Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM8002

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
16-06-2010
Zaaknummer
343519 CV EXPL 09-6570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een minderjarige had voor het sluiten van de overeenkomst op grond van het bepaalde in art 1:234 lid 1 en 2 BW toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Door het door de wettelijke vertegenwoordiger voor en namens de minderjarige verrichten van een rechtshandeling wordt de minderjarige ingevolge art 3:66 juncto 3:78 BW materiele procespartij. De rechtsvordering is ingesteld nadat de minderjarige meerderjarig is geworden waardoor deze ook als formele procespartij heeft te gelden. Eiseres heeft terecht haar vordering in rechte tegen de meerderjarige aanhangig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaaknr: 343519 CV EXPL 09-6570

typ: YT

coll:

Vonnis van 19 mei 2010.

De stichting Stichting Arcus College,

gevestigd en kantoor houdende te Heerlen,

eiseres in de hoofdzaak, incidenteel gedaagde in vrijwaring, nader te noemen: Arcus,

gemachtigde: P.M.F. Otten, gerechtsdeurwaarder;

tegen:

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde in de hoofdzaak, incidenteel eiser in vrijwaring, nader te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. I.T.H.L. van de Bergh (toevoeging).

HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE IN DE HOOFDZAAK:

Naar aanleiding van de door de kantonrechter op 4 november 2009 gewezen vonnis hebben partijen de volgende processtukken ingediend c.q. proceshandelingen verricht:

- conclusie van antwoord;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

De inhoud hiervan geldt als hier ingelast.

Daarna is vonnis bepaald waarvan de uitspraak nader is gesteld op heden.

BEOORDELING IN DE HOOFDZAAK:

Uit de inhoud van de processtukken en het door partijen over en weer gestelde staat, als niet althans als onvol-doende weersproken, vast dat:

- in 2006, naar aanleiding van een aan Arcus verstrekte opdracht, tussen Arcus en

[gedaagde] een overeenkomst is gesloten welke zowel door Arcus, [gedaagde] als [wettelijke vertegenwoordigster], wettelij-ke vertegenwoordigster van [gedaagde], is ondertekend;

- Arcus heeft voldaan aan de haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting en [gedaagde] terzake heeft gefactureerd op respectievelijk 13 september 2006 en 12 maart 2007 ad in totaal € 830,75;

- [gedaagde] tot nakoming van zijn uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting in gebreke is gesteld;

- het bepaalde in artikel 1:234 lid 3 BW hier toepassing mist.

In geschil is wie, [gedaagde] of [wettelijke vertegenwoordigster], in rechte dient te worden betrokken en gehouden is tot betaling van het aan Arcus verschuldigde.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst minderjarig en daardoor handelingsonbekwaam was en dat [wettelijke vertegenwoordigster] als zijn wettelijke vertegenwoordigster in rechte dient te worden betrokken. Immers, [wettelijke vertegenwoordigster] heeft er voor zorg gedragen dat [gedaagde] bij Arcus werd ingeschreven en het is dus haar verantwoordelijkheid om de rekening te betalen.

Arcus heeft tegen de stellingen van [gedaagde] gemotiveerd verweer gevoerd.

Met Arcus is de kantonrechter van oordeel dat door mede ondertekening van de overeenkomst [gedaagde] op voet van het bepaalde in artikel 1:234 lid 1 en 2 BW toestemming van [wettelijke vertegenwoordigster] heeft gekregen om de onderhavi-ge overeenkomst met Arcus aan te gaan. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde], ten tijde van het sluiten van de on-derhavige overeenkomst en binnen het kader van die overeenkomst, handelingsbekwaam was. [wettelijke vertegenwoordigster] had gedurende de minderjarigheid van [gedaagde] weliswaar te gelden als wettelijke vertegenwoordigster van

[gedaagde] in en buiten rechte maar [gedaagde] werd als handelingsonbekwame, ingevolge het bepaalde in artikel 3:66 lid 1 juncto 3:78 BW, door het door [wettelijke vertegenwoordigster] verrichten van een rechtshandeling in ieder geval namens hem, (materiele) partij bij die rechtshandeling. Gezien het feit dat ieder individu wettelijk gezien een eigen vermogen heeft, waarbij niet van belang is of dat een positief of negatief vermogen betreft, kan een schuldeiser aanspraak maken op dat vermogen waarbij gedurende de handelingsonbekwaamheid, in casu de tijd dat [gedaagde] minderja-rig was, de wettelijke vertegenwoordiger voor en namens de handelingsonbekwame in en buiten rechte dient te worden betrokken.

Aangezien [gedaagde] sedert 19 maart 2007 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en ingevolge het bepaalde in artikel 1:233 BW niet meer minderjarig is, wordt hij niet meer in en buiten rechte door zijn wettelijke vertegenwoor-digster vertegenwoordigd maar geldt hij, wettelijk gezien, als formele procespartij die in rechte kan, en in casu moet, worden betrokken.

Nu [gedaagde] zowel formele als materiele procespartij is, heeft Arcus hem terecht in rechte betrokken. Gezien het feit dat [gedaagde] in verzuim is, is hij naast de hoofdsom ook de tot 27 juli 2009 berekende en verbeurde rente ad € 123,94 aan Arcus verschuldigd.

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten merkt de kantonrechter op dat deze kosten zullen worden afgewezen nu Arcus omtrent de aan de procedure voorafgegane incasso(pogingen) onvoldoende (gespecificeerd en gemotiveerd) heeft gesteld om daaruit te kunnen concluderen dat werkzaamheden zijn ver-richt en kosten zijn gemaakt die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan. Daarmee is niet komen vast te staan dat de door de Arcus bedoelde werkzaamheden en kosten verder strekten dan de verrichtingen en kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een voorziening geven.

Met betrekking tot de gevorderde rente en verschotten merkt de kantonrechter op dat hij de rente zal toewijzen als nader in het dictum is bepaald nu gesteld noch gebleken is op grond waarvan het bepaalde in artikel 6:119 lid 2 BW hier toepassing mist en de verschotten zal matigen tot het daarvoor gebruikelijke tarief van € 7,00.

Met inachtneming van al het vorenoverwogene ligt de vordering van Arcus voor toewijzing gereed met veroor-deling van [gedaagde], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten.

DE UITSPRAAK IN DE HOOFDZAAK:

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om aan Arcus, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 1.133,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.009,25, vanaf 26 augustus 2009 tot aan de dag der algehele vol-doening.

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure tot aan dit vonnis aan de zijde van Arcus gerezen en begroot op € 450,98 waarin begrepen € 158,00 vastrecht, € 200,00 salaris gemachtigde en € 92,98 explootkosten.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordig-heid van de griffier.