegoed. Ik kan het me niet goed herinneren, maar volgen mij heeft hij, “Kan”, [naam dochter medeverdachte 11] gebeld en heb ik het gesprek gevoerd met zijn telefoon omdat ik vermoedelijk geen beltegoed had. Deze telefoon was van de “Kan” waarover ik eerder heb verklaard. Dit is de getinte Turkse of Marokkaanse jongen van 30 a 35 jaar oud. Deze “Kan” is toen samen met [naam medeverdachte 4] bij mij geweest om onder andere geld te geven voor de reis naar [naam medeverdachte 11] in Spanje. Ik kreeg 700 euro voor de reis en ik kreeg 300 euro om aan [naam medeverdachte 11] te geven in de gevangenis omdat hij geen geld had. Van dat geld kon hij wat kopen. [naam medeverdachte 4] en “Kan” waren samen bij mij maar ik weet niet mee van wie ik het geld kreeg. Ik kreeg het geld gewoon van hun. Ik heb het telefoonnummer van “Kan” en van [naam medeverdachte 4] opgeschreven op de envelop. Deze envelop geef ik u mee ten behoeve van het onderzoek, ik heb deze niet meer nodig. Deze envelop is als bijlage 3 bij dit verhoor gevoegd. Deze “Kan” kwam mij ook vertellen in juli 2008 dat [naam medeverdachte 11] was aangehouden in Spanje/Marokko voor drugssmokkel. Hij vertelde dat hij [naam medeverdachte 11] financieel zou helpen zodat [naam medeverdachte 11] het een beetje goed heeft in de gevangenis. Dit heeft hij ook gedaan door later geld te geven voor de reis naar [naam medeverdachte 11] en 300 euro om aan [naam medeverdachte 11] te geven.’.

Op de als bijlage 3 bijgevoegde envelop staat onder “Kan” 06 43 600 552. Dit nummer is in gebruik (geweest) bij [naam verdachte].

[dochter medeverdachte 11] heeft bij haar verhoor op 2 september 2009 onder meer verklaard dat ze niet weet hoe de personen voor wie [naam medeverdachte 11] [naammedeverdachte 11] het drugstransport waarvoor hij vastzit heeft gedaan heten. Ze weet wel dat het mannen waren en ze heeft er wel eens één van gezien. ‘Dit betrof een buitenlandse man met donker haar. Zijn huidskleur was getint. Ik schat hem ongeveer 30 a 35 jaar oud. Ik heb hem 1 keer gezien bij mijn moeder thuis. Dat was ongeveer een jaar geleden. Het was nadat mijn vader vast zat. Hij was daar omdat mijn moeder geld aan het verzamelen was zodat ze naar Spanje kon gaan op bezoek bij mijn vader. Ik was daar ook maar ik ben gewoon in de woonkamer gaan zitten. Mijn vader had ook een bijnaam voor hem namelijk “Kan”.’

[naam medeverdachte 1] heeft bij haar verhoor op donderdag 15 januari 2009 op de vraag door wie zij en Naam medeverdachte 4 in de drugssmokkel terecht zijn gekomen, geantwoord dat dit door een kennis van [naam medeverdachte 4] is gekomen. ‘Die had [naam medeverdachte 4] benaderd om drugs naar Nederland te brengen. Dit zou een makkelijke manier zijn om geld te verdienen. Deze kennis is [naam medeverdachte 11] die zit in Spanje vast. [naam medeverdachte 11] woont in Sittard maar [naam medeverdachte 11] zit nu vast in Spanje voor drugssmokkel. Dit voor dezelfde organisatie van [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3]. Ik kan over [naam medeverdachte 11] vertellen dat hij een Duitse vrouw heeft die gebrekkig Nederlands spreekt. Ze hebben ook nog een dochter. [naam medeverdachte 4] vertelde dat [naam medeverdachte 11] veel schulden heeft en dat hij veel drinkt en gokt. [naam medeverdachte 4] vertelde dat [naam medeverdachte 11] al een aantal keren had gereden voor [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3]. Volgens mij had [naam medeverdachte 11] drugs gehaald vanuit Ceuta. Met welke auto weet ik niet. Hij is toen gepakt in Spanje.

U vraagt mij hoe [naam medeverdachte 4] en ik in contact zijn gekomen met [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3]. Ik kan u zeggen dat dit via [naam medeverdachte 11] is gegaan. [naam medeverdachte 4] had veel interesse in de drugssmokkel. Meer dan een jaar geleden is [naam medeverdachte 11] toen samen met [naam medeverdachte 12] en/of [naam medeverdachte 3] bij mij thuis geweest in Susteren. Ik was ook daarbij. Er is gesproken over de drugshandel die uitgevoerd moest worden. [naam medeverdachte 11] deed al drugstransporten voordat [naam medeverdachte 4] en ik dit hebben gedaan. Ik kan me nog herinneren dat dit door [naam medeverdachte 11] als makkelijk werd voorgeschilderd. Het hele traject is in het gesprek besproken. Dat je een mooie auto zou krijgen, dat je onderweg naar Marokko gewoon hotels kon pakken. Dat alle kosten werden betaald van de reis en verblijf. Dat je daar in Marokko de auto aan [naam medeverdachte 12] moest geven. Dat daar dan de drugs in de auto werden gedaan en dat wanneer je bij groen licht kon vertrekken naar Nederland. Als je [in] Nederland aankwam moest je de auto vol met drugs afgeven. Dan kreeg je meteen het geld (10000 euro) of je kreeg de dag erna.

U vraagt mij wat ik bedoel met groen licht.

Ik kan u zeggen dat ik hiermee bedoel dat er dan douaniers bij de grens staan en die zijn omgekocht. Ze laten dan de auto met drugs ongecontroleerd door. Tijdens dit gesprek heeft [naam medeverdachte 12] dit tegen ons verteld.’

Eerder, bij haar verhoor op 14 januari 2009, had [naam medeverdachte 1] al verklaard: ‘[naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3] hadden gezegd als iemand zou worden opgepakt dat er voor gezorgd werd. Dit in de vorm van bijstand van een advocaat en geld.’

Conclusie

De poging [naam medeverdachte 11] om een hoeveelheid hasjiesj in te voeren in Nederland is als het medeplegen daarvan aan zowel [naam verdachte] als [naam medeverdachte 12] tenlastegelegd. Om van medeplegen te kunnen spreken moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit houdt in dat de medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging.

Van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking is de rechtbank echter uit de onderzoeksbevindingen niet gebleken. Er is niet komen vast te staan dat beiden betrokken waren bij de poging tot invoer door [naammedeverdachte 11]. Wel is de rechtbank gebleken dat beiden enige betrokkenheid met het feit hadden, nadat het reeds door [naammedeverdachte 11] was gepleegd. Dit is echter onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken

[naam verdachte] zal derhalve worden vrij gesproken van dit feit.

Feit 2 (ZD6)

Aan [naam verdachte] wordt als feit 2 verweten dat hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 januari 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenoemde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’(de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan en een bepaalde mate van hiërarchie of sturing van de leden van de organisatie. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Voor het bewijs van dit feit is nodig dat bewezen kan worden dat een criminele organisatie zoals tenlastegelegd heeft bestaan en dat verdachte daaraan heeft deelgenomen.

Uit de door de rechtbank ten aanzien van [naam verdachte] hierboven bewezen geachte feiten kan worden afgeleid dat [naam verdachte] in ieder geval in de periode van december 2007 tot en met 7 januari 2009 meermalen betrokken is geweest bij de invoer van hasjiesj.

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat er, in de eerste plaats gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 1] van kan worden uitgegaan dat de invoer van hasjiesj plaats vond vanaf december 2007. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard zij in die periode samen met Naam medeverdachte 4 vijf keer drugs heeft geïmporteerd en dat Naam medeverdachte 4 samen met [A.T.] één transport heeft gedaan. Voor elk transport werd € 10.000,- betaald.

Haar verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen. [naam echtgenote medeverdachte 2] vertelde dat [naam medeverdachte 4]hem had verteld dat de rit in december 2008 zijn zevende rit was en dat [naam medeverdachte 1] aan hem, [naam echtgenote medeverdachte 2] en zijn vrouw had verteld, dat zij zelf vier keer met [naam medeverdachte 4] mee is geweest. [naam medeverdachte 4]had aan [naam echtgenote medeverdachte 2] verteld dat zijn zus drie keer mee is geweest. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [A.T.] de half zus is van [naam medeverdachte 4]. En zij heeft eraan toegevoegd: ‘Ik kan u zeggen dat [A.T.]1 maal (…) meegegaan is. Zij heeft dit drugstransport gedaan samen met [naam medeverdachte 4]’.

De transporten werden uitgevoerd met auto’s, die op naam van koeriers werden geschreven. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij voor de organisatie in 2008 vier auto’s op haar naam had staan. [naam echtgenote medeverdachte 2] had op 8 november 2008 een Seat Toledo met het kenteken [kentekennummer] op zijn naam staan.

Ten behoeve van het drugstransport werden de auto’s van geheime bergruimtes voorzien. Meerdere keren werd gebruik gemaakt van dezelfde type auto’s: 2 Seats Toledo, 2 Skodas Octavia, 2 Toyotas Avensis.

[naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] hebben het meest over de organisatie verteld, waarbij [naam medeverdachte 1] informatie uit eerste hand verstrekte en de informatie van [naam echtgenote medeverdachte 2] voor een deel afkomstig was van hetgeen Naam medeverdachte 4 hem had verteld. Uit hun verklaringen kan in verband met ander bewijs worden afgeleid dat behalve [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 4]in elk geval [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] bij de organisatie betrokken waren. [naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] hebben de namen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] niet gebezigd, maar over [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12]/[naam medeverdachte 12] gesproken. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat met de namen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12]/[naam medeverdachte 12] [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] zijn bedoeld.

Uit met name de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam echtgenote medeverdachte 2] in verband met een groot aantal telefoongesprekken valt af te leiden dat er sprake was van een terugkerende manier van werken, waarbij [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12] ervoor zorgen dat auto’s werden aangekocht, op naam van een koerier werden overgeschreven en van een geheime bergruimte voorzien. Zij regelden verder de drugstransporten, inclusief het verblijf van de koeriers ter plaatse, de aankoop van de hasjiesj en de betaling van de koeriers. Zo nodig zorgde de organisatie kennelijk ook voor bijstand van een advocaat.

[naam medeverdachte 4]en [naam medeverdachte 1] waren koeriers, maar daarnaast ‘ronselden’ ze ook andere koeriers. Daarvoor betaalde de organisatie extra.

Ten laste is gelegd dat [naam verdachte], [naam medeverdachte 6], [naam medeverdachte 12], [naam medeverdachte 4]en [naam medeverdachte 1] deel hebben genomen aan de criminele organisatie. Op basis van al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte], [naam medeverdachte 12], [naam medeverdachte 4]en [naam medeverdachte 1] in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 januari 2009 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Daar niet is komen vast te staan dat ook [naam medeverdachte 6] aan die organisatie heeft deelgenomen, zal de rechtbank van dat onderdeel partieel vrijspreken..

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1.1

in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht ongeveer 56 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 1.2

op 07 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 237 kilogram hasjiesj, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

in de periode van 01 december 2007 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en te Beek en te Utrecht en te Susteren heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en S. [naam medeverdachte 12] en R. [naam medeverdachte 4]en [naam medeverdachte 1] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1.1 en 1.2

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, ten aanzien van de ongeveer 56 kilogram hasjiesj gepleegd in eendaadse samenloop

t.a.v. feit 2:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij de strafoplegging verzocht rekening te houden met het volgende. De verdediging acht de straf, zoals door de officier van justitie voorgesteld, niet in verhouding staan met straffen die in den landen voor soortgelijke feiten worden en werden opgelegd. De verdediging verzoekt dan ook de straf te matigen en te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke straf met een proeftijd. [naam verdachte] heeft nu immers zijn leven op orde en hij heeft werk. Een onvoorwaardelijk straf zou dat doorkruisen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van [naam verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[naam verdachte] heeft tezamen met anderen een criminele organisatie gevormd die zich bezighield met de internationale handel in drugs. [naam verdachte] speelde daarbij tezamen met [naam medeverdachte 12] een wezenlijke, leidinggevende rol. Zij hielden zich onder meer bezig met de inkoop van de hasjiesj, de planning van de smokkeltransporten en de aankoop van vervoermiddelen. Daarbij hadden zij teneinde hun smokkeltransporten aan de grens ongemoeid te laten ook de beschikking over omgekochte douaniers.

Een en ander verontrust de rechtbank in hoge mate.

Dat het hier “slechts” om hasjiesj ging, ziet de rechtbank niet als een omstandigheid die [naam verdachte] danig disculpeert en die verontrusting wegneemt. Ook hasjiesj brengt, gelijk als ieder andere drug, bij gebruik schade toe aan de gezondheid en met het gebruik van en de handel in hasjiesj gaan vaak allerlei vormen van criminaliteit gepaard, zoals hier het omkopen van ambtenaren.

Daarenboven heeft [naam verdachte] door zijn door de lust tot geldelijk gewin ingegeven misdrijven de nationale en internationale rechtsorde geschonden.

Dit alles rekent de rechtbank [naam verdachte] ernstig aan.

Gelet op het bovenstaande alsook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank het passend en geboden aan [naam verdachte] een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 40 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

6 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd om de drie auto’s die onder verdachte in beslag zijn genomen verbeurd te verklaren. Over de overige items op de beslaglijst heeft zij zich niet uitgelaten. De verdediging heeft ten aanzien van het beslag niets naar voren gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende in beslag genomen voorwerpen: vuilniszak, pakketpost, verpakkingsmateriaal, Seat Toledo [kentekennummer], Skoda Octavia [kentekennummer] en de Toyota Avensis [kentekennummer], alsmede het aankoopbewijs voertuig [kentekennummer] verbeurd dienen te worden verklaard omdat het voorwerpen zijn waarmee de feiten zijn begaan.

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de overige in beslag genomen voorwerpen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11a van Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1.3, 1.4 en 1.5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen vuilniszak, pakketpost, verpakkingsmateriaal, Seat Toledo, Skoda Octavia en de Toyota Avensis;

- gelast dat de overige in beslag genomen goederen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (ongeveer) 237 kilogram hasjiesj, althans (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hasjiesj, (telkens) zijnde hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en/of

hij op of omstreeks 07 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad (ongeveer) 237 kilogram hasjiesj, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 november 2008 tot en met 10 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 80 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een voertuig (Seat Octavia gekentekend [KENTEKENNUMMER]en/of [KENTEKENNUMMER]) gekocht en/of

- voornoemd voertuig voorzien van een dubbele bodem, althans van verborgen ruimte(n) en/of

- een of meerdere koerier(s), zijnde onder meer [naam medeverdachte 7], aangezocht en/of

- voornoemde [naam medeverdachte 7], al dan niet telefonisch, aanwijzingen gegeven en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj aangekocht en/of gefinancierd en/of

- voornoemd voertuig overgedragen aan voornoemde [naam medeverdachte 7]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 16 oktober 2008 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek en/of te Utrecht, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko en/of te Ceuta, in

elk geval in Spanje, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 66 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een voertuig (Toyota Avensis gekentekend [KENTEKENNUMMER]) gekocht en/of

- voornoemd voertuig voorzien van een dubbele bodem, althans van verborgen ruimte(n) en/of

- een of meerdere koerier(s), zijnde onder meer [naam medeverdachte 9], aangezocht en/of

- voornoemde [naam medeverdachte 9], al dan niet telefonisch, aanwijzingen gegeven en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj aangekocht en/of gefinancierd en/of

- voornoemd voertuig overgedragen aan voornoemde [naam medeverdachte 9]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 juli 2008 tot en met 12 juli 2008 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko en/of te Ceuta, in elk geval in Spanje tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 51 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst II, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- een voertuig (Toyota Camry gekentekend [KENTEKENNUMMER]) gekocht en/of

- voornoemd voertuig voorzien van een dubbele bodem, althans van verborgen ruimte(n) en/of

- een of meerdere koerier(s), zijnde onder meer [naammedeverdachte 11], aangezocht en/of

- voornoemde [naammedeverdachte 11], al dan niet telefonisch, aanwijzingen gegeven en/of

- een of meer hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj aangekocht en/of gefinancierd en/of

- voornoemd voertuig overgedragen aan voornoemde [naammedeverdachte 11]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek en/of te Utrecht en/of te Susteren en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en/of [naam medeverdachte 6] en/of [naam medeverdachte 12] en/of [naam medeverdachte 4]en/of [naam medeverdachte 1] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/864002-08

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 14 juli 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. J. Wöretshofer, rechter,

mr. officier van justitie,

mr. J.P.E. Mullers, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman L de Leon, advocaat te Utrecht.