Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN1304

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
03/864005-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in de zaak strafzaak ‘Madeleine’. Stemherkenning. Verdachte is veroordeeld voor invoer hasjiesj en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/864005-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Raadsman is mr. S.T. Van Berge Henegouwen loco raadsvrouw mr. S.M. Kurvers, beiden advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2009, 24 maart 2010 en van 28, 29 en 30 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1.1 samen met anderen heeft geprobeerd om een grote hoeveelheid hasjiesj Nederland binnen te brengen; (ZD1)

feit 1.2 samen met anderen 237 kilogram hasjiesj Nederland binnen heeft gebracht; (ZD1)

feit 1.3 samen met anderen verschillende keren hasjiesj Nederland binnen heeft gebracht; (ZD1)

feit 2 heeft deelgenomen aan een organisatie gericht op het plegen van druggerelateerde delicten. (ZD6)

3 De voorvragen

3.1.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Schending gelijkheidsbeginsel

De raadsman heeft ten aanzien van de tenlastegelegde deelname aan de criminele organisatie een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de officier van justitie onder 1 enkel het medeplegen van het door [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] uitgevoerde transport bewezen acht, terwijl er voor de overige feiten en het ‘ronselen’ onvoldoende bewijs is. De raadsman vervolgt dat als er onvoldoende bewijsmiddelen zijn voor het overige onder feit 1 tenlastegelegde, dat dan ook het geval is met betrekking tot feit 2. Het transport door [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] is het enige feit dat aan die twee verdachten wordt verweten. Aan [naam verdachte]wordt wel deelname aan een criminele organisatie verweten en aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] niet. Vanwege dit verschil zou volgens de raadsman het gelijkheidsbeginsel geschonden zijn en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank volgt de verdediging niet. De stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie het gelijkheidsbeginsel geschonden zou hebben door wel [naam verdachte] , maar niet [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] voor de deelname aan een criminele organisatie te vervolgen gaat niet op. In de onderbouwing van het verweer worden meerdere ongelijksoortige uitspraken gedaan. Er wordt gesproken over wat de officier van justitie bewezen zou achten, over dat er voor de overige feiten onvoldoende bewijs is en over wat een verdachte wordt verweten.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op grond waarvan de verdediging het gelijkheidsbeginsel geschonden acht. Er is hoe dan ook niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel [naam verdachte]voor meer feiten vervolgt dan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5]. Op grond van de verdenkingen stond het het openbaar ministerie vrij om bij [naam verdachte]enerzijds en [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] anderzijds de feiten ten laste te leggen die het heeft tenlastegelegd.

Het verweer wordt verworpen.

‘Ne bis in idem’ beginsel

Inleiding

Aan het dossier is een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Tanger (Marokko) d.d. 02 juni 2009 toegevoegd. Daaruit blijkt het volgende.

Door Marokkaanse autoriteiten is een bericht ontvangen van de Nederlandse veiligheidsautoriteiten over een criminele organisatie die met drie auto’s met buitenlandse kentekens verdovende middelen wil smokkelen van Marokko naar Europa. Vervolgens heeft de Marokkaanse politie, naar aanleiding van die melding, de verdachten [naam medeverdachte 7] en [naam verdachte] aangehouden. In de auto waarover [naam medeverdachte 7] beschikte met het Duitse kenteken: [KENTEKENNUMMER] is 80 kg ‘Shira’ aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat “shira” een andere benaming is voor hasjiesj.

[naam medeverdachte 7] heeft bij zijn verhoor door de politie toegegeven dat hij wist dat er drugs in de auto verstopt waren. Verder verklaart hij dat hij de drugs tegen een geldelijke vergoeding naar Europa wilde smokkelen.

[naam verdachte]heeft bij zijn verhoor door de politie verklaard dat hij [naam medeverdachte 7] niet kent en dat hij niets te maken heeft met de bij hem aangetroffen drugs.

Op 2 juni 2009 is zowel [naam medeverdachte 7] als [naam verdachte]voor de Arrondissementsrechtbank te Tanger (Marokko) verschenen.

[naam medeverdachte 7] is beschuldigd van het illegale bezit van drugs en het transport van drugs, het medeplegen van handel in drugs, het mogelijk maken van consumptie door anderen en het exporteren van drugs via een douanekantoor zonder te beschikken over de vereiste toestemming of vergunning.

[naam verdachte]is beschuldigd van het medeplegen van de handel in drugs en het mogelijk maken van consumptie door anderen.

[naam medeverdachte 7] heeft ter zitting in Marokko verklaard dat hij [naam verdachte]niet kent.

[naam medeverdachte 7] is veroordeeld wegens het bezit van drugs en het vervoer van drugs, de poging om die drugs naar het buitenland te vervoeren om erin te handelen, de samenzwering om deze strafbare feiten te plegen en de poging om de drugs te smokkelen via het douane kantoor zonder toestemming of vergunning. De Arrondissementsrechtbank baseert haar oordeel op het op heterdaad betrappen van [naam medeverdachte 7] en zijn bekentenis bij zijn eerste verhoor.

[naam verdachte]is in Marokko vrijgesproken van alle jegens hem geuite beschuldigingen. De Arrondissementsrechtbank kwam tot haar oordeel omdat er geen bewijzen zijn voor het deelnemen aan de handel in drugs en het ter beschikking stellen daarvan aan anderen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de vervolging van [naam verdachte]in Marokko een dermate nauwe samenhang vertoont met hetgeen onder feit 1.1 ten laste is gelegd dat zij daarvoor niet-ontvankelijk in haar vervolging moet worden verklaard. In artikel 68, tweede lid, Wetboek van Strafrecht is immers bepaald dat tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaatsvindt in geval van een onherroepelijke vrijspraak bij een rechtelijke uitspraak. Het betreft volgens de officier van justitie de vervolging gebaseerd op zaaksdossier 1, te weten het vervoer van drugs dat zou zijn gebeurd met de auto met kenteken 44-RK-TR.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de stukken over de Marokkaanse vervolging van [naam verdachte]geen duidelijkheid scheppen over pleegperiodes, aantallen transporten, etcetera Daardoor kan niet worden vastgesteld voor welke feiten [naam verdachte]is vrijgesproken en met betrekking tot welke feiten hij (niet) is vervolgd.

De verdediging is dan ook van mening dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de vervolging in Marokko enkel betrekking had op het transport waarvoor [naam verdachte]op dat moment in Marokko zou zijn. Het lijkt er in zoverre dan ook op dat de vervolging van [naam verdachte]zag op meerdere transporten van drugs. Hem werd immers gevraagd hoe vaak hij in Marokko was geweest. Ook spreekt het vonnis over samenzwering hetgeen erop zou kunnen duiden dat ook vervolging was ingesteld wegens deelname aan een criminele organisatie. De verdediging is, gelet op het bovenstaande, primair van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten in haar vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging om de Marokkaanse autoriteiten te vragen naar de precieze omvang van de vervolging van [naam verdachte]. Meer subsidiair is de verdediging van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging ten aanzien van de feiten die betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Ten slotte is de verdediging meest subsidiair van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging ten aanzien de feiten die betrekking hebben op het beweerdelijk transport in de periode van december 2008 tot en met januari 2009.

Het oordeel van de rechtbank

Door de officier van justitie alsmede de verdediging is een beroep gedaan op het ‘ne bis in idem’ beginsel zoals dat is neergelegd in artikel 68 Wetboek van Strafrecht. Uit dat artikel volgt dat niemand andermaal vervolgd kan worden wegens een feit waarover te zijner aanzien bij gewijsde van een rechter in Nederland onherroepelijk heeft beslist. Is het gewijsde afkomstig van een andere rechter, dan heeft tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats in geval van vrijspraak.

In de onderhavige zaak is [naam verdachte]door een Marokkaanse rechter vrijgesproken van een aantal feiten.

De vraag is nu of de feiten waarvoor [naam verdachte]in Marokko is vrijgesproken dezelfde feiten zijn als waarvoor hij thans door de officier van justitie vervolgd wordt.

Uit het Marokkaanse vonnis volgt dat [naam verdachte]is vervolgd voor de handel in drugs en het mogelijk maken van consumptie door anderen. Ook volgt uit het vonnis dat [naam verdachte]naar aanleiding van een Nederlandse melding in de haven van Tanger (Marokko) is aangehouden en dat naar aanleiding van de Nederlandse melding ook [naam medeverdachte 7] is aangehouden en dat in [naam medeverdachte 7]s auto 80 kg drugs is aangetroffen.

In het verhoor op 11 januari 2009 door de Marokkaanse politie zijn aan [naam verdachte]verschillende vragen gesteld over zijn komst naar Marokko, het wel en wee met betrekking tot de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] op naam van [naam medeverdachte 1] en zijn betrokkenheid bij de aangetroffen drugs in de auto van [naam medeverdachte 7]. De rechtbank overweegt dat uit dit verhoor blijkt dat de vervolging bij [naam verdachte]gericht was op een mogelijk transport van drugs met de auto met als kenteken [kentekennummer] en een mogelijk transport van drugs door [naam medeverdachte 7] met de auto met als kenteken [KENTEKENNUMMER].

Nu [naam verdachte]door een rechter in Marokko is vrijgesproken voor hetzelfde feit als waarvoor hij door de officier van justitie wederom vervolgd wordt, zal de officier van justitie op basis van ‘ne bis in idem’ beginsel niet-ontvankelijk in haar vervolging worden verklaard voorzover die vervolging betrekking heeft op de poging tot invoer van drugs met de auto met kenteken [kentekennummer] (feit 1.1).

De rechtbank heeft uit het Marokkaanse vonnis en de Marokkaanse verhoren van [naam verdachte]niet kunnen opmaken dat de vervolging in Marokko gericht was op de overige aan [naam verdachte] tenlastegelegde feiten. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om nadere informatie over het Marokkaanse vonnis in deze zaak op te doen vragen. De officier van justitie is voor deze feiten ontvankelijk in haar vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.2

De officier van justitie acht dit feit bewezen, met name gelet op de

verklaring van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2].

Feit 1.3

De officier van justitie vordert verdachte van dit feit vrij te spreken, omdat naast de

verklaring van [naam medeverdachte 1] onvoldoende ander bewijs in het dossier voorhanden is.

Feit 2

De officier van justitie is van oordeel dat in de onderhavige zaak voldaan is aan de kenmerken van een criminele organisatie en dat [naam verdachte]daar aan heeft deelgenomen. De officier van justitie komt dan ook tot de conclusie dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1.2

De verdediging is van mening dat dit feit niet bewezen kan worden, omdat daartoe

onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is.

Feit 1.3

De verdediging is van mening dat ook dit feit niet bewezen kan worden, omdat naast

de verklaring van [naam medeverdachte 1] onvoldoende ander bewijs in het dossier voorhanden is.

Feit 2

De verdediging is van mening dat verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken, omdat verdachte in elk geval niet duurzaam heeft deelgenomen aan de beweerdelijke criminele organisatie.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Algemeen

Bruikbaarheid van de stemherkenningen

De zaak tegen [naam verdachte]maakt deel uit van het onderzoek [naam onderzoek]. In dit onderzoek, waarin bijna 8000 telefoongesprekken zijn afgeluisterd (tapgesprekken), nemen de tapgesprekken een belangrijke plaats in.

De raadsman heeft aangevoerd dat de stemherkenning van de stem van [naam verdachte]onbetrouwbaar is, omdat de verbalisanten die de stemherkenning hebben verricht niet deskundig zijn en voor een betrouwbare stemherkenning deskundigheid een vereiste is. Dat geldt niet slechts voor het rechtstreeks afluisteren van tapgesprekken, maar ook voor het vergelijken van een stem van een tapgesprek met een stem tijdens een verhoor gehoord.

De rechtbank zal eerst enkele algemene opmerkingen over stemherkenningen in het strafrecht maken, vervolgens weergeven hoe in deze zaak de stemherkenning heeft plaatsgevonden en ten slotte aangeven waarom zij de stemherkenning betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs acht.

Algemeen

Vooropgesteld moet worden dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat (resultaten van) stemherkenningen door tolken en verbalisanten in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een categorische uitsluiting van deze stemherkenningen van het bewijs.

Dit neemt niet weg dat bij de waardering van de bewijskracht van deze stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats is, mede in het licht van de kanttekeningen die vanuit de wetenschap worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van dergelijke herkenningen in het algemeen, en de in het onderhavige geval aangevoerde bezwaren van de verdediging tegen de gevolgde werkwijze in het bijzonder.

In de jurisprudentie worden feiten en omstandigheden genoemd die aan de betrouwbaarheid van dergelijke stemherkenningen in zijn algemeenheid bijdragen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is ook in het onderhavige geval sprake:

- Twee verbalisanten kenden de stem van de verdachte in die zin dat zij hem hebben verhoord en vervolgens zijn stem in een aantal tapgesprekken herkenden.

- De stemherkenningen worden ondersteund door overige bewijsmiddelen.

Te noemen zijn:

- In tapgesprekken werden opmerkingen gemaakt die wijzen op de identiteit van de gebruiker.

- Verdachte en/of anderen hebben verklaard over de gebruikers van bepaalde telefoonnummers.

- Uit de combinatie van de inhoud van een tapgesprek in samenhang met andere opsporingsactiviteiten kan worden afgeleid dat verdachte deelnemer aan een bepaald gesprek was.

De wijze van stemherkenning van [naam verdachte]

In verband met taps van telefoonnummers die in gebruik waren bij [naam medeverdachte 3] werd van een vijftal gesprekken bij een stemvergelijking door de verbalisanten [W.] en [naam medeverdachte 3] waargenomen dat de stem van de tweede gespreksdeelnemer, aangeduid als NNman5599, NNman9303, Nnman6401, Nnman6809/[naam verdachte]6809 en Nnman9644/[naam verdachte]9644 telkens de stem van één en dezelfde persoon was.

Verbalisant [naam medeverdachte 3] relateert hoe hij [naam verdachte] heeft geïdentificeerd. In een telefoongesprek zegt [naam verdachte] dat hij de telefoon van zijn zus gebruikt, terwijl hij op dat moment het telecommunicatienummer [gsm nummer] gebruikt, dat op naam staat van [A.T.]. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat [A.T.] de halfzus is van [naam verdachte].

Op 6 april 2009 hebben de verbalisanten [W.] en [V.] [naam verdachte]in Marokko gehoord. De beide verbalisanten hebben de tapgesprekken die vermeld staan in de processen-verbaal stemvergelijking en identificatie vergeleken met de stem van [naam verdachte]tijdens het verhoor in Marokko. Zij hoorden dat de stem in de tapgesprekken dezelfde stem was als de stem van [naam verdachte]tijdens het verhoor in Marokko.

Een van de ten behoeve van de stemherkenning afgeluisterde telefoongesprekken betrof een gesprek waarin [naam medeverdachte 3] belt met NNman6809 met het telecommunicatienummer [gsm nummer]. De NNman6809 meldt zich als ‘Met [naam verdachte]’. [naam medeverdachte 1], de vrouw van [naam verdachte], heeft verklaard dat het telefoonnummer [gsm nummer] haar telefoonnummer is.

[naam medeverdachte 1] herkent ook in meerdere haar voorgehouden tapgesprekken de stem van [naam verdachte].

De op 7 januari 2009 in de woning van verdachte [naam medeverdachte 2] aangetroffen Nokia N95 met het telefoonnummer 06-34857387 bleek te naam gesteld te zijn van [naam medeverdachte 2]. In de telefoon waren als contacten onder andere vastgelegd: [voornaam medeverdachte 1] [telefoonnummer] en [naam verdachte] I en [naam verdachte], Maroc. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat ‘[naam verdachte]’ [naam verdachte] was, ‘[voornaam medeverdachte 1]’ [naam medeverdachte 1] en ‘[naam verdachte] Maroc’ het Marokkaanse nummer van [naam verdachte] betrof.

Conclusie

Op grond van wat hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de stemherkenningen van [naam verdachte]in voldoende mate ondersteund worden door andere feiten en omstandigheden/bewijsmiddelen en dat de tapgesprekken waaraan volgens de stemherkenning [naam verdachte]heeft deelgenomen derhalve bruikbaar zijn voor het bewijs.

De rechtbank merkt verder op dat zij in de vonnissen van de medeverdachten [naam medeverdachte 12], [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] heeft geoordeeld dat ook de stemherkenningen van deze verdachten bruikbaar zijn voor het bewijs.

Betrouwbaarheid [naam medeverdachte 1] en het gebruik van haar verklaringen

Standpunt verdediging

De verdediging van [naam verdachte]acht de verklaringen van [naam medeverdachte 1] niet betrouwbaar omdat [naam medeverdachte 1] tot haar verklaringen is gekomen door ontoelaatbare druk van de verhorende ambtenaren. De verdediging verzoekt op grond daarvan tot uitsluiting van de verklaringen van het bewijs.

Standpunt officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft [naam medeverdachte 1] weloverwogen een keuze gemaakt om te gaan verklaren. Zij zegt dan de waarheid te gaan vertellen en noemt namen en details. Voordat zij uitgebreid gaat verklaren heeft ze ook gesproken met haar advocaat. Daar vertelt ze zelf over en ze merkt op dat de advocaat haar had aanbevolen om eerlijk te zijn. [naam medeverdachte 1] heeft aangegeven op die weg verder te willen. Er is ook geen aanwijzing aangetroffen dat er sprake was van druk. [naam medeverdachte 1] is op goede wijze gehoord en steeds op haar verschoningsrecht gewezen. Zij heeft bewust en consistent verklaard. Haar verklaringen zijn daarom betrouwbaar en bruikbaar tot bewijs.

Standpunt rechtbank

Alvorens inhoudelijk op het door de raadsman aangevoerde in te gaan, zal de rechtbank eerst enkele opmerkingen maken over de gang van zaken.

[naam medeverdachte 1] is op 13 januari 2009 aangehouden en dezelfde dag, om 12.40 uur, in verzekering gesteld.

[naam medeverdachte 1] is door de politie zes keer verhoord. Haar eerste verhoor vond op 13 januari 2009 plaats, haar vierde, vijfde en zesde verhoor op 15 januari 2009. Op 15 januari 2009 is [naam medeverdachte 1] ook bezocht door haar raadsman.

Op verzoek van de verdediging is [naam medeverdachte 1] tevens op 26 januari 2010 bij de rechter-commissaris gehoord. Aldaar heeft zij zich op haar verschoningsrecht beroepen. Op vragen van de verdediging heeft zij verklaard: ‘Ik heb wel op enig moment druk gevoeld. Ik heb die druk gevoeld doordat mij werd verteld dat Marokko ook om uitlevering kon vragen. Men heeft tegen mij gezegd dat als men, de Nederlandse politie dus, met mij bezig was en een zaak tegen mij had, kon Marokko niet om uitlevering vragen’.

Op 23 februari 2010 hebben de verbalisanten [W.] en [naam medeverdachte 3] een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Daarin relateren zij dat zij op 13 januari 2009, 13:30 uur, [naam medeverdachte 1] voor de eerste maal hebben verhoord. De verbalisanten vermelden dat zij toen het vermoeden hadden dat [naam medeverdachte 1] niet de waarheid sprak, omdat zij het kennelijk moeilijk vond om te liegen en daarom een gespannen indruk maakte. Op dezelfde dag om 17.00 uur is de tweede verklaring van [naam medeverdachte 1] opgenomen. [naam medeverdachte 1] heeft aan het begin van dit verhoor verklaard dat zij nu graag eerlijk wilde zijn. [naam medeverdachte 1] kwam op de verbalisanten thans ontspannen over en dat is ook zo gebleven tot het laatste, zesde, verhoor. Verder verklaren de verbalisanten dat de verklaringen in vrijheid werden afgelegd en er op geen enkele wijze sprake is geweest van enige druk in welke vorm dan ook. Er is niet gesproken over uitlevering aan Marokko of iets dergelijks. Evenmin is er gesproken over het feit dat de politie in Marokko [naam medeverdachte 1] zou willen horen. Verder is er niet gesproken over een gevangenisstraf van 6 jaar.

Uit de processen-verbaal van verhoren van [naam medeverdachte 1] blijkt dat [naam medeverdachte 1] aan het begin van elke verklaring bij de politie aangeeft dat zij weet dat ze niet tot antwoorden verplicht is, dat zij is gewezen op haar verschoningsrecht en weet wat dit inhoudt en dat zij zich goed in staat voelt om een verklaring af te leggen. [naam medeverdachte 1] heeft al haar verklaringen bij de politie ondertekend.

In haar derde verklaring d.d. 14 januari 2009, verklaart [naam medeverdachte 1] dat zij met haar advocaat heeft gesproken en dat deze haar heeft verteld dat het goed was dat zij eerlijk is geweest en dit ook gewoon moet doen. Vanaf haar tweede verklaring heeft [naam medeverdachte 1] aan de strekking van die verklaring vastgehouden.

Conclusie

Het pressieverbod van artikel 27, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is in de wet opgenomen om te voorkomen dat verdachten zich vanwege ontoelaatbare druk zelf belasten. Een verklaring van een verdachte in de zaak van een andere verdachte is een verklaring van een getuige. Voor het horen van getuigen kent de wet geen met artikel 27, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vergelijkbare bepaling. Een verklaring van een getuige is daarom in beginsel ook bruikbaar voor het bewijs als op die getuige meer pressie wordt uitgeoefend dan bij een verdachte toelaatbaar is. Dat is alleen anders als op de getuige door verhorende ambtenaren een zodanige druk is uitgeoefend dat het aannemelijk is dat zijn of haar verklaring niet geloofwaardig is.

In deze zaak heeft [naam medeverdachte 1], die weliswaar als verdachte werd gehoord, maar wier verklaringen in de niet gevoegde zaken van medeverdachten als verklaringen van een getuige moeten worden aangemerkt, aan het begin van elke verklaring bij de politie aangegeven dat zij weet dat ze niet tot antwoorden verplicht is, dat zij is gewezen op haar verschoningsrecht en weet wat dit inhoudt en dat zij zich goed in staat voelt om een verklaring af te leggen. [naam medeverdachte 1] heeft al haar verklaringen bij de politie ondertekend.

In haar derde verklaring d.d. 14 januari 2010 verklaarde [naam medeverdachte 1] dat zij met haar advocaat heeft gesproken en dat deze haar heeft verteld dat het goed was dat zij eerlijk is geweest en dit ook gewoon moet doen. Vanaf haar tweede verklaring heeft [naam medeverdachte 1] aan de strekking van die verklaring vastgehouden.

Er is niet gebleken dat door de verhorende verbalisanten op enigerlei moment een zodanige druk is uitgeoefend op [naam medeverdachte 1], dat zij daardoor onjuist heeft verklaard. [naam medeverdachte 1] is ook niet op de strekking van haar verklaringen teruggekomen.

Het verzoek om de verklaringen van [naam medeverdachte 1] van het bewijs uit te sluiten wordt daarom afgewezen.

De identiteit van ‘[naam medeverdachte 3]’ en van ‘[naam medeverdachte 12]’

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben belastend verklaard over twee personen die zij kennen onder de naam ‘[naam medeverdachte 3]’ en ‘[naam medeverdachte 12]’ of ‘[naam medeverdachte 12]’. [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam verdachte] had gezegd dat er twee Marokkanen waren die een moeilijke naam hadden en dat [naam verdachte] ze voor het gemak [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] noemde. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij wist dat [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] niet de echte namen van de betreffende personen waren, omdat een Marokkaan niet zo heet.

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben ook verklaard dat zij [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] hebben gezien en contact met hen hebben gehad. Volgens [naam medeverdachte 1] zijn [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] afzonderlijk bij haar thuis geweest, heeft zij [naam medeverdachte 12] in Ceuta ontmoet en heeft zowel [naam medeverdachte 3] als [naam medeverdachte 12] meermaals ingebeld op haar telefoonnummer. Over een telefoongesprek van 24 december 2008 zegt [naam medeverdachte 1] dat zij zich het gesprek nog goed kan herinneren. Het is een gesprek gevoerd tussen [naam verdachte] en een andere man. [naam medeverdachte 1] verklaart ter zake: ‘Ik hoorde aan de stem van de beller dat dit [naam medeverdachte 12] van de organisatie was. Ik weet nog dat hij onduidelijk sprak. Ik heb de telefoon aan [naam verdachte] gegeven’. Het telefoongesprek vond plaats tussen het telefoonnummer 06-11399644, waarvan de partner van [naam medeverdachte 1], [naam verdachte] gebruiker was en het telefoonnummer [telefoonnummer], waarvan [naam medeverdachte 12]gebruiker was.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [naam medeverdachte 12] in Marokko heeft ontmoet. Onder meer zei hij: ‘Op een gegeven moment vertelde [naam medeverdachte 12] dat alles goed kwam. Hij stelde voor om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan. (…) Toen zijn we vertrokken naar Casablanca. (…) [naam medeverdachte 12] had een hotel gereserveerd. Hij had een vijf sterren hotel geboekt. Dit was super de luxe’.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] op 27 december 2008 zegt [naam medeverdachte 12]: ‘Ik heb tegen “hen” gezegd jullie gaan naar Marakesch om daar een hotel te pakken, …’. In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] op 28 december 2008 zegt [naam medeverdachte 12] dat hij precies zal uitleggen hoe ze moeten rijden en dat hij zal reserveren bij Hotel Ibis in Marakesch.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3] op 2 januari 2009 zegt [naam medeverdachte 12]: ‘(…) weet je [naam medeverdachte 3], weet je hoeveel kosten er zijn, ongelooflijk! (…) als ik alles in mijn handen had, dan doe ik de ene hier en de andere daar, dan weet ik wat er allemaal is, heel makkelijk. Ik doe ze in hotel, als er veel mensen zijn, doe ik ze allemaal in appartement.’

Op 8 januari 2009 heeft [naam medeverdachte 2] onder meer verklaard dat hij op de terugweg van Marokko twee keer gebeld werd door [naam medeverdachte 12].‘Toen ik Maastricht door was belde [naam medeverdachte 3] mij op. (…) Ik heb toen met [naam medeverdachte 3] afgesproken bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp. Ik zag dat [naam medeverdachte 3] zijn auto achter de pomp had geparkeerd. Ik ben samen met [naam medeverdachte 3], in de Toledo, richting mijn woning gereden. [naam medeverdachte 3] heeft zich voorgesteld als een vriend van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12]’.

Uit een telefoongesprek blijkt dat [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] op 7 januari 2009, 17:02 uur, ‘bij dat tankstation bij hotel Born afspreken’.

[naam medeverdachte 2] herkent dit gesprek en zegt: ‘Dit was een gesprek tussen mij en [naam medeverdachte 3]’. Als gezegd wordt dat de andere persoon genaamd is: ‘ [naam medeverdachte 3]’, verklaart [naam medeverdachte 2], dat hem die naam niets zegt, waaraan hij nog toevoegt: ‘[naam verdachte] heeft de persoon waar ik het voorgaande gesprek mee gevoerd heb de bijnaam [naam medeverdachte 3] gegeven’.

Op 7 januari 2009, omstreeks 15:59 uur wordt gezien dat een Seat Toledo met het Nederlandse kenteken [kentekennummer] vanuit België over de A2 reed in de richting van Maastricht. De observant herkende als chauffeur [naam medeverdachte 2]. Omstreeks 17:07 uur werd gezien dat de Seat met [naam medeverdachte 2] stopte op het Esso tankstation te Born. Omstreeks 17:14 uur werd gezien dat een Toyota Avensis met kenteken [kentekennummer]achter de shop van dit tankstation parkeerde. De observant herkende de bestuurder van deze Toyota als [naam medeverdachte 3. [naam medeverdachte 3] stapte in de Seat, waarna de Seat met [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] wegreed.

Conclusie:

Op grond van het voorafgaande acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat wanneer in deze zaak over ‘[naam medeverdachte 3]’ wordt gesproken [naam medeverdachte 3 en wanneer over ‘[naam medeverdachte 12]’ wordt gesproken [naam medeverdachte 12]is bedoeld en zal zij daar in het vervolg van uitgaan.

4.3.2 De tenlastegelegde feiten

Feit 1.2

Als [naam verdachte]wordt verweten dat hij tezamen met anderen 237 kilogram hasjiesj heeft ingevoerd.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard twee maal tezamen met een andere persoon, wiens naam zij op dat moment niet wil noemen, een drugstransport te hebben uitgevoerd vanuit Marokko. Het tweede transport heeft plaatsgevonden vanaf 21 december 2008. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard samen met een andere persoon voorafgaand aan dit transport een gesprek te hebben gehad met [naam echtgenote medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 2][naam medeverdachte 1] en deze andere persoon gingen weer een transport doen en zij wisten dat de organisatie nog meer mensen zocht. Zij wisten dat [naam medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] diep in de schulden zaten en zij hadden [naam medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] benaderd of zij ook een drugstransport wilden doen vanuit Marokko naar Nederland. [naam medeverdachte 2] had meteen ingestemd vanwege de grote schulden die zij hadden. [naam echtgenote medeverdachte 2] had getwijfeld maar was snel overgehaald. Op 21 december 2008 zijn [naam medeverdachte 1] met haar zoontje en een derde persoon en [naam medeverdachte 2] met [naam echtgenote medeverdachte 2] met hun twee dochters met twee auto’s in de richting van Marokko vertrokken. Tevoren had elk van beide stellen een Seat Toledo ontvangen die op hun naam moest worden gesteld. In Marokko hadden [naam medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] hun Seat afgegeven aan iemand. Die had de auto volgestopt met drugs. Vervolgens waren [naam medeverdachte 2] en [naam echtgenote medeverdachte 2] op dinsdag 6 januari 2009 vertrokken naar Nederland met de auto vol met drugs.

In een ander verhoor heeft [naam medeverdachte 1] deze ‘andere persoon’ nader aangeduid als [naam verdachte].

[naam medeverdachte 1] heeft voorts op 14 januari 2009 verklaard twee personen van de organisatie van de drugshandel te kennen. Dat zijn [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12]. Dit zijn Marokkanen. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] afzonderlijk bij haar thuis op de [S-straat]te Susteren zijn geweest om uitleg te geven aan voornamelijk [naam verdachte]. [naam medeverdachte 1] was er altijd bij. De uitleg ging onder andere over de drugshandel, de route die gereden moest worden, hoe het op de boot ging en hoe het verliep in Marokko. Voorts heeft [naam medeverdachte 1] verklaard in december 2008 tijdens een ontmoeting met [naam medeverdachte 12] samen met [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 5] en [naam verdachte]te hebben gesproken over het transport van de drugs. [naam medeverdachte 1] heeft verder in dit verhoor verklaard dat de organisatie, [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3], alle kosten betaalden van vervoer en verblijf. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard te hebben gezien dat [naam medeverdachte 12] in Marokko geld aan [naam verdachte]gaf.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam verdachte]hem begin november 2008 heeft gevraagd of hij een auto op zijn naam wilde laten zetten. De auto was eind november op een zaterdag overgeschreven en te naam gesteld. [naam medeverdachte 2] heeft op 19 december 2008 de Seat Toledo gekregen. [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte]kwamen toen beiden in een Seat Toledo, een zwarte en een grijze. De zwarte Seat Toledo stond op naam van [naam medeverdachte 2] en de grijze Seat Toledo stond op naam van [naam medeverdachte 1]. Met deze twee voertuigen zijn ze op 21 december 2008 samen naar Marokko vertrokken. Tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo op naam van [naam medeverdachte 2] heeft [naam verdachte]verteld dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [naam verdachte]heeft verteld dat dit €10.000,- per rit opbracht. Met een ‘volle wagen’ heeft [naam medeverdachte 2] desgevraagd verklaard te bedoelen dat de auto volgestopt zou worden met materiaal. [naam medeverdachte 2] wist dat het om drugs zou gaan en vermoedde dat het om hasjiesj ging. [naam verdachte]heeft [naam medeverdachte 2] verteld dat de auto’s geprepareerd zouden worden. Er zouden loze ruimtes of kokers worden gemaakt in de auto’s.

Voorts heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat hij, [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 12] in een theehuis in Marokko hebben ontmoet en met hem hebben gesproken over de financiën. [naam verdachte]kreeg steeds geld van [naam medeverdachte 12] voor de kosten.

[naam medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris op 27 januari 2010 (onder meer in de zaak [naam verdachte] ) verklaard dat het doel van de reis naar Marokko tijdens het eerste gesprek al duidelijk was. Hij had van [naam verdachte] gehoord dat hasjiesj in de auto verstopt zou worden.

Deze verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2], vinden steun in de volgende bewijsmiddelen.

Op 7 november 2008 heeft [naam verdachte]in een telefoongesprek aan [naam medeverdachte 3] medegedeeld: ‘ik ga straks naar hem toe dan laat ik die andere auto overschrijven’.

Volgens informatie van de RDW stond de Seat Toledo, kenteken [kentekennummer], met ingang van 8 november 2008 op naam van [naam medeverdachte 2], wonende [adres medeverdachte 2] te Born.

Tijdens observaties uitgevoerd in de periode tussen 8 november 2008 en 18 december 2008 werd deze auto echter geen enkele maal gezien in de omgeving van het adres [adres medeverdachte 2] te Born.

Op 10 december 2008 heeft [naam medeverdachte 3] met garagebedrijf [naam garagebedrijf]gebeld voor een kleine beurt van de [kentekennummer].

Op 14 december 2008 heeft [naam verdachte]telefonisch gevraagd wanneer [naam medeverdachte 3] tijd heeft om te komen. [naam medeverdachte 3] zei toe woensdag te zullen komen. [naam verdachte]zegt dan:

‘kijk maar of je alle twee die dingen hier krijgt. Wij willen zondag vertrekken’

[naam medeverdachte 3] zegt: ‘de 21 e’

[naam verdachte]antwoordt: ‘ja’.

Tijdens een observatie op 21 december 2008 omstreeks 11:56 uur werd gezien dat twee voertuigen Seat Toledo over de Rijksweg A2 richting Maastricht rijden. Een auto betrof een zwarte Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], met daarin bestuurder [naam medeverdachte 2], bijrijdster [naam medeverdachte 5] en hun 2 kinderen. De andere auto betrof een lichtblauwe Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], met daarin bestuurder [naam verdachte] , bijrijdster [naam medeverdachte 1] en een kind op de achterbank. Omstreeks 11:59 uur heeft verbalisant beide voertuigen zien rijden op de A2 bij Maastricht Aachen Airport in de richting België.

Op 24 december 2008 heeft [naam medeverdachte 12] gebeld naar [naam verdachte]en gevraagd wat het telefoonnummer was van het hotel waar [naam verdachte]verbleef. [naam verdachte]antwoordt dan: 212 039325043.

De rechtbank acht het daarbij een feit van algemene bekendheid dat 212 het landnummer van Marokko is.

Op 27 december 2008 heeft [naam medeverdachte 3] gebeld naar [naam medeverdachte 12], welke laatstgenoemde op dat moment gebruik maakt van een Marokkaans telefoonnummer. [naam medeverdachte 12] zegt dan:

‘Nu “verliezen”/onkosten we aan mensen in Tanger. Ik zei tegen “hem”er zijn hier 7 mensen in Tanger, wij “verliezen”/onkosten hotel en datgene. Ik zie tegen “hem”schiet op. Ik zei tegen “hem”die persoon wacht op jou dat je komt, zodat we kunnen werken. Ik zei tegen “hem”als jij niet komt dan, dan kan “hij”ons die auto’s niet “sturen”

(…)’

En verder zegt [naam medeverdachte 12] nog:

‘Ik heb tegen “hen”gezegd jullie gaan naar Marrakech om daar een hotel te pakken, “hij” zei tegen me kan niet, kinderen zijn bij ons, dat en dat, begrijp je?’

[naam medeverdachte 3] antwoordt:

‘”ze”hebben het gehad, vervelen zich’

[naam medeverdachte 12] zegt:

‘nee, die anderen willen gaan, snap je?’

[naam medeverdachte 3] zegt:

‘die nieuwe?’

[naam medeverdachte 12] antwoordt:

‘die nieuwe willen gaan ja. Die zijn Marokko niet gewend en willen gaan. Die twee kinderen hebben’

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 12] voorstelde om een paar dagen naar Casablanca of Marakesch te gaan, naar [naam medeverdachte 2] verklaart: ‘voor zodat alles weer rustig was’. [naam medeverdachte 12] had daarvoor geld gegeven aan [naam verdachte]. [naam medeverdachte 12] had een hotel gereserveerd.

Op 28 december 2008 heeft [naam medeverdachte 12] telefonisch aan [naam medeverdachte 3] medegedeeld:

‘ik ben eruit/heb overlegd met die zeven personen, “ze”gaan naar [M.1]’ (fon)

Enkele minuten laten heeft [naam medeverdachte 12] wederom met [naam medeverdachte 3] gebeld.

Beiden bespreken dan:

[naam medeverdachte 3]: ‘als “ze”nou zijn gegaan en “ze”pakken “hen”daar met die plaats/plek (fon) hoe dan?’

[naam medeverdachte 12]: ‘waar moeten “ze” ”hem”pakken met die plaats/plek (fon)’

[naam medeverdachte 3]: ‘bij douane’

[naam medeverdachte 12]: ‘waar moeten “ze” ”hen”pakken?

[naam medeverdachte 3]: ‘daar in Tanger’

(…)

[naam medeverdachte 12]: ‘sowieso auto in beslag’

[naam medeverdachte 3]: ‘dan moeten “ze”zeker niet die auto meenemen, denk ik’

[naam medeverdachte 12]: ‘”ze”gaan naar Marrakkesch zei ik tegen je en niet naar…’

[naam medeverdachte 3]: ‘”ze”gaan naar Marrakkesch’

[naam medeverdachte 12]: ‘wat dacht jij dan?’

[naam medeverdachte 3]: ‘ik dacht Malaga, vriend’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, “ze”gaan naar Marrakkesch’

(…)

[naam medeverdachte 3]: ‘stuur Momo of Afrika met “hen”, want “ze”kennen de weg niet. Als “hem”een probleem overkomt’

[naam medeverdachte 12]: ‘nee, nee, de weg is heel makkelijk, ik zal “hem”precies uitleggen hoe “hij”moet rijden. “Hij”heeft mijn nummer als er wat gebeurt.’

[naam medeverdachte 3]: ‘dit zijn westerlingen’

[naam medeverdachte 12]: ‘ze moeten Casablanca pakken en dan alsmaar rechtdoor tot Marrakkesch, eerste intree krijgt je hotel Ibis. Ik ga reserveren dan pakken “ze”hotel Ibis Marrakkesch daar’

[naam medeverdachte 3]: ‘dan moet je … reserveren’

[naam medeverdachte 12]: ‘ik ga nu reserveren. Ik geef “hem”een miljoen frank (…) dan kan “hij”daar omhoog om te leven’.

Op 7 januari 2009 om 15:59 uur is tijdens een observatie gezien dat de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] rijdt over de A2 komende vanuit België en rijdend in de richting van Maastricht.

Als chauffeur treedt op dat moment [naam medeverdachte 2] op en bijrijdster is [naam medeverdachte 5]. Omstreeks 16:43 uur stopt de Seat op de oprit van de woning [adres medeverdachte 2] te Born. Omstreeks 16:59 uur vertrekt [naam medeverdachte 2] wederom in voornoemde Seat als enige inzittende en rijdt naar het Esso tankstation te Born, alwaar hij omstreeks 17:07 uur arriveert.

Onderweg, om 17:02 uur, heeft [naam medeverdachte 2] gebeld naar [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] stelt dan voor bij ‘dat tankstation bij hotel Born’ af te spreken, hetgeen [naam medeverdachte 2] goed vindt.

Omstreeks 17:14 uur ziet een verbalisant vervolgens een personenauto Toyota Avensis met kenteken [kentekennummer]achter de shop van voornoemd tankstation parkeren. De bestuurder, die ambtshalve wordt herkend als [naam medeverdachte 3, stapt uit en stapt als bijrijder in de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], waarna de Seat met [naam medeverdachte 2] als chauffeur en [naam medeverdachte 3] als bijrijder weg rijdt. Omstreeks 18:03 uur ziet een verbalisant dat de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] zonder inzittenden geparkeerd staat op de Van Pallandtstraat te Sittard. Dat de Van Pallandtstraat te Sittard een straat is gelegen in de directe nabijheid van de Willem van Gelre-Gulikstraat te Sittard acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Een verbalisant ruikt op dat moment een sterke op wiet dan wel hasjiesj gelijkende lucht in de directe omgeving van het perceel Willem van Gelre-Gulikstraat te Sittard.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard, dat toen hij Maastricht gepasseerd was, hij gebeld werd door [naam medeverdachte 3], die zich voorstelde als een vriend van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 12]. Hij heeft toen met [naam medeverdachte 3] bij hotel Born langs de snelweg tegenover een pomp afgesproken en heeft [naam medeverdachte 3] aldaar ontmoet.

[naam medeverdachte 3] heeft [naam medeverdachte 2] toen € 10.000,- gegeven in briefjes van vijftig. [naam medeverdachte 2] wist dat het € 10.000,- was omdat [naam verdachte] hem in Marokko had verteld dat hij € 10.000,- zou krijgen.

Bij een doorzoeking in de woning van [naam medeverdachte 2] aan de [adres medeverdachte 2] te Born op 7 januari 2009 is onder meer een bedrag van € 10.000,- in contanten (gebundeld in briefjes van

€ 50,-) in beslag genomen.

Kort na binnenkomst van de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] in Nederland, om 16:15 uur, heeft [naam medeverdachte 3] gebeld naar en gezegd: ‘kom naar me toe, ik heb je nodig’. Als [naam medeverdachte 6] vervolgens vraagt: ‘waar?’, antwoordt [naam medeverdachte 3]: ‘kom thuis naar me toe’.

Om 17:12 uur bellen beide weer met elkaar. [naam medeverdachte 6] vraagt dan: ‘kom je me ophalen?’, waarop [naam medeverdachte 3] vraagt: ‘kun je niet de taxi pakken of zo?’. [naam medeverdachte 6] zegt dan dat hij nog wat te doen heeft en [naam medeverdachte 3] zegt dat [naam medeverdachte 6] maar moet bellen als hij klaar is. [naam medeverdachte 6] zegt dan: ‘laat die spullen tot ik klaar ben, dan kom ik naar je toe (...) ik kijk wel hoe, taxi of zo’.

Om 17:48 uur belt [naam medeverdachte 3] wederom naar [naam medeverdachte 6] en vraagt hem te komen.

Verbalisanten hebben op 7 januari 2009 om 19.19 uur gezien dat er een taxi richting de woning [adres] te Sittard rijdt. De woning [adres] te Sittard betreft het GBA-adres van [naam medeverdachte 3. Een persoon die later ambtshalve werd herkend als [naam medeverdachte 6] stapt als bijrijder uit voornoemde taxi en belt aan bij het perceel [adres] 64, waarna hij wordt binnengelaten. Omstreeks 20:22 uur is gezien dat vanaf de oprit van het perceel [adres] 64 een personenauto wegrijdt, de garagepoort van voornoemd perceel open staat en [naam medeverdachte 6] in de geopende garage staat. Omstreeks 20:24 uur is gezien dat de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] de garage wordt binnengereden, waarna [naam medeverdachte 6] de garagepoort sluit.

Om 20:45 uur die dag heeft er in de woning aan de [adres] 64 te Sittard een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking is in de garage, welke vanuit de keuken en de bijkeuken met een tussendeur te bereiken is, een Seat Toledo aangetroffen met kenteken [kentekennummer]. Aan de linkerzijde van de auto stond een krik onder de auto en het linker achterwiel was verwijderd. Bij dit achterwiel stond een boodschappentas met het opschrift ‘Plus’. In deze tas lagen 5 pakketten, vermoedelijk hasjiesj. De achterlichten van de Toledo waren gedemonteerd. Achter de Seat Toledo lag een kunststof wielbak welke afkomstig was vanaf de linkerachterzijde.

In de wielbak was een rechthoekige opening aangebracht en daarachter zag verbalisant diverse pakketten in een verborgen ruimte zitten. Op de vloer bij het achterwiel lag een zwart rechthoekig metalen plaatje met daarin twee schroeven. Dit plaatje paste in de rechthoekige opening in de wielbak.

Bij nader onderzoek van de Seat Toledo bleek dat er op de bestaande bodemplaat van de kofferruimte een nieuwe bodemplaat gemonteerd was, waardoor voornoemde verborgen ruimte ontstond welke ongeveer 10 tot 15 centimeter hoog was. In deze verborgen ruimte werden in totaal 112 pakketten aangetroffen met een totaal gewicht van ongeveer 56 kilogram. Een willekeurig pakket werd geopend en bleek te bestaan uit 5 plakken met een gezamenlijk gewicht van 500 gram. Deze willekeurige plak werd onderworpen aan de MMC Cannabis Test, welke positief reageerde op de aanwezigheid van marihuana, THC of hasjiesj. Op het aanrecht in de woning werd een autosleutel merk Seat aangetroffen, welke bleek te passen op de portiersloten en het stuurcontact slot van de zich in de garage bevindende Seat Toledo met kenteken [kentekennummer].

Naast de pakketten aangetroffen in de Seat Toledo en in de boodschappentas in de garage, werden ook in de woning op verschillende plekken pakketten hasjiesj aangetroffen. Zo werd onder meer in de woonkamer een aantal sporttassen aangetroffen met daarin partijen hasjiesj en op de bank in de woonkamer werden 33 losse pakketten en 5 plakken hasjiesj aangetroffen. Een willekeurige plak uit een van de sporttassen in de woonkamer testte eveneens positief op marihuana, THC of hasjiesj tijdens een MMC Cannabis test.

In totaal werd in de woning [adres] 64 te Sittard (inclusief de aangetroffen hoeveelheid in de Seat Toledo en in de garage) ongeveer 237,5 kg hasjiesj aangetroffen.

Tijdens de doorzoeking van de woning [adres] 64 te Sittard werd in de keuken van de woning [naam medeverdachte 6] aangehouden. Bij zijn aanhouding werd door verbalisant [S.]gezien dat diens handen vuil en met viezigheid besmeerd waren en er uit zagen ‘alsof hij automonteur van beroep zou kunnen zijn en zojuist aan het werk was geweest’. Op het aanrecht van de woning zag verbalisant diverse elektrische gereedschappen liggen met bijbehorende koffers en materialen.

Conclusie

Gelet op alle hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam medeverdachte 12] tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 2], [naam medeverdachte 5] en [naam verdachte]in de periode van 1 november 2008 tot en met 7 januari 2009 een hoeveelheid van ongeveer 56 kilogram hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De import heeft gelet op alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden middels een Seat Toledo met kenteken [kentekennummer], welke auto op 8 november 2008 naam van [naam medeverdachte 2] werd gesteld en door [naam verdachte]op 19 december 2008 aan [naam medeverdachte 2] werd overgedragen. [naam medeverdachte 2] trad, tezamen met [naam medeverdachte 5], op als koerier na daartoe begin november 2008 te zijn aangezocht door [naam verdachte]en [naam medeverdachte 1]. De organisatie betaalde ook de verblijfskosten van de koeriers [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] tijdens hun verblijf in Marokko. Ook werd ervoor gezorgd dat de auto in Marokko werd geladen met hasjiesj. Na de feitelijke invoer van de hasjiesj in Nederland op 7 januari 2009 nam [naam medeverdachte 3] de auto over van [naam medeverdachte 2], betaalde [naam medeverdachte 2] € 10.000,- voor bewezen diensten en bracht hij de auto naar zijn, [naam medeverdachte 3]s, woning.

Feit 1.3 (ZD1)

[naam verdachte]wordt verweten dat hij in de periode van 1 december 2007 tot en met 1 november 2008 meermalen hasjiesj heeft ingevoerd.

[naam medeverdachte 1] heeft op 13 augustus 2009 verklaard rond augustus 2008 naar Marokko te zijn gegaan. Dit was ook in een Seat Toledo. Deze Seat Toledo was donker van kleur en was dezelfde Seat waarin [naam echtgenote medeverdachte 2] en haar gezin de vakantie in december 2008 reden. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard in augustus ongeveer 1,5 à 2 weken in Tanger te hebben verbleven, tezamen met [naam verdachte]. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard destijds op 4 augustus 2008 in Marokko te zijn ingereisd en op 18 augustus 2008 Marokko weer te zijn uitgereisd.

In het dossier bevindt zich een kopie van het paspoort van [naam medeverdachte 1] met daarin stempel inhoudende: ‘Entrée 4 Aout 2008’ en ‘Sortie 18 Aout 2008 Police PM Tanger’.

In een later verhoor op die dag heeft [naam medeverdachte 1] meer gedetailleerd verklaard over dit transport in augustus 2008. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij de Seat Toledo voor hun vertrek gekregen hadden. [naam medeverdachte 1] had de auto toen op haar naam gezet en verzekerd. Vervolgens zijn zij naar Marokko gegaan. In Marokko aangekomen hebben zij de auto afgegeven aan iemand. Daar zouden dan de drugs in de auto worden gedaan. Een of twee dagen later hebben ze destijds het bericht ontvangen dat de auto klaar was voor vertrek. Ze hebben toen de auto in ontvangst genomen en moesten direct daarna vertrekken naar Nederland. Ze zijn toen vanuit Marokko met de Seat Toledo vol met drugs naar Nederland gereden. In Nederland aangekomen werd de auto vol met drugs overgedragen aan iemand. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard € 10.000,- te hebben gekregen.

In haar verhoor op 14 januari 2009 heeft [naam medeverdachte 1] verklaard zich te kunnen herinneren nog drie drugstransporten te hebben uitgevoerd vanuit Cuerta Spanje, hetgeen de rechtbank begrijpt als Ceuta, naar Nederland. [naam medeverdachte 1] heeft ter zake verklaard:

‘Cuerta is een eiland wat in Marokko ligt maar bij Spanje hoort. Hier ging ik heen met [naam verdachte] en [D.]. Vanuit Cuerta reden we dan met een auto vol met drugs naar Nederland voor dezelfde organisatie en het verliep hetzelfde als de transporten vanuit Marokko naar Nederland. In Nederland gaf [naam verdachte] de auto met drugs aan iemand van de organisatie. Dit regelde [naam verdachte] allemaal. We kregen voor dit transport 10.000 euro. In Cuerta verbleven we in een hotel. Daar sprak [naam verdachte] af met [naam medeverdachte 12] in een parkeergarage bij de Mac Donalds. [naam medeverdachte 12] nam dan de auto mee. Er werd dan ergens drugs in de auto gedaan en we reden daarna met de drugs in de auto naar Nederland. Ik wist dat ik drugs naar Nederland transporteerde en op Nederlands grondgebied bracht. Wat voor drugs weet ik niet meer maar het ging om kilo’s. Ik heb [naam medeverdachte 12] daar ook gezien en gesproken. Deze transporten hebben plaatsgevonden in het begin van 2008’

En voorts:

‘Wij zijn vanaf december 2007 bezig met de betreffende drugstransporten. Nu ik de transporten optel die [naam verdachte] en ik hebben we dus 60.000 euro verdiend met de drugstransporten’.

In het proces-verbaal verificatie in- en uitgaand verkeer douane grens Tanger is door de Marokkaanse autoriteiten aangegeven dat bij navraag naar aanleiding van de paspoortgegevens van [naam verdachte]en [naam medeverdachte 1] is gebleken dat zowel [naam verdachte]als [naam medeverdachte 1] op 4 augustus 2008 in Marokko zijn ingereisd via “Bab Sebta” en op 18 augustus 2008 zijn uitgereisd via Tanger.

[naam verdachte]heeft tijdens zijn verhoor op 11 januari 2009 bij de politie in Tanger verklaard eerder in Marokko te zijn geweest, maar alleen voor toeristische doeleinden. Hij bevond zich in gezelschap van [A.T.]. Ze zijn Marokko binnengekomen via de grenspost Bab Sebta op 4 augustus 2008 en zijn vertrokken via de haven in Tanger op 18 augustus 2008.

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat [naam verdachte]hem tijdens het gesprek over het overschrijven van de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] op zijn, [naam medeverdachte 2]s, naam heeft verteld, dat hij regelmatig naar Marokko ging en dan met een volle wagen terug kwam. [naam verdachte] had verteld dat dit € 10.000,- per rit opbracht. [naam verdachte] had verteld dat hij al zes keer naar Marokko was geweest. [naam verdachte] had voorts tegen [naam medeverdachte 2] verteld dat hij niet alleen mocht gaan maar er altijd een vrouw bij moest zijn. [naam verdachte]had verteld dat hij de voorgaande keren samen met zijn vriendin [voornaam medeverdachte 1] of zijn zus naar Marokko was geweest.

Conclusie

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte]en de in- en uitreisgegevens van de grenspost Tanger, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte]tezamen en in vereniging met anderen op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 1 november 2008 drugs heeft ingevoerd in Nederland.

Over de aard van de te transporteren drugs heeft [naam medeverdachte 1] verklaard in haar verhoor van 13 januari 2009 dat zij € 10.000,-- zouden krijgen om vanuit Marokko softdrugs mee te smokkelen naar Nederland. Ook [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij € 10.000,-- heeft gekregen voor het vervoer van drugs naar Nederland. Vast staat dat de drugs die [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] met behulp van de Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] hebben ingevoerd hasjiesj betrof. Deze hasjiesj is immers aangetroffen in de auto bij de doorzoeking van de woning van [naam medeverdachte 3] aan de [adres] te Sittard.

Gelet op het feit dat de modus operandus in het geval van [naam medeverdachte 1]/[naam verdachte]identiek was aan de modus operandus in het geval [naam medeverdachte 2]/[naam medeverdachte 5], gelet op het feit dat beide partijen werkten voor dezelfde opdrachtgevers, te weten [naam medeverdachte 12] en [naam medeverdachte 3], gelet op feit dat beide partijen dezelfde vergoeding voor het transport zouden krijgen, alsmede gelet op het feit dat [naam medeverdachte 1] zelf spreekt over softdrugs, acht de rechtbank aannemelijk dat daar waar [naam medeverdachte 1] spreekt over ‘drugs’, dit hasjiesj betreft.

Feit 2 (ZD6)

Aan [naam medeverdachte 1] wordt als feit 2 verweten dat zij in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 januari 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenoemde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’(de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan en een bepaalde mate van hiërarchie of sturing van de leden van de organisatie. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Voor het bewijs van dit feit is nodig dat bewezen kan worden dat een criminele organisatie zoals tenlastegelegd heeft bestaan en dat verdachte daaraan heeft deelgenomen.

Uit de door de rechtbank ten aanzien van [naam medeverdachte 1] hierboven bewezen geachte feiten kan worden afgeleid dat [naam medeverdachte 1] in ieder geval in de periode van december 2007 tot en met 7 januari 2009 meermalen betrokken is geweest bij de invoer van hasjiesj.

Met betrekking tot criminele activiteiten in de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat er, in de eerste plaats gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 1] van kan worden uitgegaan dat de invoer van hasjiesj plaats vond vanaf ongeveer december 2007. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard zij in die periode samen met [naam verdachte] vijf keer drugs heeft geïmporteerd en dat [naam verdachte] samen met [A.T.] één transport heeft gedaan. Voor elk transport werd € 10.000,- betaald.

Haar verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen. [naam medeverdachte 2] vertelde dat [naam verdachte]hem had verteld dat de rit in de december 2008 zijn zevende rit was en dat [naam medeverdachte 1] aan hem, [naam medeverdachte 2] en zijn vrouw had verteld, dat zij zelf vier keer met [naam verdachte] mee is geweest. [naam verdachte]had aan [naam medeverdachte 2] verteld dat hij drie keer met zijn zus is geweest.

[naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat [A.T.] de half zus is van [naam verdachte]. En zij heeft eraan toegevoegd: ‘Ik kan u zeggen dat [A.T.]1 maal (…) meegegaan is. Zij heeft dit drugstransport gedaan samen met [naam verdachte]’.

Bij de R-C in de zaken [naam medeverdachte 12] en [naam verdachte]heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat [naam verdachte] hem verteld had dat de rit in december 2008 zijn zesde rit naar Marokko was in verband met verdovende middelen en dat de ritten plaatsvonden met [naam medeverdachte 1] of zijn stiefzus [A.T.].

De transporten werden uitgevoerd met auto’s, die op naam van koeriers werden geschreven. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij voor de organisatie in 2008 vier auto’s op haar naam had staan. [naam medeverdachte 2] had op 8 november 2008 een Seat Toledo met kenteken [kentekennummer] op zijn naam staan.

Ten behoeve van het drugstransport werden de auto’s van geheime bergruimtes voorzien. Meerdere keren werd gebruik gemaakt van dezelfde type auto’s: 2 Seats Toledo, 2 Skoda Octavia, 2 Toyota Avensis.

[naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben het meest over de organisatie verteld, waarbij [naam medeverdachte 1] informatie uit eerste hand verstrekte en de informatie van [naam medeverdachte 2] voor een deel afkomstig was van hetgeen [naam verdachte] hem had verteld. Uit hun hierboven in dit vonnis reeds gerelateerde verklaringen kan in verband met ander bewijs worden afgeleid dat behalve [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte]in elk geval [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] bij de organisatie betrokken waren. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben de namen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] niet gebezigd, maar over [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] gesproken. De rechtbank heeft hierboven vastgesteld dat met de namen [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12]zijn bedoeld.

Uit met name de verklaringen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] in verband met een groot aantal telefoongesprekken valt af te leiden dat er sprake was van een terugkerende manier van werken, waarbij [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 12] ervoor zorgen dat auto’s werden aangekocht, op naam van een koerier werden overgeschreven en van een geheime bergruimte voorzien. Zij regelden verder de drugstransporten, inclusief het verblijf van de koeriers ter plaatse, de aankoop van de hasiesj en de betaling van de koeriers. Zo nodig zorgde de organisatie kennelijk ook voor bijstand van een advocaat.

[naam verdachte]en [naam medeverdachte 1] waren koeriers, maar daarnaast ‘ronselden’ ze ook andere koeriers. Daarvoor betaalde de organisatie extra.

Op basis van al deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam medeverdachte 3], [naam medeverdachte 12], [naam verdachte]en [naam medeverdachte 1] in de periode van 1 december 2007 tot en met 7 januari 2009 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van de Opiumwet. Daar niet is komen vast te staan dat ook [naam medeverdachte 6] aan die organisatie heeft deelgenomen, zal de rechtbank van dat onderdeel partieel vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1.2

in de periode van 01 november 2008 tot en met 07 januari 2009 te Susteren, gemeente Echt-Susteren en te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en te Tanger tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 56 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 1.3

op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 01 december 2007 tot en met 01 november 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht hoeveelheden hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2

in de periode van 01 december 2007 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en te Beek en te Utrecht en te Susteren, gemeente Echt-Susteren en te Tanger heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 12] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

T.a.v. feit 1.2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A,

van de Opiumwet gegeven verbod

T.a.v. feit 1.3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A,

van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

T.a.v. feit 2:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een

misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien de rechtbank overgaat tot strafoplegging, rekening te houden met de door [naam verdachte] ondergane detentie in Marokko. [naam verdachte] heeft immers vijf maanden doorgebracht in een Marokkaanse cel onder erbarmelijke omstandigheden. Volgens de verdediging moet derhalve deze ondergane hechtenis worden afgetrokken tegen een factor 5. Ten slotte verzoekt de verdediging te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een werkstraf. [naam verdachte] heeft werk gevonden. Bij een detentie kan hij zijn baan niet behouden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van [naam verdachte] , zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

[naam verdachte] heeft tezamen met zijn toenmalige partner [naam medeverdachte 1] een wezenlijk onderdeel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met de internationale handel in drugs. Dat het hier “slechts” om hasjiesj ging, ziet de rechtbank niet als een omstandigheid die [naam verdachte] danig disculpeert. Ook hasjiesj brengt, gelijk als ieder andere drug, bij gebruik schade toe aan de gezondheid en met het gebruik van en de handel in hasjiesj gaan vaak allerlei vormen van criminaliteit gepaard.

Dit heeft [naam verdachte] er echter niet van weerhouden om zijn afkeurenswaardige activiteiten te ontplooien. Daarbij heeft hij niet alleen diverse smokkeltransporten uitgevoerd, maar heeft hij ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het organiseren van transporten door anderen te bewegen om als koerier voor de organisatie op te gaan treden en als tussenpersoon tussen de koeriers en de andere leden van de organisatie te fungeren. Ook heeft hij ten behoeve van de transporten, en daarmee ten behoeve van de organisatie, diverse hand- en spandiensten verricht. De omvang van [naam verdachte] s activiteiten was daarbij groter dan die van zijn toenmalige partner [naam medeverdachte 1].

De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat zijn belangrijkste motief bij dit alles de zucht naar geldelijk gewin was. Die zucht heeft hem echter gebracht tot het veronachtzamen van niet alleen de Nederlandse rechtsorde maar ook die van de landen die bij de smokkel van de verdovende middelen zijn doorkruist. Deze veronachtzaming verontrust de rechtbank.

Gelet op het bovenstaande alsook gelet op het feit dat de rechtbank meer feiten bewezen oordeelt dan de officier van justitie bewezen acht alsook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan worden met de oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf.

De rechtbank zal aan [naam verdachte] een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57 en de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Niet-ontvankelijkverklaring

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging ten aanzien van het onder 1.1 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wöretshofer, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P.E. Mullers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 juli 2010.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 november 2008 tot en met 10 januari 2009 te Susteren, gemeente Echt-Susteren en/of te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hasjiesj, (telkens) zijnde hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s)

- een voertuig (Seat Toledo gekentekend [kentekennummer]) gekocht en/of ter

beschikking gesteld gekregen en/of op naam van zijn (levens)partner (zijnde

[naam medeverdachte 1]) gesteld/gezet en/of

- voornoemd voertuig (laten) voorzien van een dubbele bodem, althans van

verborgen ruimte(n) en/of

- zich ter beschikking gesteld om als koerier verdovende middelen te vervoeren

en/of

- door een of meer mededader(s) (zijnde onder meer [naam medeverdachte 3] en/of S.

Hohoud) gegeven aanwijzingen opgevolgd en/of

- voornoemd voertuig in ontvangst genomen van een of meer mededader(s)

(zijnde onder meer [naam medeverdachte 3]) en/of

- voornoemd voertuig naar Marokko gereden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 07 januari 2009 te Susteren, gemeente Echt-Susteren en/of te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland en/of te Tanger, in elk geval in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (ongeveer 237 kilogram, althans 56 kilogram, in elk geval (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval (een)

hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hasjiesj, (telkens) zijnde hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

en/of

hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 01 november 2008 te Eijsden en/of Susteren, gemeente Echt-Susteren en/of te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek, in elk geval in Nederland, en/of te Tanger, in elk geval in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

(een) grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hasjiesj, (telkens) zijnde hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2007 tot en met 7 januari 2009 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen en/of te Beek en/of te Utrecht en/of te Susteren (gemeente Echt-Susteren) en/of elders in Nederland en/of te Tanger en/of elders in Marokko, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte en/of M. [naam medeverdachte 6] en/of L. [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 12] en/of een of meer andere personen, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

parketnummer: 03/864005-08

proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 14 juli 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. J. Wöretshofer, rechter,

mr. officier van justitie,

mr. J.P.E. Mullers, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. S.M. Kurvers, advocaat te Maastricht.