Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2010:BM6145

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 897
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzing als gemeentelijk monument ingevolge de gemeentelijke verordening cultuurhistorie. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is voor de regulering van het gebruik van eigendom vereist dat deze is voorzien bij wet, hetgeen inhoudt dat de beperking voorzienbaar en kenbaar moet zijn. Niet is vereist dat deze beperking dient te zijn opgenomen in een wet in formele zin. Gelet op de inhoud van de verordening is er geen grond voor het oordeel dat in dit geval niet aan de vereisten van voorzienbaarheid en kenbaarheid is voldaan.

Rb is voorts van oordeel dat uit de definitieve redengevende omschrijving van het pand en het laatstgenoemde advies van de Monumentencommissie de waarde van het pand als monument voldoende tot uitdrukking komt. Verweerder heeft genoegzaam uiteengezet dat het pand een cultuurhistorische, architectonische en bouwhistorische waarde heeft en dat het beeldbepalend is voor de omgeving. Niet aannemelijk is geworden dat de beschrijving van het pand naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder deze niet aan zijn standpunt over de monumentale waarde van het pand ten grondslag had mogen leggen. Overigens heeft eiser zelf geen deskundigenrapport ingebracht waaruit het tegendeel blijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 09 / 897

Uitspraak

in het geding tussen

[naam eiser] en [naam eiseres],

wonend te [plaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen,

verweerder.

Datum bestreden besluit: 21 april 2009

Kenmerk: GM023 2009/106977

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit, dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is het pand [adres] te [plaats] aangewezen als gemeentelijk monument.

Tegen dit besluit hebben eisers (hierna ook wel afzonderlijk aangeduid als: eiser en eiseres) tijdig en gemotiveerd beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 24 maart 2010 plaatsgevonden, alwaar eiser in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door H.J. van der Borgh, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen, en J.L. Stoop, advocaat te Maastricht, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in staat te stellen nadere stukken in geding te brengen.

Verweerder heeft deze stukken bij brief van 31 maart 2010 ingezonden. Eisers hebben bij brief van 16 april 2010 een reactie op deze stukken gegeven.

Het onderzoek is hervat ter nadere zitting van 28 april 2010, alwaar eiser in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door J.L Stoop, voornoemd, zijn verschenen.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is enig eigenaar van het pand gelegen op het perceel [adres] te [plaats] (hierna: het pand), alwaar hij met eiseres woonachtig is. Bij brief van 19 juni 2008 heeft verweerder eiser zijn ontwerpbesluit van 10 juni 2008 doen toekomen waarbij het pand wordt aangewezen als gemeentelijk monument. Het ontwerpbesluit heeft van 25 juni 2008 tot 31 augustus 2008 ter inzage gelegen. Eiser heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om over het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren te brengen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijzen geen aanleiding geven om af te zien van zijn voornemen. Daarom heeft verweerder bij het bestreden besluit, onder verwijzing naar onder meer een redengevende omschrijving van het pand en adviezen van de Monumentencommissie, het pand aangewezen als gemeentelijk monument.

2.2. Eisers hebben zich met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben in beroep betoogd dat het bestreden besluit niet rechtsgeldig is, omdat nergens uit blijkt dat degene die het besluit heeft ondertekend daartoe bevoegd was. Voorts heeft de Monumentencommissie onvoldoende onderzoek verricht. Deze commissie, alsook verweerder, is ten onrechte niet ingegaan op de bij de zienswijzen ingebrachte punten, namelijk - kort samengevat - :

a. dat de muur aan de voorzijde geen originele muur betreft, maar een eigen ontwerp is;

b. dat poort en het hekwerk niet van smeedwerk zijn; onduidelijk is of deze poort en dit hekwerk ook onder het bestreden besluit vallen;

c. dat het sleutelsymbool in de muur niet uit hardsteen, maar uit leisteen bestaat;

d. dat zijmuren aan de buitenzijde weliswaar met ezelsruggen zijn gecementeerd, maar zich in een slechte staat bevinden; er is geen hardstenen trapgevel, maar er is sprake van gecementeerde stenen;

e. dat verweerders standpunt dat het pand cultuurhistorische, architectonische en bouwhistorische waarde heeft, gebaseerd is op vermoedens: verweerder weet bijvoorbeeld niet wie de architect van het pand is en beschikt niet over bouwtekeningen;

f. dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het pand beeldbepalend is voor de omgeving en onvoldoende uiteen heeft gezet wat het pand met de oorspronkelijke nederzettingsstructuur heeft te maken.

Verder is aangevoerd dat eisers ten onrechte niet zijn gehoord door verweerder of de Monumentencommissie. Door de onderhavige aanwijzing is sprake van strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke plichten (hierna: IVBPR), artikel 10 van de Grondwet, de artikelen 118 en 121 van de Resolutie over de eerbiediging van de rechten van de mens in de Europese Unie (hierna: Resolutie) en artikel 6 van het Verdrag van Lissabon. Tevens is de gemeentelijke verordening in strijd met voornoemd artikel van het IVBPR. In dit kader hebben eisers de rechtbank verzocht een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) te stellen. Er zijn geen redenen aanwezig van algemeen belang van zodanig zwaarwegende aard dat de onderhavige aanwijzing stand kan houden. Indien verweerder van mening is dat sprake is van een gemeentelijk monument, dient hij tot aankoop van het pand over te gaan. Wanneer verweerder dat niet wil, dient hij de privacy, de persoonlijke levenssfeer en de eigendomsrechten van eisers te respecteren. Ten slotte hebben eisers aanspraak gemaakt op integrale vergoeding van de kosten van juridische bijstand.

2.3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of eiseres kan worden ontvangen in haar beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het navolgende.

Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb stelt rechtstreeks beroep open bij de rechtbank tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. In artikel 3:15, eerste lid, van de Awb is bepaald dat belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren kunnen brengen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht.

Vast staat dat het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en dat eiseres gedurende de daarvoor bepaalde termijn geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Voor zover ter zitting is betoogd dat eiseres dit in redelijkheid niet kan worden verweten omdat verweerder heeft nagelaten, naast de zakelijk gerechtigden van het pand, ook eiseres, als bewoonster en dus als belanghebbende, aan te schrijven, is de rechtbank van oordeel dat dit betoog niet kan slagen. Immers, eiseres had naar aanleiding van de publicatie van het ontwerpbesluit in het regionale weekblad “De Trompetter” van 25 juni 2008 kunnen en moeten reageren. Evenmin kan de stelling dat eiseres grond van het bepaalde in artikel 6 van het EVRM (recht op toegang tot de rechter) in haar beroep kan worden ontvangen, stand houden. Eiseres is namelijk een mogelijkheid tot toegang tot de rechter geboden, doch diende daarvoor eerst de zienswijzeprocedure te doorlopen, hetgeen zij heeft nagelaten. Van strijd met voornoemd artikel is dan ook geen sprake. Gezien het vorenstaande kan eiseres niet in haar beroep bij de rechtbank worden ontvangen en zal de rechtbank in zoverre het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot het beroep van eiser overweegt de rechtbank als volgt.

2.4. Ten aanzien van de grief dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, stelt de rechtbank vast dat uit de (nadere) stukken is gebleken dat verweerder in zijn vergadering van 28 april 2009 heeft besloten over te gaan tot aanwijzing als gemeentelijk monument van in totaal 25 objecten, waaronder het pand. Ter nadere zitting heeft verweerder geen verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat op grond van het bestreden besluit moet worden vastgesteld dat reeds op 21 april 2009 tot aanwijzing van het pand zou zijn besloten, dan wel dat op die datum dit besluit namens verweerder zou zijn ondertekend door E.F.W.M. Limpens, Teamleider Ruimtelijk Ontwerp. Het een noch het ander is te rijmen met het eerst op 28 april 2009 door verweerder genomen besluit. Daargelaten de beantwoording van de vraag of laatstgenoemde bevoegd was het bestreden besluit te ondertekenen, heeft hij prematuur van deze eventuele bevoegdheid gebruik gemaakt. Deze grief van eiser treft derhalve doel. Het beroep is reeds hierom gegrond te achten; het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Gelet op het feit dat uit de nadere stukken ondubbelzinnig blijkt dat verweerder op 28 april 2009 heeft besloten tot aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument, acht de rechtbank het uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting aangewezen te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dienaangaande overweegt zij als volgt .

2.6. Met betrekking tot eisers betoog dat hij ten onrechte niet is gehoord, oordeelt de rechtbank dat dit betoog niet kan slagen. Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Awb kunnen belanghebbenden naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. Dit artikel noopt, gezien onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 6 januari 2010 (LJN BK8364), niet tot het houden van een hoorzitting. Eiser heeft zijn zienswijzen over het ontwerpbesluit schriftelijk naar voren gebracht. Gesteld noch gebleken is dat eiser verweerder te kennen heeft gegeven zijn zienswijzen mondeling naar voren te willen brengen. Gezien het vorenstaande heeft verweerder voldaan aan het bepaalde in artikel 3:15, eerste lid, van de Awb.

2.7. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a1, van de Verordening cultuurhistorie Sittard-Geleen 2008 (hierna: de verordening) wordt onder monument verstaan een zaak die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap, archeologische, bouwhistorische, natuurhistorische, historisch landschappelijke of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening wordt onder een gemeentelijk monument begrepen: een onroerend monument, als bedoeld in lid 1 onder a1, dat overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 4 van deze verordening als zodanig is aangewezen.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de verordening kan verweerder, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een object aanwijzen tot beschermd gemeentelijk monument.

De rechtbank is met betrekking tot eisers betoog dat de verordening onverbindend is met het bepaalde in artikel 17 van het IVBPR, van oordeel dat dit betoog niet kan slagen. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is voor de regulering van het gebruik van eigendom vereist dat deze is voorzien bij wet, hetgeen inhoudt dat de beperking voorzienbaar en kenbaar moet zijn. Niet is vereist dat deze beperking dient te zijn opgenomen in een wet in formele zin; verwezen zij in dezen naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009 (LJN BJ3402). Gelet op de voornoemde artikelen van de verordening is er geen grond voor het oordeel dat in dit geval niet aan de vereisten van voorzienbaarheid en kenbaarheid is voldaan. Voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ ziet de rechtbank daarom geen enkele aanleiding.

2.8. Verweerder heeft verwezen naar het advies van de Monumentencommissie van 18 mei 2008. Uit dit advies blijkt onder meer dat deze commissie ongeveer 230 potentiële gemeentelijke monumenten heeft geselecteerd. Vervolgens heeft Buro4 Monument en Ruimte opdracht van de gemeente gekregen om voor deze monumenten een redengevende omschrijving te maken waarin op basis van een waardestelling de bescherming van het betreffende pand wordt bepaald. Deze omschrijvingen zijn door de Monumentencommissie bestudeerd en becommentarieerd. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze van eiser heeft de Monumentencommissie de redengevende omschrijving met betrekking tot het pand op een aantal onderdelen aangepast.

Verder heeft verweerder verwezen naar het advies van de Monumentencommissie van 19 februari 2009. In dit advies heeft deze commissie geconcludeerd dat niet één enkel element van het pand de waarde van een monument bepaalt, maar alle elementen samen. Het oorspronkelijke ontwerp heeft een bijzondere architectonische en esthetische kwaliteit in vergelijking met de gebruikelijke bebouwing van die tijd. Dit heeft mede te maken met de toenmalige functie van het pand, namelijk pastorie. Middels de verschijningsvorm werd de voornaamheid van het gebouw (de pastorie) en zijn bewoner (de pastoor) tot uitdrukking gebracht. Dit is zowel cultuurhistorisch als architectonisch van belang. Gezien deze achtergrond vormt het pand een uniek object voor de kern van [plaats], waardoor sprake is van architectuur- en bouwhistorische zeldzaamheid. Het feit dat het gebouw in de loop der jaren veranderingen heeft ondergaan en niet geheel oorspronkelijk is, doet daar niets aan af. De belangrijkste oorspronkelijke elementen zijn nog aanwezig en het oorspronkelijke beeld is herkenbaar gebleven. Het gebouw vormt hierdoor een markant en beeldbepalend onderdeel van de straatwand en de historische nederzettingsstructuur. Het feit dat het bouwwerk terugligt van de weg, accentueert het bijzondere karakter van het pand.

De rechtbank is van oordeel dat uit de definitieve redengevende omschrijving van het pand en het laatstgenoemde advies van de Monumentencommissie de waarde van het pand als monument voldoende tot uitdrukking komt. Verweerder heeft genoegzaam uiteengezet dat het pand een cultuurhistorische, architectonische en bouwhistorische waarde heeft en dat het beeldbepalend is voor de omgeving. Niet aannemelijk is geworden dat de beschrijving van het pand naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder deze niet aan zijn standpunt over de monumentale waarde van het pand ten grondslag had mogen leggen. Overigens heeft eiser zelf geen deskundigenrapport ingebracht waaruit het tegendeel blijkt. De door eiser, in zijn beroepschrift gerubriceerd onder punt a t/m d, naar voren gebrachte feitelijke onjuistheden in de redengevende omschrijving, wat daarvan ook zij, zijn niet zodanig dat zij het positieve advies over de monumentwaardigheid van het pand aantasten; verwezen zij in dezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2007 (LJN BB4719), waarin is geoordeeld dat feitelijke onjuistheden in de omschrijving van het pand niet zonder meer de waarde van een object hoeven aan te tasten. Verder blijkt uit deze uitspraak dat het ondergaan van wijzigingen in het pand (waarvan in het onderhavige geval sprake is geweest) niet maakt dat het pand als geheel niet als gemeentelijk monument mag worden beschouwd. Eisers stelling dat verweerder niet weet wie de architect van het pand is en niet over bouwtekeningen van het pand beschikt, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

2.9. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder zijn privacy, persoonlijke levenssfeer en eigendomsrecht moet respecteren, stelt de rechtbank vast dat haar niet is gebleken dat, zelfs al mocht de onderhavige aanwijzing tot gevolg hebben dat eiser niet meer vrij over het pand kan beschikken, eisers situatie zich onderscheidt van andere eigenaren en gebruikers van als beschermd monument aangewezen panden, in welk kader zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2007 (LJN BB4333). Hierin kan derhalve geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid het belang bij aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiser bij het achterwege laten van die aanwijzing.

2.10. Ten slotte ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder desalniettemin op grond van artikel 8 van het EVRM, artikel 17 van het IVBPR, artikel 10 van de Grondwet, de artikelen 118 tot en met 121 van de Resolutie en artikel 6 van het Verdrag van Lissabon had moeten afzien van gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot het aanwijzen van het pand tot gemeentelijk monument. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Voor zover eiser heeft verwezen naar het Verdrag van Lissabon stelt de rechtbank vast dat dit verdrag eerst op 1 december 2009 in werking is getreden, zodat verweerder reeds hierom niet gehouden was het (voor deze datum genomen) bestreden besluit aan dit verdrag te toetsen.

Met betrekking tot eisers verwijzing naar de artikelen in de Resolutie, overweegt de rechtbank dat een resolutie politieke wilsverklaringen inhoudt, waardoor daaruit voor de burgers geen rechten en plichten kunnen voortvloeien.

Ten aanzien van eisers verwijzing naar de artikelen in het EVRM, IVBPR en de Grondwet, overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht is toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 17 van het IVBPR en artikel 10 van de Grondwet bevatten vergelijkbare bepalingen.

De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid van verweerder tot aanwijzing van het pand tot gemeentelijk monument bij wet is voorzien. Uit artikel 149 van de Gemeentewet volgt immers dat de raad verordeningen maakt die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. Zelfs al zou sprake zijn van strijd met het recht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, dan is de voornoemde inmenging van verweerder in de uitoefening van dit recht toegestaan. Verweerder heeft derhalve terecht in artikel 8 van het EVRM en de daarmee vergelijkbare artikelen in het IVPBR en in de Grondwet geen aanleiding hoeven te zien om toepassing van zijn bevoegdheid op grond van de voornoemde artikelen achterwege te laten.

Al het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

2.11. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag. Het bedrag van de reiskosten van eiser wegens het tweemaal bijwonen van de zitting wordt vastgesteld op € 39,52, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse. Het bedrag van de door eiser gemaakte verletkosten wordt vastgesteld op € 371,63, zijnde zeven keer het in het Bpb genoemde maximale uurtarief ad € 53,09. De door eiser verzochte (integrale) vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand omdat hij in zijn hoedanigheid van advocaat optreedt, wijst de rechtbank af. Een dergelijke veroordeling kan namelijk uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar beroep;

2. verklaart het beroep voor het overige gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

4. bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 vergoedt;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 411,15, te vergoeden door verweerder aan eiser.

Aldus gedaan door R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van B.C.A. Fastré als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2010.

w.g. B. Fastré w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Tegen deze uitspraak staat het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrecht¬spraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.