Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM8942

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-06-2010
Datum publicatie
23-06-2010
Zaaknummer
03/702533-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens handel in en productie van zeer grote hoeveelheden synthetische drugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector strafrecht

parketnummer: 03/702533-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 juni 2010

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Gedetineerd in de P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

Raadsman is mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 31 mei, 1 juni, 2 juni en 3 juni. Op 9 juni 2010 is het onderzoek gesloten. Bij de behandeling hebben de officier van justitie, de verdediging en de verdachte hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [naam verdachte]:

Feit 1: samen met anderen meermalen amfetamine heeft uitgevoerd;

Feit 2: samen met anderen meermalen amfetamine heeft geproduceerd;

Feit 3: samen met anderen in het bezit was van 380 kg amfetamine, 80 liter amfetamine olie, 98 gram cocaïne en 88 gram XTC poeder;

Feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en daarvan leider was;

Feit 5: samen met anderen meermalen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine;

Feit 6: samen met anderen meermalen hennep heeft geteeld;

Feit 7: samen met anderen elektriciteit heeft gestolen;

Feit 8: samen met anderen een elektriciteitsnetwerk heeft vernield of een stoornis daarin heeft veroorzaakt;

Feit 9: een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met de kanttekening dat [naam verdachte] partieel dient te worden vrijgesproken van leiderschap van de criminele organisatie. Ook acht de officier van justitie niet wettig en overtuigd bewezen dat [naam verdachte] met medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft samengewerkt.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 primair, 4 en 8 tot vrijspraak geconcludeerd. Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 5 vindt de raadsman de ten laste gelegde periode te ruim bemeten. Bovendien heeft de raadsman ten aanzien van feit 2 primair de betrokkenheid van [naam verdachte] bij de productie betwist en subsidiair heeft hij aangevoerd dat ook hier de ten laste gelegde periode te ruim is bemeten. Ten aanzien van feit 3 dient [naam verdachte] volgens de raadsman partieel te worden vrijgesproken van het bezit van 98 gram cocaïne, 88 gram XTC poeder en 40 liter amfetamine olie. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 6, 7 en 9. De gevoerde verweren zullen hieronder door de rechtbank besproken worden.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Bruikbaarheid getuigenverklaringen [naam getuige 1]

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van de getuige [naam getuige 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 12 februari 2010 de rechter-commissaris opdracht gegeven de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] te horen, tenzij dezen te kennen zouden geven geen verklaring te willen afleggen op grond van het hun in Duitsland toekomende verschoningsrecht. Volgens de raadsman moet deze beslissing worden gezien als een beslissing in de zin van artikel 288, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 263, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Op die manier heeft de rechtbank volgens de raadsman een beslissing genomen die neerkomt op het weigeren deze getuigen te mogen bevragen door de verdediging.

Die zienswijze is niet juist. De beslissing rond de getuigen [naam getuige 1] was niet een beslissing op basis van 263, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) door de voorzitter van de rechtbank gegeven. Het was een beslissing van de rechtbank om de opdracht deze getuigen te horen aan de rechter-commissaris te geven. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 februari 2010 blijkt dat de opdracht tot stand gekomen is, nadat de officier van justitie had gemeld dat het enige onderzoek dat hij nog wenste te verrichten het verhoor van de broers [naam getuige 1] was. De verdediging heeft toen te kennen gegeven dat zij het onwenselijk achtte dat dat verhoor door politieambtenaren zou gebeuren. Vervolgens zijn de getuigen op de getuigenlijst voor de rechter-commissaris geplaatst. Tegelijkertijd heeft de rechtbank op grond van artikel 288, eerste lid Sv beslist dat het verhoor van de getuigen nutteloos zou zijn als zij zich op hun verschoningsrecht zouden beroepen. In dat geval zou de rechter-commissaris – ook in het kader van de voortgang van het onderzoek – niet naar Duitsland hoeven afreizen.

Door de getuigen op de lijst voor de rechter-commissaris te plaatsen, is in beginsel ook aan de verdediging de mogelijkheid geboden de getuigen te ondervragen. Dat die mogelijkheid niet daadwerkelijk kon worden benut, doet daar niet aan af. Daarmee is de verklaring die de getuige [naam getuige 1] heeft afgelegd in beginsel dan ook bruikbaar voor het bewijs wanneer die in voldoende mate steun vindt in overige bewijsmiddelen. Of dat zo is, volgt later in dit vonnis.

Het voorwaardelijk gedane verzoek van de verdediging om [naam getuige 1] alsnog te mogen horen – indien de rechtbank zou besluiten diens verklaring voor het bewijs te gebruiken – dient als gevolg van het voorgaande hoe dan ook te worden afgewezen, nu de mogelijkheid om de getuige te ondervragen – zij het theoretisch – voor de verdediging heeft bestaan.

De rechtbank zal eerst de zaakdossiers bespreken voor zover relevant. Waar mogelijk zal zij daaraan conclusies verbinden. Daarna zal de rechtbank de ten laste gelegde feiten bespreken.

De zaakdossiers

Zaakdossier 1

De politie heeft onder meer op 16 en 17 februari 2010 diverse telefoongesprekken afgeluisterd die [naam medeverdachte 2] heeft gevoerd met [naam getuige 3] en [naam medeverdachte 3]. Tevens zijn de woningen aan de [G-Straat] en 39 te Landgraaf , de woningen van respectievelijk [naam verdachte] en [naam medeverdachte 5], geobserveerd door middel van een video-observatie en zijn de gangen van [naam getuige 3] vanaf de woning aan de [G-Straat] geobserveerd. Het sluitstuk van deze zaak wordt gevormd door de vondst van 10 kilo amfetamine en 1 kilo hennep in de kofferruimte van de auto van [naam getuige 3] door de Duitse douane. Na zijn aanhouding is [naam getuige 3] verhoord. Ook zijn echtgenote [naam getuige 3] is naar de betrokkenheid van [naam getuige 3] gevraagd.

Op 16 februari 2009 ’s ochtends wordt [naam medeverdachte 2] gebeld door [naam getuige 3]. Op de vraag van [naam getuige 3] of hij al iets weet, antwoordt [naam medeverdachte 2]: “Ik denk alweer meestal is dat tussen 1 en 2 altijd.” Als [naam getuige 3] vervolgens aangeeft dat hij liever iets later wil, omdat het niet uitmaakt als hij “die schwoelie eens een keer om 3 uur” rijdt, antwoordt [naam medeverdachte 2] dat dat geen probleem is.

Diezelfde dag, om ongeveer een uur ’s middags, belt [naam medeverdachte 2] met [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] vraagt [naam medeverdachte 2] of hij “dat ene” regelt. Als [naam medeverdachte 2] dan zegt: “die tien, hè?”, antwoordt [naam medeverdachte 3]: “Ja, die tien.” [naam medeverdachte 2] zegt vervolgens dat hij dat voor morgen regelt.

Later die dag, het is dan ongeveer drie uur ’s middags, zegt [naam medeverdachte 2] tegen [naam getuige 3] dat hij om vier uur in Landgraaf moet zijn.

Even na drieën wordt [naam medeverdachte 2] gebeld door [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] zegt dat hij ergens wat moet ophalen binnen en vraagt [naam medeverdachte 2] of deze “hem” dat ene gezegd heeft. Daarop antwoordt [naam medeverdachte 2]: “Ja, morgen om vier uur.” Als [naam medeverdachte 3] vervolgens zegt: “Alles duidelijk”, zegt [naam medeverdachte 2] : “ja, tien”.

De volgende dag, te weten 17 februari 2009, belt [naam medeverdachte 2] om 15.18 uur met een onbekende Duitser en zegt tegen hem dat hij de oude of de dikke laat komen. Daarop antwoordt de Duitser dat hij om vijf uur ergens kan zijn.

Om half vier ’s middags stopt een rode BMW met kenteken [..-..-..] op naam van [naam getuige 3] voor de woning van [naam verdachte] aan de [G-Straat] te Landgraaf. De bestuurder stapt uit en loopt richting genoemde woning. Ongeveer een minuut later komt de bestuurder de woning weer uit met een lichtblauwe draagtas die hij in de kofferbak van de rode BMW legt. Hij stapt in de BMW en vertrekt. Om 15.34 uur komt [naam verdachte] uit de richting van de woning aan de [G-Straat] en gaat de woning [G-Straat] naar binnen. Even na kwart voor vier passeert de rode BMW de Nederlands-Duitse grens en rijdt de bestuurder via Herzogenrath naar Aken .

Nadat de bestuurder zijn rode BMW heeft geparkeerd nabij een busstation in Aken, wordt de auto gecontroleerd door de douane. In de kofferruimte wordt een gestreepte plastic tas aangetroffen. In die tas bevindt zich een plastic tas van Jumbo met daarin 2 zakjes marihuana van circa 1056 gram bruto in totaal. Daaronder bevinden zich tien zakjes met daarin amfetamine met een bruto totaalgewicht van 10.099 gram. De bestuurder, [naam getuige 3], wordt aangehouden.

Even na zessen belt [naam medeverdachte 3] met [naam medeverdachte 2] en vraagt hem of “die ouwe” zich al heeft gemeld om vervolgens te melden dat om kwart over zes de frites klaar zijn.

Even voor zeven uur belt de echtgenote van [naam getuige 3], [naam getuige 3], met [naam medeverdachte 2] met de vraag of deze even langs kan komen. Ze zegt dat ze een probleem hebben.

Bij zijn verhoren door de politie herkent [naam getuige 3] [naam medeverdachte 2] van een hem door de politie getoonde foto. Hij noemt hem [naam medeverdachte 2]. [naam medeverdachte 2] heeft hem gevraagd om verdovende middelen naar Duitsland te brengen, aldus [naam getuige 3]. [naam getuige 3] heeft die bij [naam medeverdachte 2] thuis opgehaald. De verdovende middelen zaten in een grote plastic boodschappentas, de tas die de politie heeft aangetroffen. Hij dacht dat het ging om wiet en hasjiesj en wist niet dat het amfetamine was. [naam getuige 3] denkt dat hij twee of drie keer voor [naam medeverdachte 2] heeft gereden. Hij moest de verdovende middelen brengen naar een persoon in de buurt van een busstation in Aken.

[naam getuige 3] herkent [naam verdachte] niet van een hem getoonde foto. Hij weet wel nog dat hij één keer op verzoek van [naam medeverdachte 2] in Landgraaf is geweest om verdovende middelen op te halen bij iemand met zwart lang haar in een paardenstaart. [naam getuige 3] heeft daar een tas opgehaald. Dat is de tas die de politie in de auto heeft aangetroffen. Van [naam medeverdachte 2] heeft hij de hasjiesj gekregen en van die andere man de andere tas met amfetamine. Het huis van [naam verdachte] aan de [G-Straat] te Landgraaf herkent [naam getuige 3] wel van de foto. Hij wijst daarbij de voordeur aan. Hij zegt dan dat hij er drie keer is geweest en toen telkens een dergelijke tas heeft opgehaald. Het is ook telkens [naam medeverdachte 2] geweest die zei dat hij daar iets moest halen. Alle drie de keren heeft hij de tassen naar Aken gebracht naar dezelfde plaats, het busstation te Aken. Het was altijd dezelfde persoon die hij daar trof, de “zwoele”, een Turk met een bril. Hij heeft telkens 100 gram wiet gekregen voor eigen gebruik. Die kreeg hij van [naam medeverdachte 2]. De amfetamine kreeg hij van de man met de staart. Hij wist dat hij van hem iets anders kreeg dan van [naam medeverdachte 2], maar niet wat dat was. Als hij de tas had opgehaald bij die man met de paardenstaart, reed hij naar [naam medeverdachte 2]. [naam medeverdachte 2] legde de tas met wiet bovenop de inhoud van de tas die hij had opgehaald bij de man met de paardenstaart. Die man was altijd alleen. Na een transport kwam [naam medeverdachte 2] hem betalen. Het was telkens ongeveer € 500,=.

Over de man met de paardenstaart verklaart [naam getuige 3] nog dat hij wist dat deze in Landgraaf woonde. [naam medeverdachte 2] had hem één keer de weg gewezen door met hem mee te rijden. Dat was ongeveer een half jaar geleden. De eerste keer belde [naam medeverdachte 2] kort aan bij de woning en heeft hij [naam getuige 3] voorgesteld aan de man met de paardenstaart. Er werd afgesproken dat [naam getuige 3] zou gaan koerieren.

[naam getuige 3] heeft verklaard dat haar man gedurende een periode van ongeveer acht maanden eens in de twee weken verdovende middelen heeft gereden voor [naam medeverdachte 2]. Hij kreeg daar de ene keer € 200,= voor, de andere keer € 300,= of dat bedrag in wiet. [naam getuige 3] herkent [naam medeverdachte 2] van een haar door de politie getoonde foto.

Uit al het voorgaande leidt de rechtbank af dat [naam medeverdachte 2] [naam getuige 3] heeft verzocht op 17 februari 2009 10 kilo amfetamine op te halen bij [naam verdachte] om die vervolgens samen met een kilo hennep af te leveren bij een Turk met een bril bij een busstation in Aken die “zwoele’ of “schwoelie” wordt genoemd. Dit blijkt niet alleen uit het aantreffen van de amfetamine en hennep in de auto van [naam getuige 3] en de telefoontaps in combinatie met de observaties, maar ook uit de verklaring die [naam getuige 3] bij de politie heeft afgelegd. Die verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen. [naam getuige 3] zegt hierin immers dat hij de verdovende middelen op verzoek van [naam medeverdachte 2] bij iemand met zwart, lang haar in een paardenstaart aan de [G-Straat] te Landgraaf moest ophalen en vervolgens moest afleveren bij een Turk met een bril bij een busstation in Aken die “schwoelie” of “zwoele” wordt genoemd. Op die plek in Aken is [naam getuige 3] ook aangehouden. Dat het bij de persoon met zwart, lang haar in een paardenstaart om [naam verdachte] ging en niet om een andere persoon, blijkt hieruit dat [naam verdachte] nog steeds zijn lange zwarte haar in een staart draagt en dat [naam getuige 3] zegt dat de woning aan de [G-Straat] te Landgraaf het huis is van de man met die staart, waarbij hij op een hem getoonde foto van het huis de voordeur van de betreffende woning aanwijst. Dat [naam getuige 3] [naam verdachte] niet herkent van een hem getoonde foto, doet daar niet aan af, nu ook uit de observatie blijkt dat [naam getuige 3] de woning van [naam verdachte] aan de [G-Straat] binnengaat om de verdovende middelen op te halen. Overigens werpt de omstandigheid dat wordt gezien dat [naam getuige 3] met een lichtblauwe draagtas naar buiten komt, terwijl door de Duitse douane een gestreepte plastic tas in de kofferruimte van de auto van [naam getuige 3] wordt aangetroffen, geen ander licht op deze zaak. [naam getuige 3] heeft immers bij de politie verklaard dat de tas die hij heeft opgehaald bij [naam verdachte] de tas is die in de auto door de Duitse douane is aangetroffen.

Zaakdossier 2

In zaakdossier 2 wordt het onderzoek beschreven inzake (A) het gebruik van de woning van [naam verdachte] ([G-Straat] te Landgraaf) als afleveradres van verdovende middelen (aan o.a. koeriers [naam medeverdachte 3] en [naam getuige 3]), (B) het gebruik van de woning van [naam medeverdachte 5] ([G-Straat] te Landgraaf) als productie- en opslaglocatie van verdovende middelen en (C) de onderschepping van 85,43 kg amfetamine die door [naam medeverdachte 4] werden vervoerd.

(A) De rechtbank stelt in die zaken het volgende vast ten aanzien van het gebruik van [naam verdachte]’s woning als afleveradres.

Hiervoor is onder “Zaakdossier 1” al vastgesteld dat op 17 februari 2009 een levering van wiet en amfetamine heeft plaatsgevonden aan [naam getuige 3], die daarmee naar Duitsland is gereden en daar is aangehouden. Deze levering is ook onderdeel van zaakdossier 2.

Op 2 februari 2009 heeft een soortgelijke gebeurtenis plaatsgevonden. Op die dag zien verbalisanten bij een video-observatie dat [naam verdachte] om 12.37 uur uit de richting van [G-Straat] komt gelopen met een grote Jan-Linderstas in zijn hand en daarmee zijn woning [G-Straat] binnengaat. Om 12.46 uur belt [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 2] met de mededeling dat “hij” onderweg is. Dan zien verbalisanten om 12.50 uur de rode BMW van [naam getuige 3] stoppen. [naam getuige 3] gaat de woning van [naam verdachte] binnen. Een minuut later komt [naam getuige 3] weer naar buiten. Hij heeft een grote Jan-Linderstas in zijn hand en vertrekt daarmee in de BMW. Even later loopt [naam verdachte] weer naar het huis op nummer 39. [naam getuige 3] heeft verklaard dat hij driemaal een tas heeft opgehaald bij de man met de paardenstaart, [naam verdachte]. Eenmaal daarvan was op 17 februari 2009, toen [naam getuige 3] is aangehouden. De rechtbank concludeert dat de gebeurtenis op 2 februari 2009 die hiervoor is beschreven één van de beide andere keren is geweest.

Er zijn meer combinaties van observaties en tapgesprekken met betrekking tot gebeurtenissen die hier op lijken.

Op dezelfde 2 februari 2009 wordt ook gezien dat [naam verdachte] om 15.12 uur uit de richting van [G-Straat] komt gelopen met een grote witte draagzak en daarmee zijn woning op [G-Straat] binnengaat. Vervolgens, om 15.31 uur, komt een grijze Opel aangereden, waarvan de bestuurder op nummer 37 naar binnen gaat, om 15.35 uur weer naar buiten komt met een gevulde witte draagtas en wegrijdt met de Opel. [naam verdachte] komt om 15.38 uur uit zijn woning en loopt opnieuw in de richting van [G-Straat] .

Op 9 februari 2009 belt [naam medeverdachte 2] om 19.19 uur naar [naam verdachte] met de mededeling dat hij morgen twee bollen moet hebben. [naam verdachte] moet zeggen hoe laat “hij” moet komen. [naam verdachte] zal morgen rond drie uur een sms sturen, maar [naam medeverdachte 2] heeft het liever eerder. Op 9 februari 2009 wordt [naam medeverdachte 2] om 20.04 uur gebeld door een onbekende Duitse man. Deze bestelt “dat dure”. Vanaf 13.10 uur de volgende dag heeft [naam medeverdachte 2] contact met [naam medeverdachte 3]. Het blijkt dat [naam medeverdachte 3] een nieuwe voordeur in zijn huis krijgt en dat de woningstichting daar tot tegen vier uur mee bezig is. [naam medeverdachte 2] bericht overeenkomstig aan een onbekende Duitse man. Om 15.42 uur belt [naam medeverdachte 2] met [naam medeverdachte 3] en zegt: vijf uur bij de [P]. Daarna moet [naam medeverdachte 3] nog even naar [naam medeverdachte 2] toekomen. Dan zien verbalisanten bij een video-observatie dat [naam verdachte] om 16.44 uur thuiskomt en zijn woning aan de [G-Straat] binnengaat. Om 16.58 uur komt [naam medeverdachte 3] aan en gaat ook bij nummer 37 naar binnen. Om 17.00 uur komen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 3] weer naar buiten, ze stappen in de auto’s en rijden weg. Gezien wordt dat de auto van [naam medeverdachte 3] naar Kerkrade rijdt. Vervolgens, om 17.04 uur belt [naam medeverdachte 3] naar [naam medeverdachte 2] met de mededeling dat hij nu wegrijdt en naar [naam medeverdachte 2] toekomt. [naam medeverdachte 2] zegt hem dat hij één mee naar boven moet nemen en één in de auto moet laten liggen. Om 17.15 uur belt [naam medeverdachte 2] naar een onbekende Duitse man. Hij zegt dat “hij” nu naar boven komt. Vervolgens wordt de telefoon overgegeven en gaat het gesprek verder tussen [naam medeverdachte 3] en de Duitser. Ze spreken af dat [naam medeverdachte 3] nu vertrekt en er om kwart voor zal zijn.

Op 22 januari 2009 worden gesprekken gevoerd door [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] die gaan over tien (later elf) en vijf, de dikke moet nog een keer langs gestuurd worden en er wordt een afspraak gemaakt voor 23 januari 2009 om één uur. Op 23 januari 2009 wordt om 12.50 uur in de [G-Straat] gezien dat [naam verdachte] samen met een andere man in zijn auto, de Audi [..-..-..], stapt, dat een man die op [naam medeverdachte 3] lijkt in de Opel Astra op naam van [naam medeverdachte 3]’ vader stapt en dat beide auto’s achter elkaar wegrijden.

Op 29 en 30 januari 2009 voeren [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] gesprekken waarin [naam medeverdachte 2] zegt dat hij morgen tien moet hebben, dat hij vandaag al twee apart moet hebben en de tien voor maandag zijn en waarin gesproken wordt over nu komen koffie drinken, waarna [naam verdachte] “hem” zal bellen. Na sms’jes tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] (“15 min” en “OK”) ziet men [naam medeverdachte 3] aanbellen bij de woning van [naam verdachte] en, als daar niet wordt opengedaan, volgt nog een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] dat “hij” voor de deur staat en dat de bel het niet deed, gevolgd door de mededeling van [naam verdachte] dat hij “hem” ziet. Ten slotte wordt geobserveerd hoe [naam medeverdachte 3] heen en weer loopt voor de opritten van [G-Straat] en 39, bij nummer 37 naar binnen gaat en na enkele minuten weer naar buiten komt .

Vanaf 3 februari 2009 voeren [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] gesprekken over die ene die op 4 februari met tien moet komen en dat hij dan daarna die vijf, die kerstbollen kan doen. [naam medeverdachte 2] moet de dikke sturen, maar die is weg en de ouwe blijkt ziek thuis te zitten. Op 5 februari 2009 bellen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] over de dikke, die vandaag eerst voor de tien komt en meteen daarna de vijf komt halen. Voor die tien moet hij er om één uur zijn. Bij observatie wordt vervolgens gezien dat [naam verdachte] omstreeks 12.46 uur aan komt rijden en naar de achterzijde van [G-Straat] loopt en dat hij omstreeks 12.48 uur weer vanaf de achterzijde van [G-Straat] komt lopen met een grote witte draagtas. Hij gaat zijn woning op nummer 37 binnen. Om 12.57 uur wordt dan de Opel van de vader van [naam medeverdachte 3] gezien, waarvan de bestuurder, [naam medeverdachte 3], ook [G-Straat] binnen gaat. Na één minuut komt [naam medeverdachte 3] met een grote witte draagtas weer naar buiten, stapt in de Opel en rijdt weg.

Nu de volgorde van de hier beschreven handelingen bij deze gebeurtenissen grote gelijkenis vertoont met hetgeen rondom de leveringen aan [naam getuige 3] op 17 en 2 februari 2009 is beschreven, stelt de rechtbank vast dat ook hier sprake is van soortgelijke leveringen, maar dan aan [naam medeverdachte 3] – en in een enkel geval aan iemand anders. Er is eerst telefonisch contact tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2], daarna gaat [naam verdachte] naar de achterzijde van de woning aan de [G-Straat] en komt terug met een plastic tas met inhoud, daarna verschijnt [naam medeverdachte 3] (of een andere man) bij de woning van [naam verdachte], gaat even naar binnen en komt vervolgens met een soortgelijke tas naar buiten en rijdt weer weg. Aldus zijn leveringen vastgesteld op 17 februari 2009, 2 februari 2009 (tweemaal), 9 februari 2009, 23 januari 2009, 30 januari 2009 en 5 februari 2009.

(B) Wat betreft het gebruik van de woning aan de [G-Straat] als opslag- en productielocatie en (C) de onderschepping van een door [naam medeverdachte 4] uitgevoerd transport van verdovende middelen bevat het dossier de volgende bewijsmiddelen.

[naam medeverdachte 5] heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de opslag en productie van verdovende middelen in de garage van zijn woning aan de [G-Straat] . Hij is ongeveer zeven maanden voor het moment dat hij werd aangehouden benaderd – door iemand van wie hij op dat moment de naam niet wil zeggen – om de ruimte gelegen achter de woning ter beschikking te stellen. In deze ruimte zouden dan bruine tonnen met cafeïne en jerrycans met alcohol opgeslagen worden. Het gaat om de ruimte achter de ijzeren deuren, de garage. Hij had toen wel een vermoeden waar die goederen voor gebruikt werden. Hij zou voor de verhuur en opslag 250 euro per maand krijgen. Dat werd hem contant betaald, door wie wil hij niet zeggen. De tonnen en jerrycans werden volgens [naam medeverdachte 5] in de buurt van zijn woning afgezet. Hij haalde ze dan op en liep ermee over straat en bracht de tonnen naar zijn garage. De sleutel van de garage was verstopt in het vogelhuisje achterop de fietsenstalling. Hij en de andere twee mannen wisten waar deze lag. Het produceren van de speed gebeurde volgens [naam medeverdachte 5] steeds door dezelfde twee mannen. Hem werd gevraagd de sleutel dan klaar te leggen. Er kwam steeds iets bij, zo ook de vraag “Kunnen we even wat maken?”

Het produceren van de speed gebeurde meestal met drie man, waarbij [naam medeverdachte 5] ook wel eens aanwezig was, maar niet altijd. Als er werd gewerkt, waren altijd een of twee dezelfde mannen erbij. Ter terechtzitting heeft [naam medeverdachte 5] nog verduidelijkt dat hij slechts eenmaal daadwerkelijk heeft geholpen bij de bereiding van de speed.

[naam medeverdachte 5] heeft verklaard dat de amfetamine werd gemaakt door vloeibare alcohol, vloeibare zwavel, een soort olie en kaft en ook weleens Edelweiss of Dextro in een metselkuip te mixen. De alcohol, zwavel en olie zaten in verschillende kannen. De kaft kwam uit de bruine tonnen. Na het mixen ontstond de poeder, die vervolgens werd verpakt met behulp van de vacuümmachine. Het verschil tussen de witte en gele poeder was dat bij de gele verfstof bijgemengd was.

[naam medeverdachte 5] heeft ook verklaard dat hij op het moment dat hij zelf ging meehelpen met het maken of verpakken, ook meer betaald kreeg. Tussen de 100 en 600 euro per keer, afhankelijk van de hoeveelheid en de werkzaamheden. Hij vermoedt dat hij er een keer of acht bij geweest is. Hij weet niet hoe vaak die mannen in de garage zijn geweest zonder dat hij erbij was. Als de pakketten klaar waren, werden ze ook heel even bij [naam medeverdachte 5] bewaard. Meestal gingen ze vrij snel weg. De pakken werden in die bruine tonnen bewaard of in tassen: sporttassen of bigshoppers.

Op woensdag 11 maart 2009, zo verklaart [naam medeverdachte 5], is hij ook in de garage geweest met nog iemand, denkelijk van 19.00 uur tot na middernacht. Ze hebben toen speed gemaakt en verpakt in pakketten. Toen ze klaar waren is die man naar huis gegaan. De derde man is ook nog in de garage geweest en heeft ook meegeholpen. Deze man is een paar keer in- en uitgelopen. [naam medeverdachte 5] verklaart te hebben geweten dat het spul dat ze gemaakt hadden de volgende ochtend weg zou gaan. Hoeveel pakketten ze gemaakt hadden en in wat voor tassen de pakketten zijn gegaan weet hij niet. Ook niet voor wie de pakketten bestemd waren. Hij verklaart nooit bij een aflevering te zijn geweest.

Als [naam medeverdachte 5] een telefoongesprek van die dag om 19.17 uur wordt voorgehouden zegt hij daarover dat op dat moment [naam medeverdachte 4] en hij in de garage bezig waren met de productie en het mengen van de drugs. [naam verdachte] belde hem op en vroeg naar [naam medeverdachte 4]. Het ging toen over wat er nog verder in die zwarte kleine metselkuip gegooid moest worden. Hij en [naam medeverdachte 4] waren toen bezig dat witte poeder te maken. [naam verdachte] zei dat hij over tien minuten daar zou zijn. [naam verdachte] is volgens [naam medeverdachte 5] na dit gesprek die avond verschillende keren in de garage geweest en heeft toen ook geholpen. Zeker wat betreft die emmer met verf waarover dit gesprek ging.

Ook de echtgenote van [naam medeverdachte 5], [naam echtgenote medeverdachte 5], heeft over het gebruik van de ruimte door [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] verklaard. De spullen in de ruimte waren volgens haar van [naam verdachte]. Hij kwam in en uit en pakte zijn spullen. Ze zag ook nog wel een andere man, die [naam medeverdachte 4] de Neus werd genoemd. Het was volgens haar een zwager van [naam verdachte]. Verder zag ze dozen, tonnen en tassen, soms met een doek erover heen. Het waren bruine tonnen en verschillende kleuren tassen.

Op 11 maart 2009, de dag waarover [naam medeverdachte 5] verklaart dat hij bij productie van verdovende middelen heeft geholpen, hebben ook verschillende observaties plaatsgevonden. Gezien wordt dat [naam medeverdachte 4] om 19.05 uur de [G-Straat] in komt rijden, uit zijn auto stapt en via de tuinpoort perceel 39 binnengaat. Om 19.17 uur vindt het hiervoor genoemde, aan [naam medeverdachte 5] voorgehouden gesprek plaats. [naam verdachte] belt met [naam medeverdachte 5], [naam medeverdachte 5] zegt “Hier heb je hem” en geeft [naam medeverdachte 4] aan de lijn. Deze vraagt aan [naam verdachte] of hij die emmer verf met dat zeil erop erbij kan gooien. [naam verdachte] zegt tien minuten te wachten, dan is hij daar. Vervolgens wordt om 22.45 en om 23.50 uur gezien dat de VW Golf nog steeds op dezelfde plek staat. De volgende ochtend om 2.00 uur is de VW Golf niet meer in de [G-Straat] aanwezig.

Op 1 februari 2009 belt [naam verdachte] om 13.35 uur naar zijn moeder, [naam moeder verdachte]. Hij zegt dat hij zometeen voor de bos/baas moet gaan werken. Om 13.40 uur belt [naam verdachte] naar zijn zus [naam zus verdachte] en vraagt naar [naam medeverdachte 4]. Zijn zus zegt dat die op de bank ligt. [naam verdachte] zegt dat [naam medeverdachte 4] om twee uur zou komen. Om 14.10 uur belt [naam verdachte] nogmaals naar zijn zus en zegt dat [naam medeverdachte 4] zo bij hem is. Later die dag, om 17.21 uur belt [naam zus verdachte] [naam verdachte] naar [naam verdachte] en vraagt naar [naam medeverdachte 4]. [naam verdachte] zegt dan “Ik ben even om naar mij om te eten”. [naam medeverdachte 4] zal over anderhalf uur thuis zijn.

Op 2 februari 2009 is bij de hiervoor al beschreven observatie van 12.37 uur ook nog gezien dat [naam verdachte] – als hij met de Jan-Linderstas uit de richting van nummer 39 komt gelopen – witte vlekken op zijn kleding heeft. Wanneer hij om 17.36 uur gebeld wordt door [naam medeverdachte 2] zegt hij dat hij de hele dag gewerkt heeft. “Als je ziet hoe ik eruit zie, dan zeg je inderdaad ik ben een sneeuwman, hahaha”. [naam medeverdachte 4] wordt op 2 februari 2009 gezien als hij om 11.32 uur voor [G-Straat] uit zijn auto (VW Polo) stapt en in de richting van nummer 39 loopt, waar hij uit het beeld verdwijnt. Hij komt pas om 16.22 uur weer in beeld, als hij – zijn jas dichtknopend – uit de richting van nummer 39 komt gelopen en met [naam verdachte] in de Polo wegrijdt.

Op 12 maart 2009 wordt bij observatie op de [G-Straat] om 9.10 uur gezien dat [naam medeverdachte 4] uit woning nummer 37 komt en achterom loopt bij nummer 39. Om 10.39 uur wordt gezien dat hij weer naar buiten komt en zijn VW Golf voor nummer 39 parkeert. Hij loopt weer achterom bij nummer 39 en komt even later terug met een rode, gevulde plastic zak die hij in de VW Golf legt. Hij gaat weer naar nummer 39 en komt terug met twee grote, gevulde sporttassen, waarvan één blauw-wit van kleur. Ook die worden in de auto gelegd, waarna hij nog een keer terugloopt naar 39 en met een sporttas terugkomt, die ook in de auto wordt gelegd. Om 11.04 uur vertrekt [naam medeverdachte 4], waarna hij om 11.06 uur aan de kant van de weg wordt gezet in Eygelshoven. In de auto worden vijf tassen met witte en / of gele gesealde pakken poeders aangetroffen, in totaal 81 pakken van ongeveer een kilo elk. De poeders blijken bij onderzoek amfetamine te bevatten. [naam medeverdachte 4] heeft in zijn verhoor bij de politie toegegeven dat hij drugs in zijn bezit had en dat hij de tassen zelf in zijn auto heeft gezet. Bij een onderzoek in woning en de garage aan de [G-Straat] worden vervolgens grote hoeveelheden verdovende middelen en grondstoffen voor verdovende middelen aangetroffen, waaronder bijna 380 kilogram amfetamine en 40 liter amfetamine-olie. Voorts zijn op [G-Straat] nog jerrycans met methanol en zwavelzuur aangetroffen, alsmede vaten cafeïne, een tabletteermachine en een vacuümmachine. In de woning van [naam verdachte] op [G-Straat] worden eveneens jerrycans met methanol en pakken melksuiker (lactose) aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat deze taps en observaties, de aanhouding van [naam medeverdachte 4] met ruim 80 kilogram amfetamine, het aantreffen van de grote hoeveelheid verdovende middelen en grondstoffen voor de bereiding daarvan en de verklaring van [naam echtgenote medeverdachte 5] de verklaring van [naam medeverdachte 5] ondersteunen dat in de garage van [G-Straat] verdovende middelen werden opgeslagen en geproduceerd en dat – naast hijzelf op 11 maart 2009 –[naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] de beide anderen waren die bij de productie betrokken waren. De rechtbank gaat voorbij aan de lezing van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] dat zij bezig waren met een verbouwing in de woning op nummer 37, omdat daar grote waterschade was ontstaan. Op zichzelf wil de rechtbank wel aannemen dat zij daadwerkelijk in de woning van [naam verdachte] hebben geklust. Hun alternatieve lezing van de gebeurtenissen in die zin dat zij uitsluitend bezig zijn geweest in de woning op nummer 37 strookt echter niet met de verklaring van [naam medeverdachte 5] en ook niet met hetgeen bij de observaties is gezien en bij de taps is gehoord. Ook strookt die niet met de inhoud van andere afgeluisterde gesprekken, waaruit kan worden afgeleid dat [naam medeverdachte 4] die dag met zijn kind in het zwembad was en dus niet bij [naam verdachte] in de woning aan het klussen. De rechtbank vindt de verklaring van [naam medeverdachte 5], die zoals hierboven uiteengezet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, geloofwaardiger dan de verklaringen van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] op dit punt.

Zaakdossier 3

In zaakdossier 3 wordt het onderzoek beschreven inzake de uitvoer van vijf partijen verdovende middelen naar Duitsland. De rechtbank stelt daarover het volgende vast aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier.

Op 16 december 2008 om 15.03 uur werden op de parkeerplaats van een supermarkt in Düren (Duitsland) twee personen aangehouden terwijl zij bezig waren verdovende middelen van de ene in de andere auto over te laden. Het waren [naam medeverdachte 1], die vijftig kilo amfetamine naar Düren had gebracht, en [naam getuige 4], die de amfetamine kwam ophalen. Op het moment van aanhouding stond in beider auto’s een ton met circa 25 kilo amfetamine. Achter de bestuurdersstoel van de auto van [naam medeverdachte 1] stond een plastic zak met 12 kilo amfetamine en in zijn portiervak zat een stapel geld van € 21.900, gewikkeld in een handdoek .

De getuige [naam getuige 4] heeft in het kader van het tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek in Duitsland verklaard over drie bestellingen van verdovende middelen die hij heeft gedaan bij een in Nederland wonende Duitser, die hij aanduidt met de bijnaam [B.]. Deze leverancier is de zoon van de koerier met wie hij samen in Duitsland is aangehouden. Hij heeft deze [B.] in september/oktober 2008 leren kennen en is toen met hem overeengekomen dat hij tien kilo amfetamine en één kilo wiet zou leveren. Deze levering is midden oktober 2008 door de vader van [B.] gebracht. Bij de deal van 28 november 2008 heeft hij 25 kilo amfetamine en een kilo wiet bij [B.] besteld. De koerier, [naam medeverdachte 1] sr., heeft eerst de 25 kilo amfetamine gebracht en daarna 300 gram wiet en 700 gram wiet. De vijftig kilo amfetamine van de levering van 16 december 2008 heeft [naam getuige 5] bij [B.] besteld, aldus [naam getuige 4]. Hijzelf had op die dag € 16.900 bij zich en [naam getuige 5] heeft hem voor de levering nog € 5.000 gegeven.

[naam getuige 5] heeft bevestigd, zoals in het vonnis van het Landgericht Bonn van 3 juli 2009 is weergegeven, dat hij [naam getuige 4] en [naam medeverdachte 1] met elkaar in contact gebracht heeft en dat hij, omdat vanwege de tweede levering spanning tussen die twee was ontstaan, op 15 december 2008 de vijftig kilo amfetamine voor [naam getuige 4] bij [naam medeverdachte 1] heeft besteld.

Uit tapgesprekken en observaties kan het volgende worden opgemaakt.

Op 28 november 2008 om 16.02 uur spreken [naam getuige 4] en [naam medeverdachte 1] telefonisch af elkaar om vijf uur te ontmoeten. Later die avond, om 18.32 uur klaagt [naam getuige 4] dat [naam medeverdachte 1] de sla vergeten heeft. [naam medeverdachte 1] zegt dan dat hij niet wist dat [naam getuige 4] dat ook wilde hebben en belooft dat hij dat morgen om drie uur krijgt. Op 29 november 2008 spreken ze elkaar om 12.28 uur weer en belooft [naam medeverdachte 1] [naam getuige 4] dat alles geregeld is, alle drie de kerstbomen, en dat het super wiet is, super kerstbomen. Ze kosten vier. [naam getuige 5] en [naam getuige 4] bellen daarna met elkaar. [naam getuige 4] meldt dat [B.] heeft gezegd dat ze vier kosten en niet drie negen. Om 16.04 uur belt [naam getuige 4] weer met [naam medeverdachte 1]. Dit keer klaagt hij dat te weinig sla is geleverd. Niet één, maar driehonderd. Uit printergegevens blijkt dat meteen daarna, om 16.06 uur, contact gemaakt wordt tussen de telefoons van [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte]. [naam medeverdachte 1] belt om 16.48 uur naar [naam getuige 4] en zegt hem dat de rest maandagmiddag komt. Er wordt een afspraak gemaakt voor 1 december 2008, vier uur. Om 17.28 uur die dag bellen [naam getuige 5] en [naam getuige 4] met elkaar en er wordt over gesproken dat het spul er eindelijk goed uitziet.

Op 5 december 2008 belt [naam getuige 4] om 23.04 uur met [naam getuige 5] en zegt dat ze twaalf tot veertien stuks kunnen teruggeven, ze zijn allemaal slecht. Op 8 december 2008 meldt [naam medeverdachte 1] om 22.15 uur aan [naam getuige 5] dat hij betere, sterkere heeft, bommen die niemand bij hen zal hebben. [naam getuige 5] zegt dan dat ze met twaalf stuks problemen hadden. Op 15 december 2008 om 14.42 uur bespreken ze dat het morgen of overmorgen met de taxi moet lukken. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij nu goede blokken heeft. [naam getuige 5] informeert om 14.47 uur bij [naam getuige 4] of hij nog met de blonde wil gaan spreken, maar [naam getuige 4] wil dat niet. Om 14.59 uur op die dag bericht [naam getuige 5] aan [naam medeverdachte 1] dat hij de taxi maar moet sturen, vijftig zoals altijd. Hij vraagt tevens of hij de twaalf van de vorige keer kan teruggeven omdat ze daarmee problemen hadden. Ze spreken af voor morgen, vijf uur. Uit printergegevens blijkt dat de telefoons van [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] hierna, om 15.02 uur, contact met elkaar hebben. Meteen daarop, ook om 15.02 uur, belt [naam medeverdachte 1] met [naam getuige 5] met de vraag of het morgen ook om drie uur kan. Over het tijdstip volgen dan nog wat telefoongesprekken tussen [naam getuige 5] en [naam getuige 4] en tussen [naam getuige 5] en [naam medeverdachte 1], maar het blijft drie uur. Op 16 december 2008 om 14.36 uur zien de Duitse verbalisanten een ontmoeting tussen [naam medeverdachte 1] en [naam getuige 4]. Om 14.50 uur spreken [naam medeverdachte 1] en [naam getuige 5] nog met elkaar en bevestigt [naam getuige 5] dat “hij” er inmiddels is. Om 15.03 uur worden [naam medeverdachte 1] en [naam getuige 4], als gemeld, aangehouden.

Op 16 december 2008, vanaf 15.44 uur, vindt over de getapte telefoonlijnen vervolgens een aantal gesprekken plaats tussen [naam medeverdachte 1] en zijn moeder en tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte], waaruit kan worden afgeleid dat men nog niets gehoord heeft van [naam medeverdachte 1] en dat men zich zorgen maakt. Ook probeert [naam medeverdachte 1] om [naam getuige 5] te bereiken en vraagt hij een Duits sprekende man om bij de Aldi in Düren langs te gaan om even te gaan kijken, aangezien zijn taxi is gepakt. Om 19.08, 19.42 en 22.43 uur vraagt [naam medeverdachte 1] per telefoon of sms aan [naam verdachte] om raad. Om 23.30 uur komt er vervolgens bericht dat “hij” terecht is, ze hebben hem opgepakt, hij is nu in het ziekenhuis en moeder gaat er morgen heen. Op 17 december 2008 om 10.20 uur belt [naam medeverdachte 1] opnieuw met [naam verdachte] en vraagt hem om advies; ze hebben vanuit Düren gebeld en “hij” moet een advocaat hebben. [naam medeverdachte 1] vraagt [naam verdachte] wat hij moet doen.

Ook in een latere fase is er nog contact tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] over de advocaat. Op 28 januari 2009 om 18.26 uur vraagt [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] of hij meegaat naar Vaals, waar ze morgen met spoed naar de advocaat moeten. Op 30 januari 2009 om 14.12 uur spreken ze af dat ze om kwart over drie naar Vaals gaan. In een gesprek met een onbekende man zegt [naam verdachte] op 30 januari 2009 om 14.51 uur dat hij naar Vaals is.

Nog weer later is er contact tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] waarin [naam medeverdachte 1] meedeelt dat zijn vader kan worden vrijgelaten op borgtocht. Eerst krijgt [naam medeverdachte 1] op 6 maart 2009 om 17.00 uur daarover bericht van zijn moeder. Meteen daarna, om 17.01 uur, brengt [naam medeverdachte 1] de boodschap over aan [naam verdachte] en vraagt of ze kunnen praten. [naam verdachte] zegt daarop dat [naam medeverdachte 1] gauw langs moet komen. Diezelfde avond, om 20.26 uur, belt [naam medeverdachte 1] naar zijn moeder en zegt dat het goed is en dat “hij” meegaat maandag. Moeder bedankt hem. Op 9 maart 2009 om 9.04 uur doet de moeder van [naam medeverdachte 1] aan haar zoon verslag van wat de rechter heeft gezegd. De rechter moest er eerst nog met twee anderen over praten. Om 14.15 uur krijgt [naam medeverdachte 1] het bericht van een Duitssprekende vrouw dat hij het geld kan brengen, vijftien, en het moet voor drie uur daar zijn. Om 14.21 uur belt [naam medeverdachte 1] met [naam verdachte] en zegt dat hij er nu heengaat. Gezien wordt dat hij naar de woning van de moeder van [naam verdachte] gaat. [naam verdachte] had in een gesprek die ochtend laten weten dat hijzelf om één uur zou weggaan, maar dat zijn moeder ervan afwist.

Op 10 maart 2009 om 11.30 uur belt [naam medeverdachte 1] met [naam verdachte] en meldt dat zijn moeder en zijn zus “hem” nu zijn halen. Om 18.25 uur meldt hij [naam verdachte] dan nog dat “hij” thuis is en dat het een hele opluchting is. Hij bedankt [naam verdachte].

De observaties en tapgesprekken sluiten nauw aan bij de verklaring van [naam getuige 4], die op zijn beurt wordt ondersteund door de verklaring van [naam getuige 5]. Zo verklaart [naam getuige 4] over de dag van zijn aanhouding dat hij vijftig kilo besteld had en twaalf kilo van een eerdere partij wilde teruggeven en hij verklaart hoeveel geld hij bij zich had. Dezelfde hoeveelheden verdovende middelen en hetzelfde bedrag aan geld is bij zijn aanhouding – deels al in de auto van [naam medeverdachte 1] – aangetroffen. Wat [naam getuige 4] heeft verklaard over de levering in drie delen van de tweede bestelling wordt ondersteund door de hiervoor genoemde afgeluisterde gesprekken van 28 november 2008 om 18.32 uur, 29 november 2008 om 12.28 16.04 en 16.48 uur en

1 december 2008 om 12.40 en 17.28 uur.

Deze constatering leidt tot de conclusie dat de rechtbank de verklaring van [naam getuige 4] als geloofwaardig aanmerkt, ook ten aanzien van de eerste door hem genoemde levering, die van medio oktober 2008. Mede op dit punt wordt de verklaring van [naam getuige 4] ondersteund door de verklaring van [naam getuige 5], die de levering van 28 november 2008 immers ook als de tweede levering benoemt. [naam getuige 4] heeft niet alleen [naam medeverdachte 1] belast door over de drie leveringen te verklaren, maar ook zichzelf en de rechtbank ziet niet in, gezien de hiervoor genoemde ondersteuning van de verklaring van [naam getuige 4], dat hij maar wat zou hebben verzonnen om [naam medeverdachte 1] daarmee te belasten. [naam getuige 4] is ook specifiek in de details die hij over [naam medeverdachte 1] weet te melden: niet alleen dat hij de zoon is van de tegelijkertijd met hem aangehouden koerier [naam medeverdachte 1], maar ook dat hij een in Nederland wonende Duitser is, een BMW rijdt en de beschikking heeft over zowel een Duitse als een Nederlandse telefoon. Verder overtuigen ook de termen die in de gesprekken worden gebruikt, zoals het woord “taxi”, waarmee kennelijk (de levering van) een partij drugs wordt bedoeld, dat niet alleen door [naam getuige 5] in een gesprek met [naam medeverdachte 1] wordt gebruikt, maar ook door [naam medeverdachte 1] als hij bezig is uit te zoeken wat er met zijn vader is gebeurd en hij aangeeft dat zijn taxi is gepakt.

Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de leveringen hebben plaatsgevonden waarover door [naam getuige 4] is verklaard: eenmaal midden oktober 2008 een levering van tien kilo amfetamine en een kilo wiet, een levering van 25 kilo amfetamine op 28 november 2008 gevolgd door twee leveringen van wiet, te weten 300 gram op 29 november 2008 en 700 gram op 1 december 2008 en ten slotte de levering van vijftig kilo amfetamine op 16 december 2008.

De vraag is of, naast [naam medeverdachte 1] als leverancier, diens vader als koerier en [naam getuige 4] als afnemer, [naam verdachte] betrokken is bij de levering van amfetamine naar Duitsland. Er zijn geen gesprekken opgenomen waaruit die betrokkenheid blijkt. Wel is er een gesprek op 16 december 2008 om 14.35 uur tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] waarin [naam verdachte] informeert hoe laat “die” daar is en [naam medeverdachte 1] zegt dat dat al om drie uur zal zijn. Dat zou over [naam medeverdachte 1] kunnen gaan, die op dat moment onderweg is naar Düren, maar dat brengt nog niet mee dat de amfetamine die [naam medeverdachte 1] dan bij zich heeft, van [naam verdachte] afkomstig is. Voorts zijn er zoals hiervoor weergegeven veel contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] als [naam medeverdachte 1] is aangehouden. Geen van deze contacten leidt echter op zichzelf tot de conclusie dat [naam verdachte] als leverancier aan [naam medeverdachte 1] moet worden aangemerkt. [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] kennen elkaar al lange tijd en hebben, zo is uit de tapgesprekken te lezen, veelvuldig contact met elkaar. Dat [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] raad vraagt kan ook verband houden met hun jarenlange vriendschappelijke relatie en hoeft niet te betekenen dat [naam verdachte] [naam medeverdachte 1]s leverancier is, zoals ook van de zijde van [naam medeverdachte 1] is betoogd.

Wel wordt duidelijk uit de printergegevens die zijn opgevraagd over de periode vóór de aanhouding van [naam medeverdachte 1], dat met de telefoon van [naam medeverdachte 1] na contacten met [naam getuige 4] verbinding gezocht wordt met de telefoon van [naam verdachte]. Een voorbeeld daarvan is het contact op 15 december 2008 om 15.02 uur, direct na een gesprek met [naam getuige 4] om 14.59 uur waarin een tijdstip wordt afgesproken: morgen om vijf uur. Meteen na het contact van [naam medeverdachte 1]s telefoon met die van [naam verdachte] belt [naam medeverdachte 1] weer naar [naam getuige 4] met de mededeling dat morgen drie uur hem beter uitkomt.

Voorts zijn overeenkomsten geconstateerd tussen de partij amfetamine die bij de aanhouding van [naam medeverdachte 1] werd aangetroffen en bij de doorzoeking van de woning aan de [G-Straat] te Landgraaf en een garagebox (G108) aan de [G.F.-straat] te Heerlen aangetroffen goederen. [G-Straat] te Landgraaf is als eerder vermeld de woning van [naam medeverdachte 5] en de bij die woning behorende garage was in gebruik als productielocatie voor amfetamine. De genoemde garagebox werd door [naam verdachte] gehuurd.

De overeenkomsten bestaan in de kleur van de poeder (geel) en wijze van verpakking: in vacuümgetrokken plastic en in kartonnen vaatjes met onder andere de opschriften 25 en DES. Op [G-Straat] zijn ook gele poeders aangetroffen, alsmede soortgelijke kartonnen vaatjes. Ook werd dat soort vaatjes aangetroffen in de garagebox aan de [G.F.-straat].

[naam medeverdachte 5] heeft in zijn verklaring een aantal van deze elementen beschreven: hij verklaart over kaft die uit bruine tonnen kwam en die met de andere grondstoffen werd gemixt. De poeder die aldus ontstond werd afgewogen op een kilo en met een vacuümmachine verpakt. Op sommige van de pakketten werd een D geschreven of DES, wat volgens [naam medeverdachte 5] beide “dessert” betekent en wat de naam is voor de amfetamine als het klaar is. De gele kleur ontstond door gele blikjes verfstof bij te mengen.

In de garage van [naam medeverdachte 5] is ook een vacuümmachine aangetroffen. Er is onderzocht of de bij [naam medeverdachte 1] aangetroffen partij amfetamine met die vacuümmachine kunnen zijn geseald, maar dat is niet het geval. Dit betekent overigens niet dat de door [naam medeverdachte 1] uitgevoerde amfetamine niet uit de productielocatie [G-Straat] afkomstig kan zijn.

De rechtbank komt op grond van de verklaring van [naam medeverdachte 5], de overeenkomsten tussen de aangetroffen partijen verdovende middelen en de verpakkingen tot de conclusie dat de door [naam medeverdachte 1] aan [naam getuige 4] geleverde amfetamine afkomstig is van [naam verdachte]. De rechtbank betrekt daarbij ook de veelvuldige contacten tussen [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte], ook al bestaat tussen hen een langurige vriendschappelijke relatie die veelvuldig contact zou kunnen verklaren. Gelet op die contacten moet [naam medeverdachte 1] op de hoogte zijn geweest van [naam verdachte]’s activiteiten en is ook niet goed voorstelbaar dat [naam medeverdachte 1] zijn verdovende middelen van iemand anders zou betrekken dan van [naam verdachte]. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt ook niet van gesprekken met anderen van wie [naam medeverdachte 1] de via zijn vader aan [naam getuige 4] geleverde amfetamine zou hebben betrokken.

Zaakdossier 4

In zaakdossier 4 wordt het onderzoek beschreven inzake het verwerken van hennep in de woning aan de [B-straat]in Heerlen. De rechtbank stelt daarover het volgende vast aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier.

Vanaf 2 februari 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd tussen [naam medeverdachte 1] en een tweetal onbekende mannen.

Een van deze onbekende mannen kon worden geïdentificeerd als [M.S.]. De andere onbekende man, met telefoonnummer [gsm nummer], is niet geïdentificeerd.

Op 2 februari 2009 wordt [naam medeverdachte 1] gebeld door [M.S.]. [naam medeverdachte 1] zegt dat ze niet vandaag maar morgen overdag gaan beginnen. Ze moeten even een plaats regelen.

Aan [M.S.] is dit gesprek voorgehouden en hij heeft verklaard zijn stem en de stem van [naam medeverdachte 1] te herkennen. Op de vraag waarom ze een nieuwe plaats moesten regelen, heeft [M.S.] verklaard dat ze geen nieuwe plaats hebben geregeld, dat het al op de [B-straat] was.

Op 5 februari 2009 belt [naam medeverdachte 1] met een onbekende vrouw en zegt dat hij om 2 uur bij haar dat werk moet doen dat ze hebben afgesproken. Het telefoonnummer van de onbekende vrouw staat op naam van [G.W.], [B-straat] Heerlen. Ter terechtzitting heeft [naam medeverdachte 1] bevestigd dat dit een telefoongesprek tussen hem en zijn moeder betrof. Vervolgens belt [naam medeverdachte 1] naar [M.S.]. Hij zegt tegen [M.S.] dat deze om half 2 bij [naam medeverdachte 1] moet zijn en dat ze om 2 uur beginnen. Later die dag wordt [naam medeverdachte 1] gebeld door [M.S.]. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij aan het wachten is op die kapper en dat ze dan kunnen gaan. [M.S.] heeft bij de politie verklaard dat met “de kapper” een wietknipmachine wordt bedoeld.

[M.S.] heeft verder verklaard dat ze wiet hebben geknipt op de [B-straat], onder de poort door en dan rechts naar binnen. Ook heeft hij verklaard dat hij wiet heeft geknipt met [naam medeverdachte 1].[naam medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting van 31 mei 2010 verklaard dat hij en [M.S.] inderdaad wiet hebben geknipt in de woning van zijn moeder aan de [B-straat].

Op 5 februari 2009 om 20.12 uur wordt [naam medeverdachte 1] gebeld door NN-man met nr. [gsm nummer]. NN-man zegt dat hij er is en dat hij alles heeft. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij naar onderen komt. Dit gesprek wordt opgevangen door de mast op de Caumerboord in Heerlen.

Op 6 februari 2009 om 00.07 uur wordt [naam medeverdachte 1] gebeld door [naam partner medeverdachte 1](zijn partner). Hij zegt dat het ram veel werk is, dat hij om kwart voor 3 zal stoppen en dat hij morgen overdag verder gaat. Om 10.58 uur diezelfde dag belt [naam medeverdachte 1] met [naam verdachte]. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij gisteren nog zo’n ding heeft gehaald en dat dat ding vannacht om 2 uur kapot ging. Die condensator of wat, die doet het gewoon niet meer. [naam medeverdachte 1] gaat hem nu terug brengen en een nieuwe halen. Niet lang daarna vertelt [naam medeverdachte 1] in een gesprek met [naam partner medeverdachte 1] dat hij pas om kwart over 1 de nieuwe machine krijgt. Enkele minuten later belt [naam partner medeverdachte 1] naar [naam medeverdachte 1] en zegt dat hij om kwart voor 1 bij de Witte moet zijn. “Hij” heeft net gebeld en zij moest dat doorgeven. Om 11.48 uur belt [naam medeverdachte 1] naar [M.S.] en zegt dat hij een probleem heeft. Hij kan om kwart over 1 dat ding halen. Om 12 uur moet hij zijn kind halen en die heeft hij tot 6 uur. [M.S.] zegt daarop dat hij en die chappie anders effe gaan. Daarop zegt [naam medeverdachte 1] dat dat ook kan. Dan belt hij [M.S.] op en kan [M.S.] dat ding ophalen bij die flat bij die “Witte”.

Om 12.21 uur belt [naam medeverdachte 1] opnieuw naar [M.S.] en vraagt hem langs te komen zodat [naam medeverdachte 1] precies kan zeggen hoe en wat. [M.S.] heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat [naam medeverdachte 1] hiermee bedoelde dat hij moest zeggen hoe ze met de wiet moesten omgaan.

Ter terechtzitting heeft [naam medeverdachte 1] verklaard dat hij had gezegd dat de wiet in de badkuip moest worden gelegd.

Op 6 februari 2009 om 16.57 uur belt [naam medeverdachte 1] met [M.S.] en vraagt of het goed gaat. [M.S.] zegt “ja rustig” en op de achtergrond is het geluid van een draaiende mixer hoorbaar. [M.S.] heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat dit de snijmachine was.

Om 18.22 uur belt [naam medeverdachte 1] naar [M.S.] en zegt dat hij er zo aankomt. Om 18.52 uur wordt gezien dat een man uit een personenauto stapt, de poort openmaakt, de oprit oprijdt naar de achterzijde van het perceel, te voet vanaf de achterzijde van het perceel naar voren komt gelopen, de poort dicht maakt en perceel 44 naar binnen gaat. Het betreft een blanke man gekleed in een sportbroek met een witte bies aan de buitenzijde, een parkajas en een alpinemuts op.

Om 21.22 uur wordt [naam medeverdachte 1] gebeld door [naam partner medeverdachte 1]. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij nu pas wegrijdt en dat hij dit even moest afmaken. [naam partner medeverdachte 1] zegt dat ze dacht dat hij net al aan het rijden was, waarop [naam medeverdachte 1] antwoordt dat hij toen nog bij die machine zat.

Om 21.22 uur wordt op de [B-straat] gezien dat uit de voordeur van perceel 44 twee personen komen onder wie de man met de alpinemuts, die ook om 18.52 uur werd gezien. Laatstgenoemde opent de poort waarna beide personen naar de achterzijde van het perceel lopen.

Om 21.23 uur rijden twee auto’s achteruit de oprit af. Bij de tweede auto is de letter-cijfer-combinatie RJ-..-43 te zien. Volgens de verbalisant heeft een bij [naam medeverdachte 1] in gebruik zijnde BMW het kenteken [..-..-..]. Ter terechtzitting heeft [naam medeverdachte 1] bevestigd dat dat zijn auto was.

Om 21.29 uur belt [naam medeverdachte 1] naar [naam verdachte] en zegt dat hij net klaar is waarop [naam verdachte] zegt dat [naam medeverdachte 1] goed gewerkt heeft.

In zijn tweede verhoor heeft [M.S.] verklaard dat in de badkuip in het pand op de [B-straat] twee hele grote zakken en een paar kleinere huisvuilzakken lagen. In zijn derde verhoor heeft [M.S.] verklaard dat ze met zijn drieën zijn begonnen met knippen maar dat hij en Erik dat later alleen deden omdat [naam medeverdachte 1] op zijn kind moest letten. Ook heeft hij aangewezen welke wietknipmachine ze hebben gebruikt en heeft hij verklaard over het aantal planten dat per uur met zo’n machine kan worden verwerkt en het aantal uren dat ze hebben gewerkt.

Zaakdossier 5

In zaakdossier 5 wordt het onderzoek beschreven inzake het aantreffen van een hennepplantage op het adres [I-straat] te Kerkrade. De rechtbank stelt daarover het volgende vast aan de hand van de bewijsmiddelen in het dossier.

In telefoongesprekken informeert [naam medeverdachte 1] [naam verdachte] op 6 februari 2009 over dat ding dat hij had gehaald en dat ’s nachts kapot ging. Ook belt [naam medeverdachte 1] op 6 februari 2009 ’s avonds met [naam verdachte] en zegt dat hij net klaar is.

Verder belt [naam medeverdachte 1] op 11 februari 2009 met [naam verdachte]. In dat gesprek vraagt [naam verdachte] aan [naam medeverdachte 1] hoe het met zijn tulpjes gaat. [naam medeverdachte 1] antwoordt dat hij denkt dat het morgen helemaal finito is, dat het wel niet veel zal worden. Volgens [naam medeverdachte 1] ziet het er slecht uit. Als hij daar naar binnen loopt, krijgt hij steeds meer hoofdpijn.

Een dag later belt [naam medeverdachte 1] om 11.27 uur weer met [naam verdachte] en zegt dat hij aan het schoonmaken is. Ongeveer een uur later belt [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 1] en vraagt of [naam medeverdachte 1] hard bezig is. [naam medeverdachte 1] zegt dat eh… een zeven was maar ram vies. Ze spreken over vuile was. [naam medeverdachte 1] zegt: “Ja gewoon vuil, heb ik je toch gezegd met die dieren er in, weet je met die web. Dat is helemaal verrot…” .

Later die middag hebben ze opnieuw telefonisch contact en dan vraagt [naam verdachte] wat [naam medeverdachte 1] met die was gaat doen. [naam medeverdachte 1] antwoordt dat hij eigenlijk een ons wil doen, weet je wel, honderd, honderd, honderd, dan heeft hij er meer aan. [naam verdachte] zegt dat het goed is en dat [naam medeverdachte 1] dat moet regelen. [naam verdachte] zegt ook nog dat hij het ook in één keer kan wegdoen. [naam medeverdachte 1] zegt dat hij nou met “hem” overlegt, want “hij” kon zijn deel aan iemand van de Molenberg of wat kwijt en kreeg “hij” zoveel. [naam medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij vanavond dan ook zoveel van “hem” krijgt. “Hij” heeft gezegd dat dat geen probleem was. Als “hij” geld heeft, krijgt [naam medeverdachte 1] het meteen. Dat krijgt hij nou dus.

Op 10 maart 2009 wordt met de telefoon van [naam verdachte] naar Essent gebeld. De beller meldt zich met de naam [G.M.] en wil een adreswijziging doorgeven. De beller zegt dat hij de nieuwe eigenaar is, geen klantnummer heeft en meterstanden wil doorgeven. Er wordt een klantnummer aangemaakt waarbij de beller de naam [G. van M.] doorgeeft. Hij zegt dat hij een eenmanszaak heeft en meldt dat hij het KVK-nummer niet bij de hand heeft. Tevens geeft hij postcode [..]en het adres [I-straat] te Kerkrade door en zegt dat hij geen telefoonnummer noch een e-mailadres bij de hand heeft. De beller krijgt een klantnummer ([..]) dat die dag meteen ingaat en de beller geeft de meterstanden van de elektra en het gas door. De beller wil geen automatische incasso, maar via acceptgiro betalen. Hij heeft het rekeningnummer niet bij de hand.

Op 12 maart 2009 wordt [naam medeverdachte 6](de moeder van [naam verdachte]) aangehouden in het perceel [G-Straat] (de woning van [naam verdachte]). In haar fouillering treft men onder andere een huurcontract met betrekking tot [I-straat] te Kerkrade aan. Op de envelop van het contract zitten Post-It-blaadjes waarop onder andere staat vermeld “Essent [..] klantnum” en “opgenomen 1-11-2008 gas 30827871 elektra 138260”.

De politie verneemt van de eigenaar, [M.M.], dat het pand [I-straat] bestaat uit een woongedeelte en een bedrijfsgedeelte. Het woongedeelte is niet verhuurd. Het bedrijfsgedeelte is volgens de eigenaar verhuurd aan [G. van M.]. Later verklaart [M.M.] tegenover de politie dat hij het pand op 1 november 2008 telefonisch heeft verhuurd en dat hij de huurder nooit heeft gezien. Hij heeft het huurcontract opgestuurd en toen hij het retour ontving zat er een kopie bij van het paspoort van [G. van M.].

Op 13 maart 2009 heeft de politie onderzoek verricht in de bedrijfsruimte, waarbij in een kelderruimte onder een met houten platen afgezet gedeelte van de timmerwerkplaats een in twee gedeelten ingerichte en in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Ter plaatse wordt [T. van der V] aangetroffen. Van elke ruimte wordt een hennepplant genomen en getest. De gehouden ODV kleur-reactietest blijkt positief op hennep.

Boven de planten waren 48 assimilatielampen van 600 watt aangebracht. Deze lampen waren ingeschakeld. De lampen waren aangesloten op 48 transformatoren die op een schakelklok en een zekeringkast waren aangesloten. Boven de lampen was een luchtbehandelingssysteem aangebracht.

Bij onderzoek door Enexis wordt in de kunststof aansluitkast een illegale aftakking voor de hoofdbeveiliging geconstateerd. De aansluiting voldeed niet aan de NEN1010-norm. Hierdoor bestond gevaar voor elektrocutie en brandgevaar omdat bij overbelasting geen afschakeling plaatsvindt.

Bij het beluisteren van het gesprek met Essent op 11 maart 2009 werd door de politie als beller de stem van [naam medeverdachte 5] herkend.

Bij confrontatie met dit gesprek verklaart [naam medeverdachte 5] op 24 juni 2009 dat dit zijn stem is. Volgens [naam medeverdachte 5] had [naam verdachte] hem gevraagd naar Essent om de meerstanden door te geven omdat hij zelf niet zo goed uit zijn woorden kwam. De naam [G. van M.] stond op een briefje, samen met de meterstanden.

[G. van M.] heeft op 10 juni 2009 tegenover de politie verklaard dat hij zeven tot acht maanden eerder een huurcontract heeft ondertekend. Hij kreeg daarvoor een vergoeding van een persoon die hij in Heerlen op een terras had leren kennen. Ook heeft hij een kopie van zijn paspoort aan die persoon gegeven. Als hem het huurcontract van de [I-straat] wordt getoond, herkent [G. van M.] hierop zijn handtekening. Hij zou maandelijks een vergoeding krijgen, maar na de eerste keer is de betreffende persoon niet meer komen opdagen.

[naam medeverdachte 6] heeft in haar eerste verhoor bij de politie verklaard dat toen zij op 12 maart 2009 bij [naam verdachte] was hij haar een witte envelop heeft gegeven en haar heeft gevraagd die even bij zich te houden.

[T. van der V.] heeft bij de politie verklaard dat hij de plantage zelf heeft ingericht. “Ze” hebben hem hiervoor gevraagd. Hij wil niet zeggen wie “ze” zijn, uit angst voor represailles. Dit zou volgens [T. van der V.] de tweede oogst worden. Het resultaat van de eerdere oogst zou ook ongeveer 800 planten zijn geweest.

Bij het aantreffen van [T. van der V.] bij het pand door de politie, staat de achterklep van de auto open. Een aantal tassen of zakken staat op de grond voor de auto en in de geopende kofferbak. In een van de tassen wordt een geldtelmachine aangetroffen. Ook wordt een open kartonnen doos met daarin een weegschaal en 34 grote doorzichtige ongebruikte plastic zakken aangetroffen. In een wit/rood/blauw geruite boodschappentas worden 44 doorzichtige gebruikte plastic tassen met daarin resten van hennep gevonden. In diezelfde tas zitten ook 5 gebruikte aluminium zakken met daarin hennepresten.

Op een vraag van de rechter-commissaris heeft [T. van der V.] verklaard dat het januari/februari 2009 moet zijn geweest dat hij de plantage heeft ingericht.

Blijkens de aangifte van Enexis was de aangetroffen teelt tenminste vier weken oud.

Bij onderzoek bleek dat in de mobiele telefoon van [T. van der V.] het telefoonnummer van [naam verdachte] was vermeld. Blijkens de telefoontaps in het onderzoek Caribic heeft op 17 februari 2009 en op 6 maart 2009 een aantal keren telefonisch contact tussen [T. van der V.] en [naam verdachte] plaatsgevonden. In een van die gesprekken vraagt [T. van der V.] of [naam verdachte] het die avond langs brengt waarop [naam verdachte] antwoordt dat hij het wel laat brengen.

In een telefoongesprek tussen [naam verdachte] en zijn moeder op 2 februari 2009 zegt [naam verdachte] dat hij morgen de hele dag de haren moet knippen, dus dan is hij morgenvroeg om 8 uur al weer weg. Hij zegt verder dat hij zo naar mest stinkt als hij daar geweest is, bij die boer. Moeder lacht en zegt even later dat ze het snapt.

Op 3 februari 2009 vinden tussen 8.30 uur en 13.20 uur 22 registraties plaats van communicatie via de getapte telefoon van [naam verdachte]. Daarbij wordt telkens dezelfde zendmast aan het [P-straat] te Kerkrade aangestraald. Binnen het zendbereik van deze mast is de Industriestraat te Kerkrade gelegen.

Die ochtend om 11.40 uur belt [naam verdachte] naar [naam medeverdachte 1]. [naam verdachte] zegt dat hij aan het werken is in de zagerij.

Zaakdossier 6

Op 12 februari 2009 wordt een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) ter beschikking gesteld waarin is vermeld dat [naam verdachte] veel geld zou verdienen met de handel in en verkoop van van amfetamine. Hij zou onroerend goed in Turkije hebben gekocht en hij zou rekeningen in het buitenland hebben. Bescheiden van die rekeningen zouden bij familieleden liggen.

Uit telefoontaps blijkt dat zowel [naam medeverdachte 4] als [naam verdachte] regelmatig telefonisch contact hebben met een aansluiting op naam van [naam moeder verdachte], [H. straat] te Kerkrade. [naam moeder verdachte] voornoemd is de zus van [R.K.], de moeder van [naam verdachte].

Op donderdag 12 maart 2009 werd met toestemming van [naam moeder verdachte] een onderzoek in de woning aan de [H. straat] te Kerkrade ingesteld. Op een slaapkamer werden in een kleerkast twee jerrycans, elk gevuld met ongeveer 20 liter geelkleurige olieachtige vloeistof, aangetroffen. Monsters van de inhoud van deze jerrycans bleken bij onderzoek amfetamine te bevatten.

Verder werden diverse bescheiden aangetroffen waaronder autopapieren en hypotheekaktes van [naam verdachte]. Tussen die bescheiden werden ook twee toegangspassen aangetroffen van een kluis bij de Fortisbank in Rekem alsmede een kluissleutel.

De aangetroffen kluissleutel bleek niet te passen op de kluis bij de Fortisbank. Met toestemming van de Belgische onderzoeksrechter werd de kluis met behulp van een slotenmaker geopend waarbij € 336.900 aan contant geld werd aangetroffen. Uit gesprekken met de bankdirecteur bleek dat de kluis in 2002 is gehuurd door [R.G.] en dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 6] een machtiging voor deze kluis hadden. Door de Fortisbank wordt bij de verhuur slechts één kluissleutel ter beschikking gesteld aan de huurder. De huurder dient zelf zorg te dragen voor een toegangscode van het letterslot. Door de bank wordt niet geregistreerd wanneer de huurder de kluis bezoekt, wel wordt geregistreerd dat een gemachtigde de kluis bezoekt. De kluis is in 2002 bezocht door [naam verdachte] en in de periode april – december 2006 een aantal keren door [naam medeverdachte 6].

[R.G.] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam verdachte], voordat hij in Spanje werd aangehouden, heeft gevraagd of zij voor hem een kluis kon huren. Zij is met [naam verdachte] naar de Generale Bank in Rekem gegaan. Zij heeft een rekening geopend en daarop heeft zij een klein bedrag gestort voor het betalen van de kluis. Tegelijkertijd heeft zij [naam verdachte] gemachtigd om toegang te krijgen tot de kluis. Zij en [naam verdachte] hebben daarvoor toen allebei moeten tekenen. Zij heeft nooit een sleutel van de kluis gehad. Die heeft zij meteen aan [naam verdachte] gegeven. De sleutel heeft ze nooit meer gezien. Zij meent zich te herinneren dat je naast de sleutel ook een lettercode moest ingeven om de kluis te kunnen openen. Die code kent zij niet. Later heeft ze, op verzoek van [naam verdachte], [R.K.] gemachtigd voor de kluis. Zij is toen samen met Resi naar de bank gegaan en heeft daar de papieren in orde gemaakt. Zelf is ze nooit in de kluis geweest. Ze heeft er naar haar zeggen nooit iets ingelegd en nooit iets uitgehaald. Ze is wel een keer met Resi naar deze kluis geweest, maar toen is ze zelf niet in de kluisruimte geweest.

[R.K.] heeft tijdens haar derde verhoor verklaard dat zij geen kluis heeft en dat zij geen geld in het buitenland heeft ondergebracht. Als haar wordt gevraagd of ze betrokken is geweest bij het onderbrengen van gelden in Nederland of in het buitenland, beroept zij zich op haar zwijgrecht. Ze verklaart nog wel dat het geld in het kluisje niet van haar is “maar schrijf maar zwijgrecht”.

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie verwijt [naam verdachte] onder 1 betrokkenheid bij export van XTC en amfetamine. De rechtbank acht dat feit voor een deel van de ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie heeft met het eerste deel van de ten laste gelegde periode (vanaf 1 januari 2008) het oog op beweerde leveringen naar Duitsland aan de broers [naam getuige 2] en [naam getuige 1]. In het dossier zijn verklaringen van [naam getuige 1] opgenomen. Hiervoor is al geoordeeld dat die verklaringen in beginsel bruikbaar zijn voor het bewijs wanneer zij steun vinden in overige bewijsmiddelen.

[naam getuige 1] heeft verklaard over een aantal leveringen in de loop van 2008. Zijn broer [naam getuige 2] had daarover in Heerlen – onder meer in het Bastion Hotel – contact met twee personen, genaamd [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4]. [naam verdachte] zou een Italiaanse zigeuner zijn en [naam medeverdachte 4] zou getrouwd zijn met de zus van [naam verdachte]. [naam verdachte] had lang zwart haar in een paardenstaart. [naam getuige 1] heeft uitgebreid verklaard over de partijen amfetamine en XTC-pillen die na de bezoeken aan Nederland in Bremen werden afgeleverd door een Nederlandse koerier.

De verklaring van [naam getuige 1] is gedetailleerd in de beschrijving van de personen met wie hij en zijn broer contact hadden en wel zodanig dat het niet anders kan zijn dan dat hij [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] bedoelde: [naam verdachte] heeft een Italiaanse vader en zijn zus was de partner van [naam medeverdachte 4]. Bovendien draagt [naam verdachte] ook nu nog zijn zwarte haar in een paardenstaart. Er is naast de verklaring van [naam getuige 1] echter geen enkel bewijsmiddel dat de betrokkenheid van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] bij de export van verdovende middelen in de eerste drie kwartalen van 2008 ondersteunt. Het enige steunbewijs dat de officier van justitie heeft aangedragen zijn kopieën van facturen waaruit zou blijken dat [naam getuige 2] en [naam getuige 1] inderdaad in het Bastion Hotel in Heerlen hebben verbleven. Die facturen hebben evenwel betrekking op het jaar 2007.

Het voorgaande brengt mee dat [naam verdachte] voor zover het onder 3 tenlastegelegde betrekking heeft op hetgeen [naam getuige 1] heeft verklaard (de periode van 1 januari 2008 tot 1 september 2008) daarvan moet worden vrijgesproken.

Wat de resterende periode betreft geldt het volgende. Hiervoor is onder zaakdossiers 1, 2 en 3 vastgesteld dat leveringen van amfetamine en/of wiet hebben plaatsgevonden naar Duitsland waarbij [naam verdachte] betrokken is. Dat betreft de ritten van [naam getuige 3] en [naam medeverdachte 1]. Bij deze transporten waren ook [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] betrokken. De transporten vonden plaats vanaf medio oktober 2008. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen is met betrekking tot de periode van 1 oktober 2008 tot en met 12 maart 2009.

Ten aanzien van feit 2

Feit 2 bevat het verwijt dat [naam verdachte] samen met anderen amfetamine heeft geproduceerd. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is vermeld onder zaakdossier 2, waar de rechtbank heeft geconcludeerd dat op 11 maart 2009 amfetamine is geproduceerd door [naam verdachte], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5].

Gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 5] en de hiervoor onder zaakdossier 2 (B) aangehaalde tapgesprekken en observaties van 2 februari 2009 vindt de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat op die dag amfetamine is geproduceerd in de garage van [naam medeverdachte 5] en dat [naam verdachte] daarbij betrokken was.

Gelet voorts op de verklaring van [naam medeverdachte 5] dat hij sinds zeven maanden zijn garage ter beschikking heeft gesteld, aanvankelijk voor opslag, maar dat in de loop van de tijd ook is begonnen met productie van amfetamine en dat [naam verdachte] een van degenen is die altijd de amfetamine produceerden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] in de periode van 1 september 2008 tot en met 11 maart 2009 amfetamine heeft bereid, tezamen en in vereniging met een ander ([naam medeverdachte 5]) of anderen ([naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4]).

Ten aanzien van feit 3

Hiervoor onder zaakdossier 2 is al vastgesteld dat in de woning en in de garage van [naam medeverdachte 5] aan de [G-Straat] te Landgraaf bijna 380 kilo amfetamine en 40 liter amfetamine-olie zijn aangetroffen. Dat was de locatie waar, zoals hiervoor bij feit 2 bewezen is verklaard, [naam verdachte] met een ander of anderen amfetamine bereidde. Het laatst was dat gebeurd op

11 maart 2009. [naam verdachte] moet dus verantwoordelijk worden gehouden voor de aanwezigheid van de bereide amfetamine en de grondstoffen daarvoor. De rechtbank houdt hem niet verantwoordelijk voor de in de kelder van de woning [G-Straat] aangetroffen XTC-pillen en de cocaïne, nu [naam medeverdachte 5] daarvan gezegd heeft dat hij die voor eigen gebruik aanwezig had.

Daarnaast is nog 40 liter amfetamine-olie aangetroffen in de kledingkast van [naam moeder verdachte], de tante van [naam verdachte], zoals hiervoor onder zaakdossier 6 is vermeld. Zij heeft verklaard dat [naam verdachte] de jerrycans waarin de olie is aangetroffen daar zal hebben neergezet. Zij had eerder gezien dat er plastic zakken in haar kleerkast stonden en daar had ze [naam verdachte] op aangesproken. Hij had haar gezegd dat het niets was. Bij het onderzoek in haar woning zag ze dat de plastic zakken jerrycans bevatten. De rechtbank gaat ervan uit dat de jerrycans met amfetamine-olie door [naam verdachte] in de kledingkast van zijn tante zijn geplaatst. Nu zij op een andere locatie stonden dan waar ook [naam medeverdachte 4] en / of [naam medeverdachte 5] erover konden beschikken, rekent de rechtbank deze 40 liter alleen aan [naam verdachte] toe Dat betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat [naam verdachte] de aangetroffen goederen tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 4] opzettelijk aanwezig heeft gehad, behalve de XTC-pillen en de cocaïne, en wat de amfetamine-olie betreft de veertig liter die op de [G-Straat] zijn aangetroffen. De andere 40 liter had hij alleen opzettelijk aanwezig.

Ten aanzien van feit 5

Onder zaakdossier 2 heeft de rechtbank vastgesteld dat in de periode van 1 september 2008 tot en met 12 maart 2009 amfetamine is geproduceerd in de garage van [naam medeverdachte 5] aan de [G-Straat] te Landgraaf. Tevens is daar vermeld dat in die garage, alsook op verschillende ander plaatsen, grondstoffen zijn aangetroffen om verdovende middelen te produceren. Verder zijn een tabletteermachine en een vacuümmachine bij [naam medeverdachte 5] aangetroffen. Uit de verklaring van [naam medeverdachte 5] volgt dat hij, [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] deze goederen voorhanden hadden en dat die goederen bestemd waren tot het plegen van de feiten die in artikel 10 van de Opiumwet zijn strafbaar gesteld. Daarnaast heeft op 12 maart 2009 een doorzoeking plaatsgevonden in garagebox 108 aan de [G.F.-straat] te Heerlen, welke op naam is gesteld van [R.K.], de moeder van [naam verdachte]. In deze garagebox werden vaatjes wit poeder aangetroffen en een gevulde jerrycan. Na onderzoek bleek het witte poeder cafeïne te zijn en de vloeistof in de jerrycan zwavelzuur. [naam medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij geen sleutel had van de garagebox en dat alleen haar zoon, [naam verdachte], in het bezit was van een sleutel. Zij heeft verder verklaard dat haar zoon de huur van de garagebox betaalde en zij er bijna nooit kwam. Gelet op deze verklaring staat voor de rechtbank vast dat [naam verdachte] ook deze goederen voorhanden had en dat zij bestemd waren voor het plegen van de feiten die in artikel 10 van de Opiumwet zijn strafbaar gesteld.

Dit feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 6

Onder 6 is aan [naam verdachte] ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – hennep heeft geteeld in de periode van 1 november 2008 tot en met 13 maart 2009.

Gelet op hetgeen hierboven onder zaakdossier 5 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat de op de [I-straat] in Kerkrade aangetroffen hennepplantage van [naam verdachte] was. Immers, het huurcontract van dit pand is aangetroffen bij de insluitingsfouillering van de moeder van [naam verdachte], die zich ten tijde van haar aanhouding in de woning van [naam verdachte] bevond en die heeft verklaard dat ze de envelop, waarin het huurcontract zat, heeft ontvangen van [naam verdachte]. Op het contract bevonden zich Post-It-blaadjes met daarop vermeld de meterstanden zoals die blijkens een tapgesprek met de telefoon van [naam verdachte] telefonisch zijn doorgegeven aan Essent door iemand die zich meldde met de naam [G. van M.]. Op een van de blaadjes staat ook het klantnummer van Essent vermeld zoals dat tijdens dat telefoongesprek door Essent aan de beller is doorgegeven. De beller is door verbalisanten herkend als [naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 5] zelf heeft ook verklaard dat hij degene is geweest die met Essent heeft gebeld. Hij heeft voorts verklaard dat hij dit telefoontje heeft gepleegd op verzoek van [naam verdachte], die zou hebben gezegd dat hij zelf niet zo goed uit zijn woorden kwam. De naam [G. van M.] is door [naam medeverdachte 5] gebruikt omdat die naam op een briefje stond samen met de meterstanden. [G. van M.], die als huurder op het contract staat vermeld, heeft verklaard dat hij tegen betaling dat contract voor iemand anders heeft ondertekend en toen ook een kopie van zijn paspoort heeft afgegeven, welke kopie samen met het ondertekende huurcontract door de verhuurder is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het er alle schijn van dat [naam verdachte] feitelijk huurder was van het pand, maar heeft gepoogd zijn directe betrokkenheid bij het pand te verdoezelen door op naam van een derde te huren en weer een ander onder een valse naam contact heeft laten leggen met Essent.

[T. van der V.] heeft verklaard dat er al eerder een oogst is geweest. De planten die op 12 maart 2009 zijn aangetroffen waren ten minste vier weken oud. Uit de onder zaakdossier 5 weergegeven tapgesprekken van 2 en 3 februari 2009 in samenhang met de mastgegevens en de mededeling van [naam verdachte] tegen [naam medeverdachte 1] dat hij aan het werk is in de zagerij, kan afgeleid worden dat [naam verdachte] zelf op 3 februari 2009 hennep heeft geknipt op de [I-straat]. Daarbij overweegt de rechtbank dat blijkens de stukken aan de voorzijde van het pand aan de industriestraat een verkoopbord was geplaatst met de tekst “showroom, timmerbedrijf”.

[naam verdachte] heeft ter terechtzitting weliswaar verklaard dat zijn vader in de buurt van het [P-straat] woont, maar een bezoek aan zijn vader past niet bij de tapgesprekken waarnaar hiervoor is verwezen, zodat de rechtbank dit niet aannemelijk acht.

Verder past het aantreffen op 12 maart 2009 van planten van een week of vier bij het oogsten van een eerdere teelt, zoals door [T. van der V.] genoemd, begin februari 2009.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging met in ieder geval één ander hennep heeft geteeld.

Ten aanzien van feiten 7 en 8

Onder 7 is [naam verdachte] ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 12 maart 2009 elektriciteit heeft gestolen en onder feit 8 dat hij kort gezegd de elektriciteitsmeter heeft gemanipuleerd waardoor gevaarzetting heeft plaatsgevonden.

Zoals hiervoor onder feit 6 is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat [naam verdachte] op de [I-straat] in Kerkrade hennep heeft geteeld in de periode van 1 november 2008 tot en met 13 maart 2009.

Namens Enexis is aangifte gedaan van diefstal van stroom. In de aangifte is ook vermeld dat de fraude-inspecteur van Enexis op 13 maart 2009 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie heeft geconstateerd. De toevoerleiding bestemd voor het woonhuis Industriestraat 12 liep gedeeltelijk door de kelder van [I-straat]. Op de toevoerleiding bestemd voor het woonhuis Industriestraat 12 in de kelder van [I-straat] was een illegale aansluiting gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. Foto’s van de aangetroffen situatie zijn bij het dossier gevoegd. Ook werd geconstateerd dat de aanwezige hoofdbeveiliging van 3 x 25 ampère ten behoeve van de elektrische installatie door deze handelingen onbeperkt verzwaard was. Hierdoor werd schade en hinder veroorzaakt voor Enexis omdat de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Verder was het gelijktijdig af te nemen vermogen van de getransporteerde elektriciteit niet meer in overeenstemming met de installatie.

De fraude-inspecteur zag dat sprake was van een handelwijze die niet voldeed aan de norm NEN 1010. Deze norm beschrijft de minimale voorschriften waaraan een elektriciteitsinstallatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen. De twee mogelijke gevaren die kunnen optreden bij het niet voldoen aan deze norm zijn gevaar voor elektrocutie (door directe of indirecte aanraking) en brandgevaar. In een bijlage bij de aangifte is de gevaarzetting nader toegelicht. De installatie van de hennepplantage was beveiligd door een beveiliging van 400 ampère. Bij overbelasting daarvan vindt geen afschakeling plaats. De leidingen worden warm en er vindt kortsluiting plaats. Bij kortsluiting in de hennepplantage (ten gevolge van deze overbelasting of op andere wijze) lopen stromen van honderden ampères de installatie in en brandt de woning tot op de straat uit. Bij kortsluiting in de meterkast loopt er een stroom van meer dan duizend ampère. Gevolg is een vlamboog, brand en zwaar letsel van mensen in de directe omgeving, aldus voornoemde bijlage.

[T. van der V.], die door de politie ter plaatse werd aangetroffen, heeft tegenover de politie verklaard dat hij de plantage heeft ingericht en dat de stroom door iemand anders is aangelegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat, nu bewezen is verklaard dat de aangetroffen hennepplantage van [naam verdachte] was, indien niet door [naam verdachte] zelf, dan toch in opdracht of met medewerking van [naam verdachte], een illegale aansluiting is gemaakt om de hennepplantage van elektriciteit te voorzien. Daarbij is een ondeugdelijke beveiliging geïnstalleerd. Door het op deze wijze (laten) aanleggen van een elektriciteitsaansluiting met ondeugdelijke beveiliging heeft [naam verdachte] de aanmerkelijke kans aanvaard dat gemeen gevaar voor personen kon ontstaan. Nu deze elektriciteitsaansluiting buiten de meter om liep, acht de rechtbank ook bewezen dat de elektriciteit wederrechtelijk is weggenomen. Uit de verklaring van [T. van der V.] volgt dat [naam verdachte] hierbij hulp van een ander heeft gehad.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de bij de toelichting op de gevaarzetting gevoegde foto’s van de ter plaatse aangetroffen situatie, de gevaarzetting niet enkel een algemeen verhaal betreft, maar voldoende concreet is aangegeven. Daarbij is het inherent aan het aantreffen van een dergelijk situatie dat de gevaarzetting zich (nog) niet heeft gerealiseerd. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat enkel sprake is van aannames.

Ten aanzien van feit 9

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad, gelet op:

- de bekennende verklaring van [naam verdachte], afgelegd ter terechtzitting;

- het aantreffen van de wapens en munitie;

- het onderzoek aan de wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 4

Aan [naam verdachte] wordt als vierde feit verweten dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 maart 2009 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet.

Deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde ‘criminele doelstelling’(de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiestructuur bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, een bepaalde mate van hiërarchie, of sturing van de leden van de organisatie. Voor het bewijs van deelneming aan een dergelijke organisatie is niet vereist dat de betrokkene heeft samengewerkt met alle andere deelnemers, noch dat hij alle deelnemers kende. Ook behoeft het samenwerkingsverband niet steeds uit dezelfde personen te bestaan.

Verder is voor bewijs van deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven niet vereist dat betrokkene zelf deelneemt aan de misdrijven die de organisatie pleegt, noch dat hij opzet heeft of weet heeft van de concrete misdrijven die de organisatie pleegt. De betrokkene moet wel in het algemeen weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Uit de door de rechtbank ten aanzien van [naam verdachte] bewezen geachte feiten kan worden afgeleid dat [naam verdachte] in ieder geval meermalen betrokken is geweest bij de bereiding en uitvoer van amfetamine en daarnaast bij de teelt van hennep.

Verwezen wordt naar de verklaring van [naam medeverdachte 5] onder zaakdossier 2 over het gebruik van diens garage als opslagplaats van (grondstoffen voor) amfetamine en als productielocatie van amfetamine.

Op grond van de hiervoor beschreven activiteiten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat [naam verdachte], [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] een duurzaam samenwerkingsverband vormden, welk samenwerkingsverband het oogmerk had het plegen van Opiumwetdelicten bestaande uit – kort gezegd – het uitvoeren, produceren en afleveren van amfetamine en het telen van hennep. Dat [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] met name betrokken waren bij de bereiding (en het vervoer) van amfetamine en bijvoorbeeld niet ook bij de teelt van hennep, doet hieraan niet af, nu – zoals hiervoor reeds is overwogen – voor deelname aan een criminele organisatie niet is vereist dat met álle deelnemers wordt samengewerkt noch dat wordt deelgenomen aan of kennis gedragen wordt van alle misdrijven die de organisatie pleegt. Hieruit volgt dat het ook zo kan zijn dat aan sommige misdrijven wel en aan andere niet wordt meegewerkt.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat [naam verdachte] degene is geweest die [naam medeverdachte 5] heeft gevraagd zijn garage beschikbaar te stellen. Verder blijkt uit het hiervoor aangehaalde tapgesprek dat [naam verdachte] aanwijzingen geeft met betrekking tot de productie en uit de tapgesprekken in combinatie met de observaties volgt dat aflevering via [naam verdachte] verloopt.

Voorts kan uit de verklaringen van [naam medeverdachte 5] in samenhang met het bij de moeder van [naam verdachte] aangetroffen huurcontract – [naam verdachte] had dit volgens zijn moeder aan haar gegeven – ervan uit worden gegaan dat [naam verdachte] de eigenaar is van de hennepplantage op [I-straat] in Kerkrade. Ook van de grondstoffen (cafeïne en zwavelzuur) die gebruikt kunnen worden voor de productie van amfetamine, zoals die zijn aangetroffen in de garage van de moeder van [naam verdachte], heeft de rechtbank bewezen geacht dat deze toebehoorden aan [naam verdachte]. Immers, [naam verdachte]’s moeder heeft verklaard dat zij de garagebox op verzoek van haar zoon heeft aangehouden. Verder heeft zij verklaard dat hij de huur van die garagebox betaalde. Hetzelfde geldt voor de in de kledingkast van de tante van [naam verdachte], [naam moeder verdachte], aangetroffen amfetamine-olie (zie hiervoor zaakdossier 6).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [naam verdachte] de spil vormde van de organisatie en in die zin dus als leider van die organisatie kan worden aangemerkt.

Ten laste is gelegd dat behalve met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] de criminele organisatie werd gevormd met [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 6]. De rechtbank is echter van oordeel dat de drie laatstgenoemden geen deel uitmaakten van de criminele organisatie van [naam verdachte].

Uit hetgeen door de rechtbank is vastgesteld onder zaakdossier 3 en 4 kan worden afgeleid dat [naam medeverdachte 1] meermalen betrokken is geweest bij – kort gezegd – de uitvoer van amfetamine en het bewerken van hennep. Echter, niet gebleken is dat hij dit deed als lid van een criminele organisatie. Weliswaar had [naam medeverdachte 1] contacten met [naam verdachte] maar dat brengt niet zonder meer mee dat [naam medeverdachte 1] om die reden ook deelnam aan de organisatie.

Uit printgegevens blijkt dat [naam medeverdachte 1] na een gesprek met een Duitse afnemer (van kennelijk amfetamine) onmiddellijk belt met [naam verdachte]. De inhoud van dit gesprek is niet bekend. Gelet op de opgenomen en beluisterde tapgesprekken in het dossier tussen [naam medeverdachte 1] en Duitse afnemers van amfetamine, kan niet worden vastgesteld dat [naam medeverdachte 1] die contacten onderhield namens [naam verdachte].

Voorts blijkt uit opgenomen en beluisterde tapgesprekken, bijvoorbeeld op 6 februari 2009, 11 en 12 februari 2009 dat [naam medeverdachte 1] zaken met [naam verdachte] bespreekt. Daarbij lijkt het er op dat [naam verdachte] [naam medeverdachte 1] advies geeft en dat de eerste [naam medeverdachte 1] ter wille wil zijn door het afnemen van een slechte partij hennep. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er weliswaar voor worden gehouden dat [naam medeverdachte 1] met [naam verdachte] wel dingen bespreekt en kortsluit, maar kan op grond van de tapgesprekken niet gezegd worden dat [naam medeverdachte 1] handelde onder het gezag van [naam verdachte] dan wel dat hij ten opzichte van [naam verdachte] een ondergeschikte rol vervulde of hem verantwoording verschuldigd was. Dat hij, zoals onder zaakdossier 3 is vastgesteld, zijn aan [naam getuige 4] te leveren amfetamine van [naam verdachte] betrok, maakt dat niet anders.

Ook ten aanzien van [naam medeverdachte 2] is de rechtbank van oordeel dat deze weliswaar met anderen handelde in zowel soft- als harddrugs en daarbij contacten had met [naam verdachte], maar dat ook hier niet is gebleken dat hij dit deed als lid van de criminele organisatie. [naam medeverdachte 2] is veeleer te beschouwen als een los van anderen opererende handelaar. Hij handelde met [naam verdachte] vanuit een zekere positie van gelijkwaardigheid en zelfstandigheid, zoals kan worden afgeleid uit getapte telefoongesprekken in zaak 2.

Ten aanzien van [naam medeverdachte 6] bestaan naar het oordeel van de rechtbank wel aanwijzingen dat zij weet had van de handel en wandel van haar zoon [naam verdachte] en diens betrokkenheid bij de productie van en handel in verdovende middelen. Deze aanwijzingen kunnen, door een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, echter niet leiden tot een bewezenverklaring. Derhalve kan evenmin worden vastgesteld dat zij deel uitmaakte van de criminele organisatie.

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat er, gelet op de verklaring van [naam medeverdachte 5], van kan worden uitgegaan dat de productie in de garage van [naam medeverdachte 5] plaats vond vanaf ongeveer september 2008. Uit de verklaring van [naam getuige 1] kan worden afgeleid dat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 4] reeds voor 1 september 2008 aan de organisatie deelnamen. Nu echter de inhoud van de verklaring van [naam getuige 1] niet door andere bewijsmiddelen in het dossier wordt gesteund, dient [naam verdachte] te worden vrijgesproken van deelname aan en criminele organisatie in de periode 1 januari 2008 tot 1 september 2008.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte]

1.

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht, hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

in de periode van 1 september 2008 tot en met 11 maart 2009 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen opzettelijk heeft bereid hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3.

op 12 maart 2009 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 380 kilogram amfetamine en ongeveer 40 liter amfetamine olie en op 12 maart 2009 in de gemeente Kerkrade opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 40 liter amfetamine olie, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

in de periode van 1 september 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Kerkrade en in de gemeente Landgraaf en in de gemeente Heerlen heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakten H. [naam medeverdachte 4] en A. [naam medeverdachte 5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 10 derde en/of vierde en/of vijfde lid

van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 11 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet namelijk het

- meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of hennep

- meermalen opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van amfetamine en/of hennep en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen betreffende de middelen voorkomende op lijst I van de Opiumwet, van welke organisatie hij, verdachte, leider was;

5.

in de periode van 1 september 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Heerlen en in de gemeente Landgraaf meermalen tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, hoeveelheden cafeïne en methanol en zwavelzuur en lactose en een tabletteermachine en een vacuümmachine voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

6.

in de periode van 1 november 2008 tot en met 13 maart 2009 in de gemeente Kerkrade meermalen tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [I-straat] te Kerkrade een hoeveelheid van ongeveer 798

hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

in de periode van 1 november 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Enexis BV;

8.

in de periode van 1 november 2008 tot en met 13 maart 2009 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een stoornis in de gang of in de werking van enig elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, waardoor levensgevaar voor een ander te duchten was, immers heeft hij, verdachte, en (een van) zijn mededader(s) op de toevoerleiding van de elektriciteit voor het woonhuis aan de Industriestraat 12, voor de hoofdbeveiliging in de meterkast, een illegale aftakking gemaakt;

9.

op 12 maart 2009 in de gemeente Landgraaf een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Walther, model PP, kaliber 7.56 mm en munitie van categorie III, te weten 67 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm en een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen, merk JinAn, model JSJ603, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [naam verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;

feit 5:

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, in vereniging en meermalen gepleegd;

feit 6:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 7:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 8:

medeplegen van opzettelijk een stoornis in de gang of in de werking van een elektriciteits-werk veroorzaken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

feit 9:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

[naam verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan [naam verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van tien jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt de door de officier van justitie geëiste straf veel te hoog en verwijst daarbij naar uitspraken in op zichzelf zeer ernstige zaken, die met veel minder straf zijn afgedaan. De strafeis zou naar zijn mening meer dan gehalveerd dienen te worden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van het hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van [naam verdachte], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de hiervoor bedoelde omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan zijn in het bijzonder twee thema’s onderwerp van debat geweest bij de behandeling ter terechtzitting.

Ten eerste heeft de officier van justitie kort gezegd gesteld dat de rechtbank ten nadele van [naam verdachte] rekening moet houden met onder andere de omstandigheid dat de inwoners van een regio als Zuid-Limburg in verschillende opzichten veel overlast ondervinden van de handel in verdovende middelen. Hiertegen heeft de verdediging aangevoerd dat dit op zichzelf niet als een strafverzwarende omstandigheid mag worden aangemerkt. Het zou immers onwenselijk zijn dat iemand die in Zuid-Limburg de Opiumwet overtreedt om die reden zwaarder bestraft wordt dan iemand die dat elders in Nederland doet.

Ten tweede heeft de verdediging kort gezegd de stelling betrokken dat de werkelijke hoeveelheid amfetamine in de aangetroffen verdovende middelen zo beperkt was, dat dit een matigend effect op een op te leggen straf zou moeten hebben.

Ten aanzien van het eerste thema stelt de rechtbank voorop dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij de straftoemeting en daarin nauwelijks wordt gestuurd door de wetgever. Dit stelt de rechter in staat om bij de straftoemetingsbeslissing rekening te houden met alle mogelijke feiten en omstandigheden die voor de straf van belang worden geacht, alsook met het doel dat de rechter met de bestraffing beoogt te dienen. Die rechterlijke vrijheid vindt haar begrenzing in transparantie en rechtseenheid, zodat het gevaar van willekeur en inconsistentie wordt ingedamd. Transparantie vereist dat de rechter zich bij het gebruik van zijn vrijheid voldoende moet verantwoorden, bijvoorbeeld door een duidelijke motivering. De rechtseenheid wordt gediend door onder meer de (deels ongeschreven) beginselen van een goede procesorde, zoals het – kennelijk – door de verdediging ingeroepen gelijkheidsbeginsel dat niemand zonder voldoende grond gunstiger of ongunstiger mag worden behandeld dan een ander die in dezelfde situatie verkeert. Ook codificatie van wet- en regelgeving is in dat opzicht van belang. Daaronder dienen ook de oriëntatiepunten van de rechterlijke macht en de beleidsregels (aanwijzingen en richtlijnen) van het openbaar ministerie te worden begrepen.

Volgens de rechtbank is algemeen bekend dat criminelen niet zelden worden verlokt om hun activiteiten in de regio Zuid-Limburg te concentreren dan wel, indien zij van buiten de regio of het buitenland komen, daarheen te verleggen in de al dan niet gerechtvaardigde veronderstelling dat de risico’s kleiner zijn en het financiële gewin hoger is. De regio is geografisch ingeklemd tussen België en Duitsland en kent een lange landsgrens, zodat criminelen sneller kunnen uitwijken naar het buitenland. Ook is de regio gemakkelijk bereikbaar voor afnemers van drugs uit het buitenland die hun verdovende middelen in grote getale in Nederland tegen een lagere prijs voorhanden kunnen krijgen dan in eigen land. Algemeen bekend is dat dit gepaard gaat met verschillende vormen van overlast en criminaliteit, waardoor de samenleving en in het bijzonder de leefomgeving van het verstedelijkte deel van Zuid-Limburg ernstige schade wordt berokkend.

Die ontwikkeling dient met kracht te worden tegengegaan. Het voorgaande moet dan ook worden gezien als een op algemeen preventieve werking gerichte straftoemeting. Nu het gelijkheidsbeginsel noch artikel 14, eerste lid van het IVBPR en artikel 1 van de Grondwet een zodanige redengeving van de strafoplegging verbieden, faalt het in deze door de verdediging gevoerde verweer.

Ten aanzien van het tweede thema het volgende. De rechtbank kan het door de verdediging betrokken standpunt niet onderschrijven. In Nederland gaat het namelijk, anders dan in Duitsland, niet om de exacte hoeveelheid werkzame verboden stof in een aangetroffen middel, maar is het totale gewicht van dat middel bepalend. Dat een middel dan voor een aanzienlijk deel bestaat uit een legale niet-werkzame stof, maakt dat niet anders, nu het risico voor de volksgezondheid in dat geval evenzeer aanwezig is. De rechtbank wijst erop dat de legale stoffen waaruit de aangetroffen middelen zijn samengesteld bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid. In dit verband merkt de rechtbank op dat aan de [G-Straat] te Landgraaf onder meer methanol en zwavelzuur zijn aangetroffen, stoffen die bestemd waren voor de productie van amfetamine. Voorts is algemeen bekend dat, indien het gehalte aan werkzame stof in een gebruikerseenheid harddrugs beperkt is, de gemiddelde gebruiker niet alleen meer van die eenheden zal willen consumeren om daarmee hetzelfde beoogde effect te bereiken, maar ook niet kan worden uitgesloten dat deze gebruiker wegens het uitblijven van het beoogde effect zijn toevlucht neemt tot een andere harddrug. Tevens wijst de rechtbank op het risico van overdosering, indien een gebruiker later weer drugs voorhanden krijgt die een “normale” sterkte hebben. Van al die risico’s heeft [naam verdachte] zich niets aangetrokken. Enkel het financiële gewin stond bij hem voorop.

Met het relatief beperkte gehalte aan amfetamine in het aangetroffen middel zal de rechtbank dus geen rekening houden ten voordele van [naam verdachte].

Hieraan doet niet af het op zichzelf tot de verbeelding sprekende voorbeeld van de verdediging dat, indien iemand op het punt staat 1 kilo amfetamine te versnijden met 50 kilo cafeïne, maar daartoe nog niet is overgegaan, deze persoon op het moment van betrapping ‘slechts’ het aanwezig hebben van 1 kilo amfetamine kan worden aangewreven. Indien diezelfde persoon, aldus de verdediging, een uur later wordt betrapt en klaar blijkt te zijn met het versnijden of mengen van beide stoffen, kan hem worden verweten dat hij maar liefst 51 kilo amfetamine heeft bereid of verwerkt. De rechtbank is van mening dat het ene geval weliswaar tot een andere bewezenverklaring zou leiden dan het andere, maar ten aanzien van de strafmaat zouden beide gevallen een vergelijkbare uitkomst hebben, indien de betreffende persoon in het eerste geval daadwerkelijk van plan was beide stoffen met elkaar te mengen en die vervolgens te verkopen. In beide gevallen bestaat dan immers het voornemen om ten koste van de volksgezondheid voor eigen financieel gewin het preparaat in gebruikershoeveelheden op de markt te brengen.

Uit al het voorgaande volgt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf wordt in dit soort zaken doorgaans aansluiting gezocht bij de strafnormen uit de hiervoor genoemde oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Gelet op de uitzonderlijk grote hoeveelheden amfetamine die [naam verdachte] heeft uitgevoerd, geproduceerd en aanwezig heeft gehad – de rechtbank wijst in dit verband alleen al op de aanwezigheid van 380 kilo amfetamine in de woning aan de [G-Straat] te Landgraaf – zijn deze oriëntatiepunten niet bruikbaar. Immers, de hoogste categorie betreft de in- en uitvoer van hoeveelheden harddrugs van boven de 20 kilo. Deze staat in de organisatievariant voor een gevangenisstraf van 72 maanden (6 jaar) en hoger. Een mathematische optelsom van het aantal maanden gevangenisstraf dat correspondeert met de hiervoor bedoelde hoeveelheden aan de hand van de oriëntatiepunten zou leiden tot een disproportioneel hoge vrijheidsstraf en miskennen dat de strafmaat grafisch gezien een afnemende groeicurve laat zien bij toename van de hoeveelheid harddrugs. Tevens zou zo’n optelsom het wettelijke strafmaximum overstijgen, die (alleen voor de uitvoer) twaalf jaar is. Gelet hierop dient op andere wijze te worden gezocht naar een passende strafmaat.

De meest in het oog springende feiten die bewezen zijn verklaard betreffen het uitvoeren, het produceren en het aanwezig hebben van zeer grote hoeveelheden amfetamine binnen een criminele organisatie die door [naam verdachte] werd geleid, en dit alles gedurende een periode van ongeveer een half jaar. Niet alleen heeft [naam verdachte] aanwijzingen gegeven bij de bereiding van de amfetamine, maar ook was hij degene die zorgde voor aflevering van deze harddrugs aan koeriers. Hij haalde de amfetamine dan op bij de productielocatie aan de [G-Straat] te Landgraaf en gaf deze vervolgens in zijn woning aan de [G-Straat] te Landgraaf ter aflevering door aan de koeriers. Wat die productielocatie betreft merkt de rechtbank nog op dat [naam verdachte] degene was die [naam medeverdachte 5] vroeg om zijn garage ter beschikking te stellen om de amfetamine te bereiden en grondstoffen, zoals cafeïne en zwavelzuur, op te slaan. [naam verdachte] was de spil in de organisatie en de term groothandelaar misstaat in dit verband dan ook bepaald niet.

Daarnaast heeft [naam verdachte] zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet, hennepteelt, diefstal van elektriciteit, het veroorzaken van een stoornis in de gang of werking van het elektriciteitswerk waardoor gevaarzetting heeft plaatsgevonden en het voorhanden hebben van een vuurwapen, kogelpatronen en een stroomstootwapen. Saillant is dat met het vuurwapen de betreffende kogelpatronen konden worden afgevuurd. Ook die feiten dienen in de op te leggen gevangenisstraf verdisconteerd te worden ten nadele van [naam verdachte].

Voorts dient rekening te worden gehouden met de persoon van [naam verdachte]. [naam verdachte] is al eens eerder, te weten op 2 juni 2003, tot een aanzienlijke gevangenisstraf veroordeeld terzake overtreding van de Opiumwet in Spanje (elf jaar), welke straf in een WOTS-procedure op 2 maart 2005 is gewijzigd in een gevangenisstraf van vier jaar. Het ging toen om een zeer grote hoeveelheid XTC. Daarnaast is [naam verdachte] op 14 augustus 2007 door de politierechter veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur voor hennepteelt. Kennelijk heeft [naam verdachte] zich hierdoor niet laten afschrikken. Voor de derde keer heeft [naam verdachte] er blijk van gegeven zich hieraan niets gelegen te laten liggen en volstrekt maling te hebben aan de aanzienlijke gezondheidsrisico’s die anderen door zijn handelwijze hebben gelopen. Het enige wat voor hem lijkt te hebben geteld is financieel gewin. Dat alles rekent de rechtbank [naam verdachte] zwaar aan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf die dichtbij het hiervoor genoemde maximum komt passend is. De rechtbank zal daarom niet afwijken van de eis van de officier van justitie en [naam verdachte] veroordelen tot de gevorderde gevangenisstraf voor de duur van tien jaar.

De zaak van de gebroeders Van D., bij welke deze zaak volgens de raadsman “niet in de schaduw kan staan”, werpt hier geen ander licht op, nu bij de tot tien jaar gevangenisstraf veroordeelde hoofdverdachte in die zaak bewezen was verklaard het verkopen en afleveren van MDMA gedurende vier maanden, het aanwezig hebben van 133,2 kilo MDMA, het leiding geven aan een criminele organisatie gedurende twee periodes van elk vijf maanden en het bereiden van MDMA gedurende een kleine twee maanden.

6 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd alle in beslag genomen benodigdheden bij de handel in verdovende middelen (nr. 17 tot en met 24, 33, 37, 40 tot en met 43, 47 tot en met 49 en 84 tot en met 86) verbeurd te verklaren. Verder heeft hij gevorderd alle in beslag genomen wapens en munitie (nr. 36, 38, 39, 44, 1, 2 en 3) en alle in beslag genomen verdovende middelen (55, 56, 81, 82 en 83) te onttrekken aan het verkeer. De in beslag genomen schriftelijke bescheiden (nr. 10, 34, 35 en 46), metalen pers (nr. 16), doos van Rolex (nr. 28), televisietoestellen (nr. 30, 31 en 32), jas (nr. 50), personenauto Volkswagen Polo (nr. 7) en twee bromfietsen (nr. 9) kunnen naar het oordeel van de officier van justitie worden teruggegeven aan [naam verdachte].

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het in beslag genomen gasmasker (nr. 17), de melksuiker (nr. 19 en 24), de metalen persen (nr. 16, 20 en 21), de koolstoffilters (nr. 22 en 23), het mes (nr. 37), de weegschalen (nr. 40, 48 en 49), het sealapparaat (nr. 41), de schaar (nr. 42), het stofmasker (nr. 43), de fust (nr. 47) en de jerrycans (nr. 84, 85 en 86) zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet kunnen worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren. Wel is daaruit gebleken dat het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 5 bewezen verklaarde is begaan of voorbereid.

De in beslag genomen verdovende middelen (nr. 55, 56, 81, 82 en 83) en wapens en munitie (nr. 1, 2 en 3) zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 9 bewezen verklaarde is begaan en die tot het begaan van het onder 1, 2, 3 en 6 bewezen verklaarde misdrijf zijn vervaardigd of bestemd.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het misdrijf waarvoor de verdachte is vervolgd, zijn een pistool (nr. 36), een paralyzer (nr. 38) en drie busjes traangas (nr. 39 en 44) in beslag genomen. Zij behoren aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Uit de aard van de voorwerpen volgt dat zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Het in beslag genomen rijbewijs (nr.33) dient naar het oordeel van de rechtbank te worden teruggegeven aan de uitgevende instantie.

De in beslag genomen schriftelijke bescheiden (nr. 10, 34, 35 en 46), doos van Rolex (nr. 28), televisietoestellen (nr. 30, 31 en 32), jas (nr. 50), personenauto Volkswagen Polo (nr. 7) en twee bromfietsen (nr. 9) kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden teruggegeven aan [naam verdachte].

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 161bis, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikel 2, 3, 10, 10a, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt [naam verdachte] vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

- verklaart [naam verdachte] strafbaar;

Straffen

- veroordeelt [naam verdachte] tot een gevangenisstraf van tien jaren;

- bepaalt dat de tijd die [naam verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 37, 85, 86, 16, 17, 19 tot en met 24, 40 tot en met 43 en 47 tot en met 49;

- verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen die op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 36, 38, 39, 44, 55, 56, 81 tot en met 83 en 1 tot en met 3;

- gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het voorwerp dat op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst als 33 is genummerd;

- gelast de teruggave aan [naam verdachte] van de voorwerpen die op de als bijlage II aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 7, 9, 10, 28, 30 tot en met 32, 34, 35, 46, 50.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. Th.A.J.M. Provaas en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 juni 2010.

-------------------------------------------------------------------

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan [naam verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Landgraaf en/of te Bocholtz in de gemeente Simpelveld en/of te Eygelshoven, in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 11 maart 2009 in de gemeente Landgraaf en/of te Bocholtz, gemeente Simpelveld en/of te Eygelshoven, gemeente Kerkrade en/of de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3.

hij, verdachte, op of omstreeks 12 maart 2009 in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 380 kilogram amfetamine en/of ongeveer 80 liter amfetamine olie en/of 98 gram cocaine en/of 88 gram XTC-poeder, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine en/of cocaine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of cocaine (een) middel(en) als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

4.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waarvan naast hem, verdachte, deel uitmaakte(n) H. [naam medeverdachte 4] en/of S. [naam medeverdachte 1] en/of A. [naam medeverdachte 5] en/of R [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 6] en/of een (of meer) ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 10 derde en/of vierde en/of vijfde lid

van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet en/of als bedoeld in artikel 11 derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet namelijk het

- meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of hennep, in elke geval van (een) middel(en) als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet

- meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van amfetamine en/of MDMA en/of MDA en/of hennep, in elk geval van (een) middel(en) als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet en het plegen van strafbare

voorbereidingshandelingen betreffende de middelen voorkomende op lijst I van de Opiumwet,van welke organisatie hij, verdachte, leider/bestuurder was;

5.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine, in elk geval van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA) en/of amfetamine , zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (een) hoeveelhe(i)d(en) cafeine en/of een hoeveelhe(i)d(en) methanol en/of een hoeveelhe(i)d(en) zwavelzuur en/of een hoeveelhe(i)d(en) lactose, in elk geval (een) vloeistof(fen) en/of hoeveelhe(i)d(en) wit poeder en/of een tableteermachine en/of een vacuummachine voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

6.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 13 maart 2009 in de gemeente Kerkrade meermalen, althans eenmaal,(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [I-straat] te Kerkrade) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 798

hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 12 maart 2009 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

8.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 13 maart 2009 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk enig electriciteitswerk heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, althans een stoornis in de gang of in de werking van enig electriciteitswerk heeft veroorzaakt,

waardoor levensgevaar voor een anders te duchten was, althans gemeen gevaar voor goederen te duchten was, immers heeft hij, verdachte, en/of (een van) zijn mededader(s) op de toevoerleiding van de electriciteit voor het woonhuis aan de Industriestraat 12, voor de hoofdbeveiliging in de meterkast, een (illegale) aftakking gemaakt;

9.

hij, verdachte, op of omstreeks 12 maart 2009 in de gemeente Landgraaf, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Walther, model PP, kaliber 7.56 mm en/of munitie van categorie III, te weten 67 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm en/of een wapen van categorie II, te weten een stroomstootwapen, merk JinAn, model JSJ603, voorhanden heeft gehad.

---------------------------------------------------------------------------------------------

BIJLAGE II: De beslaglijst

2009008579 37 1 Mes kleur: bruin

F117-3302

2009008579 85 1 Jerrycan kleur: wit

GF

1621426-GB 113/2

2009008579 86 10 L Jerrycan

GF

1621424-GB108-2

20300220835 17 1 Gasmasker

G37-1207 AMB-28904521 met 4 filters

20300220835 19 24 stuks diverse goederen

G37-1402-03 melksuiker

20300220835 20 diverse goederen

G37-1601 AMB-288904750 klein model

20300220835 21 diverse goederen

G37-1602 AMB-288904750 groot model

20300220835 22 2 Koolstoffilters

G37-1603 AMB-288904750

20300220835 23 1 Tas

G37-1604 AMB-288904750 inh.filters

20300220835 24 10 stuks diverse goederen

EDELWEISS

G37-2101 AMB-28900178

20300220835 33 1 Rijbewijs

BELGISCH

H293-1003 tnv [R.B.]

20300220835 40 1 Weegschaal

SOEHNLE

B44a-3101 AMB-28903328

20300220835 41 diverse goederen

FIF

B44a-3102 AMB-28903328 seal-apparaat in doos

20300220835 42 2 Scharen

ROSTFREI

B44a-3103 AMB-28903328

20300220835 43 1 Masker

3M

B44a-3105 AMB-28903328 stofmasker

20300220835 47 35 Fusten

GF/GB108-1 AMB-28902000 vaatjes inh.25 kg poeder

20300220835 48 1 Weegschaal

BIZERBA

GF/GB108-3 AMB-28902000 electr.weegschaal

20300220835 49 1 Tas

GFGB113/3 inh.verp.materiaal en weegschaal

2009008579 36 1 Pistool

RECK

F117-3301 incl.onderhoudset

2009008579 38 1 paralyzer kleur: zwart

POWER 300

F117-3304

2009008579 39 1 Traangas

PROTEC

B44a-1102

2009008579 44 2 stuks Traangas

GK14-1303 pepperspray

2009008579 55 diverse goederen

HENNEPAFVAL

1621644-kavelnr. g37-1605

2009008579 56 4 stuks Verdovende Middelen

METHADON

1621656-kavelnr. g37-2102

2009008579 81 2 zakken hennep

1621577-kavelnr. g37-1201

2009008579 82 2 zakken hennep

1621601-kavelnr. g37-1202

2009008579 83 5 zakken verdovende middelen

1621619-kavelnr. g37-1204

GC2009008579 1 67 stuks Munitie

SELLIER BELLOT

voorw.nr.1621766 wapennr.409065

GC2009008579 2 1 STK Wapen

WALTHER PP

voorw.nr.1621763 wapennr.409065

GC2009008579 3 1 Wapen

JINAN JSJ603

voorw.nr.1623413 (stroomstootwapen)

28794466 7 1 Personenauto 17TLZS

VOLKSWAGEN POLO 44 kw 1996 Kleur: groen

20300209834 9 2 Bromfietsen

Gfgb108-4 en 108-5 minibike agb en merkloos

20300220835 10 diverse goederen

G37-1102 div.schriftelijke bescheiden

20300220835 16 diverse goederen

G37-1205 AMB-28904750 metalen pers

20300220835 28 1 Doos

ROLEX

G37-2204 AMB-28826653 inh.aankoopbewijs

20300220835 30 1 Televisietoestel

PHILIPS LCD flatscreen 37PF3321/10

G37-2208 AMB-28808868 incl.afst,bediening

20300220835 31 1 Televisietoestel

PHILIPS LCD 42PF7621D/10

G37-2301 AMB-28808868 incl.afst.bediening

20300220835 32 1 Televisietoestel

PHILIPS LCD 37PF332/10

G37-3101 AMB-28808868 incl.afst.bediening

20300220835 34 diverse goederen

H293-1006 diverse amd.bescheiden

20300220835 35 diverse goederen

Z296-5161 adm.besch.oa 3 fact.Grooten/[naam verdachte]

20300220835 46 diverse goederen

GK14-1202 div.schriftelijke bescheiden

20300220835 50 1 Jas Kleur: zwart

MEXX

V-1006 AMB-28819454.