Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM8946

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
03/702608-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens handel in en productie van zeer grote hoeveelheden synthetische drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702608-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 juni 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adresgegevens verdachte].

Gedetineerd in de PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsvrouw is mr. F.A.G.M. Landerloo, advocate te Sittard. Mr. R.J.H. Corten, eveneens advocaat te Sittard heeft vanaf 2 juni 2010 voor haar waargenomen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 31 mei, 1 juni, 2 juni en 3 juni. Op 9 juni 2010 is het onderzoek gesloten. Bij de behandeling hebben de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [naam verdachte]:

Feit 1: samen met anderen meermalen amfetamine heeft uitgevoerd, dan wel heeft vervoerd, verkocht of geproduceerd, dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

Feit 3: samen met anderen meermalen hennep heeft bewerkt, verwerkt, afgeleverd of vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 4: samen met anderen meermalen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine;

Feit 5: samen met anderen 81 kg amfetamine heeft uitgevoerd, dan wel heeft vervoerd, verkocht of geproduceerd, dan wel aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 1 juni 2010 de tenlastelegging onder 1 primair en subsidiair uitgebreid, in die zin dat [naam verdachte] niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland zich schuldig zou hebben gemaakt aan het uitvoeren dan wel verkopen en vervoeren van amfetamine.

De verdediging heeft tegen deze wijziging van de tenlastelegging aangevoerd dat, voor zover [naam verdachte] zich al schuldig zou hebben gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet in Duitsland, de rechtbank niet bevoegd is om hiervan kennis te nemen, nu [naam verdachte] de Duitse nationaliteit heeft.

De rechtbank stelt zich op het standpunt dat het in deze niet gaat om de bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van mogelijk door [naam verdachte] in Duitsland gepleegde overtredingen van de Opiumwet, maar om de bevoegdheid van het Nederlandse openbaar ministerie om terzake hiervan strafvervolging in te stellen. Immers, de enkele omstandigheid dat [naam verdachte] zijn woonplaats heeft binnen het arrondissement Maastricht, te weten in Landgraaf, maakt dat de rechtbank alleen al op die grond bevoegd is (artikel 2, eerste lid Sv). Om de bevoegdheid tot strafvervolging vast te kunnen stellen, dient de vraag te worden beantwoord of Nederland rechtsmacht heeft. Nu [naam verdachte] de Duitse nationaliteit heeft en het volgens de officier van justitie gaat om strafbare feiten die [naam verdachte] in Duitsland heeft gepleegd, doet zich geen van de gevallen voor zoals bedoeld in de artikelen 2 tot en met 7 van het Wetboek van Strafrecht, met name niet een geval waarin de Nederlandse strafwet toepasselijk is op feiten buiten Nederland (artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht). Gelet hierop ontbreekt rechtsmacht, zodat het Nederlandse openbaar ministerie geen recht heeft om [naam verdachte] te vervolgen voor de beweerdelijk in Duitsland gepleegde overtredingen van de Opiumwet. In het spoor van NJ 1991, 250 dient dan te worden aangeknoopt bij de derde vraag van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de officier van justitie terzake hiervan niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

Ter zitting van 3 november 2009 heeft de officier van justitie gevorderd de tenlastelegging zodanig te wijzigen dat de feiten 4 en 5 niet langer deel uitmaakten van de beschuldiging. Daarmee heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat hij [naam verdachte] niet meer voor deze feiten wilde vervolgen en dat hij de dagvaarding voor deze feiten wilde intrekken. De rechtbank heeft hierop aangegeven dat intrekking niet meer mogelijk was, nu de zaak al was uitgeroepen. In verband daarmee heeft de officier van justitie meegedeeld bij requisitoir te zullen vorderen hem terzake van deze feiten niet-ontvankelijk te verklaren.

Gelet op deze mededeling van de officier van justitie heeft de rechtbank deze feiten niet inhoudelijk behandeld.

Ter zitting van 1 juni 2010 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd van deze feiten. Dit heeft hij later hersteld en alsnog zijn niet-ontvankelijkheid gevorderd. De rechtbank zal daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de feiten 4 en 5 van de tenlastelegging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten onder 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft hij aangevoerd dat [naam verdachte] samen met [naam medeverdachte 1] een criminele organisatie vormde met als doel het vervaardigen van hennep. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de officier van justitie zoals gezegd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geconcludeerd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 tot vrijspraak bepleit. Alleen met betrekking tot de levering van 16 december 2008 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 3 acht de raadsman slechts bewezen dat [naam verdachte] een keer hennep heeft geknipt, voor het overige concludeert hij tot vrijspraak. De gevoerde verweren zullen hieronder door de rechtbank besproken worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bruikbaarheid getuigenverklaringen [naam getuige 2] en [naam getuige 1]

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank heeft de rechter-commissaris opdracht gegeven deze beide getuigen te horen, nadat daarom door de verdediging was verzocht. De raadsman van de getuige [naam getuige 2] heeft ten overstaan van de verhorende Duitse rechter en in aanwezigheid van de rechter-commissaris medegedeeld dat zijn cliënt gebruik zou maken van het hem in Duitsland toekomende verschoningsrecht. De verhorende Duitse rechter heeft daarmee ingestemd. De rechter-commissaris heeft na bericht dat ook de getuige [naam getuige 1] op dat recht een beroep zou doen besloten deze getuige niet meer te horen, aangezien dat nutteloos zou zijn.

Door de getuigen op de lijst voor de rechter-commissaris te plaatsen is in beginsel ook aan de verdediging de mogelijkheid geboden de getuigen te ondervragen. Dat die mogelijkheid niet daadwerkelijk kon worden benut, doet daar niet aan af. Daarmee is de verklaring die de getuige [naam getuige 1] heeft afgelegd in beginsel dan ook bruikbaar voor het bewijs, indien die in voldoende mate steun vindt in overige bewijsmiddelen. Of dat zo is, zal later in dit vonnis worden beoordeeld.

[naam getuige 2]heeft in het Duitse onderzoek geen inhoudelijke verklaring afgelegd. Ter terechtzitting in zijn eigen strafzaak voor het Landgericht te Bonn heeft hij dat wel gedaan. De inhoud van die verklaring is kenbaar uit het vonnis in die zaak, dat na rechtshulp is verkregen en bij het dossier is gevoegd. Gelet op artikel 344, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt dit vonnis aangemerkt als een schriftelijk bescheid dat tot bewijs kan dienen. Weliswaar is de verklaring van [naam getuige 2] in het vonnis een verklaring van horen zeggen, maar dat doet niet af aan de mogelijkheid om die verklaring voor het bewijs te gebruiken.

De rechtbank zal eerst de zaakdossiers bespreken voor zover relevant. Waar mogelijk zal zij daaraan conclusies verbinden. Daarna zal de rechtbank de ten laste gelegde feiten bespreken.

De zaakdossiers

Zaakdossier 3

In zaakdossier 3 wordt het onderzoek beschreven inzake de uitvoer van vijf partijen verdovende middelen naar Duitsland. De rechtbank stelt daarover het volgende vast aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier.

Op 16 december 2008 om 15.03 uur werden op de parkeerplaats van een supermarkt in Düren (Duitsland) twee personen aangehouden terwijl zij bezig waren verdovende middelen van de ene in de andere auto over te laden. Het waren [naam vader verdachte], die vijftig kilo amfetamine naar Düren had gebracht, en [naam getuige 1], die de amfetamine kwam ophalen. Op het moment van aanhouding stond in beider auto’s een ton met circa 25 kilo amfetamine. Achter de bestuurdersstoel van de auto van [naam verdachte] stond een plastic zak met 12 kilo amfetamine en in zijn portiervak zat een stapel geld van € 21.900, gewikkeld in een handdoek .

De getuige [naam getuige 1] heeft in het kader van het tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek in Duitsland verklaard over drie bestellingen van verdovende middelen die hij heeft gedaan bij een in Nederland wonende Duitser, die hij aanduidt met de bijnaam [B.]. Deze leverancier is de zoon van de koerier met wie hij samen in Duitsland is aangehouden. Hij heeft deze [B.] in september/oktober 2008 leren kennen en is toen met hem overeengekomen dat hij tien kilo amfetamine en één kilo wiet zou leveren. Deze levering is midden oktober 2008 door de vader van [B.] gebracht. Bij de deal van 28 november 2008 heeft hij 25 kilo amfetamine en een kilo wiet bij [B.] besteld. De koerier, [naam verdachte] sr., heeft eerst de 25 kilo amfetamine gebracht en daarna 300 gram wiet en 700 gram wiet. De vijftig kilo amfetamine van de levering van 16 december 2008 heeft [naam getuige 2] bij [B.] besteld, aldus [naam getuige 1]. Hijzelf had op die dag € 16.900 bij zich en [naam getuige 2] heeft hem voor de levering nog € 5.000 gegeven.

[naam getuige 2] heeft bevestigd, zoals in het vonnis van het Landgericht Bonn van 3 juli 2009 is weergegeven, dat hij [naam getuige 1] en [naam verdachte] met elkaar in contact gebracht heeft en dat hij, omdat vanwege de tweede levering spanning tussen die twee was ontstaan, op 15 december 2008 de vijftig kilo amfetamine voor [naam getuige 1] bij [naam verdachte] heeft besteld.

Uit tapgesprekken en observaties kan het volgende worden opgemaakt.

Op 28 november 2008 om 16.02 uur spreken [naam getuige 1] en [naam verdachte] telefonisch af elkaar om vijf uur te ontmoeten. Later die avond, om 18.32 uur klaagt [naam getuige 1] dat [naam verdachte] de sla vergeten heeft. [naam verdachte] zegt dan dat hij niet wist dat [naam getuige 1] dat ook wilde hebben en belooft dat hij dat morgen om drie uur krijgt. Op 29 november 2008 spreken ze elkaar om 12.28 uur weer en belooft [naam verdachte] [naam getuige 1] dat alles geregeld is, alle drie de kerstbomen, en dat het super wiet is, super kerstbomen. Ze kosten vier. [naam getuige 2] en [naam getuige 1] bellen daarna met elkaar. [naam getuige 1] meldt dat [B.] heeft gezegd dat ze vier kosten en niet drie negen. Om 16.04 uur belt [naam getuige 1] weer met [naam verdachte]. Dit keer klaagt hij dat te weinig sla is geleverd. Niet één, maar driehonderd. Uit printergegevens blijkt dat meteen daarna, om 16.06 uur, contact gemaakt wordt tussen de telefoons van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1]. [naam verdachte] belt om 16.48 uur naar [naam getuige 1] en zegt hem dat de rest maandagmiddag komt. Er wordt een afspraak gemaakt voor 1 december 2008, vier uur. Om 17.28 uur die dag bellen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] met elkaar en er wordt over gesproken dat het spul er eindelijk goed uitziet.

Op 5 december 2008 belt [naam getuige 1] om 23.04 uur met [naam getuige 2] en zegt dat ze twaalf tot veertien stuks kunnen teruggeven, ze zijn allemaal slecht. Op 8 december 2008 meldt [naam verdachte] om 22.15 uur aan [naam getuige 2] dat hij betere, sterkere heeft, bommen die niemand bij hen zal hebben. [naam getuige 2] zegt dan dat ze met twaalf stuks problemen hadden. Op 15 december 2008 om 14.42 uur bespreken ze dat het morgen of overmorgen met de taxi moet lukken. [naam verdachte] zegt dat hij nu goede blokken heeft. [naam getuige 2] informeert om 14.47 uur bij [naam getuige 1] of hij nog met de blonde wil gaan spreken, maar [naam getuige 1] wil dat niet. Om 14.59 uur op die dag bericht [naam getuige 2] aan [naam verdachte] dat hij de taxi maar moet sturen, vijftig zoals altijd. Hij vraagt tevens of hij de twaalf van de vorige keer kan teruggeven omdat ze daarmee problemen hadden. Ze spreken af voor morgen, vijf uur. Uit printergegevens blijkt dat de telefoons van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] hierna, om 15.02 uur, contact met elkaar hebben. Meteen daarop, ook om 15.02 uur, belt [naam verdachte] met [naam getuige 2] met de vraag of het morgen ook om drie uur kan. Over het tijdstip volgen dan nog wat telefoongesprekken tussen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] en tussen [naam getuige 2] en [naam verdachte], maar het blijft drie uur. Op 16 december 2008 om 14.36 uur zien de Duitse verbalisanten een ontmoeting tussen [naam vader verdachte] en [naam getuige 1]. Om 14.50 uur spreken [naam verdachte] en [naam getuige 2] nog met elkaar en bevestigt [naam getuige 2] dat “hij” er inmiddels is. Om 15.03 uur worden [naam vader verdachte] en [naam getuige 1], als gemeld, aangehouden.

Op 16 december 2008, vanaf 15.44 uur, vindt over de getapte telefoonlijnen vervolgens een aantal gesprekken plaats tussen [naam verdachte] en zijn moeder en tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1], waaruit kan worden afgeleid dat men nog niets gehoord heeft van [naam vader verdachte] en dat men zich zorgen maakt. Ook probeert [naam verdachte] om [naam getuige 2] te bereiken en vraagt hij een Duits sprekende man om bij de Aldi in Düren langs te gaan om even te gaan kijken, aangezien zijn taxi is gepakt. Om 19.08, 19.42 en 22.43 uur vraagt [naam verdachte] per telefoon of sms aan [naam medeverdachte 1] om raad. Om 23.30 uur komt er vervolgens bericht dat “hij” terecht is, ze hebben hem opgepakt, hij is nu in het ziekenhuis en moeder gaat er morgen heen. Op 17 december 2008 om 10.20 uur belt [naam verdachte] opnieuw met [naam medeverdachte 1] en vraagt hem om advies; ze hebben vanuit Düren gebeld en “hij” moet een advocaat hebben. [naam verdachte] vraagt [naam medeverdachte 1] wat hij moet doen.

Ook in een latere fase is er nog contact tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] over de advocaat. Op 28 januari 2009 om 18.26 uur vraagt [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 1] of hij meegaat naar Vaals, waar ze morgen met spoed naar de advocaat moeten. Op 30 januari 2009 om 14.12 uur spreken ze af dat ze om kwart over drie naar Vaals gaan. In een gesprek met een onbekende man zegt [naam medeverdachte 1] op 30 januari 2009 om 14.51 uur dat hij naar Vaals is.

Nog weer later is er contact tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] waarin [naam verdachte] meedeelt dat zijn vader kan worden vrijgelaten op borgtocht. Eerst krijgt [naam verdachte] op 6 maart 2009 om 17.00 uur daarover bericht van zijn moeder. Meteen daarna, om 17.01 uur, brengt [naam verdachte] de boodschap over aan [naam medeverdachte 1] en vraagt of ze kunnen praten. [naam medeverdachte 1] zegt daarop dat [naam verdachte] gauw langs moet komen. Diezelfde avond, om 20.26 uur, belt [naam verdachte] naar zijn moeder en zegt dat het goed is en dat “hij” meegaat maandag. Moeder bedankt hem. Op 9 maart 2009 om 9.04 uur doet de moeder van [naam verdachte] aan haar zoon verslag van wat de rechter heeft gezegd. De rechter moest er eerst nog met twee anderen over praten. Om 14.15 uur krijgt [naam verdachte] het bericht van een Duitssprekende vrouw dat hij het geld kan brengen, vijftien, en het moet voor drie uur daar zijn. Om 14.21 uur belt [naam verdachte] met [naam medeverdachte 1] en zegt dat hij er nu heengaat. Gezien wordt dat hij naar de woning van de moeder van [naam medeverdachte 1] gaat. [naam medeverdachte 1] had in een gesprek die ochtend laten weten dat hijzelf om één uur zou weggaan, maar dat zijn moeder ervan afwist.

Op 10 maart 2009 om 11.30 uur belt [naam verdachte] met [naam medeverdachte 1] en meldt dat zijn moeder en zijn zus “hem” nu zijn halen. Om 18.25 uur meldt hij [naam medeverdachte 1] dan nog dat “hij” thuis is en dat het een hele opluchting is. Hij bedankt [naam medeverdachte 1].

De observaties en tapgesprekken sluiten nauw aan bij de verklaring van [naam getuige 1], die op zijn beurt wordt ondersteund door de verklaring van [naam getuige 2]. Zo verklaart [naam getuige 1] over de dag van zijn aanhouding dat hij vijftig kilo besteld had en twaalf kilo van een eerdere partij wilde teruggeven en hij verklaart hoeveel geld hij bij zich had. Dezelfde hoeveelheden verdovende middelen en hetzelfde bedrag aan geld is bij zijn aanhouding – deels al in de auto van [naam vader verdachte] – aangetroffen. Wat [naam getuige 1] heeft verklaard over de levering in drie delen van de tweede bestelling wordt ondersteund door de hiervoor genoemde afgeluisterde gesprekken van 28 november 2008 om 18.32 uur, 29 november 2008 om 12.28 16.04 en 16.48 uur en

1 december 2008 om 12.40 en 17.28 uur.

Deze constatering leidt tot de conclusie dat de rechtbank de verklaring van [naam getuige 1] als geloofwaardig aanmerkt, ook ten aanzien van de eerste door hem genoemde levering, die van medio oktober 2008. Mede op dit punt wordt de verklaring van [naam getuige 1] ondersteund door de verklaring van [naam getuige 2], die de levering van 28 november 2008 immers ook als de tweede levering benoemt. [naam getuige 1] heeft niet alleen [naam verdachte] belast door over de drie leveringen te verklaren, maar ook zichzelf en de rechtbank ziet niet in, gezien de hiervoor genoemde ondersteuning van de verklaring van [naam getuige 1], dat hij maar wat zou hebben verzonnen om [naam verdachte] daarmee te belasten. [naam getuige 1] is ook specifiek in de details die hij over [naam verdachte] weet te melden: niet alleen dat hij de zoon is van de tegelijkertijd met hem aangehouden koerier [naam vader verdachte], maar ook dat hij een in Nederland wonende Duitser is, een BMW rijdt en de beschikking heeft over zowel een Duitse als een Nederlandse telefoon. Verder overtuigen ook de termen die in de gesprekken worden gebruikt, zoals het woord “taxi”, waarmee kennelijk (de levering van) een partij drugs wordt bedoeld, dat niet alleen door [naam getuige 2] in een gesprek met [naam verdachte] wordt gebruikt, maar ook door [naam verdachte] als hij bezig is uit te zoeken wat er met zijn vader is gebeurd en hij aangeeft dat zijn taxi is gepakt.

Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de leveringen hebben plaatsgevonden waarover door [naam getuige 1] is verklaard: eenmaal midden oktober 2008 een levering van tien kilo amfetamine en een kilo wiet, een levering van 25 kilo amfetamine op 28 november 2008 gevolgd door twee leveringen van wiet, te weten 300 gram op 29 november 2008 en 700 gram op 1 december 2008 en ten slotte de levering van vijftig kilo amfetamine op 16 december 2008.

De vraag is of, naast [naam verdachte] als leverancier, diens vader als koerier en [naam getuige 1] als afnemer, [naam medeverdachte 1] betrokken is bij de levering van amfetamine naar Duitsland. Er zijn geen gesprekken opgenomen waaruit die betrokkenheid blijkt. Wel is er een gesprek op 16 december 2008 om 14.35 uur tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] waarin [naam medeverdachte 1] informeert hoe laat “die” daar is en [naam verdachte] zegt dat dat al om drie uur zal zijn. Dat zou over [naam vader verdachte] kunnen gaan, die op dat moment onderweg is naar Düren, maar dat brengt nog niet mee dat de amfetamine die [naam verdachte] dan bij zich heeft, van [naam medeverdachte 1] afkomstig is. Voorts zijn er zoals hiervoor weergegeven veel contacten tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] als [naam vader verdachte] is aangehouden. Geen van deze contacten leidt echter op zichzelf tot de conclusie dat [naam medeverdachte 1] als leverancier aan [naam verdachte] moet worden aangemerkt. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] kennen elkaar al lange tijd en hebben, zo is uit de tapgesprekken te lezen, veelvuldig contact met elkaar. Dat [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 1] raad vraagt kan ook verband houden met hun jarenlange vriendschappelijke relatie en hoeft niet te betekenen dat [naam medeverdachte 1] [naam verdachte]s leverancier is, zoals ook van de zijde van [naam verdachte] is betoogd.

Wel wordt duidelijk uit de printergegevens die zijn opgevraagd over de periode vóór de aanhouding van [naam vader verdachte], dat met de telefoon van [naam verdachte] na contacten met [naam getuige 1] verbinding gezocht wordt met de telefoon van [naam medeverdachte 1]. Een voorbeeld daarvan is het contact op 15 december 2008 om 15.02 uur, direct na een gesprek met [naam getuige 1] om 14.59 uur waarin een tijdstip wordt afgesproken: morgen om vijf uur. Meteen na het contact van [naam verdachte]s telefoon met die van [naam medeverdachte 1] belt [naam verdachte] weer naar [naam getuige 1] met de mededeling dat morgen drie uur hem beter uitkomt.

Voorts zijn overeenkomsten geconstateerd tussen de partij amfetamine die bij de aanhouding van [naam vader verdachte] werd aangetroffen en bij de doorzoeking van de woning aan de [G-straat] te Landgraaf en een garagebox (G108) aan de [G-straat] te Heerlen aangetroffen goederen. [G-straat] te Landgraaf is als eerder vermeld de woning van [naam medeverdachte 3] en de bij die woning behorende garage was in gebruik als productielocatie voor amfetamine. De genoemde garagebox werd door [naam medeverdachte 1] gehuurd.

De overeenkomsten bestaan in de kleur van de poeder (geel) en wijze van verpakking: in vacuümgetrokken plastic en in kartonnen vaatjes met onder andere de opschriften 25 en DES . Op [G-straat] zijn ook gele poeders aangetroffen, alsmede soortgelijke kartonnen vaatjes. Ook werd dat soort vaatjes aangetroffen in de garagebox aan de [G-straat].

[naam medeverdachte 3] heeft in zijn verklaring een aantal van deze elementen beschreven: hij verklaart over kaft die uit bruine tonnen kwam en die met de andere grondstoffen werd gemixt. De poeder die aldus ontstond werd afgewogen op een kilo en met een vacuümmachine verpakt. Op sommige van de pakketten werd een D geschreven of DES, wat volgens [naam medeverdachte 3] beide “dessert” betekent en wat de naam is voor de amfetamine als het klaar is. De gele kleur ontstond door gele blikjes verfstof bij te mengen.

In de garage van [naam medeverdachte 3] is ook een vacuümmachine aangetroffen. Er is onderzocht of de bij [naam vader verdachte] aangetroffen partij amfetamine met die vacuümmachine kunnen zijn geseald, maar dat is niet het geval. Dit betekent overigens niet dat de door [naam vader verdachte] uitgevoerde amfetamine niet uit de productielocatie [G-straat] afkomstig kan zijn.

De rechtbank komt op grond van de verklaring van [naam medeverdachte 3], de overeenkomsten tussen de aangetroffen partijen verdovende middelen en de verpakkingen tot de conclusie dat de door [naam verdachte] aan [naam getuige 1] geleverde amfetamine afkomstig is van [naam medeverdachte 1]. De rechtbank betrekt daarbij ook de veelvuldige contacten tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1], ook al bestaat tussen hen een langurige vriendschappelijke relatie die veelvuldig contact zou kunnen verklaren. Gelet op die contacten moet [naam verdachte] op de hoogte zijn geweest van [naam medeverdachte 1]’s activiteiten en is ook niet goed voorstelbaar dat [naam verdachte] zijn verdovende middelen van iemand anders zou betrekken dan van [naam medeverdachte 1]. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt ook niet van gesprekken met anderen van wie [naam verdachte] de via zijn vader aan [naam getuige 1] geleverde amfetamine zou hebben betrokken.

Zaakdossier 4

In zaakdossier 4 wordt het onderzoek beschreven inzake het verwerken van hennep in de woning aan de [B-weg] in Heerlen. De rechtbank stelt daarover het volgende vast aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier.

Vanaf 2 februari 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd tussen [naam verdachte] en een tweetal onbekende mannen.

Een van deze onbekende mannen kon worden geïdentificeerd als [M.S.]. De andere onbekende man, met telefoonnummer 06-34160233, is niet geïdentificeerd.

Op 2 februari 2009 wordt [naam verdachte] gebeld door [M.S.]. [naam verdachte] zegt dat ze niet vandaag maar morgen overdag gaan beginnen. Ze moeten even een plaats regelen.

Aan [M.S.] is dit gesprek voorgehouden en hij heeft verklaard zijn stem en de stem van [naam verdachte] te herkennen. Op de vraag waarom ze een nieuwe plaats moesten regelen, heeft [M.S.] verklaard dat ze geen nieuwe plaats hebben geregeld, dat het al op de [B-weg] was.

Op 5 februari 2009 belt [naam verdachte] met een onbekende vrouw en zegt dat hij om 2 uur bij haar dat werk moet doen dat ze hebben afgesproken. Het telefoonnummer van de onbekende vrouw staat op naam van [G.W.], [B-weg] Heerlen. Ter terechtzitting heeft [naam verdachte] bevestigd dat dit een telefoongesprek tussen hem en zijn moeder betrof. Vervolgens belt [naam verdachte] naar [M.S.]. Hij zegt tegen [M.S.] dat deze om half 2 bij [naam verdachte] moet zijn en dat ze om 2 uur beginnen. Later die dag wordt [naam verdachte] gebeld door [M.S.]. [naam verdachte] zegt dat hij aan het wachten is op die kapper en dat ze dan kunnen gaan. [M.S.] heeft bij de politie verklaard dat met “de kapper” een wietknipmachine wordt bedoeld.

[M.S.] heeft verder verklaard dat ze wiet hebben geknipt op de [B-weg], onder de poort door en dan rechts naar binnen. Ook heeft hij verklaard dat hij wiet heeft geknipt met [naam verdachte].[naam verdachte] heeft ter terechtzitting van 31 mei 2010 verklaard dat hij en [M.S.] inderdaad wiet hebben geknipt in de woning van zijn moeder aan de [B-weg].

Op 5 februari 2009 om 20.12 uur wordt [naam verdachte] gebeld door NN-man met nr. 06-34160233. NN-man zegt dat hij er is en dat hij alles heeft. [naam verdachte] zegt dat hij naar onderen komt. Dit gesprek wordt opgevangen door de mast op de [C.weg] in Heerlen.

Op 6 februari 2009 om 00.07 uur wordt [naam verdachte] gebeld door [naam partner verdachte](zijn partner). Hij zegt dat het ram veel werk is, dat hij om kwart voor 3 zal stoppen en dat hij morgen overdag verder gaat.Om 10.58 uur diezelfde dag belt [naam verdachte] met [naam medeverdachte 1]. [naam verdachte] zegt dat hij gisteren nog zo’n ding heeft gehaald en dat dat ding vannacht om 2 uur kapot ging. Die condensator of wat, die doet het gewoon niet meer. [naam verdachte] gaat hem nu terug brengen en een nieuwe halen. Niet lang daarna vertelt [naam verdachte] in een gesprek met [naam partner verdachte] dat hij pas om kwart over 1 de nieuwe machine krijgt. Enkele minuten later belt [naam partner verdachte] naar [naam verdachte] en zegt dat hij om kwart voor 1 bij de Witte moet zijn. “Hij” heeft net gebeld en zij moest dat doorgeven. Om 11.48 uur belt [naam verdachte] naar [M.S.] en zegt dat hij een probleem heeft. Hij kan om kwart over 1 dat ding halen. Om 12 uur moet hij zijn kind halen en die heeft hij tot 6 uur. [M.S.] zegt daarop dat hij en die chappie anders effe gaan. Daarop zegt [naam verdachte] dat dat ook kan. Dan belt hij [M.S.] op en kan [M.S.] dat ding ophalen bij die flat bij die “Witte”.

Om 12.21 uur belt [naam verdachte] opnieuw naar [M.S.] en vraagt hem langs te komen zodat [naam verdachte] precies kan zeggen hoe en wat. [M.S.] heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat [naam verdachte] hiermee bedoelde dat hij moest zeggen hoe ze met de wiet moesten omgaan.

Ter terechtzitting heeft [naam verdachte] verklaard dat hij had gezegd dat de wiet in de badkuip moest worden gelegd.

Op 6 februari 2009 om 16.57 uur belt [naam verdachte] met [M.S.] en vraagt of het goed gaat. [M.S.] zegt “ja rustig” en op de achtergrond is het geluid van een draaiende mixer hoorbaar. [M.S.] heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat dit de snijmachine was.

Om 18.22 uur belt [naam verdachte] naar [M.S.] en zegt dat hij er zo aankomt. Om 18.52 uur wordt gezien dat een man uit een personenauto stapt, de poort openmaakt, de oprit oprijdt naar de achterzijde van het perceel, te voet vanaf de achterzijde van het perceel naar voren komt gelopen, de poort dicht maakt en perceel 44 naar binnen gaat. Het betreft een blanke man gekleed in een sportbroek met een witte bies aan de buitenzijde, een parkajas en een alpinemuts op.

Om 21.22 uur wordt [naam verdachte] gebeld door [naam partner verdachte]. [naam verdachte] zegt dat hij nu pas wegrijdt en dat hij dit even moest afmaken. [naam partner verdachte] zegt dat ze dacht dat hij net al aan het rijden was, waarop [naam verdachte] antwoordt dat hij toen nog bij die machine zat.

Om 21.22 uur wordt op de [B-weg] gezien dat uit de voordeur van perceel 44 twee personen komen onder wie de man met de alpinemuts, die ook om 18.52 uur werd gezien. Laatstgenoemde opent de poort waarna beide personen naar de achterzijde van het perceel lopen.

Om 21.23 uur rijden twee auto’s achteruit de oprit af. Bij de tweede auto is de letter-cijfer-combinatie ...-.. te zien. Volgens de verbalisant heeft een bij [naam verdachte] in gebruik zijnde BMW het kenteken ..-..-... Ter terechtzitting heeft [naam verdachte] bevestigd dat dat zijn auto was.

Om 21.29 uur belt [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 1] en zegt dat hij net klaar is waarop [naam medeverdachte 1] zegt dat [naam verdachte] goed gewerkt heeft.

In zijn tweede verhoor heeft [M.S.] verklaard dat in de badkuip in het pand op de [B-weg] twee hele grote zakken en een paar kleinere huisvuilzakken lagen. In zijn derde verhoor heeft [M.S.] verklaard dat ze met zijn drieën zijn begonnen met knippen maar dat hij en Erik dat later alleen deden omdat [naam verdachte] op zijn kind moest letten. Ook heeft hij aangewezen welke wietknipmachine ze hebben gebruikt en heeft hij verklaard over het aantal planten dat per uur met zo’n machine kan worden verwerkt en het aantal uren dat ze hebben gewerkt.

Zaakdossier 5

In zaakdossier 5 wordt het onderzoek beschreven inzake het aantreffen van een hennepplantage op het adres [I-straat]te Kerkrade. De rechtbank stelt daarover het volgende vast aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier.

In telefoongesprekken informeert [naam verdachte] [naam medeverdachte 1] op 6 februari 2009 over dat ding dat hij had gehaald en dat ’s nachts kapot ging. Ook belt [naam verdachte] op 6 februari 2009 ’s avonds met [naam medeverdachte 1] en zegt dat hij net klaar is.

Verder belt [naam verdachte] op 11 februari 2009 met [naam medeverdachte 1]. In dat gesprek vraagt [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] hoe het met zijn tulpjes gaat. [naam verdachte] antwoordt dat hij denkt dat het morgen helemaal finito is, dat het wel niet veel zal worden. Volgens [naam verdachte] ziet het er slecht uit. Als hij daar naar binnen loopt, krijgt hij steeds meer hoofdpijn.

Een dag later belt [naam verdachte] om 11.27 uur weer met [naam medeverdachte 1] en zegt dat hij aan het schoonmaken is. Ongeveer een uur later belt [naam medeverdachte 1] naar [naam verdachte] en vraagt of [naam verdachte] hard bezig is. [naam verdachte] zegt dat eh… een zeven was maar ram vies. Ze spreken over vuile was. [naam verdachte] zegt: “Ja gewoon vuil, heb ik je toch gezegd met die dieren er in, weet je met die web. Dat is helemaal verrot…” .

Later die middag hebben ze opnieuw telefonisch contact en dan vraagt [naam medeverdachte 1] wat [naam verdachte] met die was gaat doen. [naam verdachte] antwoordt dat hij eigenlijk een ons wil doen, weet je wel, honderd, honderd, honderd, dan heeft hij er meer aan. [naam medeverdachte 1] zegt dat het goed is en dat [naam verdachte] dat moet regelen. [naam medeverdachte 1] zegt ook nog dat hij het ook in één keer kan wegdoen. [naam verdachte] zegt dat hij nou met “hem” overlegt, want “hij” kon zijn deel aan iemand van de Molenberg of wat kwijt en kreeg “hij” zoveel. [naam verdachte] heeft gezegd dat hij vanavond dan ook zoveel van “hem” krijgt. “Hij” heeft gezegd dat dat geen probleem was. Als “hij” geld heeft, krijgt [naam verdachte] het meteen. Dat krijgt hij nou dus.

Op 10 maart 2009 wordt met de telefoon van [naam medeverdachte 1] naar Essent gebeld. De beller meldt zich met de naam [G.M.] en wil een adreswijziging doorgeven. De beller zegt dat hij de nieuwe eigenaar is, geen klantnummer heeft en meterstanden wil doorgeven. Er wordt een klantnummer aangemaakt waarbij de beller de naam [G. van M.] doorgeeft. Hij zegt dat hij een eenmanszaak heeft en meldt dat hij het KVK-nummer niet bij de hand heeft. Tevens geeft hij postcode .. en het adres [I-straat] te Kerkrade door en zegt dat hij geen telefoonnummer noch een e-mailadres bij de hand heeft. De beller krijgt een klantnummer ([..]) dat die dag meteen ingaat en de beller geeft de meterstanden van de elektra en het gas door. De beller wil geen automatische incasso, maar via acceptgiro betalen. Hij heeft het rekeningnummer niet bij de hand.

Op 12 maart 2009 wordt [naam medeverdachte 2] (de moeder van [naam medeverdachte 1]) aangehouden in het perceel [G-straat] 37 (de woning van [naam medeverdachte 1]). In haar fouillering treft men onder andere een huurcontract met betrekking tot [I-straat te Kerkrade aan. Op de envelop van het contract zitten Post-It-blaadjes waarop onder andere staat vermeld “Essent [..] klantnum” en “opgenomen 1-11-2008 gas 30827871 elektra 138260”.

De politie verneemt van de eigenaar, [M.M.], dat het pand [I-straat bestaat uit een woongedeelte en een bedrijfsgedeelte. Het woongedeelte is niet verhuurd. Het bedrijfsgedeelte is volgens de eigenaar verhuurd aan [G. van M.]. Later verklaart [M.M.] tegenover de politie dat hij het pand op 1 november 2008 telefonisch heeft verhuurd en dat hij de huurder nooit heeft gezien. Hij heeft het huurcontract opgestuurd en toen hij het retour ontving zat er een kopie bij van het paspoort van [G. van M.].

Op 13 maart 2009 heeft de politie onderzoek verricht in de bedrijfsruimte, waarbij in een kelderruimte onder een met houten platen afgezet gedeelte van de timmerwerkplaats een in twee gedeelten ingerichte en in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Ter plaatse wordt T.M.B. van der Veeke aangetroffen. Van elke ruimte wordt een hennepplant genomen en getest. De gehouden ODV kleur-reactietest blijkt positief op hennep.

Boven de planten waren 48 assimilatielampen van 600 watt aangebracht. Deze lampen waren ingeschakeld. De lampen waren aangesloten op 48 transformatoren die op een schakelklok en een zekeringkast waren aangesloten. Boven de lampen was een luchtbehandelingssysteem aangebracht.

Bij onderzoek door Enexis wordt in de kunststof aansluitkast een illegale aftakking voor de hoofdbeveiliging geconstateerd. De aansluiting voldeed niet aan de NEN1010-norm. Hierdoor bestond gevaar voor elektrocutie en brandgevaar omdat bij overbelasting geen afschakeling plaatsvindt.

Bij het beluisteren van het gesprek met Essent op 11 maart 2009 werd door de politie als beller de stem van [naam medeverdachte 3] herkend.

Bij confrontatie met dit gesprek verklaart [naam medeverdachte 3] op 24 juni 2009 dat dit zijn stem is. Volgens [naam medeverdachte 3] had [naam medeverdachte 1] hem gevraagd naar Essent om de meerstanden door te geven omdat hij zelf niet zo goed uit zijn woorden kwam. De naam [G. van M.] stond op een briefje, samen met de meterstanden.

[G. van M.] heeft op 10 juni 2009 tegenover de politie verklaard dat hij zeven tot acht maanden eerder een huurcontract heeft ondertekend. Hij kreeg daarvoor een vergoeding van een persoon die hij in Heerlen op een terras had leren kennen. Ook heeft hij een kopie van zijn paspoort aan die persoon gegeven. Als hem het huurcontract van de [I-straat wordt getoond, herkent [G. van M.] hierop zijn handtekening. Hij zou maandelijks een vergoeding krijgen, maar na de eerste keer is de betreffende persoon niet meer komen opdagen.

[naam medeverdachte 2] heeft in haar eerste verhoor bij de politie verklaard dat toen zij op 12 maart 2009 bij [naam medeverdachte 1] was hij haar een witte envelop heeft gegeven en haar heeft gevraagd die even bij zich te houden.

[T. van der V.] heeft bij de politie verklaard dat hij de plantage zelf heeft ingericht. “Ze” hebben hem hiervoor gevraagd. Hij wil niet zeggen wie “ze” zijn, uit angst voor represailles. Dit zou volgens [T. van der V.] de tweede oogst worden. Het resultaat van de eerdere oogst zou ook ongeveer 800 planten zijn geweest.

Bij het aantreffen van [T. van der V.] bij het pand door de politie, staat de achterklep van de auto open. Een aantal tassen of zakken staat op de grond voor de auto en in de geopende kofferbak. In een van de tassen wordt een geldtelmachine aangetroffen. Ook wordt een open kartonnen doos met daarin een weegschaal en 34 grote doorzichtige ongebruikte plastic zakken aangetroffen. In een wit/rood/blauw geruite boodschappentas worden 44 doorzichtige gebruikte plastic tassen met daarin resten van hennep gevonden. In diezelfde tas zitten ook 5 gebruikte aluminium zakken met daarin hennepresten.

Op een vraag van de rechter-commissaris heeft [T. van der V.] verklaard dat het januari/februari 2009 moet zijn geweest dat hij de plantage heeft ingericht.

Blijkens de aangifte van Enexis was de aangetroffen teelt tenminste vier weken oud.

Bij onderzoek bleek dat in de mobiele telefoon van [T. van der V.] het telefoonnummer van [naam medeverdachte 1] was vermeld. Blijkens de telefoontaps in het onderzoek Caribic heeft op 17 februari 2009 en op 6 maart 2009 een aantal keren telefonisch contact tussen [T. van der V.] en [naam medeverdachte 1] plaatsgevonden. In een van die gesprekken vraagt [T. van der V.] of [naam medeverdachte 1] het die avond langs brengt waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt dat hij het wel laat brengen.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 1] en zijn moeder op 2 februari 2009 zegt [naam medeverdachte 1] dat hij morgen de hele dag de haren moet knippen, dus dan is hij morgenvroeg om 8 uur al weer weg. Hij zegt verder dat hij zo naar mest stinkt als hij daar geweest is, bij die boer. Moeder lacht en zegt even later dat ze het snapt.

Op 3 februari 2009 vinden tussen 8.30 uur en 13.20 uur 22 registraties plaats van communicatie via de getapte telefoon van [naam medeverdachte 1]. Daarbij wordt telkens dezelfde zendmast aan het [P. straat] te Kerkrade aangestraald. Binnen het zendbereik van deze mast is de Industriestraat te Kerkrade gelegen.

Die ochtend om 11.40 uur belt [naam medeverdachte 1] naar [naam verdachte]. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij aan het werken is in de zagerij.

Ten aanzien van feit 1

Onder zaakdossier 3 heeft de rechtbank aan de hand van de verklaring van [naam getuige 1] en een aantal tapgesprekken en observaties vastgesteld dat sprake is geweest van vijf leveringen van verdovende middelen aan de Duitse afnemer [naam getuige 1]. [naam verdachte] was hierbij de leverancier en zijn vader, [naam vader verdachte], was zoals door [naam getuige 1] is verklaard de koerier die de verdovende middelen naar Duitsland bracht. Drie van de vijf leveringen betroffen (mede) amfetamine, die door [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] is geleverd. Dit brengt mee dat wettig en overtuigend bewezen is dat [naam verdachte] in de tenlastegelegde periode driemaal tezamen met anderen amfetamine buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Ten aanzien van feit 3

Aan [naam verdachte] is onder 3 ten laste gelegd dat hij in de periode van 2 tot en met 12 februari 2009 kort gezegd hennep heeft geteeld of bewerkt aan de [B-weg] te Heerlen.

Ter terechtzitting heeft [naam verdachte] verklaard dat [M.S.] bij hem aan de deur stond met tien hennepplanten die geknipt moesten worden. Verder heeft [naam verdachte] verklaard dat dat knippen is gebeurd in de woning van zijn moeder aan de [B-weg] te Heerlen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot zaakdossier 4, met name de opgenomen en beluisterde tapgesprekken in samenhang met de door [M.S.] afgelegde verklaringen, is de rechtbank van oordeel dat het [naam verdachte] is geweest die het initiatief heeft genomen tot het knippen van de hennep op het adres aan de [B-weg] te Heerlen. Immers, het is [naam verdachte] die op 2 februari 2009 ’s avonds naar [M.S.] belt met de mededeling dat en wanneer ze gaan beginnen. Ook is het [naam verdachte] die een wietknipmachine regelt, zoals blijkt uit de gesprekken tussen [naam verdachte] en [M.S.] enerzijds en een gesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] anderzijds. Voorts kan uit de tapgesprekken afgeleid worden dat, anders dan [naam verdachte] ter terechtzitting heeft willen doen geloven, hij een flink aantal uren mee heeft geknipt.

Uitgaande van de door [M.S.] genoemde hoeveelheid (zakken) en het aantal uren dat is geknipt met twee tot drie personen, kan het niet anders dan dat de hoeveelheid hennep die op 5 en 6 februari 2009 op de [B-weg] is geknipt, aanzienlijk meer was dan de tien planten waarover [naam verdachte] ter terechtzitting heeft gesproken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [naam verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het bewerken van hennep in de periode van 2 tot en met 12 februari 2009.

Ten aanzien van feit 2

Aan [naam verdachte] wordt als tweede feit verweten dat hij in de periode van 15 oktober 2008 tot en met 12 maart 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’(de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, of sturing van de leden van de organisatie. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Uit de door de rechtbank bewezen geachte feiten 1 primair en 3 kan worden afgeleid dat [naam verdachte] meermalen betrokken is geweest bij – kort gezegd – de uitvoer van amfetamine en het bewerken van hennep. Echter, niet gebleken is dat hij dit deed als lid van een criminele organisatie. Weliswaar had [naam verdachte] contacten met [naam medeverdachte 1], bij wie de rechtbank wel tot het oordeel komt dat deze deelnam aan een criminele organisatie en daar leiding aan gaf. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat [naam verdachte] om die reden ook deelnam aan de organisatie.

Uit printgegevens blijkt dat [naam verdachte] na een gesprek met een Duitse afnemer (van kennelijk amfetamine) onmiddellijk belt met [naam medeverdachte 1]. De inhoud van dit gesprek is niet bekend. Gelet op de opgenomen en beluisterde tapgesprekken in het dossier tussen [naam verdachte] en Duitse afnemers van amfetamine, kan niet worden vastgesteld dat [naam verdachte] die contacten onderhield namens [naam medeverdachte 1].

Voorts blijkt uit opgenomen en beluisterde tapgesprekken, bijvoorbeeld op 6 februari 2009, 11 en 12 februari 2009 dat [naam verdachte] zaken met [naam medeverdachte 1] bespreekt. Daarbij lijkt het er op dat [naam medeverdachte 1] [naam verdachte] advies geeft en dat de eerste [naam verdachte] ter wille wil zijn door het afnemen van een slechte partij hennep. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er weliswaar voor worden gehouden dat [naam verdachte] met [naam medeverdachte 1] wel dingen bespreekt en kortsluit, maar kan op grond van de tapgesprekken niet gezegd worden dat [naam verdachte] handelde onder het gezag van [naam medeverdachte 1] dan wel dat hij ten opzichte van [naam medeverdachte 1] een ondergeschikte rol vervulde of hem verantwoording verschuldigd was. Dat hij, zoals onder zaakdossier 3 is vastgesteld, zijn aan [naam getuige 1] te leveren amfetamine van [naam medeverdachte 1] betrok, maakt dat niet anders.

[naam verdachte] moet om die reden van het ten laste gelegde onder 2 worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte]

1. primair

in de periode van 15 oktober 2008 tot en met 16 december 2008 in het arrondissement Maastricht meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in

de bij die wet behorende lijst I;

3.

in de periode van 2 februari 2009 tot en met 12 februari 2009 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk heeft bewerkt (op een adres aan de [B-weg] te Heerlen) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [naam verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

[naam verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [naam verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van oordeel dat de door de officier geëiste straf naar beneden dient te worden bijgesteld. Hij heeft tevens verzocht rekening te houden met het lage gehalte werkzame stof in de amfetamine. Ook heeft hij opgemerkt dat [naam verdachte] geen antecedenten heeft op dat gebied. Voor het knippen van hennep wordt volgens de raadsman doorgaans volstaan met oplegging van een geldboete of werkstraf. Ten slotte wijst de raadsman op het rapport van de reclassering, waaruit blijkt dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van het hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van [naam verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de hiervoor bedoelde omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan zijn in het bijzonder twee thema’s onderwerp van debat geweest bij de behandeling ter terechtzitting.

Ten eerste heeft de officier van justitie kort gezegd gesteld dat de rechtbank ten nadele van [naam verdachte] rekening moet houden met onder andere de omstandigheid dat de inwoners van een regio als Zuid-Limburg in verschillende opzichten veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. Hiertegen heeft de verdediging aangevoerd dat dit op zichzelf niet als een strafverzwarende omstandigheid mag worden aangemerkt. Het zou immers onwenselijk zijn dat iemand die in Zuid-Limburg de Opiumwet overtreedt om die reden zwaarder bestraft wordt dan iemand die dat elders in Nederland doet.

Ten tweede heeft de verdediging kort gezegd de stelling betrokken dat de werkelijke hoeveelheid amfetamine in de aangetroffen verdovende middelen zo beperkt was, dat dit een matigend effect op een op te leggen straf zou moeten hebben.

Ten aanzien van het eerste thema stelt de rechtbank voorop dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij de straftoemeting en daarin nauwelijks wordt gestuurd door de wetgever. Dit stelt de rechter in staat om bij de straftoemetingsbeslissing rekening te houden met alle mogelijke feiten en omstandigheden die voor de straf van belang worden geacht alsook met het doel dat de rechter met de bestraffing beoogt te dienen. Die rechterlijke vrijheid vindt haar begrenzing in transparantie en rechtseenheid, zodat het gevaar van willekeur en inconsistentie wordt ingedamd. Transparantie vereist dat de rechter zich bij het gebruik van zijn vrijheid voldoende moet verantwoorden, bijvoorbeeld door een duidelijke motivering. De rechtseenheid wordt gediend door onder meer de (deels ongeschreven) beginselen van een goede procesorde, zoals het – kennelijk – door de verdediging ingeroepen gelijkheidsbeginsel dat niemand zonder voldoende grond gunstiger of ongunstiger mag worden behandeld dan een ander die in dezelfde situatie verkeert. Ook codificatie van wet- en regelgeving is in dat opzicht van belang. Daaronder dienen ook de oriëntatiepunten van de rechterlijke macht en de beleidsregels (aanwijzingen en richtlijnen) van het openbaar ministerie te worden begrepen.

Volgens de rechtbank is algemeen bekend dat criminelen niet zelden worden verlokt om hun activiteiten in de regio Zuid-Limburg te concentreren dan wel, indien zij van buiten de regio of het buitenland komen, daarheen te verleggen in de al dan niet gerechtvaardigde veronderstelling dat de risico’s kleiner zijn en het financiële gewin hoger is. De regio is geografisch ingeklemd tussen België en Duitsland en kent een lange landsgrens, zodat criminelen sneller kunnen uitwijken naar het buitenland. Ook is de regio gemakkelijk bereikbaar voor afnemers van drugs uit het buitenland die hun verdovende middelen in groten getale in Nederland tegen een lagere prijs voorhanden kunnen krijgen dan in eigen land. Algemeen bekend is dat dit gepaard gaat met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving en in het bijzonder de leefomgeving van het verstedelijkte deel van Zuid-Limburg ernstige schade wordt berokkend.

Die ontwikkeling dient met kracht te worden tegengegaan. Het voorgaande moet dan ook worden gezien als een op algemeen preventieve werking gerichte straftoemeting. Nu het gelijkheidsbeginsel noch artikel 14, eerste lid van het IVBPR en artikel 1 van de Grondwet een zodanige redengeving van de strafoplegging verbieden, faalt het in deze door de verdediging gevoerde verweer.

Ten aanzien van het tweede thema het volgende. De rechtbank kan het door de verdediging betrokken standpunt niet onderschrijven. In Nederland gaat het namelijk, anders dan in Duitsland, niet om de exacte hoeveelheid werkzame verboden stof in een aangetroffen middel, maar is het totale gewicht van dat middel bepalend. Dat een middel dan voor een aanzienlijk deel bestaat uit een legale niet-werkzame stof, maakt dat niet anders, nu het risico voor de volksgezondheid in dat geval evenzeer aanwezig is. De rechtbank wijst erop dat de legale stoffen waaruit de aangetroffen middelen zijn samengesteld bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid. In dit verband merkt de rechtbank op dat aan de [G-straat] te Landgraaf onder meer methanol en zwavelzuur zijn aangetroffen, stoffen die bestemd waren voor de productie van amfetamine. Voorts is algemeen bekend dat, indien het gehalte aan werkzame stof in een gebruikerseenheid harddrugs beperkt is, de gemiddelde gebruiker niet alleen meer van die eenheden zal willen consumeren om daarmee hetzelfde beoogde effect te bereiken, maar ook niet kan worden uitgesloten dat deze gebruiker wegens het uitblijven van het beoogde effect zijn toevlucht neemt tot een andere harddrug. Tevens wijst de rechtbank op het risico van overdosering, indien een gebruiker later weer drugs voorhanden krijgt die een “normale” sterkte hebben. Van al die risico’s heeft [naam verdachte] zich niets aangetrokken. Enkel het financiële gewin stond bij hem voorop.

Met het relatief beperkte gehalte aan amfetamine in het aangetroffen middel zal de rechtbank dus geen rekening houden ten voordele van [naam verdachte].

Hieraan doet niet af het op zichzelf tot de verbeelding sprekende voorbeeld van de verdediging dat, indien iemand op het punt staat 1 kilo amfetamine te versnijden met 50 kilo cafeïne, maar daartoe nog niet is overgegaan, deze persoon op het moment van betrapping ‘slechts’ het aanwezig hebben van 1 kilo amfetamine kan worden aangewreven. Indien diezelfde persoon, aldus de verdediging, een uur later wordt betrapt en klaar blijkt te zijn met het versnijden of mengen van beide stoffen, kan hem worden verweten dat hij maar liefst 51 kilo amfetamine heeft bereid of verwerkt. De rechtbank is van mening dat het ene geval weliswaar tot een andere bewezenverklaring zou leiden dan het andere, maar ten aanzien van de strafmaat zouden beide gevallen een vergelijkbare uitkomst hebben, indien de betreffende persoon in het eerste geval daadwerkelijk van plan was beide stoffen met elkaar te mengen en die vervolgens te verkopen. In beide gevallen bestaat dan immers het voornemen om ten koste van de volksgezondheid voor eigen financieel gewin het preparaat in gebruikershoeveelheden op de markt te brengen.

Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf wordt in dit soort zaken doorgaans aansluiting gezocht bij de strafnormen uit de hiervoor genoemde oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Alleen al gelet op de uitzonderlijk grote hoeveelheden amfetamine die [naam verdachte] heeft uitgevoerd – de getuige [naam getuige 1] spreekt over drie leveringen van in totaal 85 kilo – zijn deze oriëntatiepunten niet bruikbaar. Immers, de hoogste categorie betreft de in- en uitvoer van hoeveelheden harddrugs van boven de 20 kilo. Deze staat in de standaardvariant voor een gevangenisstraf van 60 maanden (5 jaar) en hoger. Een mathematische optelsom van het aantal maanden gevangenisstraf dat correspondeert met de hiervoor bedoelde hoeveelheden aan de hand van de oriëntatiepunten zou leiden tot een disproportioneel hoge vrijheidsstraf en miskennen dat de strafmaat grafisch gezien een afnemende groeicurve laat zien bij toename van de hoeveelheid harddrugs. Tevens zou zo’n optelsom het wettelijke strafmaximum overstijgen, die (alleen voor het uitvoeren) twaalf jaar is. Gelet hierop dient op andere wijze te worden gezocht naar een passende strafmaat.

Het zwaarste feit dat bewezen is verklaard betreft het meermalen uitvoeren van amfetamine in een periode van ongeveer twee maanden. Dit betreft drie leveringen naar Duitsland aan [naam getuige 1] van in totaal 85 kilo amfetamine. De rechtbank benadrukt in dit verband nog eens dat het uitvoeren van harddrugs de zwaarste variant is in artikel 2 van de Opiumwet. Ook is bewezen verklaard dat [naam verdachte] gedurende tien dagen hennep heeft bewerkt.

Dit alles rekent de rechtbank hem zwaar aan. [naam verdachte] heeft zich immers geen enkele rekenschap gegeven van de aanzienlijke gezondheidsrisico’s die anderen door zijn handelwijze hebben gelopen. Het enige wat voor hem heeft geteld is financieel gewin. Daartoe onderhield hij min of meer zelfstandig zijn contacten met Duitse afnemers. De rechtbank vindt dit verwerpelijk. Dit klemt temeer, nu hij in 2007 al eens een transactie heeft moeten voldoen aan de officier van justitie voor hennepteelt, nadat hij voor eenzelfde feit op 8 december 1999 al eens door de politierechter was veroordeeld.

Dat de raadsvrouw van [naam verdachte] zich vanaf de tweede zittingsdag heeft moeten laten vervangen weegt de rechtbank niet mee. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dat voor [naam verdachte] onprettig is geweest, is dat niet een omstandigheid die in deze zaak een rol moet spelen bij de straftoemeting.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om van de door de officier van justitie geëiste straf af te wijken en dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar dus een passende straf is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit terzake het onderdeel “en/of in Duitsland”;

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk ten aanzien van de onder 4 en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Vrijspraak

- spreekt [naam verdachte] vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt [naam verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

- verklaart [naam verdachte] strafbaar;

Straffen

- veroordeelt [naam verdachte] tot een gevangenisstraf van vijf jaren;

- bepaalt dat de tijd die [naam verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. Th.A.J.M. Provaas en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juni 2010.

-----------------------------------------------------------------------------

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan [naam verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2008 tot en met 16 december 2008 in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (telkens) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal (telkens) bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in

de bij die wet behorende lijst I;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2008 tot en met 16 december 2008 in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland en/of in Duitsland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 15 oktober 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 4] en/of [naam medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 10 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 11 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet namelijk het

- meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of hennep en/of hasjiesj, in elke geval van (een) middel(en) als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet

- meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of hennep en/of hasjiesj, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen betreffende de middelen voorkomende op lijst I van

de Opiumwet, welke deelneming bestond uit het organiseren van een (deel van) de uitvoer van verdovende middelen naar Duitsland en/of het organiseren van (een deel van) de

teelt en de bewerking van hennep;

3.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 februari 2009 tot en met 12 februari 2009 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of vervoerd, in elk geval (telkens) aanwezig heeft gehad, (op een adres aan de [B-weg] te Heerlen) (telkens) meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine , zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

5.

hij op of omstreeks 12 maart 2009 te Eygelshoven, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), 81.000 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2009 te Eygelshoven, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 81.000 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.