Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BN0983

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
03/700251-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor de primair tenlastegelegde doodslag en het subsidiair tenlastegelegde opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het verkeer. Uit het rijgedrag van verdachte kan niet worden afgeleid dat hij opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat verdachte ten tijde van het ongeval een (lichte) epileptische aanval heeft gehad die heeft geleid tot tijdelijke afwezigheid. Ook daarom kan opzet niet met de vereiste mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700251-08

Datum uitspraak: 13 juli 2010

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2010 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 april 2008, in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, als bestuurder van zijn, verdachtes, (personen)auto op voornoemde [naam slachtoffer 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 april 2008, in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van zijn, verdachtes, (personen)auto op die [naam slachtoffer 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het requisitoir

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken omdat zij het opzet niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De raadsvrouw heeft op dezelfde grond vrijspraak bepleit.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Zij overweegt hieromtrent als volgt.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of bij verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – heeft bestaan op de dood van het slachtoffer of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

Nu verdachte zelf aangeeft zich niets meer te kunnen herinneren van het incident omdat hij op dat moment een epileptische aanval zou hebben gehad, zal de rechtbank die vraag moeten beantwoorden aan de hand van de waarnemingen en bevindingen van betrokkenen (het slachtoffer) en derden (de getuige en de deskundigen), alsmede de sporen van het ongeval.

Het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte hem voorrang verleende op de t-splitsing en nadat hij deze was gepasseerd, optrok en achter tegen zijn fiets aanreed. Toen verdachte uitstapte zag hij er bang uit en zei hij dat hij een epileptische aanval had gehad. Het slachtoffer heeft bovendien verklaard dat “het nu al de tweede keer is”.

Getuige [naam getuige 1] beschrijft hoe verdachte kalm linksaf sloeg en met onverminderde snelheid, hoogstens 30 km/u, de Baanstraat opreed. De auto nam daarbij de bocht veel te ruim en reed - zonder te acceleren - tegen de fietser op. De bestuurder van de auto stapte uit en zei dat hij een epileptische aanval had gehad. Hij keek daarbij heel angstig.

Het technische sporenonderzoek geeft een beschrijving van de gebeurtenis van het ongeval maar voegt inhoudelijk geen andere informatie aan het vorenstaande toe.

Over meer informatie met betrekking tot het rijgedrag van verdachte beschikt de rechtbank niet.

Afgezien van de vraag of verdachte ten tijde van het ongeval een epileptische aanval had, kan de rechtbank dus enkel vaststellen dat verdachte, nadat het slachtoffer de t-splitsing was gepasseerd, optrok, niet harder reed dan 30 km/u, de bocht naar links veel te ruim maakte en daarbij het slachtoffer van achteren aanreed.

Dat het slachtoffer geroepen zou hebben: “Het is nu al de tweede keer” blijkt niet te slaan op een eerdere aanrijding, maar op het feit dat het slachtoffer en verdachte jaren eerder een conflict hebben gehad waarbij verdachte één of meerdere ruiten bij het slachtoffer heeft ingegooid.

Onder deze omstandigheden levert het rijgedrag van verdachte vermoedelijk een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 op. Dit is echter niet tenlastegelegd. Het rijgedrag is in casu echter niet van dien aard dat al op grond daarvan kan worden aangenomen dat verdachte willens en wetens het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden of ernstig letsel zou oplopen. Om die conclusie te kunnen trekken is, zo blijkt uit relevante jurisprudentie, immers een veel agressiever rijgedrag vereist. Andere bewijsmiddelen voor het bestaan van voorwaardelijk opzet ontbreken eveneens. Alleen al daarom dient verdachte te worden vrijgesproken.

Los hiervan is een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid dat verdachte inderdaad een epileptische aanval heeft gehad. Vaststaat dat verdachte lijdt aan epilepsie. De geraadpleegde deskundigen (psychiater dr. Canton; neuroloog professor dr. Jonker en gedragsdeskundige dr. Peters) geven allen aan dat een epileptische aanval ten tijde van het ongeval zeker niet kan worden uitgesloten. In het bijzonder een kleine aanval zou hebben kunnen leiden tot een kortdurende “afwezigheid”, waarna bij verdachte niet de gevolgen zouden optreden die doorgaans zichtbaar zijn bij een grote aanval. Dat, zo begrijpt de rechtbank, zou verklaren waarom personen die verdachte direct na het ongeval hebben gezien bij hem niet de uiterlijke verschijnselen waarnamen die doorgaans bij een epileptische aanval horen.

Heeft een epileptische aanval plaatsgevonden ten tijde van het voorval, dan is verdachte op dat moment niet in staat geweest tot “bewust” rijden, zodat ook daarom van opzet bij verdachte geen sprake is.

Op grond van de overgelegde rapporten van de deskundigen komt de rechtbank tot de slotsom dat de kans op het bestaan van een epileptische aanval ten tijde van het ongeval in ieder geval zo groot is geweest, dat niet meer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid die mogelijkheid kan worden uitgesloten. Ook dat is een reden voor de rechtbank om verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsvrouw is bepleit, vrij te spreken.

Het beslag

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken zal de rechtbank de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen personenauto gelasten.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- gelast de teruggave aan verdachte van:

20300178959 1 een personenauto, kenteken [11-22-33], merk Seat, type Cordoba 16, bouwjaar 1995, kleur: rood;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. A.W. Oosterman en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 13 juli 2010.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700251-08

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 13 juli 2010 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouw mr. A.E.P. Kooi, advocaat te Schinnen.