Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM7299

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 405 + AWB 10 / 414
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens. In bezwaar gehandhaafde weigering inzage van de minuut bij (inwilligende) beslissing tot verlening verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp rustende verplichting, nu hij een overzicht heeft gegeven van de gegevens die in de minuut zijn opgenomen en de herkomst van deze gegevens heeft aangeduid. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter ook dat de door verweerder benoemde persoonsgegevens al zijn vervat in onder meer de rapporten van het eerste en het nader gehoor van verzoeker, over welke stukken verzoeker reeds beschikt. Anders dan verzoeker kennelijk meent, voorziet de Wbp niet in een recht op inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. Gegeven het aan de Wbp ten grondslag liggende transparantiebeginsel is inzage van in stukken opgenomen persoonsgegevens enkel aan de orde indien en voor zover niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Procedurenummers: AWB 10 / 405 + AWB 10 / 414

Uitspraak

in het geding tussen

[naam],

wonend te [plaats], verzoeker,

en

de Minister van Justitie,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 25 maart 2010

Kenmerk: 0607.30.0001

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2010 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toezending van de minuut behorend bij zijn besluit van 5 februari 2007 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt bij verweerder. Verzoeker heeft bij brief van 22 maart 2010 aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden.

Naar aanleiding van verweerders verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb ten aanzien gevraagde minuut, heeft de rechtbank (in een andere samenstelling) geoordeeld dat beperking van de kennisneming, zoals door verweerder verzocht, gerechtvaardigd is te achten. Verzoeker heeft, desgevraagd, de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming verleend.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 maart 2010 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 29 maart 2010 beroep ingesteld.

Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb wordt het hangende bezwaar ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010, alwaar voor verzoeker is verschenen zijn gemachtigde L.J.H. Hoven-Kohl, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door R.J.M.F.P. Wouters, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 24 januari 2007 (LJN AZ6853). Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en vervolgens toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

Gelet op deze toestemming heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op 8 juni 2010 gesloten.

2. Overwegingen

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb moet, zoals in rubriek 1 reeds is aangegeven, (thans) worden aangemerkt als een verzoek hangende het beroep in de hoofdzaak. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter is gewezen in de kennisgeving aan partijen van de behandeling van het verzoek ter zitting.

Na kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De voorzieningenrechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak en overweegt in dat kader het volgende.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) wordt onder persoonsgegevens verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wbp wordt, voor zover hier van belang, onder verantwoordelijke verstaan: het bestuursorgaan dat het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp bevat de mededeling als bedoeld in het eerste lid, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, voor zover hier van belang, kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Verzoeker heeft bij brief van 3 februari 2010 verzocht om toezending van de minuut, die ten grondslag ligt aan verweerders besluit van 5 februari 2007. Bij dit besluit heeft verweerder aan verzoeker een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), verleend op de grond genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van deze wet.

Tussen partijen is in confesso dat het verzoek van 3 februari 2010 dient te worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wbp. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder in het besluit van 3 maart 2010 een overzicht gegeven van de gegevens die in de minuut bij het besluit van 5 februari 2007 zijn opgenomen, alsook de herkomst van deze gegevens geduid. Inzage (casu quo toezending) van de minuut heeft verweerder geweigerd. Verweerder heeft daartoe primair overwogen dat de minuut, naast de reeds bij verzoeker bekend zijnde persoonsgegevens, een juridische analyse van zijn zaak bevat. Deze analyse valt, aldus verweerder, niet onder de definitie van persoonsgegevens en derhalve is de Wbp hierop niet van toepassing. Subsidiair heeft verweerder zich beroepen op artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, omdat de rechten van anderen in het geding zijn. De opsteller van de minuut kan zich volgens verweerder belemmerd voelen in de vrijheid om argumenten en overwegingen naar voren te brengen, die bij de besluitvorming van belang kunnen zijn, als het document na afronding van de besluitvorming voor inzage vatbaar is. Dit zou kunnen leiden tot het niet vermelden van dergelijke overwegingen en daarmee de besluitvorming (kunnen) raken.

Verzoeker heeft in beroep aangevoerd dat een juridische analyse wel degelijk onder het inzagerecht van de Wbp valt. Verzoeker wenst inzage in de minuut teneinde kennis te kunnen nemen van de motivering van het besluit van 5 februari 2007, meer specifiek van de in dit besluit besloten liggende afwijzing van zijn asielaanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000. Nu dit besluit niet (volledig) is gemotiveerd, moet verzoeker langs andere weg van deze motivering kennis kunnen nemen.

Voorts heeft verzoeker betoogd dat verweerder tot voor kort de gedragslijn hanteerde dat een minuut wel werd verstrekt. Onduidelijk is waarom verweerder deze gedragslijn heeft gewijzigd. Daarnaast is de minuut wel aan de vorige gemachtigde van verzoeker verstrekt, zodat de minuut volgens verzoeker onderdeel uitmaakt van het dossier en reeds hierom niet meer beschouwd kan worden als een louter intern stuk. Bovendien gaat verweerder er aan voorbij dat de motivering van een besluit geen interne gelegenheid betreft. Indien de motivering niet in een besluit is opgenomen, maar in een minuut, een notitie of ander stuk, heeft verzoeker het recht langs die weg kennis te nemen van de motivering.

Bij de beoordeling van het onderhavige beroep stelt de voorzieningenrechter voorop dat verweerders (primaire) standpunt dat een juridische analyse niet onder het bereik van de Wbp valt, welk standpunt verweerder overigens niet heeft gemotiveerd, naar zijn oordeel enige nuancering behoeft. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wbp heeft de wetgever een ruime uitleg van het begrip persoonsgegeven voorgestaan. Alle gegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon moeten als persoonsgegevens worden beschouwd. Gegevens die een neerslag vormen van een over een bepaalde persoon genomen beslissing, kunnen worden beschouwd als een deze persoon betreffend persoongegeven (Tweede Kamer 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 46). Nu de juridische analyse van de zaak van verzoeker heeft geleid tot een beslissing op zijn asielaanvraag, vallen in elk geval de gegevens die bij deze analyse zijn betrokken onder het bereik van de Wbp.

Het vorenstaande neemt evenwel niet weg dat geoordeeld moet worden dat verweerder met het besluit van 3 maart 2010 heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp rustende verplichting, nu hij daarin een overzicht heeft gegeven van de gegevens die in de minuut zijn opgenomen en de herkomst van deze gegevens heeft aangeduid. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter ook dat de door verweerder in dit besluit benoemde persoonsgegevens al zijn vervat in onder meer de rapporten van het eerste en het nader gehoor van verzoeker, over welke stukken verzoeker reeds beschikt. Anders dan verzoeker kennelijk meent, voorziet de Wbp niet in een recht op inzage in stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen. Gegeven het aan de Wbp ten grondslag liggende transparantiebeginsel is inzage van in stukken opgenomen persoonsgegevens enkel aan de orde indien en voor zover niet op andere wijze adequaat kan worden voorzien in kennisgeving van die persoonsgegevens dan wel mededeling van de herkomst daarvan. Verwezen zij in dezen naar de in rubriek 1 genoemde uitspraak van de Afdeling.

Voor zover verzoeker heeft gesteld dat inzage in de minuut dient te worden verschaft opdat hij daarmee kan beschikken over de motivering van het besluit van 5 februari 2007, overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het, gelet op het bepaalde in artikel 3:48, tweede lid, van de Awb, op de weg van verzoeker had gelegen binnen een redelijke termijn na 5 februari 2007 om de motivering van dat besluit te verzoeken. Weliswaar heeft de toenmalige gemachtigde van verzoeker op 9 februari 2007 verzocht om toezending van de minuut (aan welk verzoek verweerder bij brief van 14 februari 2007 heeft voldaan), maar dit kan niet worden aangemerkt als een verzoek om de motivering van het besluit. Een minuut is immers een intern stuk dat weliswaar een rol speelt in het besluitvormingsproces, maar geen deel uit maakt van het besluit. Door toezending van de minuut is derhalve geen motivering van het besluit gegeven; het daaraan voorafgaande verzoek om toezending van de minuut is geen verzoek als bedoeld in artikel 3:48, tweede lid, van de Awb.

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat er ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling van moet worden uitgegaan dat een besluit tot verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000. Gelet hierop, heeft de vreemdeling hangende de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning geen belang bij het instellen van beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. Zulk belang kan ontstaan, indien op de voet van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 tot intrekking dan wel niet-verlenging van die vergunning wordt besloten. Alsdan zal de ter zake bevoegde rechter kunnen treden in een oordeel over de grond waarop de verblijfsvergunning is verleend en de gronden waarop die niet is verleend. Een besluit tot intrekking of niet-verlenging van een verleende verblijfsvergunning dient deugdelijk te worden gemotiveerd. Verzoeker kan derhalve, indien ten aanzien van hem een besluit in vorenbedoelde zin wordt genomen, alsdan kennis nemen van de overwegingen van verweerder hem een verblijfsvergunning op (een van) de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000 te onthouden. Verzoekers stelling dat hij kennis dient te (kunnen) nemen van de inhoud van de minuut bij het besluit van 5 februari 2007 om de motivering van de in dit besluit besloten liggende afwijzing van zijn asielaanvraag op deze gronden te vernemen, faalt derhalve. Verweerder was niet gehouden tot het verstrekken van meer of andere gegevens dan hij in het besluit van 3 maart 2010 heeft gedaan. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter niet toe aan een beoordeling van het subsidiaire standpunt van verweerder.

Voor zover verzoeker er op heeft gewezen dat verweerder tot voor kort een (interne) gedragslijn hanteerde waarbij wel tot verstrekking van de minuut werd overgegaan, overweegt de voorzieningenrechter dat het een bestuursorgaan in beginsel vrij staat een wijziging aan te brengen in een dergelijke gedragslijn. In het onderhavige geval is onbestreden gebleven dat verweerder (tijdig) bekendheid heeft gegeven aan de nieuwe (huidige) gedragslijn, welke is opgenomen in de IND-Werkinstructie 2009/11 van 14 juli 2009. Verzoeker had er derhalve ten tijde van zijn verzoek van 3 februari 2010 op bedacht kunnen zijn dat verweerder dit verzoek overeenkomstig deze werkinstructie zou behandelen. Dit impliceert tevens dat verweerder, gelet op de werkinstructie, niet gehouden was andermaal de minuut verstrekken (gelijk hij in 2007 wel heeft gedaan).

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep is derhalve ongegrond te achten.

Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers, in tegenwoordigheid van D.H.J. Laeven als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2010.

w.g. D. Laeven w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.