Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM7201

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 1513
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP4724, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In bezwaar gehandhaafde weigering (tijdelijke) bouwvergunning en vrijstelling (ex artikel 17 van de WRO) ten behoeve van tijdelijke expositieruimte. Verweerder wenst geen medewerking te verlenen aan een tijdelijke vrijstelling omdat het bouwplan qua omvang en situering niet voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van een beeldkwaliteitplan. De rechtbank vermag niet in te zien waarom dergelijke aspecten niet kunnen worden betrokken bij een planologische afweging om wel of geen vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren meergenoemde vrijstelling te verlenen op de grond dat het bouwplan, gelet op zijn omvang en de situering nabij het monumentale stationsgebouw, een aantasting vormt van de monumentale waarden van de omgeving. Dat verweerder voor dit oordeel aansluiting heeft gezocht bij de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan, komt de rechtbank niet onjuist voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 1513

Uitspraak

in het geding tussen

[naam],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 juli 2009

Kenmerk: 3614

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit, genomen ter uitvoering van de hieronder nader te duiden uitspraak van deze rechtbank van 17 juni 2009, heeft verweerder (andermaal) beslist op het door eiser ingediende bezwaarschrift tegen zijn - eveneens hieronder nader te duiden - besluit van 18 juli 2006.

Eiser heeft tijdig en gemotiveerd beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 23 juli 2009. Bij brief van 19 maart 2010 zijn de gronden waarop het beroep berust aangevuld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

De stukken uit de procedure bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 08/127 zijn ad informandum gevoegd bij de stukken die op het onderhavige geding betrekking hebben; hiervan is ter zitting mededeling gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde B. Smit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Roermond.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door G.A.M.C. Goossens, werkzaam bij de gemeente Valkenburg aan de Geul.

2. Overwegingen

Eiser heeft op 17 maart 2006 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een tijdelijke expositieruimte op een deel van de parkeerplaats gelegen aan de westzijde van het NS-stationsgebouw aan de Stationsstraat te Valkenburg aan de Geul. Aangezien het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kernen Valkenburg aan de Geul” heeft verweerder de aanvraag ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet (zoals deze bepaling ten tijde hier in geding luidde) mede aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij het in rubriek 1 genoemde besluit van 18 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat hij ten behoeve van de realisering van dit plan geen tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan wenst te verlenen omdat het plan ernstig afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de stationsomgeving.

Eiser heeft tegen het besluit van 18 juli 2006 bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft verweerder, met instemming van eiser, een beeldkwaliteitplan laten opstellen door Bureau Arcadis. Dit beeldkwaliteitplan is in januari 2007 in concept gereed gekomen.

Verweerder heeft op 27 februari 2007 besloten met dit beeldkwaliteitplan akkoord te gaan, met uitzondering van het onderdeel "6.3 Locatie west" van het plan, welk onderdeel betrekking heeft op permanente bebouwing aan de westzijde van het stationsgebouw. Verweerder heeft daarbij tevens besloten het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en over te gaan tot herroeping van het besluit van 18 juli 2006. Voorts heeft verweerder in het besluit aangegeven akkoord te kunnen gaan met het oprichten van een tijdelijk gebouw aan de westzijde van het station, mits plaats, vorm en uitstraling daarvan aan de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan voldoen, hetgeen volgens verweerder betekent dat het tijdelijk gebouw een kwalitatief hoogwaardige uitstraling en vormgeving moet hebben.

Bij brief van 10 april 2007 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat er nog een nieuwe beslissing op zijn aanvraag zal worden genomen. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld het bouwplan aan te passen, waarbij hetgeen in het beeldkwaliteitplan is gesteld omtrent maatvoering, materiaalgebruik en kleurstelling als uitgangspunt heeft te gelden.

In reactie hierop heeft eiser bij brief van 24 april 2007 aangegeven dat hij geen nieuwe, aangepaste aanvraag zal indienen omdat de oorspronkelijk aanvraag naar zijn mening voldoet aan de eisen gesteld in het beeldkwaliteitplan.

Bij besluit van 19 juni 2007 heeft verweerder andermaal afwijzend beslist op de aanvraag van 17 maart 2006. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het bouwplan niet de kwalitatief hoogwaardige uitstraling en vormgeving heeft die past bij het monumentale karakter van het stationsgebouw, zodat hij geen vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO wenst te verlenen en de aanvraag om een bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan dient te worden afgewezen.

Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder, onder aanvulling van de motivering, bij besluit van 11 december 2007 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit beroep bij de rechtbank ingesteld.

Bij de in rubriek 1 genoemde uitspraak van 17 juni 2009 - zover in dezen van belang - heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 december 2007, alsook de besluiten van 27 februari 2007 en 19 juni 2007 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

In voormelde uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat door verweerder is verzuimd aan te geven op welke punten het in geding zijnde gebouw afwijkt van het beeldkwaliteitplan. Ook heeft verweerder nagelaten te motiveren waarom het tijdelijke gebouw afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een aantal in het beeldkwaliteitplan genoemde uitgangspunten - bijvoorbeeld de aard van het stucwerk, kleur en materiaal van de kozijnen, afwisseling tussen horizontale en verticale accenten en afwisseling in gesloten en open geveldelen - naar haar oordeel welstandsaspecten betreffen, welke gelet op het bepaalde in artikel 12 van de Woningwet, geen grond mogen vormen vrijstelling en bouwvergunning voor een tijdelijk bouwwerk te weigeren.

Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar van eiser (wederom) ongegrond is verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het bouwplan uit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is. Het bouwplan voldoet niet aan een van de stedenbouwkundige uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan, waarin is vermeld dat een bouwplan een oppervlakte mag hebben van maximaal 8 bij 24 meter. Het bouwplan van eiser heeft een oppervlakte van 10,44 bij 41,76 meter. Dit bouwplan is veel te groot en tast door zijn omvang en de situering nabij het monumentale stationsgebouw de monumentale waarden van het station op onaanvaardbare wijze aan.

Eiser heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. In beroep is betoogd - kort weergegeven - dat verweerder, in strijd met hetgeen door de rechtbank is overwogen in de uitspraak van 17 juni 2009, opnieuw probeert onderhavig (tijdelijk) bouwwerk, in strijd met artikel 12 van de Woningwet, te weigeren op grond van welstandsaspecten.

In dit geding dient de rechtbank met name de vraag te beoordelen of verweerder, uitvoering gevend aan de (onherroepelijke) uitspraak van 17 juni 2009, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor het oprichten van een tijdelijk bouwwerk op de parkeerplaats aan de westzijde van het stationsgebouw.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat eiser, niettegenstaande de omstandigheid dat hij geen huurder meer is van het stationsgebouw, geacht kan worden nog een procesbelang te hebben bij een beoordeling van het bestreden besluit, nu hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van verweerders besluitvorming in dezen schade heeft geleden. Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 17 van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Bij de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WRO komt verweerder, in aanmerking genomen de bewoordingen van dat artikel en de aard van de bevoegdheid die daarin aan hem is toegekend, een ruime mate van beleidsvrijheid toe.

In het onderhavige geval heeft verweerder geen medewerking wensen te verlenen aan een tijdelijke vrijstelling omdat het bouwplan qua omvang en situering niet voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan. De rechtbank vermag niet in te zien waarom dergelijke aspecten niet kunnen worden betrokken bij een planologische afweging om wel of geen vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO te verlenen. De rechtbank verwijst in dezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juli 2005 (LJN AU0106). De vraag of een dergelijke vrijstelling op deze grond kan worden geweigerd dient te worden onderscheiden van de vraag op welke gronden een (tijdelijke) bouwvergunning als bedoeld in artikel 45 van de Woningwet kan worden geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen weigeren meergenoemde vrijstelling te verlenen op de grond dat het bouwplan, gelet op zijn omvang en de situering nabij het monumentale stationsgebouw, een aantasting vormt van de monumentale waarden van de omgeving. Dat verweerder voor dit oordeel aansluiting heeft gezocht bij de uitgangspunten van het beeldkwaliteitplan, komt de rechtbank niet onjuist voor.

Nu verweerder in redelijkheid de vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen weigeren, doet zich ter zake van de aanvraag van 17 maart 2006 de weigeringsgrond genoemd in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet voor, zodat verweerder gehouden was de bouwvergunning te weigeren, gelijk hij ook heeft gedaan.

Voor zover door eiser is betoogd dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door ondanks de eerdere, bij brief van 13 april 2005 uitgesproken bereidheid om mee te werken aan de realisering van het bouwplan, de vrijstelling uiteindelijk toch te weigeren, overweegt de rechtbank ten slotte dat verweerder in deze brief slechts heeft aangegeven in beginsel tot medewerking bereid te zijn. Verweerder heeft in deze brief expliciet aangegeven eerst een definitief standpunt in te zullen nemen wanneer hij kennis heeft genomen van en heeft kunnen instemmen met het ontwerp voor het op te richten bouwwerk. Aan deze brief kan derhalve niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Dat geldt ook voor het ten aanzien van het bouwplan uitgebrachte positieve welstandsadvies.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond is te achten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt daarom als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers, in tegenwoordigheid van E.W. Seylhouwer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2010.

w.g. E. Seylhouwer w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.