Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM7603

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 619
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP7778, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WOB-verzoek. Vertrouwelijke bedrijfsgegevens belanghebbende (absolute weigeringsgrond). Procespositie gemeente in civiele procedure (relatieve weigeringsgrond). De rechtbank is van oordeel dat de documenten -gedeeltelijk- openbaar moeten worden gemaakt. De rechtbank voorziet zelf in de zaak (8:72-4 Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 619

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser],

te 's-Gravenhage, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 maart 2009

Kenmerk: SEB09-09219

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden.

De rechtbank heeft bij beslissing van 11 augustus 2009 ingevolge artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de beperking van de kennisneming, zoals door verweerder verzocht, gerechtvaardigd is.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank [bedrijf A] (belanghebbende) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Belanghebbende heeft daarvan gebruik gemaakt.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 10 februari 2010, waar namens eiser is verschenen S. Verschuur.

Namens belanghebbende is verschenen C.E. Houtkoper.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door R.A.H. Vlecken.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat verweerder de akten van erfpacht van de relevante garages dient over te leggen, hetgeen verweerder bij brief van 4 maart 2010 heeft gedaan.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft, nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.

2. Overwegingen

Naar aanleiding van een verzoek van eiser heeft verweerder bij besluit van 9 oktober 2008 eiser meegedeeld de overeenkomst tussen de gemeente en belanghebbende van 8 juli 2003 inzake de PPS tussen partijen (de samenwerkingsovereenkomst) alsmede de door eiser opgevraagde documenten die verband houden met de afspraken tussen de gemeente en belanghebbende over profit-sharing niet openbaar te maken.

Hiertegen is door eiser bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder op 12 maart 2009 het thans bestreden besluit genomen, waarbij de bezwaren van eiser (en belanghebbende) ongegrond zijn verklaard.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld -kort weergegeven- dat de samenwerkingsovereenkomst en de gegevens met betrekking tot profit-sharing (primair) niet openbaar worden gemaakt, omdat sprake is van vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Er is sprake van concurrentiegevoelige informatie en know-how die inzicht geeft in de kostenstructuur van belanghebbende en prestaties en bedrijfsvoering van belanghebbende. Verweerder heeft zich voorts (subsidiair) op het standpunt gesteld dat zowel de gemeente als belanghebbende onevenredig benadeeld zouden worden door het verstrekken van deze documenten. De gemeente is in het kader van een WOB-verzoek niet gehouden tot het verstrekken van stukken waartoe zij in civilibus niet gehouden is. In dit verband wordt gewezen op de lopende civiele procedure van eiser tegen de gemeente (thans bij het Hof te Den Bosch).

Door eiser is in beroep aangevoerd -kort samengevat- dat de samenwerkingsovereenkomst geen vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens kan bevatten. Het zal immers gaan om onderwerpen als parkeerbeleid, parkeertarieven, openingstijden van garages, kwaliteit van dienstverlening, parkeercapaciteit, onderhoud en investeringen die hetzij publiekelijk bekend zijn hetzij naar hun aard niet concurrentiegevoelig zijn. Evenmin valt in te zien op welke wijze openbaarmaking van de gevraagde gegevens ten aanzien van profit-sharing de concurrentiepositie van belanghebbende zou kunnen schaden. Uit deze gegevens kan immers niet worden afgeleid wat relevant zou kunnen zijn voor de condities waartegen belanghebbende in andere aanbestedingen zal inschrijven.

Voorts is aangevoerd dat verweerder niet heeft aangegeven welk concreet nadeel de gemeente zal ondervinden in de relevante civiele procedure als de betrokken informatie openbaar wordt gemaakt. Dit geldt zowel voor de overeenkomst als voor de gegevens over de profit-sharing tussen de gemeente en belanghebbende. Tenslotte is aangevoerd dat verweerder ten minste tot gedeeltelijke openbaarmaking dient over te gaan. Gegevens die zich niet zouden lenen voor openbaarmaking zouden uit de documenten kunnen worden verwijderd. Het is niet aannemelijk dat de gehele overeenkomst en alle gegevens over profit-sharing vertrouwelijk zouden zijn c.q. de procespositie van de gemeente op onevenredige wijze zou kunnen schaden.

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht heeft geweigerd de hier aan de orde zijnde documenten openbaar te maken. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WOB kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, onder c, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is van vertrouwelijk aan de overheid meegedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers (vgl. LJN: AF7054). Voormeld begrip moet restrictief worden geïnterpreteerd. Het gaat in dit geval bovendien om een absolute (imperatieve) weigeringsgrond.

De rechtbank is op grond van de parlementaire geschiedenis van de WOB (met name de memorie van antwoord) van oordeel dat met artikel 10, eerste lid, onder c, van de WOB is beoogd bedrijven bescherming te bieden tegen concurrentie, wanneer deze bedrijven tegenover de overheid open kaart hebben moeten spelen voor wat betreft hun bedrijfsvoering en hun bedrijfsprocessen.

Met betrekking tot het begrip vertrouwelijk is het ingevolge vaste jurisprudentie niet noodzakelijk is dat de verstrekking van gegevens expliciet met de vermelding ‘vertrouwelijk’ moet hebben plaatsgevonden. Voldoende is dat de gegevens zijn verstrekt in een contact dat een onderneming ‘redelijkerwijs als vertrouwelijk mag beschouwen’.

Na met toepassing van artikel 8:29 Awb te hebben kennis genomen van de desbetreffende documenten (samenwerkingsovereenkomst en erfpachtsovereenkomst), is de rechtbank van oordeel dat de documenten waarom is gevraagd, in meerdere bepalingen bedrijfsgegevens bevatten in de hiervoor omschreven zin.

De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet betekent dat de gehele overeenkomsten niet openbaar zouden kunnen worden gemaakt. Ingevolge vaste jurisprudentie dient de rechtbank na te gaan of het niet mogelijk is om bepaalde (delen van) artikelen te schrappen en de overige artikelen/informatie wel te verstrekken.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de (delen van) artikelen uit de overeenkomsten die reeds openbaar zijn geworden middels de Letter of intent gemeente Maastricht – [bedrijf A] inzake samenwerkingsverband parkeren (LOI), het raadsvoorstel van het college van B&W van 15 oktober 2002 met betrekking tot de LOI, het rapport van Ernst & Young van 23 oktober 2002 en de akten van erfpacht van de betreffende garages, als gevolg daarvan geen vertrouwelijke bedrijfsgegevens (meer) zijn en derhalve ook in dit verband openbaar kunnen worden gemaakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat die (onderdelen van) artikelen uit de overeenkomsten die algemeen gebruikelijk zijn dan wel standaard bedingen bevatten ook openbaar kunnen worden gemaakt.

De rechtbank is tenslotte van oordeel dat de (delen van) artikelen uit de overeenkomsten die wel vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten niet dermate verweven zijn met de overige artikelen/informatie in de overeenkomsten dat het niet mogelijk zou zijn de vertrouwelijke bedrijfsgegevens te anonimiseren of weg te lakken (schrappen) en de overige artikelen/informatie wel te verstrekken.

Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onder c, van de WOB ten onrechte heeft besloten de hier aan de orde zijnde documenten/overeenkomsten niet -gedeeltelijk- openbaar te maken.

Met betrekking tot het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onder g, van de WOB (de relatieve weigeringsgrond) overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, onder g, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak beschermt artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de WOB tevens het belang bij het voorkomen van onevenredige benadeling van de gemeente met het oog op haar procespositie (vgl. LJN: BC9089).

In het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 23 juni 2009 heeft het Hof de incidentele vordering, waarbij werd gevorderd dat verweerder wordt geboden eiser te voorzien van een kopie van, althans inzage te verschaffen in de samenwerkingsovereenkomst en de erfpachtovereenkomst tussen verweerder en [bedrijf A], afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat hieruit niet, zoals door verweerder gesteld, kan worden afgeleid dat deze stukken niet in de civiele procedure zouden hoeven te worden ingebracht. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat er op dat moment (in dat stadium van de procedure) nog

onvoldoende duidelijk was in hoeverre de vraag of de overeenkomsten tussen de gemeente en [bedrijf A] al dan niet tussentijds kunnen worden beëindigd al dan niet aan de orde zal komen. Daarom is het Hof van oordeel dat op dat moment van de procedure bij het Hof nog geen sprake was van een zodanig belang van eiser bij afgifte van of inzage in voormelde stukken dat dit nu al toewijzing van de incidentele vordering rechtvaardigde. Indien kennisneming van (de relevante artikelen uit) de overeenkomsten in de loop van de procedure nodig mocht blijken, zal daarover, volgens het Hof, alsdan kunnen worden beslist.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat uit voormeld arrest van het Hof niet kan worden afgeleid dat het processuele belang van verweerder vordert dat de bestuursrechter niet zou kunnen oordelen tot openbaarmaking van (onderdelen van) de overeenkomsten.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat openbaarmaking van (onderdelen van) de overeenkomsten verweerders procespositie onevenredig zou benadelen.

De rechtbank is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat het beroep van eiser gegrond moet worden verklaard en dat verweerder de overeenkomsten openbaar moet maken met uitzondering van de navolgende (onderdelen van de) artikelen:

1. de samenwerkingsovereenkomst:

artikel 4 sub c, tweede alinea;

artikel 4 sub d, derde alinea;

artikel 4 sub e, eerste alinea;

artikel 7 sub f, tweede alinea;

artikel 8.1, laatste 6 regels;

artikel 8.6.

2. de erfpachtsovereenkomst:

artikel 15.5, ii;

artikel 15.6, ii;

artikel 16.5, tweede alinea;

artikel 23.2.

In het kader van de finale geschillenbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en verweerder opdragen de overeenkomsten openbaar te maken met uitzondering van voormelde (onderdelen van de) artikelen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1449,-.

Hierbij is de rechtbank uitgegaan van 3 punten en bepaalt zij het gewicht van de zaak (in verband met de aard en omvang) op zwaar (1,5).

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit van 9 oktober 2008;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

-bepaalt dat verweerder de overeenkomsten openbaar maakt met uitzondering van de in rubriek 2 vermelde (onderdelen van de) artikelen;

-bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 1449 ,-, te vergoeden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.F. Sleddens, voorzitter, J.F.W. Huinen en

T.E.A. Willemsen, leden, in tegenwoordigheid van E.W. Seylhouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2010

w.g. E. Seylhouwer w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 11 juni 2010

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.