Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM7051

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
360956 CV EXPL 09-5261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De op grond van artikel 3:94 BW vereiste akte (van cessie) ontbreekt, waardoor niet is komen vast te staan dat eiseres een zelfstandige vordering heeft jegens gedaagde. Vordering integraal afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

locatie Sittard-Geleen

vonnis d.d. 21 april 2010

zaak/rolnr.: 360956 CV EXPL 09-5261

typ.: MW

De kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

de besloten vennootschap Intrum Justitia Nederland B.V., gevestigd 's-Gravenhage aan de Johan de Wittlaan 3,

eisende partij,

gemachtigden: J.H.L. Sinkiewicz gerechtsdeurwaarder & incasso te Maastricht en mr. P.L.J.M. Guinee, werkzaam bij Intrum Justitia Nederland B.V.

tegen

[gedaagde], wonende te [adres],

in persoon procederend,

gedaagde partij.

1. Het verloop van de procedure

partijen wisselden de volgende stukken:

- exploot van dagvaarding met producties, uitgebracht op 14 december 2009,

- conclusie van antwoord (schriftelijk) d.d. 21 december 2009,

- conclusie van repliek d.d. 23 februari 2010 met producties,

De inhoud van alle stukken geldt als hier ingelast.

Hoewel gedaagde in de gelegenheid is gesteld een conclusie van dupliek te nemen, heeft zij van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Daarna heeft de kantonrechter vonnis bepaald en de uitspraak daarvan bepaald op heden.

2. De vordering en het verweer

2.1. Eiseres vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van €655,72, zijnde in hoofdsom €500,52, rente tot 19 november 2009 €5,20, buitengerechtelijke (incasso)kosten €150,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2009 over €500,52 tot aan de dag van de algehele voldoening, een en ander tezamen een bedrag van €5.000,-- niet te bovengaande met veroordeling in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigden van eiseres.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt eiseres het volgende. Eiseres heeft de onderhavige vordering gekocht van Vodafone Libertel B.V. (verder: Vodafone).

Vodafone heeft met gedaagde een overeenkomst gesloten in het kader waarvan aan gedaagde telecommunicatiediensten worden geleverd, op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing, die van deze overeenkomst deel uitmaken. De overeenkomst is aangegaan voor een termijn van tenminste een jaar, waarna -behoudens opzegging door gedaagde met inachtname van een opzegtermijn van 3 maanden- de overeenkomst voor onbepaalde tijd doorloopt. Gedaagde is in het kader van voornoemde overeenkomst maandelijks een vast bedrag aan Vodafone verschuldigd, alsmede de kosten voor de gevoerde telefoongesprekken, alles conform de tussen Vodafone en gedaagde overeengekomen tarieven. Ondanks aanmaningen van Vodafone is gedaagde met betaling van de verschuldigde kosten in gebreke gebleven, op grond waarvan Vodafone de dienstverlening heeft beëindigd. Op grond van de beëindiging van de dienstverlening is de gedaagde krachtens voormelde overeenkomst, conform de voorwaarden van de overeenkomst, de vaste kosten over de resterende looptijd verschuldigd.

Het thans opeisbare saldo bedraagt €500,52, een en ander zoals vermeld op de destijds door Vodafone aan gedaagde gezonden facturen, van welke facturen een overzicht bij deze dagvaarding is gevoegd. Eiseres vordert aan wettelijke rente een bedrag van €5,20 berekend tot 19 november 2009.

Vodafone heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven aan eiseres. Eiseres heeft gedaagde schriftelijk en indien een telefoonnummer bekend was telefonisch tot betaling gesommeerd. Eiseres vordert deze kosten van gedaagde en conform de aanbevelingen in het Rapport Voorwerk II bedragen die €150,-- (excl. B.T.W.). De buitengerechtelijke kosten komen krachtens de op de overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden, danwel krachtens art. 6:96 lid 2 sub c BW, danwel naar redelijkheid en billijkheid voor rekening van gedaagde. Gedaagde is door eiseres diverse malen tot betaling gesommeerd. Op die brieven heeft gedaagde niet gereageerd met enig bezwaar tegen de onderhavige vordering, terwijl zij evenmin in een eerder of later stadium van een dergelijk bezwaar heeft laten blijken. Gedaagde blijft desondanks in gebreke met de voldoening van voormelde bedragen ad €500,52, €5,20 en de buitengerechtelijke kosten ad €150,--, derhalve in totaal een bedrag van€655,72. Gedaagde volhardt in haar non-betaling, zodat eiseres er recht op en belang bij heeft in rechte aanspraak te maken op betaling van haar voormelde vordering.

2.2. Gedaagde weerspreekt het gevorderde stellende dat het hier gaat om het restant van een abonnement van een telecom-aanbieder. Gedaagde voegt hieraan toe dat het restant dat gevorderd wordt niet gebruikt is en er dus geen sprake is van wederkerigheid van diensten, derhalve zou zij graag zien dat deze vordering als niet eisbaar wordt aangemerkt.

2.3. Eiseres heeft bij conclusie van repliek gesteld dat het juist is dat de vordering een eindafrekening betreft. Op die eindafrekening zijn de resterende abonnementstermijnen tot einde contract in rekening gebracht. De overeenkomst is vanwege het niet betalen van gedaagde, ondanks herhaalde aanmaningen, op 19 juli 2009 ontbonden door Vodafone.

Eiseres stelt dat het betreffende abonnement op 6 februari 2009 voor een periode van 24 maanden tot stand was gekomen. In samenhang met deze minimale looptijd is aan gedaagde kosteloos een nieuw telefoontoestel geleverd. Als gevolg van de ontbinding heeft Vodafone schade geleverd bestaande uit de niet terugverdiende investering in dit telefoontoestel en de niet meer gerealiseerde winstcomponent in het saldo van de resterende abonnementstermijnen en tot de einddatum te maken gebruikskosten. In overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Geschillencommissie voor Telecommunicatie heeft Vodafone die schade gefixeerd op het saldo van de resterende abonnementstermijnen.

Uit het overgelegde factuuroverzicht blijkt dat de facturen van 15 mei, 17 juni en 14 juli onbetaald waren gebleven. Pas op 3 september 2009 heeft gedaagde contact opgenomen met Vodafone en verzocht om heraansluiting. Dit verzoek is gedaan per e-mail en gedaagde is verzocht binnen 8 dagen telefonisch contact op te nemen. Van gedaagde is vervolgens echter niets meer vernomen en het is derhalve aan gedaagde zelf te wijten dat geen heraansluiting heeft plaatsgehad. Indien het verweer van gedaagde zou worden gehonoreerd zou dit betekenen dat in casu gedaagde zich voortijdig van de betalingsverplichting jegens Vodafone zou kunnen bevrijden door simpelweg te stoppen met betalen. Eiseres handhaaft haar vordering.

Gedaagde heeft op de conclusie van repliek, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd op de nadere stellingen en producties van eiseres.

3. De beoordeling

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

Allereerst stelt eiseres –zonder onderbouwende documentatie of verdere adstructie- de onderhavige vordering jegens gedaagde op grond van een overeenkomst gekocht te hebben waarna de vordering is overgedragen door middel van een overdrachtsbestand. Van de overname van de vordering zou mededeling zijn gedaan.

De kantonrechter stelt voorop dat ingevolge artikel 3:94 BW voor levering van een vordering op naam een tot levering van die vordering bestemde akte vereist is. Indien (en zolang) geen akte is opgemaakt, kan van levering van de vordering geen sprake zijn ook al zou aan de schuldenaar zijn medegedeeld dat de vordering is overgedragen.

Een dergelijk akte is door eiseres niet in het geding gebracht. Evenmin is door haar gesteld dat een dergelijke akte is opgemaakt. Het stellen van een koopovereenkomst is niet het stellen van de akte van levering, terwijl uit de stelling dat er door middel van een ‘overdrachtsbestand’ zou zijn overgedragen, zonder nadere uitleg of onderbouwing, niet kan worden geconcludeerd dat hiermee een akte van cessie is bedoeld.

Eiseres heeft hierdoor niet voldaan aan de gemotiveerde stelplicht, zodat niet is komen vast te staan dat ze een zelfstandige vordering heeft jegens gedaagde. Hieruit volgt dat de vordering van eiseres integraal dient te worden afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal eiseres in de kosten van verweerder worden veroordeeld.

4. De beslissing

de kantonrechter:

4.1. wijst de vordering af;

4.2. veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde gerezen en tot op de datum van dit vonnis begroot op nihil;

Aldus gewezen door mr. A. Piëtte, kantonrechter en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting, in tegenwoordigheid van de griffier.