Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM9294

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
142354 / HA ZA 09-871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ouderlijke boedelverdeling, vordering ontstaan onder huidige erfrecht, bevoegdheid executeur-testamentair, schuldvermenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 142354 / HA ZA 09-871

Vonnis van 9 juni 2010

in de zaak van

1. [Eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. P.A.J. Raaijmaakers te Amsterdam,

tegen

1. [Gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Gedaagde sub 1],

in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [Naam erflater],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.G.M. Daemen te Brunssum.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is nader vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. De moeder van eisers, [naam van de moeder], is op 8 maart 2003 overleden. De vader van eisers, [Naam erflater], is op 12 september 2007 overleden. Beide ouders hebben bij testament over hun nalatenschap beschikt (producties 1 en 2 dagvaarding).

2.2. De moeder van eisers heeft bij testament van 15 maart 1983 - samengevat en voor zover thans relevant - ingevolge het bepaalde in artikel 1167 e.v. oud BW aldus bepaald dat haar echtgenoot, [Naam erflater] voornoemd, al haar toebehorende zaken erft, onder de verplichting dat hij uit hoofde van overbedeling aan zijn mededeelgenoten (haar kinderen / eisers) een geldsom betaalt ter hoogte van hun erfdeel. De moeder van eisers heeft daarbij aan haar echtgenoot het recht van vruchtgebruik van de erfdelen van eisers gelegateerd. Het recht van haar echtgenoot eindigt bij diens overlijden.

2.3. De vader van eisers is, na het overlijden van zijn echtgenote, op 23 september 2005 gehuwd met gedaagde. Hij is met haar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. De vader van eisers heeft bij testament van 4 mei 2006 - samengevat en voor zover thans relevant - beschikt dat zijn kinderen (eisers) enig erfgenaam zijn. Hij heeft daarbij aan gedaagde het zakelijk recht van gebruik van het tot de nalatenschap behorende registergoed, gelegen te [adres], alsmede de inboedel daarvan, gelegateerd. Gedaagde is bovendien benoemd tot executeur.

2.4. Voornoemde testamenten zijn door het overlijden van de erflaters van kracht geworden.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen samengevat - veroordeling van gedaagde in persoon, dan wel van haar als executeur-testamentair in de nalatenschap van hun vader, tot betaling aan hen van € 184.945,89, vermeerderd met testamentaire rente en kosten.

3.2. Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt allereerst dat haar ambtshalve bekend is dat eisers gedaagde terzake van onderhavig geschil reeds eerder in persoon hebben gedagvaard (zaak 134221 / HA ZA 08-1151). In de desbetreffende zaak is heden uitspraak gedaan. Eisers kunnen derhalve niet (opnieuw) worden ontvangen in hun vordering voor zover ingesteld tegen gedaagde in persoon. De rechtbank overweegt vervolgens het volgende.

4.2. Eisers hebben sedert het overlijden van hun moeder, gelet op hetgeen zij heeft beschikt in haar testament van 15 maart 1983 onder de punten B en E, een (niet-opeisbare) geldvordering op hun vader ter hoogte van hun erfdeel. De moeder van eisers heeft daarbij met in achtneming van het bepaalde in artikel 1167 oud BW (ouderlijke boedelverdeling) aan haar echtgenoot de gehele nalatenschap toebedeeld. Voornoemde geldvordering is op 12 september 2007 opeisbaar geworden door het overlijden van de vader van eisers.

4.3. De omstandigheid dat voornoemde geldvordering van eisers eerst onder het huidige erfrecht ontstaan en opeisbaar is geworden, waarin de ouderlijke boedelverdeling als hiervoor genoemd niet meer terugkomt, maakt niet dat de verdeling als beschikt door de moeder van eisers niet het bedoelde effect zou kunnen sorteren. Ingevolge artikel 127 jo. artikel 79 van de Overgangswet dient de ouderlijke boedelverdeling te worden geëerbiedigd, zodat ook onder het huidige BW boek 4 sprake is van een schuld van de vader aan eisers. De vordering van eisers op hun vader betreft verder een persoonlijk recht van eisers waarover de vader in zijn testament niet kan beschikken. Door het overlijden van de vader van eisers, waardoor de opschortende voorwaarde als bepaald in het testament van hun moeder is komen te vervallen, is hun vordering uit hoofde van de nalatenschap van hun moeder per overlijdensdatum van de vader opeisbaar geworden. Er is sprake van een schuld aan eisers die uit de nalatenschap van de vader aan eisers dient te worden voldaan.

4.4. Eisers hebben tot dupliek onweersproken gesteld dat de vordering op hun vader van hun drieën tezamen

€ 184.945,89 bedraagt (een vierde deel van € 246.594,54 maal drie). Zij hebben ter onderbouwing van de hoogte van de vordering bij dagvaarding de zaken van de nalatenschap van hun moeder opgesomd en de waarde daarvan op haar sterfdag vermeld. De enkele blote betwisting hiervan door gedaagde wordt als zijnde onvoldoende gemotiveerd gepasseerd, temeer nu zij deze voor het eerst - in de onderhavige procedure - in dupliek heeft gedaan.

4.5. Tussen partijen staat verder vast dat gedaagde executeur is in de nalatenschap van haar overleden echtgenoot c.q. de vader van eisers. Gedaagde heeft gelet op het bepaalde in artikel 4:144 lid 2 BW als executeur “(…) tot taak de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan”. Gedaagde zal teneinde de nalatenschap van haar overleden echtgenoot te kunnen afwikkelen zich derhalve (mede) dienen te buigen over de schuld van die nalatenschap aan eisers. Dit temeer nu eisers, die weliswaar enig erfgenaam van hun vader zijn, gelet op het bepaalde in artikel 4:145 BW niet zonder medewerking van gedaagde of machtiging van de kantonrechter over de nalatenschap van hun vader of hun aandeel daarin kunnen beschikken, voordat de bevoegdheid van gedaagde tot beheer is geëindigd.

4.6. Het meest ver strekkende verweer van gedaagde houdt in dat de vordering van eisers jegens (de nalatenschap van) hun vader teniet is gegaan door schuldvermenging, nu eisers naast schuldeiser in zijn nalatenschap, tevens enig erfgenaam en derhalve schuldenaar zijn.

4.7. De rechtbank overweegt dienaangaande dat gedaagde bij de uitoefening van haar taken als executeur-testamentair een dergelijk beroep jegens eisers niet toekomt. Zoals hiervoor onder 4.5. is overwogen kunnen eisers - die een opeisbare vordering jegens de nalatenschap van hun vader hebben - immers totdat de taak van gedaagde als executeur is geëindigd niet over die nalatenschap beschikken. Het is nu juist aan gedaagde om voor de vereffening van de nalatenschap zorg te dragen. Om die reden is van een teniet gaan van de vordering van eisers op de nalatenschap door vermenging geen sprake (zie S. Perrick in Asser’s handleiding tot beoefening van het Nederlands burgerlijk recht, deel IV, hoofdstuk XVI, 516).

De rechtbank overweegt bovendien ten overvloede dat van volledige schuldvermenging zoals door gedaagde is aangevoerd geen sprake kan zijn, nu weliswaar de vorderingen van eisers volledig uit de nalatenschap van de vader van eisers dienen te worden voldaan, doch eisers dienaangaande op grond van artikel 4:182 lid 2 BW ieder afzonderlijk als erfgenaam slechts aansprakelijk zijn voor wat betreft hun aandeel in zijn nalatenschap.

4.8. Gedaagde heeft vervolgens - samengevat - ten verwere aangevoerd dat haar overleden echtgenoot in zijn testament van 4 mei 2006, hoofdstuk 3, uitdrukkelijk heeft beschikt dat aan haar het zakelijk recht van gebruik van de woning te [adres] wordt gelegateerd, zodat zij tot haar dood in die woning kan blijven. De nalatenschap van haar overleden echtgenoot beschikt verder over onvoldoende gelden om daaruit, zonder de verkoop van voornoemde woning, de vordering van eisers te voldoen. Reeds gelet hierop kunnen eisers hun vordering jegens de nalatenschap van hun vader ingevolge de nalatenschap van hun moeder, niet op goede grond jegens gedaagde handhaven.

4.9. De rechtbank volgt gedaagde niet in bovenstaand verweer reeds gelet op het feit dat ingevolge het bepaalde in artikel 4:120 lid 1 BW schulden van de nalatenschap uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. Het door gedaagde in persoon geërfde legaat is qua rangorde ondergeschikt aan de vordering van eisers jegens de nalatenschap van hun vader en kan derhalve daarop niet (bij voorrang) in mindering worden gebracht. Nu tussen partijen vast staat dat de nalatenschap van de vader van eisers over onvoldoende geldelijke middelen beschikt om de vordering van eisers te kunnen voldoen, zal door de executeur-testamentair goederen van die nalatenschap ten gelde moeten worden gemaakt teneinde de onderhavige schuld van de nalatenschap te kunnen voldoen. Dat een en ander kennelijk zou inhouden dat gedaagde in persoon geen ongestoord gebruik meer zou kunnen maken van haar legaat doet hier niet aan af.

4.10. De rechtbank neemt bij het vorenoverwogene in aanmerking dat gedaagde als executeur-testamentair ingevolge artikel 4:147 lid 1 BW bevoegd is de door haar beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot haar taak behorende voldoening van schulden van de nalatenschap. Zij is derhalve terecht door eisers aangesproken om in het kader van haar bevoegdheid hun schuld jegens de nalatenschap te voldoen.

4.11. Gelet op al het vorenoverwogene komt de vordering van eisers jegens gedaagde als executeur-testamentair voor toewijzing in aanmerking, aldus dat gedaagde in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [Naam erflater] uit die nalatenschap aan eisers dient te voldoen een bedrag van € 184.945,89, vermeerderd met de testamentaire rente van 6% met ingang van 8 maart 2003 tot de dag der algehele voldoening.

4.12. Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten zijdens eisers.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering tegen gedaagde in persoon,

veroordeelt gedaagde als executeur in de nalatenschap van [Naam erflater] om uit die nalatenschap aan eisers te voldoen een bedrag van € 184.945,89, vermeerderd met de testamentaire rente van 6% met ingang van 8 maart 2003 tot de dag der algehele voldoening,

veroordeelt gedaagde als executeur in de nalatenschap van [Naam erflater] in de kosten van de procedure aan de zijde van eisers gevallen en tot op heden begroot op:

kosten exploot € 85,98

vast recht € 4.070,00

salaris advocaat € 2.842,00

verklaart dit vonnis - met uitzondering van de niet-ontvankelijk verklaring - uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op

9 juni 2010.?

CM